Verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Deventer 2007 Inhoud Hoofdstuk 1 Vormen van de te verstrekken voorzieningen Algemeen Regels algemene voorzieningen Het PGB Uitzonderingen PGB Voorwaarden PGB Omvang van het PGB PGB en huishoudelijke hulp PGB in tegenwaarde natura Uitbetaling PGB 1.4.Controle bij het PGB of de financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen Hoofdstuk 2 Inkomensberekening, eigen bijdragen en eigen aandeel Inkomen in Wmo Inkomensgrenzen Eigen bijdrage regeling in Deventer Besparingsbijdrage Hoofdstuk 3 Het voeren van een huishouden, onderdeel woonvoorzieningen Uitsluitingen Algemene woonvoorzieningen Verstrekkingmogelijkheden woonvoorzieningen Primaat verhuizing Factoren besluitvorming primaat verhuizing Procedure verhuizing naar (beter) aangepaste woning Verhuis- en inrichtingskosten Geen eis bij verhuizing naar ADL woning Verhuizen voordat op aanvraag is beslist Uitbetaling bij verhuizing Bouwkundige voorzieningen Normaal gebruik woning Geen therapeutische doelen en incidenteel karakter Integrale beoordeling bij oplossing woonproblematiek Beperkingen woonvoorzieningen Verblijf aanvrager: hoofdverblijf Bezoekbaar maken van woning Van adequaat naar inadequaat Meest geschikte woning Aanpassingen gemeenschappelijke ruimten Eigen verantwoordelijkheid verhuizing Verhuizing naar AWBZ-instelling 3.6.8 Duurdere woning Niet-bouwkundige of niet woontechnische woonvoorzieningen Losse (roerende) voorzieningen Woningsanering in verband met CARA/COPD Bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen Primaat losse unit Uitbreiding van ruimten De uitraasruimte Kosten van woningaanpassingen Procedure aanvraag bij bouwkundige woningaanpassing Voorwaarden voor verstrekking PGB en uitbetaling financiële tegemoetkoming Hoofdstuk 4 Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het huishouden Algemeen Mogelijke voorzieningen Primaat algemene hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden in natura of door middel van een PGB Gebruikelijke zorg bij het huishouden Leefeenheid Omvang hulp bij huishouden Huiselijke hulp bij werkenden Huishoudelijk AWBZ-instellingen Particuliere tehuizen Geen gebruikelijke zorg voorhanden Voorliggende voorzieningen Indeling in klassen Hoofdstuk 5 Vervoersvoorzieningen Vormen van vervoersvoorzieningen Algemene vervoersvoorzieningen Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Primaat collectief vervoer Gebruik openbaar vervoer Vervoer korte en lange afstand Collectief vervoer Collectief vraagafhankelijk vervoer in Deventer 5.4.
- Doel van het vervoer Omvang aantal kilometers Typen vervoersvoorzieningen, geen collectief vervoer zijnde Een al dan niet aangepaste gesloten motorische buitenwagen Open buitenwagen: de scootermobiel Overige verplaatsingsmiddelen/vervoermiddelen (Gemotoriseerde) driewielfiets Autozitjes en fietszitjes Kindervoorzieningen Aangepaste fiets Loopfiets PGB voor vervoersvoorzieningen Leeftijd kinderen Compensatieregeling kort vervoer Herindicatie vervoersvoorziening Hoofdstuk 6 Verplaatsen in en rond de woning: de rolstoel Verplaatsen in en rond de woning De rolstoel Vormen van rolstoelvoorzieningen De algemene rolstoelvoorziening Rolstoel in natura en PGB De sportrolstoel Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door AWBZ-bewoners Hoofdstuk 7 Het medisch advies Aanleiding Toepassing artikel 32 Vmo Hoofdstuk 8 Verkrijgen van voorzieningen en motiveren van besluiten Aanvraag Uitzonderingen aanvraagformulier bij algemene voorzieningen Onderzoek – doelgroep Uitgangspunten en begrippen in Wmo en Vmo Invulling begrippen: compensatiebeginsel ziekte en gebrek langdurig noodzakelijk goedkoopst-adequaat in overwegende mate op het individuele gericht een algemeen gebruikelijke zaak aanvrager niet woonachtig in gemeente waar aanvraag wordt ingediend aard der gebruikte materialen hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw voor zover geen sprake is van meerkosten kosten gemaakt voorafgaand aan beschikking verloren gegane zaak Motivering van besluiten Wijziging in situatie melden Bijlagen Bijlage I: Overgangsrecht AWBZ ex artikel 41 Wmo Bijlage II: Overgangsrecht Wvg ex artikel 40 Wmo Bijlage III: Bij hoofdstuk 4: Handreiking normering hulp bij het huishouden Bijlage IV: Bij hoofdstuk 7: De ICF: Functies Bijlage V: Bij hoofdstuk 7: De ICF: Activiteiten en participatie Inleiding De invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) staat niet op zich zelf, maar maakt deel uit van een aantal maatregelen op het terrein van de zorg en maatschappelijke ondersteuning. De Wmo vervangt de Welzijnswet, de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG), regelingen voor de openbare geestelijke gezondheidszorg en delen van de AWBZ. De Wmo is een participatiewet en geen zorgwet. De Wmo richt zich op de maatschappelijke ondersteuning van de burgers. Met de Wmo kunnen gemeenten ondersteuning op maat verstrekken aan burgers die aanspraak hebben op de Wmo. In art. 4 Wmo is de compensatieplicht neergelegd. Met de compensatieplicht wordt aan de gemeente de verplichting opgelegd om, ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voorzieningen te treffen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de persoon in staat stellen: Een huishouden te voeren; Zich te verplaatsen in en om de woning; Zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. De wijze waarop de gemeente invulling heeft gegeven aan deze compensatieplicht is beschreven in de “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Deventer 2007”, die op 1 januari 2007 inwerking treedt. In deze verordening is bepaald dat het college nadere uitvoeringsregels stelt, die worden opgenomen in het “Besluit maatschappelijke ondersteuning Deventer ” en in het “Verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Deventer”. Beide door het college vast te stellen besluiten treden eveneens op 1 januari 2007 in werking. Bij het beleid worden twee belangrijke uitgangspunten gehanteerd: 1e: Bij de invulling van het begrip compensatieplicht zullen wij het begrip: ‘in aanvaardbare mate’ hanteren. Naar onze mening kan met de hantering van dit begrip aansluiting worden gezocht bij verschillende WVG uitspraken van de hoogste rechter waarbij aangegeven wordt, dat gelet op het stelsel van de WVG en/of op grond van de regels in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning kan worden gevergd, dat belanghebbende zich enige beperkingen getroost. 2e: Daarnaast is uitgangpunt van beleid het verstrekken van de “goedkoopst adequate voorziening”, waarbij het adequaat zijn van de voorziening voorop staat. Dit betekent in de praktijk dat de aanvrager niet altijd de door hem/haar gewenste voorziening krijgt. Ook zal voor elke aanvrager een andere specifieke (combinatie van) voorziening(en) de goedkoopste adequate voorziening zijn. (zie voor deze begrippen ook 8.4.1.) Aan de hand van de Vmo, het Besluit maatschappelijke ondersteuning Deventer, (voorheen Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten) en dit Verstrekkingenboek, kan voor elke aanvrager vastgesteld worden voor welke voorziening hij/zij in aanmerking komt en welke financiële regeling op de voorziening van toepassing is. In dit Verstrekkingenboek wordt aangegeven langs welke regels aanspraken concreet kunnen worden ingevuld. Ook wordt – waar nodig - een toelichting gegeven op het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Met deze beleidsregels wordt ernaar gestreefd om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Tevens is het beleid van de gemeente door deze beleidsregels toetsbaar voor de rechter. Gebruik van de beleidsregels Het Verstrekkingenboek bevat beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze regels normeren - geven nadere invulling aan - de uitoefening door het college van de bevoegdheden zoals die zijn neergelegd in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Deventer 2007 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning Deventer. Het gaat hier volgens de definitie van artikel 1:3 lid 4 Awb om regels omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van de bevoegdheden van en door het college. De bevoegdheid tot vaststelling van deze beleidsregels ontleent het college aan artikel 4:81 lid 1 Awb. De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Deventer 2007 geeft het college de benodigde bevoegdheden en regelt wat er verstrekt kan worden, het Besluit maatschappelijke ondersteuning regelt de bedragen van de PGB en de financiële tegemoetkomingen, de eigen bijdrage/eigen aandeel en deze beleidsregels normeren de wijze waarop het college bij het gebruik van zijn bevoegdheden tot een beslissing op de aanvraag komt. Afkortingen AAW = Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ADL = Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen Awb = Algemene wet bestuursrecht AWBZ = Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Bmo = Besluit maatschappelijke ondersteuning Deventer CAK = Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten CIZ = Centrum Indicatiestelling Zorg CrvB = Centrale Raad van Beroep MO-loket = Maatschappelijke ondersteuningsloket PGB = Persoonsgebonden budget Vmo = Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Deventer 2007 Wmo = Wet maatschappelijke ondersteuning WVG = Wet voorzieningen gehandicapten Hoofdstuk 1 Vormen van de te verstrekken voorzieningen 1.
- Algemeen Art. 6 van de Wmo bepaalt het volgende: “ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar PGB, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. Art. 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een PGB. Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit art. 7, lid 2 Wmo: “Een PGB en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Art. 6 is van overeenkomstige toepassing.” In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt – in navolging van de WVG – de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning (art. 5.3 lid 2 Bmo). Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen PGB genoemd worden. Ook zal een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om bijvoorbeeld een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding (art. 6.4 Bmo). 1.
- Regels algemene voorzieningen (art. 8a, 13a, 22a en 27a Vmo). Een andere vorm van verstrekken heeft betrekking op algemene voorzieningen. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet meer geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een individuele aanvraag kan indienen. Dan geldt echter de reguliere aanvraagprocedure. In de afzonderlijke hoofdstukken over huishoudelijk hulp, woon- vervoers- en rolstoelvoorzieningen wordt nader ingegaan op de kaders van deze voorzieningen. Op dit moment zijn nog geen concrete algemene Wmo voorzieningen voorhanden. Dit onderdeel zal worden meegenomen in het Wmo beleidsplan. Zodra er algemene voorzieningen zijn zullen wij deze alsnog opnemen in de betreffende hoofdstukken van dit Verstrekkingenboek. Zolang er geen algemene voorzieningen zijn kan een beroep worden gedaan op een individuele voorziening. 1.
- Het PGB In de Wmo worden gemeenten verplicht om burgers de keuze te bieden tussen een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een PGB. Dit geldt voor alle individuele voorzieningen. Over de termen financiële tegemoetkoming en PGB kan het volgende worden gezegd. Het onderscheid tussen deze begrippen is niet altijd even duidelijk. Daar komt bij dat soms financiële tegemoetkomingen forfaitaire financiële tegemoetkomingen zijn, net weer iets anders. De verschillen tussen deze verstrekkingswijzen kunnen het beste als volgt worden weergegeven. Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in artikel 7 lid 2 Wmo gebruikt waar gesproken wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan mede afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de aanvrager. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële tegemoetkoming kostendekkend zijn, tenzij er nog een algemeen gebruikelijk deel in het bedrag zit. Dat kan dan, als in deze beleidsregels dit is geregeld, in mindering worden gebracht, ook naast een eigen aandeel. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten en los van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal niet op het inkomen van de aanvrager worden vastgesteld. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel wel rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals bijvoorbeeld het tarief van het collectief vervoer. Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op dit pgb kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht, tenzij het om een rolstoel gaat. Ook hier kan eventueel met een algemeen gebruikelijk deel rekening worden gehouden. Het verschil tussen een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming is klein. Helder is wel dat bij een bouwkundige woningaanpassing die aan de eigenaar, niet de bewoner, moet worden uitbetaald, niet gesproken kan worden van een persoonsgebonden budget. 1.3.1Uitzonderingen PGB Niet in alle gevallen hoeft een PGB voor Wmo voorzieningen te worden verstrekt, aldus artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn. Het gaat dan om: met name personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Hierbij kan gedacht worden aan personen met een schuldenproblematiek, manisch depressieven en verslaafden. Als deze mensen echter een goed netwerk hebben die voor hen het beheer kan verzorgen, kan een PGB natuurlijk wel als keuze beschikbaar blijven. collectief vervoer: in een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een PGB zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een natura voorziening wegvallen. In art. 3 van de Vmo is het volgende bepaald: “Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als PGB. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een PGB niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Deventer neergelegde criteria.” Het vorenstaande is verder uitgewerkt in artikel 24 Vmo waarin (nog steeds) het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een PGB van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Tot slot heeft een uitwerking van het vorenstaande plaatsgevonden in artikel 2.2 lid 2 onder b van het Bmo. 1.3.
- Voorwaarden PGB Art. 6 van de Vmo bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het PGB. De eerste voorwaarde daarbij is dat een PGB alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen PGB verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een PGB verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Awb worden afgehandeld. 1.3.
- Omvang van het PGB Bij de omvang van de PGB dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: enerzijds het PGB voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden, anderzijds het PGB voor voorzieningen afkomstig uit de WVG, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. 1.3.4.PGB en huishoudelijke hulp Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De gemeente gebruikt klassen zoals ook in de AWBZ gehanteerd wordt. Het bedrag is gebaseerd op de bij het midden van de klasse behorende aantal uren, eveneens vermenigvuldigd met het uurbedrag dat 75 % is van het uurbedrag van zorg in natura. Dat betekent per klasse: Er wordt een bedrag beschikbaar gesteld dat per klasse per jaar bedraagt: Klasse Uren per week Tarief per jaar 1 0- 1,9 € 904,-- 2 2- 3,9 € 2.714,-- 3 4- 6,9 € 4.977,-- 4 7- 9,9 € 7.692,-- 5 10- 12,9 € 10.407,-- 6 13- 15,9 € 12.828,-- terwijl bij additionele uren die boven klasse 6 op basis van de hardheidsclausule worden toegekend. Als het aantal geïndiceerde uren of dagdelen hoger is dan de bovengrens van de bovenste klasse, dan wordt het tarief van de hoogste klasse verhoogd met het volgende bedrag: Klasse 1 vermenigvuldigd met het aantal uren of dagdelen waarmee de bovengrens van de hoogste klasse wordt overschreden. Ten behoeve van nieuwe aanvragers per 1 januari 2007 wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld zoals op dat moment door de zorgaanbieders aan belanghebbenden worden uitbetaald. Dit bedrag zal in de loop van het jaar 2007 worden bijgesteld, afhankelijk van de uitkomst van de aanbesteding huishoudelijke hulp. De vaststelling en de omvang van het PGB zijn geregeld in de artikelen 4.1 en 4.2 van het Bmo. Diegenen die op basis van overgangsrecht op 31 december 2006 een indicatie hebben zullen ook in het jaar 2007 deze bedragen nog ontvangen zo lang als de indicatie duurt, doch maximaal tot en met 31 december
- Deze bedragen worden in onderdeel 1 van bijlage 1 genoemd. In bijlage 1 bij dit Verstrekkingenboek is het overgangsrecht beschreven met betrekking voor hulp bij het huishouden als opvolging van de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ. 1.3.
- PGB voorzieningen in tegenwaarde natura De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. De gemeente is overigens niet verplicht een keuzevrijheid van leveranciers te bieden bij Wmo-hulpmiddelen (voorheen WVG-hulpmiddelen). In respectievelijk artikel 5.4, 6.4 lid 5 en artikel 7.1 lid 3 in het Bmo is (de omvang van) het PGB voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen nader uitwerkt. 1.3.
- Uitbetaling PGB Als het PGB budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het PGB is en (indien noodzakelijk) voor hoeveel jaar het PGB bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het PGB dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven program van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, hetgeen op zich weer aanleiding zou kunnen zijn tot nieuwe aanvragen. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen (PvE) onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet of helemaal geen voorziening wordt aangeschaft, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. Een nieuwe aanvraag zal dan worden afgewezen. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is (artikel 2.4 lid 8 Bmo). Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. Is de beschikking verzonden, dan kan het PGB beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een PGB voor hulp bij het huishouden. Om de betaling overzichtelijk te houden wordt gekozen dit PGB per maand, per kwartaal of per (half) jaar beschikbaar te stellen. Daarbij zal er rekening mee moeten worden gehouden dat bij betaling over een lange periode uitsluitend betaling achteraf problemen zal opleveren. Betaling per voorschot, of aan het begin van de periode, ligt dan voor de hand. De uitwerking van het vorenstaande heeft plaatsgevonden in art. 2.
- lid 5 van het Bmo. 1.4.Controle bij het PGB of de financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen In artikel 6 lid 5 van de Vmo is bepaald dat geen controle plaats vindt op de besteding van de verstrekte PGB. Er wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor woonvoorzieningen waarvan het bedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 10.000,--. De reden is als volgt: Het is in het belang van de gemeente dat de oorspronkelijke bewoner de woningaanpassing daadwerkelijk uitvoert voor het geval dat de woning vrijkomt en deze door een andere ondersteuningsbehoevende kan worden gebruikt. Bij een aanzienlijke investering in de woning bestaat de mogelijkheid dat deze in waarde stijgt. Het is in dat geval redelijk dat de eigenaar een deel van deze waardestijging bij verkoop terugbetaalt aan de gemeente (zie ook artikel 21 Vmo). Met deze controle waarborgt de gemeente dat met de toegekende financiële middelen de woningaanpassing plaatsvindt. In artikel 5.9 Bmo is geregeld dat de aanvrager bij een woningaanpassing van meer dan € 25.000,-- gehouden is om een deel van de voorziening terug te betalen indien de aanvrager de woning verkoopt. Dit geldt dus slechts bij woningaanpassingen van meer dan € 25.000,--. Hoofdstuk 2 Inkomensberekening, eigen bijdragen en eigen aandeel 2.1.Inkomen in Wmo De gemeente heeft de mogelijkheid om een eigen bijdrage te vragen bij een voorziening in natura of in de vorm van een PGB (artikel 15 lid 1 Wmo). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de hoogte van de financiële tegemoetkoming afhankelijk te stellen van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot (het zogenaamde eigen aandeel; artikel 19 lid 1 Wmo). In beide gevallen is het inkomen mede bepalend voor de vraag of een eigen bijdrage of aandeel is verschuldigd en zo ja, tot welk bedrag. Artikel 4.
- van het (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning welk inkomen relevant is. Het gaat hierbij niet om het actuele inkomen, maar om het inkomen over het peiljaar. Het peiljaar is het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin aan een persoon maatschappelijke ondersteuning is verleend. Dit betekent dat voor het berekenen van de eigen bijdrage in 2007 wordt uitgegaan van de inkomensgegevens uit
- Twee situaties Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee situatie: 1Over het peiljaar is of wordt een aanslag inkomstenbelasting vastgesteld. Het inkomen is dan gelijk aan het verzamelinkomen bedoeld in artikel 2.18 Wet Inkomstenbelasting in het peiljaar. 2Overige gevallen Het inkomen is gelijk aan het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 Wet op de loonbelasting 1964, in het peiljaar. Verzamelinkomen Het verzamelinkomen is het totaal van de inkomsten en aftrekposten in de drie boxen. Dit is het belastbaar inkomen uit: Werk en woning (box 1) Het totaal van de inkomsten uit aanmerkelijk belang (box 2) Het totaal van de inkomsten uit vermogen (box 3). Het verzamelinkomen staat vermeld op de aangifte inkomstenbelasting. De belastingdienst moet de inkomensgegevens verstrekken aan de gemeente (artikel 23 Wmo). Belastbaar loon In die gevallen waarin met betrekking tot het peiljaar geen aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, is het inkomen gelijk aan het belastbaar loon in het peiljaar. Het belastbaar loon is het loon verminderd met de zeedagenaftrek (artikel 9 lid 2 Wet op de loonbelasting
(2006). De belastingsdienst moet de inkomensgegevens verstrekken aan de gemeente (artikel 23 Wmo) Inkomen buitenland Inkomen dat in het buitenland wordt belast dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van nationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen bij de bepaling van het inkomen (artikel 4.
- lid 2 landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning). Aanzienlijk lager inkomen Het kan voorkomen dat het actuele inkomen van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, afwijkt van het inkomen in het peiljaar. Het peiljaar is immers het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin aan een persoon maatschappelijke ondersteuning is verleend (artikel 1 onderdeel f (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning). Indien redelijkerwijs te verwachten is dat het inkomen aanzienlijk lager is, dan kan op verzoek van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend een voorlopige vaststelling van het inkomen plaatsvinden. Een voorlopige vaststelling vindt plaats als het inkomen in het lopende jaar naar verwachting ten minste € 1.816,00 lager zal zijn. Na afloop van het jaar vindt de definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen (= verzamelinkomen of belastbaar loon) plaats. Om misbruik en oneigenlijk gebruik van de in artikel 4.
- lid 3 (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning geboden mogelijkheid tegen te gaan, is in artikel 4.2 lid 4 (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning een regeling getroffen op grond waarvan een naheffing kan plaatsvinden. Deze naheffing vindt plaats indien bij de definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen door het CAK blijkt dat met het uiteindelijk door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen of belastbaar loon niet voldaan wordt aan de voorwaarde van artikel 4.2 lid 4 landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning, te weten dat het inkomen ten minste € 1.816,00 lager is dan het verzamelinkomen of belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende kalenderjaar. Indien niet wordt voldaan aan deze voorwaarde, vindt alsnog toepassing van artikel 4.2 lid 1 (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning plaats. Op basis van het definitieve vastgesteld bijdrageplichtig inkomen wordt vervolgens het verschuldigde bedrag aan bijdragen gecorrigeerd en wordt de belanghebbende het nog verschuldigde bedrag in rekening gebracht. Inkomen echtgenoot/partner Artikel 4.1 lid 1 van het (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning regelt wat de gemeente maximaal aan eigen bijdragen en eigen aandeel per vier weken mag vragen of door het CAK mag laten opleggen. Hierbij wordt onder andere onderscheid gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden. Uit artikel 4.2 lid 1 van het (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning volgt dat bij gehuwden het inkomen van de persoon aan wie de maatschappelijke ondersteuning is verleend en het inkomen van zijn/haar partner relevant is bij het bepalen van de eigen bijdrage en het eigen aandeel. Het is daarom van belang te weten wanneer een persoon als gehuwd wordt aangemerkt. Dit is geregeld in artikel 1 lid 2 tot en met 7 Wmo. De volgende personen worden door de Wmo als gehuwd aangemerkt: Degene die gehuwd is in de zin van het Burgerlijk Wetboek (is vastgelegd in de GBA) en niet duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd (artikel 1 lid 3 onderdeel b Wmo); Degene die zijn partnerschap heeft geregistreerd (is vastgelegd in de GBA) en niet duurzaam gescheiden leeft van zijn geregistreerde partner (artikel 1 lid 2 Wmo jo. artikel 1 lid 3 onderdeel b Wmo); De ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloedverwant in de eerste graad betreft (artikel 1 lid 3 onderdeel a Wmo). Inkomen ouders Een andere belangrijke vraag is of het inkomen van de ouders een rol speelt bij het bepalen van het recht op een voorziening en het vaststellen van een eigen bijdrage, indien ten behoeve van het kind een voorziening wordt aangevraagd. Een duidelijk en eenduidig antwoord op deze vraag is echter niet te geven. Artikel 15 lid 1 Wmo bepaalt dat een eigen bijdrage alleen mag worden gevraagd aan een persoon van 18 jaar of ouder. De toelichting op artikel 15 Wmo geeft aan dat de bijdrageplicht voor onderhoudsplichtige ouders, zoals die in artikel 5 lid 2 WVG is geregeld, daarmee komt te vervallen. Artikel 5 lid 2 WVG regelt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming kan worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte, waarbij bij een gehandicapte jonger dan 18 jaar het inkomen van de ouders in aanmerking kan worden genomen. Artikel 6 lid 2 WVG bevat een soortgelijke bepaling voor de hoogte van de eigen bijdrage. In de memorie van antwoord (EK 2005-2006, 30 131, C) wekt de staatssecretaris echter de suggestie dat het inkomen van de ouders van minderjarige kinderen, in tegenstelling tot hetgeen de toelichting op artikel 15 Wmo doet vermoeden, wel een rol speelt in het kader van de Wmo. De staatssecretaris geeft aan dat bij personen beneden de leeftijd van 18 jaar de draagkracht van de ouders relevant is gelet op de zorgplicht van ouders voor hun kinderen. Aangezien ouders voor hun minderjarige kinderen de aanvragende partij zijn als het om maatschappelijke ondersteuning gaat, is het volgens de staatssecretaris logisch om artikel 4 lid 2 Wmo te interpreteren naar analogie van artikel 15 Wmo. Echter artikel 15 Wmo, en met name de toelichting hierop, duiden erop dat het inkomen van ouders niet relevant is, terwijl de staatssecretaris zegt dat de draagkracht van ouders wel relevant is. Binnenkort wordt hierover van de staatsecretaris meer duidelijkheid verwacht en zal dit Verstrekkingenboek op dit onderdeel worden aangepast. 2.
- Inkomensgrenzen De gemeente is bevoegd om ten aanzien van diverse soorten voorzieningen inkomensgrenzen te stellen. Dit houdt in dat de betreffende voorzieningen niet worden verstrekt aan belanghebbenden met een inkomen boven de inkomensgrens. Dit volgt uit lid 2 van artikel 4 Wmo. Het tweede deel van deze bepaling luidt: “houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met (…….) alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.” Het is deze bepaling die het college in staat stelt inkomensgrenzen te stellen voor bepaalde voorzieningen bij een bepaald inkomen. Bijvoorbeeld: bij een (verzamel)inkomen van € XX.000,-- wordt een aanvrager verondersteld woningaanpassingen zelf te kunnen bekostigen en wordt geen individuele voorziening meer verstrekt. Een dergelijke inkomensgrens bestond in de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) ook al, maar was daar gebaseerd op het begrip “algemeen gebruikelijk”. Dit was een begrip dat vooral in de jurisprudentie van de CRvB was uitgewerkt, en met name leidde tot een inkomensgrens voor vervoersvoorziening. De formulering van artikel 4 lid 2 Wmo is echter veel algemener. Wellicht kan zelfs gedacht worden aan een formulering waarbij alle individuele voorzieningen boven een bepaald (verzamel)inkomen niet meer verstrekt hoeven te worden. Het moge duidelijk zijn dat dit een belangrijk sturings- of besparingselement is voor een gemeente. Probleem is evenwel op welke plaats, bij welk inkomen, deze inkomensgrens gelegd moet worden. Hiervoor zal in ieder geval de rechter, indien hem een inkomensgrens ter toetsing (of het gevoerde beleid als redelijk beschouwd moet worden) voorgelegd wordt, een goede motivering eisen: waarom is deze grens gekozen. Bij invoering van de WVG waren er voor inkomensgrenzen voorbeelden, met name uit de AAW. Voor dit soort inkomensgrenzen kan niet teruggevallen worden op oude grenzen: dit is een geheel nieuw middel en bovendien ook een ingrijpend middel. De grens te laag bepalen kan aanvragers benadelen. Voor een goede inkomensgrens waarbij bepaalde voorzieningen of alle voorzieningen niet meer onder de werking van de Wmo vallen is onderzoek nodig. Op basis van financiële gegevens zal beoordeeld moeten worden boven welke grens het redelijk is dat men zelf in voorzieningen voorziet. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zal nader onderzoek doen naar inkomensgrenzen en het resultaat ervan zo snel mogelijk aan gemeenten mededelen. Wij wachten het resultaat van de VNG eerst af alvorens in dit Verstrekkingenboek een dergelijke inkomensgrens op te nemen. 2.
- Eigen bijdrage regeling in Deventer Artikel 4.
- lid 1 van het (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning (Algemene Maatregel van Bestuur) regelt wat de gemeente per vier weken maximaal aan eigen bijdrage en eigen aandeel mag vragen. Deze maxima zijn afhankelijk van het inkomen. Hierbij zijn er een aantal variabelen waaraan de gemeenten een (beperkte) eigen invulling kunnen geven. Deze variabelen zijn: standaardmaximum aan eigen bijdrage en eigen aandeel per vier weken (respectievelijk € 16,60 en € 23,80); de omvang van het inkomensafhankelijk deel, uitgedrukt in een percentage (15%); de grens vanaf waar de eigen bijdrage en het eigen aandeel met het inkomen gaat toenemen; deze grens is gelijk aan 120% van het verzamelinkomen op het sociaal minimum. De eerste twee genoemde variabelen kunnen alleen worden verlaagd. De onder punt 3 genoemde grens kan worden verhoogd en verlaagd. Dit volgt uit artikel 4.1 lid 2 (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning. Artikel 7 Vmo bepaalt dat bij een te verstrekken PGB een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het (CAK). Een eigen bijdrage voor een PGB (of een financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel) mag elke 4 weken gevraagd worden, maar mag nooit de grens die in het besluit is vastgelegd, te boven gaan. Ook mag een eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven gaan. Wordt een PGB (of een financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel) verstrekt voor een voorziening die in eigendom van de aanvrager wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage niet meer dan 39 perioden van 4 weken worden gevraagd. Gaat het om een PGB voor een doorlopende zaak die niet in eigendom wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage worden gevraagd zo lang als de voorziening wordt gebruikt. De eigen bijdragen regeling voor Deventer is met name uitgewerkt in de artikelen 1.2, 3.1 en 3.2 van het Bmo. 2.
- Besparingsbijdrage Wanneer een voorziening wordt verstrekt waarmee een algemeen gebruikelijke voorziening wordt vervangen of kan worden vervangen, zoals gebeurt bij verstrekking van een driewielfiets of een scootermobiel, zal alleen verstrekking van de meerkosten aan de orde zijn. Dat betekent dat het algemeen gebruikelijke deel niet vergoed zal worden. Het algemeen gebruikelijke deel zal door de aanvrager zelf betaald moeten worden in de vorm van een besparingsbijdrage. Artikel 3.
- van het Bmo bepaalt de omvang van de hoogte van het bedrag van deze besparingsbijdrage. Op grond van recente jurisprudentie onder de WVG is het de vraag of de besparingsbijdrage ook in de Wmo van toepassing is. In afwachting van duidelijkheid hierover hebben wij toch een besparingsbijdrageregeling opgenomen. Mocht zich in de Wmo een aanvraag voor een bovengenoemde voorziening voordoen, dan kan een besparingsbijdrage worden gevraagd. En mocht in de jurisprudentie onder de Wmo blijken dat een besparingsbijdrage niet is toegestaan dan kan de bepaling in het Bmo buiten toepassing blijven. Hoofdstuk 3 Het voeren van een huishouden, onderdeel woonvoorzieningen 3.
- Uitsluitingen Voor alles zal bepaald moeten worden of één van de uitsluitingen van artikel 18 van de Vmo van toepassing is: “De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.” Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. 3.
- Algemene woonvoorzieningen In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost met een algemene voorziening (artikel 13, onder a Wmo). Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem bij het normale gebruik van de woning. Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een PGB. Het is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de aanvrager tot het kiezen voor een PGB te beperken. Gaat het om een algemene voorziening, dan zal geen aanvraag worden ingediend. Een melding bij het MO loket is voldoende. Na een beperkte toets zal geregeld worden dat de algemene woonvoorziening wordt gerealiseerd. Als voorbeelden van een algemene voorziening kunnen worden genoemd de klussen- en boodschappendiensten. Op dit moment zijn nog geen algemene woonvoorzieningen voorhanden. Zodra dit het geval is zullen wij deze algemene woonvoorzieningen opnemen in het Verstrekkingenboek. Zolang er geen algemene voorzieningen zijn kan een beroep worden gedaan op een individuele voorziening. 3.
- Verstrekkingmogelijkheden woonvoorzieningen Als een algemene voorziening niet de oplossing is voor het woonprobleem, of als de aanvrager die niet wenst, zal een aanvraag voor een woonvoorziening moeten worden ingediend. In dat geval komen de onder b, c en d van artikel 13 van de Vmo genoemde verstrekkingmogelijkheden in aanmerking. Onder deze verstrekkingmogelijkheden kunnen de volgende concrete voorzieningen vallen: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een uitraasruimte. 3.
- Primaat verhuizing Artikel 16 Vmo regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. Het beleid is er op gericht zo goed mogelijk gebruik te maken van de voorraad aangepaste woningen en de aanpassingskosten zoveel mogelijk te beperken. In de WVG-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de CRvB. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van bijvoorbeeld de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan de toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol spelen bij de besluitvorming. 3.4.1.Factoren besluitvorming primaat verhuizing Het college zal een afweging maken tussen het verhuizen en het aanpassen van de huidige woonruimte, indien de kosten van de noodzakelijke aanpassing meer bedragen dan € 7.500,--. Bij het primaat van de verhuizing zal rekening worden gehouden met de volgende factoren:
- Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte: Er wordt een kostenafweging gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; de kosten van het PGB voor verhuiskosten; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning (art. 5.14 Bmo); een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving (art. 5.16 Bmo).
- De sociale omstandigheden: Sociale omstandigheden waarmee rekening wordt gehouden zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de ondersteuningsbehoevende met de huidige woonomgeving en de nabijheid van voor de ondersteuningsbehoevende belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de ondersteuningsbehoevende kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben.
- Integrale afweging van verschillende Wmo-voorzieningen: (met name vervoersvoorzieningen) Afstemming met overige Wmo-voorzieningen is van belang om te komen tot een besluit op een aanvraag. Afstemming met vervoersvoorzieningen kan een belangrijke rol spelen. Criteria zijn de afstand tot openbaar vervoerhaltes en de aanwezigheid van voorzieningen zoals winkelcentra. Als een woning dichtbij bovengenoemde voorzieningen ligt, kan het adequater zijn om de huidige woning aan te passen dan de betrokkene te laten verhuizen. De bereikbaarheid van de diverse voorzieningen is beter indien ze in de buurt liggen.
- Woonlastenconsequenties van de verschillende opties: Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. In het algemeen zal een woonlastenstijging tot 10% nog acceptabel worden geacht, rekening houdend met eventuele huurtoeslagmogelijkheden.
- De noodzaak om een probleem snel op te lossen: De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de WVG-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatieadvies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. 6.De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing: Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen. Een revisiebeding (een tot ontbinding leidende voorwaarde), zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen; De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen; Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingenaan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing aanpassen. Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. 3.4.
- Procedure verhuizing naar (beter) aangepaste woning Indien een verhuizing de goedkoopst/adequate oplossing is, wordt de ondersteuningsbehoevende meegedeeld dat toepassing wordt gegeven aan het primaat van verhuizing. De aanvrager zal dan, waar mogelijk met behulp van de gemeente, op zoek moeten naar een aangepaste of beter aanpasbare woning. Hierbij dient als volgt te worden gehandeld: • De ondersteuningsbehoevende dient zich in te schrijven bij woningbouwverenigingen. • Hij/zij werkt actief mee aan het vinden van woonruimte en gaat, eventueel na overleg met de gemeente, in op aanbiedingen. Indien een aanvrager een redelijk aanbod weigert, wordt het verzoek tot woningaanpassing afgewezen. • Indien tijdelijke maatregelen in de huidige woning noodzakelijk zijn, zal bekeken worden of die getroffen kunnen worden hetzij door inzet van artikelen uit bijvoorbeeld de Thuiszorg, hetzij door bijvoorbeeld bruikleenvoorzieningen door de gemeente. • De ondersteuningsbehoevende dient minimaal zes maanden actief te zoeken naar andere woonruimte. Indien het niet lukt om binnen de genoemde termijn een geschikte woning te vinden zal alsnog een woningaanpassing worden toegekend. Indien het primaat van verhuizing aan de orde is, maar er gelet op de urgente situatie en de verwachte duur van de woningaanpassing deze procedure toch in gang wordt gezet, kan de beslissing herzien worden indien tussentijds een geschikte woonruimte beschikbaar komt en nog niet daadwerkelijk met de bouwactiviteiten is gestart. Reeds gemaakte kosten worden vergoed. 3.4.3.Verhuis- en inrichtingskosten Ingeval tot de conclusie wordt gekomen dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor het woonprobleem van de aanvrager dan gelden de volgende uitgangpunten: Verhuis- en inrichtingskosten zijn in drie situaties aan de orde: de aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning. de aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast. voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont (art. 5.14 lid 2 Bmo). Geen verhuis- en herinrichtingskosten wordt verstrekt ingeval: een verhuizing algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie; het een verhuizing betreft wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen (voorspelbare omstandigheden); het een voorspelbare verhuizing betreft van senioren (voorspelbare omstandigheden); voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen; voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 20, aanhef en onder e van de Vmo wordt bepaald. 3.4.
- Geen eis bij verhuizing naar ADL woning Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost. Deze eis (goedkoopte-adequaat) wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep (met beperkingen) een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten (art. 5.14 lid 2 Bmo). 3.4.
- Verhuizen voordat op aanvraag is beslist Het college verstrekt in beginsel geen financiële tegemoetkoming voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing. 3.4.
- Uitbetaling bij verhuizing De uitbetaling (aan de aanvrager) vindt pas plaats als de belanghebbende een schriftelijk bewijs kan overleggen dat hij/zij het nieuwe huurcontract heeft getekend en/of is ingeschreven in het bevolkingsregister op zijn/haar nieuwe adres. 3.5 Bouwkundige voorzieningen 3.5.
- Normaal gebruik woning De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Uitzondering op normaal gebruik: uitraaskamer Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer (artikel 15 onder d Vwo). Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking (zie verder ook 3.7.5.) 3.5.
- Geen therapeutische doelen en incidenteel karakter Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. 3.5.
- Integrale beoordeling bij oplossing woonproblematiek Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt - conform de jurisprudentie van de CRvB onder de WVG - beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. 3.
- Beperkingen woonvoorzieningen 3.6.
- Verblijf aanvrager: hoofdverblijf In de artikelen 1 onder s en 19 van de Vmo komt het begrip hoofdverblijf voor. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkenezijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in degemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. Co-ouderschap In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. 3.6.
- Bezoekbaar maken van woning In artikel 19 in de leden 2 tot en met 5 Vmo is een uitzondering opgenomen voor het bezoekbaar maken van de woning. Het ‘bezoekbaar’ maken is overigens niet hetzelfde als het ‘logeerbaar’ maken. In geval van ‘logeerbaar’ maken wordt het voor de ondersteuningsbehoevende mogelijk gemaakt te overnachten en zich eventueel te douchen. Dat is bij het bezoekbaar maken niet aan de orde. Het gaat hier dus slechts om het bezoekbaar maken. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend de in lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat niet om gebruiken, maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich mee brengt, hetgeen niet past bij een bovenwettelijke taak. Onder bezoekbaar maken van een woning wordt dus minimaal verstaan dat de ondersteuningsbehoevende de woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken. Voor het bezoekbaar maken van de woning zal veelal de woning moeten worden aangepast, maar voorzieningen kunnen ook in natura worden verstrekt. De ondersteuningsbehoevende moet de aanvraag voor het bezoekbaar maken van een woning indienen in de gemeente waarin de betreffende woning is gelegen. Het bezoekbaar maken wordt eenmaal in de zeven jaar tot een maximum bedrag vergoed. In artikel 5.11 van het Bmo is de hoogte van de financiële tegemoetkoming opgenomen. 3.6.
- Van adequaat naar inadequaat De in artikel 20 Vmo onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden, enz. In deze situaties mag verwacht worden dat de aanvrager van tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Een uitzondering hierop kan gemaakt worden voor kleine aanpassingen in situaties waarin de verhuizing op grond van leeftijd of sociale omstandigheden gewenst of gebruikelijk is. Hierbij valt te denken aan ouderen die van een aangepaste woning verhuizen naar bijvoorbeeld een aanleunwoning of jongeren tot de leeftijd van 18 jaar die het ouderlijk huis verlaten om zelfstandig te gaan wonen. Aanpassingen kunnen dan getroffen worden tot maximaal € 750,
- 3.6.
- Meest geschikte woning Onder b van artikel 20 Vmo wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte, een niet geschikte of minder geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of van tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. 3.6.
- Aanpassingen gemeenschappelijke ruimten Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder artikel 20 onder c Vmo vastgelegd. Het betreft de volgende voorzieningen in de gemeenschappelijke ruimten: automatische deuropeners, hellingbanen, en extra trapleuningen. Andere dan de in dat artikel limitatief opsomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. Dit past niet bij een bovenwettelijke taak. 3.6.
- Eigen verantwoordelijkheid verhuizing Onder d. van artikel 20 Vmo worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. 3.6.
- Verhuizing naar AWBZ-instelling Het laatste punt, onder artikel 20 e Vmo is bij de verhuiskostenvergoeding onder 3.4.
- besproken. 3.6.
- Duurdere woning In de WVG is de zorgplicht van gemeente met betrekking tot woonvoorzieningen beperkt tot woonvoorzieningen die gelijk is aan of meer bedraagt dan € 45.378,00 gelet op het belang dat de WVG beoogt te beschermen. Gemeenten moeten op grond van de WVG in de verordening een specifieke hardheidsclausule hierover opnemen. Het is de vraag of de bovengrens voor woonvoorzieningen van € 45.378,00 ook in de Wmo van toepassing is. In afwachting van duidelijkheid hierover hebben wij toch een weigeringgrond opgenomen dat geen woonvoorziening wordt verstrekt waarvan de kosten meer bedragen dan € 45.378,
- Mocht zich in de Wmo een aanvraag voor een duurdere woonvoorziening voordoen, dan kan deze worden afgewezen. En mocht blijken dat het niet verstrekken van woonvoorzieningen boven € 45.378,00 niet is toegestaan, dan kan deze bepaling buiten toepassing blijven. In artikel 5.10 lid 1 onder a van het Bmo is opgenomen dat de woonvoorziening wordt geweigerd, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. 3.7.Niet-bouwkundige of niet woontechnische woonvoorzieningen Als tot de conclusie wordt gekomen dat verhuizen en de plaatsing van de losse unit geen optie is, kan een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening worden toegekend. Of de aanvrager in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Eerst zal worden gekeken of met een losse (roerende) woningvoorziening kan worden volstaan. Het betreft hier woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of niet woontechnische aard. Hieronder kunnen bijvoorbeeld hulpmiddelen voor baden, wassen en woningsanering in verband met CARA worden gerekend. 3.7.
- Losse (roerende) woonvoorziening Een woonvoorziening kan verstrekt worden als voorziening in natura. Dit zal vooral gelden voor kleinere, losse en daarom vaak herbruikbare voorzieningen, zoals tilliften, toiletstoelen en dergelijke. Bouwkundige woonvoorzieningen zullen naar hun aard over het algemeen niet als voorziening in natura aangeboden kunnen worden. Hier wordt geregeld dat bepaalde roerende woonvoorzieningen uitsluitend in natura worden aangeboden, om te voorkomen dat er sprake zal zijn van kapitaalvernietiging. Deze verstrekking en het niet bieden van een keuze voor een persoongebonden budget hangt samen met het vormen van een depot en de daarmee samenhangende herverstrekking. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om: tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken, traplift. Zowel op grond van rechtsinterpretatie als ook jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat er met betrekking tot een gemonteerde traplift geen natrekking plaatsvindt en de oorspronkelijke eigenaar (de bruikleengever) ook na montage de eigendom heeft behouden. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Het gaat hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vaste voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn: terminale situaties, situaties waarin mensen in een slooppand of te renoveren pand wonen. Tot slot zijn er een aantal artikelen die zich minder goed lenen voor hergebruik (b.v. een toiletstoel). Mede uit het oogpunt van efficiëntie kan hierom een losse woonvoorziening in eigendom worden verstrekt. 3.7.
- Woningsanering in verband met CARA/COPD De aanvrager kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA of C.O.P.D = Chronic Obstructive Pulmonary Disease. Dit is de huidige naam voor ziektebeelden die vroeger onder de naam CARA bekend waren zoals chronische bronchitis en longemfyseem) noodzakelijk is. Astma wordt nu als een apart ziektebeeld weergegeven, naast C.O.P.D. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke medische diagnose is gesteld. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA/COPD-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkene zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten. In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen vergoeding: Geen vergoeding wordt verstrekt indien: het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert; het artikel acht jaar of ouder is; er sprake is van een verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De financiële uitwerking heeft plaatsgevonden in artikel 5.19 van het Bmo. 3.
- Bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen Indien een losse (roerende) woonvoorziening niet tot een adequate oplossing leidt kan worden overgegaan tot een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard. 3.8.
- Primaat losse unit Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de Vmo nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 17 Vmo). Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het program van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. 3.8.2.Uitbreiding van ruimten Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de maximum aantal m2 aangehouden zoals opgenomen in bijlage 1 van het Bmo (zie ook artikel 5.7 Bmo), tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden. 3.8.
- De uitraasruimte De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf, maar is (onder de Wmo) omschreven in artikel 15, aanhef en onder d van de Vmo. Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. 3.8.4.Kosten van woningaanpassingen In artikel 5.2 van het Bmo is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming minus het eigen aandeel of het PGB minus de eigen bijdrage voor een woonvoorziening wordt vastgesteld. Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte. Daarin kan een aantal kosten teruggevonden worden. Te denken valt hierbij aan de kosten van bouw, maar ook aan eventuele kosten architect, kosten van vergunningen en kosten van toezicht. Door uit te gaan van de kosten van de goedgekeurde offerte is het mogelijk per offerte andere kosten mee te nemen. Zo zullen toezichtkosten bij een kleine verbouwing geen rol spelen. Om welke kosten, die betrekking hebben op de woningaanpassing het zal kunnen gaan is verder uitgewerkt in artikel 5.6 van het Bmo. Bij het vergroten van de woning wordt er overigens van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. 3.8.
- Procedure aanvraag bij bouwkundige woningaanpassing
- Vaststellen programma van eisen Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid of een externe adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. De woningeigenaar vraagt op basis van dat programma van eisen minimaal twee offertes bij een aannemer op. Als het gaat om een woningaanpassing beneden de € 2.250,-, dan hoeft er geen offerte te worden aangevraagd.
- Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt. De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming of als basis geldt voor het vaststellen van het financiële tegemoetkoming (artikel 5.2 Bmo).
- Het college geeft toestemming Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming of het PGB betrekking heeft.
- De eigenaar voert uit De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen.
- Het college controleert Bij een woningaanpassing die gelijk is aan of meer bedraagt dan het bedrag van € 10.000,--, verleent het college een PGB (een voorziening van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard) of een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing slechts indien de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren.
- Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de woningeigenaar. Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 15 maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. Bij een woningaanpassing die gelijk is aan of meer bedraagt dan het bedrag van € 10.000,--, gaat de gereedmelding vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het PGB of de financiële tegemoetkoming is verleend. Diegene aan wie het PGB of de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. 3.8.
- Voorwaarden voor verstrekking PGB (een voorziening van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard) en uitbetaling financiële tegemoetkoming Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college; Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing, indien het bedrag van de woningaanpassing gelijk is aan of meer bedraagt dan het bedrag van € 10.000,--; Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing, indien het bedrag van de woningaanpassing gelijk is aan of meer bedraagt dan het bedrag van € 10.000,--; Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (PvE); De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming; De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd, indien het bedrag van de woningaanpassing gelijk is aan of meer bedraagt dan het bedrag van € 10.000,--. Hoofdstuk 4 Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het huishouden 4.
- Algemeen De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de AWBZ, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over het “een huishouden te voeren” waaronder zowel in de Wmo als de Vmo ‘hulp bij het huishouden’ wordt verstaan. Dit gold ook al voor de woonvoorzieningen uit de WVG. Overigens zijn in dit Verstrekkingenbesluit twee bijlagen opgenomen die betrekking hebben op het overgangsrecht hulp in de huishouding (bijlage I) en de handreiking normering hulp bij het huishouden (bijlage III). 4.
- Mogelijke voorzieningen Artikel 8 van de Vmo geeft een drietal mogelijk te verstrekken voorzieningen aan: een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een PGB te besteden aan hulp bij het huishouden. 4.
- Primaat algemene hulp bij het huishouden Uit artikel 9 van de Vmo blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk dat deze vorm van hulp binnen de gemeente bestaat. Is dat niet zo, dan vervalt automatisch deze vorm van hulp. Is deze vorm van hulp wel aanwezig, dan gaat het, zo meldt de toelichting op artikel 8, om “een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager”. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Wat betreft het eerste aspect zal beoordeeld moeten worden of het gaat om een kortdurende voorziening. Daarbij moet gedacht worden aan situaties die maximaal drie tot zes maanden voortduren. Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe zorg, zoals bijvoorbeeld tijdelijke hulp bij het huishouden na een ziekenhuisopname. Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele zorgbehoefte, eveneens zoals een periode na een ziekenhuisopname. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door de behandelend arts van het ziekenhuis. Naast de duur is ook de omvang beperkt. Een uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te lange periode dat men op hulp moet wachten. Met de vorm algemene hulp bij het huishouden kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men meldt zich met de verwijsbrief bij het MO-loket. Daar wordt gecontroleerd of de verwijzing er is, of die duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Hierbij is geen sprake van een keuze voor een PGB. Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de AWBZ: ook onder de AWBZ werd bij een vraag die naar verwachting niet langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid voor een PGB geboden. Om te realiseren dat er weinig administratieve rompslomp is worden er geen eigen bijdragen gevraagd. Er vindt derhalve een eenvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp, en er wordt bij een positieve beoordeling direct toegekend en gerealiseerd, hetgeen in een brief wordt bevestigd. Mocht men aan het MO-loket aangeven niet met deze vorm van hulp in te kunnen stemmen, dan wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het gebruikelijke onderzoek. Deze vorm van algemene hulp bij het huishouden wordt dus alleen gerealiseerd indien men het daar mee eens is. De brief is dan alleen maar een bevestiging en geen beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaat. Wil men een beschikking, bijvoorbeeld omdat men een PGB wil, dan wordt die afgegeven. Er moet dus altijd overeenstemming bestaan over deze vorm van hulp. Te meer daar er geen eigen bijdrage wordt gevraagd, zal deze vorm van hulp altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend. Op dit moment zijn nog geen algemene voorzieningen voor hulp in de huishouden voorhanden. Zodra dit het geval is zullen wij deze algemene voorzieningen opnemen in het Verstrekkingenboek. Zolang er geen algemene voorzieningen zijn kan een beroep worden gedaan op een individuele voorziening. 4.
- Hulp bij het huishouden in natura of door middel van een PGB Artikel 9 lid 2 onder b Vmo bepaalt dat indien de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen voor hulp bij het huishouden in natura of een PGB, te besteden aan hulp bij het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (moa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van antirevaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager. Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden. 4.
- Gebruikelijke zorg bij het huishouden Artikel 10 van de Vmo bepaalt dat, “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt, een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg”. Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. 4.5.
- Leefeenheid Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd. 4.5.
- Omvang hulp bij huishouden Het vorenstaande betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas, enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen, maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. 4.5.
- Huiselijke hulp en werkenden Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat hierbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. 4.5.
- Huishoudelijk AWBZ-instellingen Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. 4.5.
- Particuliere tehuizen Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. 4.5.
- Geen gebruikelijke zorg voorhanden Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. De in de bijlage aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten (zie bijlage V van dit Verstrekkingenboek). 4.
- Voorliggende voorzieningen Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Op basis van de hardheidsclausule (art. 37 Vmo) kan in bijzondere situaties altijd – maar bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken. Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in bijlage III van dit Verstrekkingenboek kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan worden toegekend. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten, enz. De voorliggende voorziening moet wel in de gemeente Deventer beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Telkens zal moeten worden bezien of en zo ja welke voorliggende voorziening kan worden aangeboden. Hiertoe is nodig rekening te houden met de ‘sociale kaart’, zoals die in Deventer bestaat. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. 4.
- Indeling in klassen Artikel 11 van de Vmo gaat uit van de indeling in klassen. Deze optie is een aantal jaren ook in de AWBZ toegepast. Elke klasse is gekoppeld aan een minimum en maximum aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. De inrichting van de klassen geeft een zekere marge om schommelingen in de vraag om huishoudelijke hulp op te vangen. Bij de indicatiestelling wordt ook op deze wijze naar de cliënt gekeken. Het gemiddeld aantal uren zorg wordt vertaald naar een klasse. Wel wordt in de AWBZ onderscheid gemaakt tussen mensen die kiezen voor zorg in natura en mensen die kiezen voor een PGB. Degenen die kiezen voor zorg in natura krijgen het aantal geïndiceerde uren zorg geleverd dat past binnen de klasse waarin de klant is geïndiceerd, afhankelijk van de zorgbehoefte op dat moment. Dit geldt ook voor aanvragers die kiezen voor een PGB. De omvang van het PGB voor huishoudelijke hulp is ten hoogste 75% van de voorziening voor huishoudelijke hulp in natura, conform de tarieven zoals genoemd in artikel 4.
- van het Bmo. Bij toekenning in klassen wordt in principe de klasse toegekend op basis van de geïndiceerde uren waarbinnen het eindaantal uren valt. De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen bijdragen oplegt en int. Gaat het om een PGB, dan kan, indien aan het gestelde in artikel 6 Vmo is of kan worden voldaan en er geen overwegende bezwaren bestaan het PGB bij beschikking worden toegekend en kan ingevolge lid 4 van artikel 6 Vmo tot uitbetaling worden overgegaan. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing. Hoofdstuk 5 Vervoersvoorzieningen 5.
- Vormen van vervoersvoorzieningen Uit artikel 23 van de Vmo blijkt dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 23 Vmo blijkt verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met daarna een primaat voor het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst wordt gekeken of algemene voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden. Indien dat niet het geval is, wordt vervolgens gekeken of collectief vervoer het probleem kan oplossen. Is dat ook niet het geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking. 5.
- Algemene vervoersvoorzieningen Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen oplossen. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen moeten veelal nog ontwikkeld worden. Te denken valt aan een scootermobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootermobiels. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk. Op dit moment zijn nog geen algemene vervoersvoorzieningen voorhanden. Zodra dit het geval is zullen wij deze algemene voorzieningen opnemen in het Verstrekkingenboek. Zolang er geen algemene voorzieningen zijn kan een beroep worden gedaan op een individuele voorziening. 5.
- Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Artikel 25 Vmo biedt de mogelijkheid een inkomensgrens te stellen voor bepaalde vervoersvoorzieningen. In artikel 6.
- van het Bmo is bepaald dat bij een inkomen boven 1,5 maal het norminkomen bepaalde vervoersvoorzieningen niet worden verleend. In artikel 1.1 onder d van het Bmo is bepaald wat onder het norminkomen moet worden verstaan. Aanvragers met een inkomen boven deze grens kunnen bepaalde vervoersvoorzieningen niet krijgen. Het zijn dan de voorzieningen die de auto betreffen of voorzieningen die daaraan gelijk te stellen zijn. Dat is bijvoorbeeld de taxi. Voor een rolstoeltaxi geldt, dat alleen het taxigedeelte algemeen gebruikelijk is. Dat wil zeggen dat als vergoeding uitsluitend de meerkosten van de rolstoeltaxi ten opzichte van de taxi worden toegekend. 5.
- Primaat collectief vervoer Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of als naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het collectief vervoer. Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer. 5.4.
- Gebruik openbaar vervoer De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de CRvB geoperationaliseerd middels het loopafstandcriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(re) afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden. 5.4.
- Vervoer korte en lange afstand Komt men op grond van de criteria onder 5.4.1 (o.a. 800 meter) voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de CRvB op beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het dwingend voorgeschreven. 5.4.
- Collectief vervoer Wie problemen heeft op de afstanden gelijklopend met het openbaar vervoer komt op basis van artikel 24 Vmo in aanmerking voor collectief vervoer indien dit medisch gezien adequaat is. Dat zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de CRvB blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving (artikel 26 lid 1 Vmo). Zie ook: 5.4.
- Geen keuzevrijheid bij collectief vervoer Als uitgangspunt kent artikel 6 Wmo de wet keuzevrijheid voor de burger: die bepaalt zelf of hij van een voorziening in natura gebruik maakt of van een PGB. Die keuzevrijheid is evenwel niet ongeclausuleerd: de wet bepaalt dat overwegende bezwaren daartegen kunnen pleiten. De Tweede Kamer heeft aangegeven dat voorkomen moet worden dat het collectief vervoer gevaar loopt door artikel 6 Wmo en dat efficiencyoverwegingen kunnen worden beschouwd als ‘overwegende bezwaren’ als bedoeld in artikel 6 Wmo, voor mensen die met het collectief vervoer kunnen reizen. Iemand die als gevolg van zijn handicap beslist níet in staat is met het collectief vervoer te reizen, zal met gebruikmaking van een PGB een individuele voorziening kunnen treffen. Indien de gemeente op deze wijze invulling geeft aan de wet, vindt de regering dat de gemeente daarmee heeft voldaan aan het compensatiebeginsel en zich rekenschap geeft van de in het tweede lid van artikel 4 Wmo genoemde persoonskenmerken. Deventer heeft een systeem van Collectief Vraagafhankelijk vervoer (CVV). Daarom is in artikel 2.2 lid 2 onder b van het Bmo bepaald dat geen PGB wordt verstrekt als het in stand houden van een adequate (algemene) WMO-vervoersvoorziening wordt ondermijnd. Daarbij is het CVV expliciet genoemd. 5.4.
- Collectief Vraagafhankelijk vervoer in Deventer Het collectief vraagafhankelijk vervoer wordt in Deventer als volgt ingevuld: Een ondersteuningsbehoevende kan voor deelname aan het aanvullend vervoer in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het regulier openbaar vervoer of het bereiken van het regulier openbaar vervoer onmogelijk maken. Zie ook 5.4.
- Het CVV is een vorm van collectief vervoer, hetgeen inhoudt dat per rit meerdere mensen vervoerd kunnen worden. Van het CVV kan iedere dag van 6.00 tot 01.30 uur gebruik worden gemaakt binnen de gemeentegrenzen van Deventer en de regio; er kan tegen reductietarief gereisd worden tot maximaal 5 zones vanaf de woning. In de praktijk is dat een cirkel van 16 à 17 kilometer rond de woning. Het aantal ritten is gebonden aan een maximum (zie ook art. 26 lid 2 Vmo en onderdeel 5.5). De verlaagde ritprijs is gekoppeld aan het normale OV-busvervoer. Dit geldt ook voor een eventuele begeleider van de gehandicapte. Voor elke volgende persoon geldt het treintaxitarief. Een begeleider die om medische redenen noodzakelijk is, kan gratis meerijden. Het CVV geschiedt van deur tot deur. 5.4.5.Doel van het vervoer: het leven van alledag in de directe woon – of leefomgeving De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een Wmo-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Kader Wmo compensatieplicht Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht. a. Vervoer in verband met werkBij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. b. Vervoer in verband met vrijwilligerswerk Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald. De CRvB gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. c. Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of bezoek aan medische behandelaarsVervoer van en naar medische behandelaars viel niet onder de Wvg en valt evenmin onder de Wmo. Het is niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Bovendien zijn er voor bepaalde situaties voorliggende voorzieningen, zoals de Regeling Zorgverzekering. Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet te ontdekken, omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen ging. Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Ondanks het vorenstaande zullen wij toch een uitzondering maken voor personen met een beperking die binnen het bereik van het CVV-vervoer, dus in de regio, een bezoek moeten brengen aan een medisch specialist. Wij vinden dat deze bezoeken ook vallen onder het leven van alledag. Daarmee gaan wij verder dan de wet en de jurisprudentie ons oplegt. d. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen. e. Vervoer van kinderen door ouders met een beperking Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de CRvB in een uitspraak van 04-12-1998, nr. 97/2186 WVG. f. Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners. Op basis van artikel 2 van de WVG werd een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, voor wat betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners. Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen. Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Bijvoorbeeld door er in individuele gevallen vanuit te gaan dat voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. g. Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht c.q. compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding. h. Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners Onder de Wvg is de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners door jurisprudentie geconcretiseerd. Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie. De reguliere zorgplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel zorgplicht is voor regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - zorgplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van grote instellingen wordt deze situatie onder de WVG-jurisprudentie omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de zorgplicht valt. Voor wat betreft de frequentie wordt in de WVG-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk huis. Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt niet onder de WVG-zorgplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de CRvB. 5.
- Omvang aantal kilometers De omvang van het aantal kilometers is weergegeven in artikel 26 lid 2 van de Vmo. Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer, met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de WVG-jurisprudentie van de CRvB. 5.
- Typen vervoersvoorzieningen, geen collectief vervoer zijnde Als collectief vervoer niet adequaat is (of niet aanwezig is), zal een andere voorziening gekozen moeten worden. Het gaat dan om de volgende voorzieningen: een vergoeding van vervoer per eigen auto; vervoer per taxi; vervoer per rolstoeltaxi; een aanpassing van een eigen auto; een al dan niet aangepaste auto; een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen; een bruikleenauto; een scootermobiel; een ander vervoermiddel dan de vervoermiddelen genoemd in de onderdelen e, f, en h. De hierboven genoemde vervoersvoorzieningen worden verstrekt, wanneer blijkt dat om medische redenen het collectief vraagafhankelijk vervoer niet (alleen) adequaat is. De genoemde voorzieningen worden hieronder behandeld. Volledigheidshalve wordt hier aangehaald dat de hier gehanteerde volgorde, niet de volgorde van verstrekken is. Immers, de goedkoopst adequate oplossing en het primaat collectief vraagafhankelijk vervoer hebben de voorkeur bij de beslissing op een aanvraag voor een Wmo-vervoersvoorziening en dit kan per aanvrager verschillen. In met name de artikelen 6.
- en 6.4 van het Bmo staat aangegeven of de vervoersvoorzienig in de vorm van natura, PGB of financiële vergoeding zal worden verstrekt en welke bedragen beschikbaar worden gesteld. 5.6.1.Een al dan niet aangepaste gesloten motorische buitenwagen Een gesloten buitenwagen is een voertuig bestemd voor mensen met een functiebeperking. Het is dan ook als zodanig omschreven in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens en moet aan bepaalde eisen voldoen. Een gesloten buitenwagen is een (artikel 1 onder VV-1990) “voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een invalide, dat niet breder is dan een meter en niet is uitgerust met een motor dan wel is uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 of een elektromotor”. Deze gesloten buitenwagen kan een adequate voorziening zijn indien het collectief vervoerssysteem, scootermobiel dan wel een tegemoetkoming in het gebruik van de eigen auto c.q. taxi niet of onvoldoende adequaat is én er een medische indicatie bestaat voor een dergelijk voertuig. Hierbij kan gedacht worden aan ernstige beperkingen ten aanzien van wisselende weersomstandigheden. De gesloten buitenwagen is bedoeld voor de korte en de middellange afstanden. 5.6.
- Een open buitenwagen: de scootermobiel Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een scootermobiel moet eerst worden vastgesteld of volstaan kan worden met het verstrekken van een collectieve vervoersvoorziening. Voorziet het CVV niet of niet volledig in de mobiliteitsproblemen die de aanvrager ondervindt, dan kan een scootermobiel als aanvullende vervoersvoorziening worden verstrekt. Er wordt een scootermobiel verstrekt indien de zelfstandige verplaatsingsmogelijkheden, ook met het gebruik van een loophulpmiddel, dan wel een handbewogen rolstoel of een (driewiel) fiets, minder dan 500 meter bedraagt. Daarnaast moet er een zelfstandige vervoersbehoefte bestaan in de directe woonomgeving. Verstrekking van een aanvullende vervoersvoorziening is dus nodig indien er sprake is van een uiterst beperkte mobiliteit, d.w.z. verplaatsing over een korte afstand is niet mogelijk met behulp van andere hulpmiddelen, zoals wandelstok, rollator, rolstoel, fiets, fiets met hulpmotor, brommer, enz. Een aanvullende vervoersvoorziening heeft altijd betrekking op het opheffen van een verplaatsingsprobleem in de directe omgeving van zijn woning (ongeveer 1,5 kilometer rondom de woning). De oplaadkosten van de accu’s van de scootermobiel komen voor eigen rekening. Scootermobielen echtpaar Ervan uitgaande dat een echtpaar (of daarmee gelijk te stellen huishouden) een vervoersbehoefte heeft voor de korte afstand, komen zij, gelet op hun ernstig beperkte mobiliteit, beiden in aanmerking voor een aanvullende voorziening. Deze aanvullende voorziening kan bestaan uit een hulpmiddel zoals een scootermobiel, een financiële compensatie of een andersoortige compensatie om de kosten die de korte verplaatsingen opleveren (die niet-gehandicapten niet hebben omdat zij kunnen lopen) te compenseren. Indien er sprake is van een echtpaar waarvan de echtgenoten beide gehandicapt zijn en beide een zelfde vervoersvoorziening behoeven, dan kan de vervoersvoorziening worden afgestemd op hun gezamenlijke en gelijktijdige vervoersbehoefte. Het college kan in die omstandigheden de partner een scootermobiel verstrekken, maar er kan daarnaast ook een aanvullende vervoerskostenvergoeding worden verstrekt (of eventueel een duo-scootermobiel). Enkel en alleen op deze manier wordt belanghebbende in staat gesteld om in aanvaardbare mate in de directe omgeving van de woning sociale contacten te kunnen onderhouden en deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Criteria 2e scootermobiel: Voor het verstrekken van een tweede scootermobiel aan echtparen dienen een tweetal zaken onderzocht te worden. Ten eerste moet er sprake zijn van eenuiterst beperkte mobiliteit en ten tweede dient er een relevante gelijktijdige gezamenlijke vervoersbehoeftete bestaan. De volgende factoren spelen een rol bij de vaststelling van de mate waarin de vervoersbehoeften van de echtgenoten samenvallen: het bezoeken van vrienden en familie; winkelen en een bezoek aan de markt(en); bezoek kerk; bezoek kapper; bezoek bioscoop; bezoeken clubs; bezoeken sociaal culturele instellingen. Het echtpaar moet minimaal vijf maal per week gelijktijdig gezamenlijk gebruik maken van beide scootermobielen ten behoeve van een of meerdere van de bovengenoemde activiteiten. Indien niet aan deze criteria wordt voldaan, wordt geen tweede scootermobiel verstrekt. Vallen de vervoersbehoeften evenwel niet samen, of slechts ten dele, dan kan een financiële compensatie of andere compensatie worden gegeven: zie ook 5.
- Uitvoering van de scootermobiel De standaard verstrekking van (huur)scootermobielen betreft voorzieningen met een uitvoering van 10 km/uur met een actieradius van minimaal 20 km. Indien medisch noodzakelijk is het mogelijk om een scootermobiel te verstrekken met een extra geveerde stoel. Deze extra vering vangt meer schokken op bij het rijden over oneffen wegen dan de standaard vering. Berging scootermobiel Veelal worden scootermobielen gestald in schuurtjes of gemeenschappelijke ruimten van een wooncomplex. De gemeente moet een verantwoorde voorziening verstrekken. Dit betekent dat naast het gebruik van een scootermobiel, ook de stalling op een adequate wijze moet plaatsvinden. Vaak kan de scootermobiel gestald worden in de aanwezige berging door de berging anders in te delen waardoor ruimte ontstaat voor de scootermobiel. Deze herindeling van de berging gaat in overleg met de aanvrager, waarvan wordt verwacht dat deze medewerking verleend aan deze herindeling (gedeelde verantwoordelijkheid). Tevens kunnen aanpassingen aan de berging noodzakelijk zijn zoals het verbreden van een deuropening of het ophogen van het toegangspad van de berging. Zijn er helemaal geen stallingmogelijkheden nabij de woning van de aanvrager, dan kan een berging worden gerealiseerd. Hierbij moet blijken dat geen enkel andere mogelijkheid een oplossing biedt. Opgemerkt wordt dat het niet kunnen realiseren van een stalling voor de scooterm