← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (Leeuwarden)

Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; c. bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening Leeuwarden daaronder wordt verstaan; d. college: het college van burgemeester en wethouders; e. gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; f. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; g openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; h. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; i. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. j. weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan,. Artikel 1:2 Beslistermijn

  1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
  2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
  3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:
  4. Artikel 1:3 Indiening aanvraag vervallen Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
  5. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2 Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen
  6. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
  7. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden
  8. De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: - de openbare orde; - de openbare veiligheid; - de volksgezondheid; - de bescherming van het milieu.
  9. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daarvoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1:9 Experimenteerartikel
  10. In dit artikel wordt verstaan onder experimenteren: het door middel van het houden van één of meerdere pilots tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent of algemeen kan worden gemaakt.
  11. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten tot het houden van een pilot.
  12. Het college kan, bij wijze van experiment en in het kader van een pilot, afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening: a. artikel 2:10 (Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan); b. artikel 4:15 (Vergunningsplicht handelsreclame).
  13. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van een pilot.
  14. In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen: het doel van de pilot; de tijdsduur van de pilot; van welke regels wordt afgeweken; voor welk gebied de pilot geldt; en de voorwaarden die het college verbindt aan de pilot.
  15. De gemeenteraad wordt voor aanvang van een pilot door het college geïnformeerd over de pilot.
  16. Een pilot heeft een looptijd van ten hoogste twee jaar.
  17. Iedere gehouden pilot wordt geëvalueerd door het college. De uitkomsten van een dergelijke evaluatie worden ter kennis gebracht van de gemeenteraad. Als de evaluatie aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan het college besluiten, in afwijking van het zevende lid, een pilot met ten hoogste een jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van deze verordening of de daarop gebaseerde beleidsregels. Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Gereserveerd Artikel 2:1a Samenscholing en ongeregeldheden
  18. Het is verboden op openbare plaatsen of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.
  19. Het is verboden op openbare plaatsen of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een zaak bij zich te hebben waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de orde te verstoren dan wel schade aan zaken of letsel aan personen toe te brengen.
  20. Degene die op openbare plaatsen bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding geeft of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan aanwezig is dan wel zich in de richting van die gebeurtenis of dat voorval begeeft, vervolgt op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg in de aangegeven richting.
  21. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
  22. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het vierde lid gestelde verbod.
  23. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:1b Vermommingen
  24. Het is verboden zich vermomd, gemaskerd of op andere wijze onherkenbaar gemaakt op een openbare plaats te bevinden met het doel de openbare orde te verstoren.
  25. De burgemeester kan in verband met de openbare orde en veiligheid rondom voetbalwedstrijden een gebied aanwijzen en/of een tijdspanne bepalen waarin het verboden is gemaskerd of op andere wijze onherkenbaar gemaakt aanwezig te zijn. Artikel 2:1c Messen en andere voorwerpen als steekwapen
  26. De burgemeester kan wegen aanwijzen met inbegrip van daaraan voor het publiek toegankelijke gebouwen waar het verboden is, messen of andere voorwerpen, die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
  27. Dit verbod geldt niet voor wapens, behorende tot de categorieën I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie, en niet voor voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend.
  28. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt en die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend. Artikel 2:1d Openlijk gebruik en handel van drugs
  29. Het is verboden op of aan de weg in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben ten behoeve van gebruik van middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.
  30. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan de wegen in of op een voertuig te bevinden indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
  31. Het in het eerste lid en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen of activiteiten die in het belang van de Volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of de hulpverlening aan de verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd. Artikel 2:1e Aanwijzing Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:1f Aanwijzing overlastgebied
  32. De burgemeester kan een overlastgebied aanwijzen als naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde. Hij bepaalt daarbij of artikel 2:1g, artikel 2:1h of artikel 2:1i van toepassing is.
  33. Het is verboden zich in een overlastgebied op te houden in een groep van meer dan vier personen als dit leidt tot verstoring van de openbare orde.
  34. De burgemeester trekt de aanwijzing in zodra de dreiging van verstoring van de openbare orde in het overlastgebied naar zijn oordeel voldoende is geweken. Artikel 2:1g Verblijfsverbod
  35. De burgemeester kan degene die in een op grond van artikel 2:1 f, eerste lid aangewezen overlastgebied: a. het verbod tot samenscholen als bedoeld in artikel 2:1a, eerste lid; b. het verbod om steekwapens bij zich te hebben als bedoeld in artikel 2.1c, eerste lid; c. het verbod als bedoeld artikel, 2:1 d, eerste of tweede lid, om op of aan de weg, of in een voor het publiektoegankelijk gebouw of vaartuig openlijk stoffen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet voor handen te hebben of om post te vatten of zich heen en weer te bewegen of in/op een voertuig plaats te nemen en/of andere activiteiten uit te voeren, zoals omschreven in artikel 2:1d, tweede lid; d. het verbod als bedoeld in artikel 2:1 f, tweede lid, om zich in een groep van meer dan 4 personen op te houden in een overlastgebied; e. het verbod om de orde te verstoren bij een evenement als bedoeld in artikel 2:25i; f. het verbod als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, om diensten als prostituee aan te bieden; g. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:48 om op een openbare plaats in een aangewezen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of flessen, blikjes, en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met het kennelijke doel deze geheel of ten dele op de weg te nuttigen of te laten nuttigen; h. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:49 zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden of in, op of tegen een raamkozijn of drempel van een gebouw te zitten of te liggen, dan wel zich zonder redelijk doel te bevinden in de gemeenschappelijke ruimten van de in dat artikel aangegeven gebouwen; i. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:50 zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze bestemd is; j. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:65 om in aangewezen gebieden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen overtreedt of k. harddrugs, als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst koopt of verkoopt; l. geweldsdelicten pleegt of diefstallen uit auto's op of aan de weg pleegt of m. openlijk wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van 24 uur, of voor de duur van een evenement, indien er sprake is van het verstoren van de openbare orde bij een evenement, niet meer te bevinden.
  36. De burgemeester kan degene die in een overlastgebied een van de in het eerste lid genoemde overtredingen pleegt, bevelen om zich uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar niet meer te bevinden: a. voor de duur van 14 dagen als hem binnen een periode van zes maanden driemaal een bevel van 24 uur als bedoeld in het eerste lid is gegeven; b. voor de duur van een maand als binnen een jaar, nadat hem een bevel als bedoeld onder a is gegeven, opnieuw een overtreding wordt gepleegd; c. voor de duur van drie maanden als binnen een jaar, nadat hem een bevel als bedoeld onder b is gegeven, opnieuw een overtreding wordt gepleegd; d. voor de duur van drie maanden als binnen een jaar, nadat hem een bevel als bedoeld onder c is gegeven, opnieuw een overtreding wordt gepleegd.
  37. Degene die een bevel heeft gekregen als bedoeld in het eerste of tweede lid, is verplicht hieraan onmiddellijk te voldoen.
  38. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijke ontheffing verlenen van de verboden en geboden die voortvloeien uit het bevel, danwel van een of meer onderdelen daarvan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 2:1h Verblijfsverbod dealers
  39. De burgemeester kan degene die in een op grond van artikel 2.1 f, eerste lid, aangewezen overlastgebied zich op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te verkopen of te koop aan te bieden en die antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van drie maanden niet meer te bevinden.
  40. De burgemeester kan aan degene, aan wie eerder een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven en die binnen een periode van een jaar opnieuw de in dat lid genoemde bepalingen overtreedt, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar gedurende een periode van maximaal zes maanden niet meer te bevinden.
  41. Degene die een bevel heeft gekregen als bedoeld in het eerste of tweede lid is verplicht hieraan onmiddellijk te voldoen.
  42. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijke ontheffing verlenen van de verboden en geboden die voortvloeien uit het bevel, danwel van een of meer onderdelen daarvan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 2:1i Verblijfsverbod uitgaansgebied
  43. De burgemeester kan degene die in het tijdvak van donderdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur, in een op grond van artikel 2:1 f, eerste lid, aangewezen overlastgebied: a. het verbod tot samenscholen als bedoeld in artikel 2.1a, eerste lid; b. het verbod om steekwapens bij zich te hebben als bedoeld in artikel 2.1c, eerste lid; c. het verbod als bedoeld in artikel 2:1 f, tweede lid, om zich in een groep van meer dan 4 personen op te houden in een overlastgebied; d. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:48 om op een openbare plaats in een aangewezen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of flessen, blikjes, en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met het kennelijke doel deze geheel of ten dele op de weg te nuttigen of te laten nuttigen; e. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:49 zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden of in, op of tegen een raamkozijn of drempel van een gebouw te zitten of te liggen, dan wel zich zonder redelijk doel te bevinden in de gemeenschappelijke ruimten van de in dat artikel aangegeven gebouwen; f. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:50 zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze bestemd is; g. artikel 4:8 het verbod, zoals bedoeld en omschreven in artikel 4:8 om zijn natuurlijke behoefte op een openbare plaats te doen; h. het verbod een wapen van categorie I, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen en te vervoeren; i. het verbod, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Wet wapens en munitie een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen; overtreedt j. opruit dan wel heeft opgeruid als bedoeld in artikel 131 Wetboek van Strafrecht, middels strafbare feiten of tot geweld tegen het openbaar gezag opruit of opruit tot terroristische activiteiten; k. huisvredebreuk pleegt of heeft gepleegd als beschreven in dat artikel 138 Wetboek van Strafrecht; l. een woning of gebouw kraakt waarvan het gebruik door rechthebbende is beëindigd, zoals beschreven in artikel 138a Wetboek van Strafrecht; m. openlijk in vereniging geweld als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafrecht tegen personen of goederen pleegt; n. zich met geweld verzet of heeft verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn functie of een tegen een persoon die hem daarbij rechtmatig bijstand verleent, zoals bedoeld in artikel 180 Wetboek van Strafrecht; o. niet voldoet aan een ambtelijk bevel of een vordering door een ambtenaar belast met toezicht dan wel belast met het opsporen van strafbare feiten of iemand belast met de openbare dienst, zoals beschreven in artikel 184 Wetboek van Strafrecht; p. een ambtsbediening als bedoeld in artikel 185 Wetboek van Strafrecht belemmert; q. zich schuldig maakt aan een samenloop als beschreven in artikel 186 Wetboek van Strafrecht; r. handelingen verricht die zijn te kwalificeren als een feitelijke aanranding van de eerbaarheid als bedoeld in artikel 246 Wetboek van Strafrecht; s. bedreigt, dan wel openlijk in vereniging geweld te pleegt tegen personen of goederen, bedreigt met enig misdrijf waardoor gevaar ontstaat voor de algemene veiligheid van goederen en personen en/of andere handelingen, zoals beschreven in artikel 285 Wetboek van Strafrecht; t. een persoon belaagt of personen belaagt, zoals beschreven in artikel 285b Wetboek van Strafrecht; u. personen of een persoon, zoals bedoeld in artikel 300 Wetboek van Strafrecht, mishandelt; v. met voorbedachten rade personen of een persoon mishandelt, zoals bedoeld in artikel 301 Wetboek van Strafrecht; w. personen of een persoon opzettelijk zwaar mishandelt, zoals bedoeld in artikel 302 Wetboek van Strafrecht; x. personen of een persoon zwaar mishandelt met voorbedachten rade als bedoeld in artikel 303 Wetboek van Strafrecht; y. diefstal pleegt of heeft gepleegd met geweld of bedreiging als bedoeld in artikel 312 Wetboek van Strafrecht; z. vernielt, beschadigt dan wel goederen onbruikbaar maakt, zoals bedoeld in artikel 350 Wetboek van Strafrecht of; aa. in staat van dronkenschap in het openbaar de orde dan wel het verkeer verstoort, zoals bedoeld en beschreven in artikel 426 Wetboek van Strafrecht; bevelen om zich uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van het in de aanhef genoemde tijdvak niet meer te bevinden.
  44. Degene die een bevel heeft gekregen als bedoeld in het eerste lid, is verplicht hieraan onmiddellijk te voldoen.
  45. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijke ontheffing verlenen van de verboden en geboden die voortvloeien uit het bevel, danwel van een of meer onderdelen daarvan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Afdeling 2 Betoging Artikel 2:2 Optochten (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
  46. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
  47. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
  48. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
  49. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
  50. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen, opgenomen in 2:3) Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (Vervallen, opgenomen in 2:3) Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
  51. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college van burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen.
  52. Het college van burgemeester en wethouders kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
  53. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
  54. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Gereserveerd) Artikel 2:8 Dienstverlening (Gereserveerd) Artikel 2:9 Straatartiest 1 Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen op een openbare plaats.
  55. De burgemeester kan openbare plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid genoemde verbod niet geldt, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er wordt met ten hoogste 6 personen opgetreden; b. er worden geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten gebruikt; c. het optreden duurt niet langer dan één uur achtereen op dezelfde plaats; d. het optreden vindt plaats op meer dan 50 meter afstand van een andere straatartiest; e. het optreden vindt niet plaats op maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en 8.00 uur en op zondag vóór 13.00 uur en na 21.00 uur; f. het optreden vindt niet plaats op een markt of een evenement.
  56. Onder dezelfde plaats als bedoeld in het tweede lid, onder c., wordt verstaan iedere plaats die ligt op minder dan 100 meter afstand van een plaats die eerder die dag door de betreffende straatartiest is ingenomen.
  57. Door het optreden mag het voetgangers- en ander verkeer niet belemmerd worden en mag de toegang tot winkels en andere gebouwen niet geblokkeerd worden.
  58. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod.
  59. De burgemeester kan beperkingen stellen aan het aantal optredens van straatartiesten of aan het aantal straatartiesten dat gelijktijdig optreedt. Hij kan daarbij onderscheid maken naar categorieën straatartiesten.
  60. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan
  61. Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
  62. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. het plaatsen van voorwerpen of voertuigen op of aan de weg voorzover dit voldoet aan de voorwaarden gesteld in de door het college vastgestelde nadere regels; b. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; c. zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover: - elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en - elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en - elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; d. uitstallingen en losse reclameborden voorzover deze voldoen aan de voorwaarden gesteld in de door het college vast te stellen nadere regels; e. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; f. terrassen als bedoeld in artikel 2:34b; g. verkoopstandplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; h. een vaste plaats op een markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet.
  63. Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: a. deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg; b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of; c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
  64. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
  65. a. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Friesland. b. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. c. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; d. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
  66. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
  67. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  68. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
  69. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen.
  70. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4 Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, het Provinciaal wegenreglement Friesland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Leeuwarden.
  71. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het leggen, omleggen, vernieuwen, herstellen en verwijderen van kabels en buizen met toebehoren in wegen door een bedrijf dat zich in het kader van de openbare voorzieningen bezighoudt met de levering van gas, elektriciteit, water en/of warmte. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
  72. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
  73. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. het behoud van openbare parkeerplaatsen; d. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; e. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; f. indien op eigen erf niet minimaal over een ruimte voor het parkeren van een auto van 2,30meter breed en 5 meter diep kan worden beschikt; g. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
  74. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. Afdeling 6 Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
  75. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2 Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
  76. Artikel 2:14 Winkelwagentjes
  77. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.
  78. Het is verboden met een winkelwagentje, als bedoeld in het eerste lid, op een openbare plaats te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van die winkel of, indien de winkel is gelegen in een winkelcomplex buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcomplex. Als onmiddellijke omgeving van een winkel of winkelcomplex wordt aangemerkt de openbare plaats, grenzend aan die winkel of dat winkelcomplex en tevens een aan die openbare plaats aansluitende parkeerplaats.
  79. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
  80. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.
  81. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
  82. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:18 (Gereserveerd) Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
  83. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
  84. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
  85. Het verbod in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
  86. Artikel 2:20 Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel 2:20a Gevaarlijke voorwerpen
  87. Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
  88. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behorend tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie en voorzover door het bij zich dragen van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
  89. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
  90. Het college van burgemeester en wethouders maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:21a Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
  91. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
  92. Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
  93. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
  94. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
  95. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
  96. De gebruiker - of bij het ontbreken daarvan de rechthebbende - van een inrichting voor afvoer van water is, wanneer het ijs in of nabij een ijsbaan of ijsweg door uitstorting van dit water onbetrouwbaar is, verplicht onverwijld de gevaarlijke plaats aan te duiden door bakens, planken, palen of anderen voorwerpen op opvallende wijze langs de rand daarvan te plaatsen.
  97. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening Friesland. Afdeling 7 Evenementen Artikel 2:24 Begripsomschrijving
  98. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek, al dan niet met enige beperkingen, toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9, 2:39 en 2:26f van deze verordening; g. voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:26 en verder van deze verordening.
  99. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg; d. een feest of wedstrijd op of aan de weg
  100. In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde(n), die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet houden. Artikel 2:25 Evenement
  101. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
  102. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening kan aan de vergunning het voorschrift verbonden worden dat de organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking afsluit.
  103. Met het oog op de in artikel 2:25g en de in artikel 1:8 genoemde belangen, kan de burgemeester over de uitoefening van de bevoegdheden in deze paragraaf nadere regels vaststellen.
  104. Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet
  105. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:25a Buitenevenement
  106. Geen vergunning is vereist voor ééndaagse evenementen tot 300 bezoekers op een openbare plaats, indien dit past binnen de door de burgemeester vastgestelde nadere regels en de organisator van het evenement minimaal vier weken voor het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
  107. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Artikel 2:25b Binnenevenement
  108. Bij een evenement in een gebouw of een gedeelte daarvan dat bestemd is voor dat evenement, is vergunning vereist indien het totaal aantal van 2000 bezoekers in dat gebouw wordt overschreden, gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur.
  109. Bij een evenement in een gebouw of een gedeelte daarvan dat niet bestemd is voor dat evenement, is vergunning vereist indien er meer dan 50 bezoekers komen gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur.
  110. Geen vergunning is vereist bij een evenement in een gebouw of een gedeelte daarvan dat niet bestemd is voor dat evenement, indien er meer dan 50 bezoekers en minder dan 300 bezoekers komen gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur en de organisator van het evenement minimaal vier weken voor het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
  111. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het derde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
  112. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarop het in de vorige leden gestelde niet van toepassing is. Artikel 2:25c Indienen aanvraag
  113. De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, dient te geschieden door middel van een door of namens de burgemeester vastgesteld formulier minimaal 16 weken voor het evenement.
  114. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de gegevens van de organisator; b. de geplande datum, tijdstip en locatie van het evenement; c. een omschrijving van de aard en karakter van het evenement; d. het te verwachten aantal bezoekers. e. een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement plaatsvinden;
  115. De burgemeester kan bepalen dat de aanvraag vergezeld dient te gaan van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan.
  116. De burgemeester kan wegens bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van de in lid 1 genoemde termijn. Artikel 2:25d Vereisten organisator
  117. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen: a. hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij zijn ontzet; b. hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. hij moet de leeftijd van éénentwintig jaar hebben bereikt en d. hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning wordt aangevraagd.
  118. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder a., c. en d. gestelde vereiste. Artikel 2:25e Evenementenkalender
  119. De burgemeester stelt jaarlijks in december een Evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar.
  120. Degene die voornemens is een evenement van meer dan 2000 bezoekers te organiseren dient de burgemeester jaarlijks vóór 1 september te verzoeken het betreffende evenement te plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25c.
  121. Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend met uitzondering van het bepaalde in artikel 2:25g, tweede lid onder e.
  122. De burgemeester kan tot het moment waarop de in lid 2 bedoelde Evenementenkalender is vastgesteld, wegens bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van de in lid 2 genoemde termijn. Artikel 2:25f Samenvallen van evenementen
  123. Een vergunningplichtig evenement dat minimaal 2 jaar achtereen binnen eenzelfde periode heeft plaatsgevonden, heeft voorrang boven een nieuw te organiseren evenement.
  124. Een groter evenement heeft voorrang boven een kleiner evenement. Artikel 2:25g Weigeringsgronden
  125. De vergunning wordt geweigerd, indien: a. niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:25c of b. niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2:25d gestelde eisen;
  126. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd, indien: a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten; b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; c. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie; d. in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 2:25e reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan. e. het een evenement van meer dan 2000 bezoekers betreft en niet voldaan is aan de eisen van artikel 2:25e. Artikel 2:25h Schorsende werking andere vergunningen Bij het verlenen van de vergunning als bedoeld in artikel 2:25 juncto artikel 2:25a kan bepaald worden dat de werking van reeds geldende vergunningen voor het gebruik van de openbare plaats of het openbaar water in het gebied waar het evenement plaatsvindt wordt geschorst zolang dit noodzakelijk is in het belang van het evenement. Artikel 2:25i Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Artikel 2:25j Wanordelijkheden bij evenementen
  127. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.
  128. Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
  129. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie.
  130. Eenieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer en de bij de evenementen ingeschakelde functionarissen van beveiligingsorganisaties en toezichthouders in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Afdeling 7a Betaald voetbalwedstrijden Artikel 2:26 Begripsomschrijvingen In de navolgende bepalingen wordt verstaan onder: a. organisator: Betaald Voetbal Organisatie (BVO), Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) of een andere rechtspersoon dan wel een natuurlijke persoon die een voetbalwedstrijd organiseert; b. voetbalwedstrijd: een wedstrijd waarbij één van de spelende teams een Nederlandse of een buitenlandse BVO dan wel een vertegenwoordigend elftal van de KNVB is; c. supporter:
  131. persoon die door kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maakt bij de aanhang van een BVO te horen;
  132. dan wel een persoon die bij deskundigen als zodanig bekend is;
  133. dan wel een persoon die een wezenlijke of significante bijdrage levert aan de verstoring van de openbare orde, direct gerelateerd aan de plaats te vinden, plaatshebbende c.q. plaatsgevonden wedstrijd van de BVO; d. stadiongebiedsverbod: het verbod om zich gedurende een aangewezen periode op de dag van een voetbalwedstrijd te bevinden in een gebiedsgedeelte van de gemeente waarbinnen de kans op voetbal gerelateerde verstoringen van de openbare orde groot is hierbij rekening houdend met de woning of werkgebied of specifieke voorzieningen van en voor diegene aan wie het stadiongebiedsverbod is opgelegd; e. stadsverbod: het verbod voor supporters van een bezoekende club om zich op de speeldag van een voetbalwedstrijd en indien hiervoor gerede aanleiding bestaat een deel van de aan de wedstrijd voorafgaande dag te bevinden binnen de gemeentegrenzen dan wel een gebied binnen de gemeentegrenzen. Artikel 2:26a Melding wedstrijden
  134. De organisator is verplicht ten minste dertig dagen voor de vastgestelde speeldag van een voetbalwedstrijd een melding te doen aan de burgemeester;
  135. Indien een melding, gelet op het tijdstip waarop de speeldatum wordt vastgesteld, niet vier weken tevoren kan worden gedaan, dient de organisator van de na de vaststelling van de speeldatum hiervan de burgemeester schriftelijk in kennis te stellen, maar in ieder geval één week voor de speeldatum.
  136. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in de in het eerste lid bepaalde termijn.
  137. De melding bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen.
  138. De melding vindt uitsluitend schriftelijk en/of elektronisch plaats en bevat in elk geval: a. naam en adres van de organisator; b. dag, tijd en plaats van de voetbalwedstrijd c. namen van de deelnemende ploegen; d. verwachte risico’s voor verstoring van de openbare orde. e. maatregelen van de organisaties om verstoring van de openbare orde te voorkomen.
  139. De aanvrager strekt de burgemeester op diens verzoek aanvullende informatie. Artikel 2:26b Aanwijzingen aan de organisator De burgemeester kan ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde aanwijzingen geven verband houdende met de voetbalwedstrijd, zoals o.a. de aanvang van de wedstrijd, toeloop en vertrek van het publiek, aantallen bezoekers, inzet en inrichting van verlichting, parkeren. Indien de organisator die aanwijzingen niet opvolgt of blijk geeft die niet op te volgen kan de burgemeester overgaan tot het verbieden, zoals bedoeld in artikel 2:26c, van de wedstrijd. Artikel 2:26c Verbod van wedstrijden De burgemeester kan de wedstrijd verbieden indien: a. de melding niet tijdig is ingediend of indien naar zijn oordeel onvoldoende informatie is verstrekt; b. er gegronde vrees bestaat dat de organisator de opgelegde voorschriften niet zal naleven; c. hij gegronde vrees heeft de openbare orde niet te kunnen handhaven. Artikel 2:26d Aanwijzingen aan supporters
  140. De burgemeester kan aanwijzingen geven aan een supporter.
  141. Een aanwijzing voor een supporter die in het bezit is van een geldig toegangsbewijs kan inhouden onmiddellijk en rechtstreeks naar het stadion te gaan na aankomst in de gemeente en, indien hij niet in de gemeente woont, onmiddellijk en rechtstreeks na afloop van de wedstrijd de gemeente te verlaten en indien hij wel in de gemeente woont, zich niet te begeven naar/ in een omschreven gebiedsdeel van de gemeente, tenzij hij daar woont.
  142. Een aanwijzing aan een supporter die niet in het bezit is van een geldig toegangsbewijs kan inhouden onmiddellijk en volgens een aangegeven route naar een aangewezen plaats te gaan en, indien hij niet in de gemeente woont, onmiddellijk de gemeente volgens een aangegeven route te verlaten.
  143. Een aanwijzing aan supporters van een bezoekende BVO kan inhouden om binnen de gemeente in georganiseerd groepsverband te reizen. Artikel 2:26e Algemene verboden
  144. Het is een supporter verboden het voetbalveld voor, tijdens of na afloop van de voetbalwedstrijd zonder toestemming van de rechthebbende te betreden, of daarop voorwerpen te gooien.
  145. Het is een supporter verboden alcohol bij zich te hebben dan wel te gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd.
  146. Het is anderen dan de organisator verboden op of aan de weg toegangskaarten voor de voetbalwedstrijd met een commercieel doel aan te bieden of voor verkoop voorhanden te hebben.
  147. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6.van het Vuurwerkbesluit is het een supporter verboden pyrotechnische voorwerpen bedoeld om licht, rook of lawaai te produceren, bij zich te hebben dan wel te gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd, dan wel in het voetbalstadion. Artikel 2:26f Verstoring openbare orde
  148. Het is verboden de openbare orde te verstoren.
  149. Onder het verstoren van de openbare orde wordt verstaan het veroorzaken van onrechtmatige hinder of onrechtmatig gevaar voor één of meer personen dan wel goederen.
  150. Van een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde is sprake indien een supporter of een groep van supporters in de hoedanigheid van supporter de openbare orde verstoort, dan wel hieraan een bijdrage levert.
  151. Deze verordening onderscheidt al naar gelang de ernst van de veroorzaakte hinder of de gevaarzetting een geringe, beperkte, ernstige, gewelddadige en voor personen gevaarlijke, zeer gevaarlijke of fatale verstoring van de openbare orde.
  152. Een poging tot een van de in de artikelen 2:26j, 2:26k, en 2:26l genoemde gedragingen levert eveneens een verstoring van de openbare orde op. Artikel 2:26g Geringe verstoringen Als geringe verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen: a. natuurlijke behoefte doen op plekken die hiervoor niet zijn bedoeld; b. plegen van baldadigheid met gevaar of nadeel voor goederen; c. hinderen van het verkeer; d. zich op verboden terrein, anders dan het voetbalveld bevinden; e. gebruiken of onder invloed verkeren van een middel als verboden in de Opiumwet; f. bij zich hebben van alcohol dan wel gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd; g. bij zich hebben dan wel gebruiken op weg naar of van het voetbalstadion van pyrotechnische voorwerpen. Artikel 2:26h Beperkte verstoringen Als beperkte verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen: a. een ander in zijn vrijheid van bewegen belemmeren; b. zich aan iemand tegen diens wil opdringen of hem op hinderlijke wijze volgen; c. plegen van baldadigheid tegenover een andere persoon; d. niet voldoen aan de wettelijke verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden; e. een valse naam of van een valse hoedanigheid aannemen om iemand te bewegen tot de afgifte van een goed; f. plegen van valsheid in geschrifte; g. veroorzaken van gevaar op de weg; h. niet voldoen aan een bevel van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; i. beletten, belemmeren of verijdelen van enige handeling van een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; j. opgeven van verkeerde persoonsgegevens aan een bevoegd persoon; k. beledigen van een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; l. zich beledigend uitlaten over een groep mensen, of het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap; m. openbare dronkenschap; n. illegale verkoop van toegangskaarten. Artikel 2:26i Ernstige verstoringen Als ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen: a. niet naleven van een stadiongebiedsverbod; b. huisvredebreuk dan wel een poging hiertoe; c. lokaalvredebreuk dan wel een poging hiertoe; d. opruien tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; e. dragen van een wapen; f. vernielen van werken van openbaar nut; g. vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of weg maken van andermans goed; h. veroorzaken van verkeersongeval; i. niet naleven van een noodbevel; j. overtreden van noodverordening; k. diefstal of heling dan wel een poging hiertoe; l. brandstichten of ontploffing teweegbrengen met gevaar voor goederen; m. gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van vernielen van goederen; n. illegale handel; o. betreden van het voetbalveld voor, tijdens of na afloop een wedstrijd; p. gooien van al dan niet pyrotechnische voorwerpen op het voetbalveld. Artikel 2:26j Gewelddadige en voor personen gevaarlijke verstoringen Als zeer ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen: a. zich met geweld dan wel het dreigen met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; b. een ander met geweld of het bedreigen met geweld dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden; c. huisvredebreuk met geweld dan wel het dreigen met geweld; d. lokaalvredebreuk met geweld dan wel het dreigen met geweld; e. openlijke geweldpleging; f. oproepen tot gewelddadig gedrag; g. gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld; h. mishandelen; i. vechterij; j. aanwenden van een wapen tegen een persoon; k. plegen van diefstal met geweld of het dreigen met geweld; l. brandstichten of ontploffing teweegbrengen met gevaar voor personen. Artikel 2:26k Gewelddadige en voor personen zeer gevaarlijke verstoringen Als buitengewoon ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen die zwaar lichamelijk letsel veroorzaken: a. openlijk geweld plegen; b. gebruik van een wapen; c. mishandelen; d. zich met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; e. brandstichten of een ontploffing teweegbrengen. Artikel 2:26l Voor personen fatale verstoringen Als buitengewoon zeer ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen met de dood van een ander ten gevolge: a. openlijk geweld plegen; b. gebruik van een wapen; c. mishandeling; d. zich met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; e. brandstichten of ontploffing teweegbrengen. Artikel 2:26m Stadiongebiedsverbod
  153. De burgemeester kan aan een supporter die zich schuldig maakt aan een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde een stadiongebiedsverbod opleggen van: a. zes wedstrijden in geval van een geringe verstoring; b. 6 maanden tot een jaar in geval van een beperkte verstoring.
  154. De burgemeester legt aan een supporter die zich schuldig maakt aan een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde een stadiongebiedsverbod van: a. twee jaren in geval van een ernstige verstoring; b. drie jaren in geval van een gewelddadige en voor personen gevaarlijke verstoring; c. vijf jaren in geval van een gewelddadige en voor personen zeer gevaarlijke verstoring; d. tien jaren in geval van een voor personen fatale verstoring.
  155. Om dringende redenen kan de burgemeester (deels) ontheffing verlenen van het stadiongebiedsverbod. Artikel 2:26n Stadiongebiedsverbod bij vrees
  156. De burgemeester kan aan een supporter een stadiongebiedsverbod opleggen indien hij vreest voor een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde door die supporter.
  157. Van vrees is in ieder geval sprake indien een persoon zich in een andere gemeente in Nederland dan wel in een ander land heeft schuldig gemaakt aan ten minste een ernstige voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde.
  158. De termijn van dit stadiongebiedsverbod wordt bepaald door de ernst van de verstoring van de openbare orde.
  159. Om dringende redenen kan de burgemeester (deels) ontheffing verlenen van het stadiongebiedsverbod. Artikel 2:26o Aantoonplicht en kwijtschelding stadiongebiedsverbod
  160. De burgemeester kan bij het opleggen van een stadiongebiedsverbod aan een supporter de plicht opleggen om op een door hem voorgeschreven wijze aan te tonen dit stadiongebiedsverbod na te leven.
  161. De burgemeester kan op verzoek van de betrokkene de termijn van een stadiongebiedsverbod met een derde bekorten, indien de betrokkene aantoont het verbod gedurende twee derde van de termijn zorgvuldig te hebben nageleefd. Artikel 2:26p Recidive
  162. Indien de betrokkene tijdens de looptijd van het stadiongebiedsverbod of binnen een periode van twee jaren erna de openbare orde opnieuw verstoort, kan de burgemeester voor die gedraging een stadiongebiedsverbod opleggen van de dubbele tijdsduur van de categorie waarbinnen de verstoring van openbare orde valt.
  163. De termijn van dit stadiongebiedsverbod begint te lopen de dag nadat de termijn van het eerdere stadiongebiedsverbod is verstreken.
  164. Om dringende redenen kan de burgemeester ontheffing verlenen van het stadiongebiedsverbod. Artikel 2:26q Stadsverbod
  165. De burgemeester kan aan een supporter dan wel aan supporters van een bezoekende voetbalclub een verbod opleggen om zich binnen de gemeentegrenzen te begeven, indien er vrees bestaat voor ten minste ernstige voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde.
  166. De lengte van een zodanig stadsverbod bedraagt maximaal 48 uren.
  167. In individuele gevallen van dringende aard kan de burgemeester ontheffing verlenen van het stadsverbod. Afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven Artikel 2:27 Begripsomschrijvingen
  168. In deze afdeling wordt verstaan onder horecabedrijf de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was: a. logies wordt verstrekt: b. dranken worden geschonken; c. etenswaren of rookwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt; d. hoofdzakelijk etenswaren worden bereid om te worden afgehaald. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis.
  169. Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.
  170. Een terras in de zin van deze afdeling is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
  171. Onder leidinggevende wordt in deze afdeling verstaan: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd in een of meer inrichtingen; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanige openbare inrichting in een inrichting.
  172. Deze afdeling verstaat onder bezoekers eenieder behalve: a. leidinggevenden; b. personen die dienst doen in de inrichting; c. personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf
  173. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester: a. tenzij voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend; b. indien voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend en exploitatie plaats vindt in strijd met een categorale vrijstelling als genoemd in artikel 2:28c.
  174. Indien de exploitatie van een horecabedrijf, waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid is verleend, wordt uitgebreid of (ingrijpend) wordt gewijzigd, dient een nieuwe vergunning als bedoeld in het eerste lid te worden aangevraagd.
  175. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien: a. de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan; b. de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag overlegt, die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.
  176. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
  177. De burgemeester vermeldt in de vergunning: a. de vergunninghouder; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de plaats waar de inrichting zich bevindt; d. de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten en terrassen; e. de voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn verbonden.
  178. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.
  179. De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28f, tweede lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.
  180. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:28a Nadere eisen
  181. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:28: dient de leidinggevende: - minimaal de leeftijd van 21 jaar te hebben bereikt, met dien verstande dat leidinggevenden in bedrijven waar uitsluitend etenswaren en niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt minimaal de leeftijd van 18 jaar is bereikt; - te voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit eisen zedelijkheid gedrag Drank- en Horecawet 1999; - niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; - niet onder curatele te staan; dient het horecabedrijf waar uitsluitend etenswaren en niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt één lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 15 m² te hebben; dienen overige horecabedrijven één lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 35 m² te hebben.
  182. Van het gestelde in het eerste lid onder a, met betrek­king tot de leeftijdseis kan de burge­mees­ter ontheffing verle­nen voor maximaal een jaar, mits sprake is van een bij­zonder geval, dan wel indien gewich­tige belangen daar­toe aan­lei­ding geven.
  183. Van het gestelde in het eerste lid onder b, met betrekking tot de oppervlakte van 15 m², kan de burgemeester ontheffing verlenen voor bestaande horecabedrijven, waarvan de oppervlakte kleiner is dan 15 m², aan de vergunninghouder of zijn rechtsopvolger.
  184. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in arti­kel 2:28, indien niet wordt voldaan aan de nadere eisen als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28a, en daarvan geen ontheffing kan worden ver­leend. Artikel 2:28b Aanwezigheid van en toezicht door de leidinggevende
  185. Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op het aanhangsel vermelde leidinggevende in het horecabedrijf aanwezig is.
  186. Het in lid 1 genoemde verbod geldt niet voor een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.
  187. De leidinggevenden zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in het horecabedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie. Artikel 2:28c Categorale vrijstelling De burgemeester kan bij openbare bekendmaking: a. bepalen dat het exploiteren van categorieën horecabedrijven, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van vergunningplicht is vrijgesteld; b. voorschriften stellen aan de onder a. genoemde vrijstelling. Artikel 2:28d Indienen aanvraag Uiterlijk 8 weken voor de start of wijziging van de exploitatie van het horecabedrijf dient de vergunninghouder een aanvraag als bedoeld in artikel 2:28 ingediend te hebben middels een vastgesteld formulier. Artikel 2:28e Vervallen vergunning De vergunning vervalt: a. sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; c. de verlening van de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden; d. zodra de vergunninghouder kenbaar maakt de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk te hebben beëindigd. Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de vergunninghouder daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester. Artikel 2:28f Wijziging leidinggevende
  188. Indien een leidinggevende, als bedoeld in artikel 2:27, lid 4, zijn taak feitelijk heeft beëindigd, geeft de vergunninghouder daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging schriftelijk kennis aan de burgemeester.
  189. De leiding kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien deze door de vergunninghouder is gemeld bij de burgemeester en de burgemeester de ontvangst van deze melding onverwijld elektronisch of schriftelijk heeft bevestigd. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel en wordt getoetst aan de in artikel 2:28 en 2:28a gestelde eisen. Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden
  190. Het is de leidinggevende van een horecabedrijf toegestaan dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. van 08.00 uur tot 05.00 uur in gebied 1, met dien verstande dat het tussen 03.00 uur en 05.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht; b. van 08.00 uur tot 03.00 uur in gebied 2, met dien verstande dat het tussen 02.00 uur en 03.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht; c. van 08.00 uur tot 01.00 uur in gebied 3, met dien verstande dat het tussen 00.00 uur en 01.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht; zoals aangegeven op bijbehorende kaarten.
  191. In afwijking van het vorige lid geldt voor daghoreca en afhaalbedrijven in de gebieden 1 en 2 een openingstijd van 07.00 uur tot 22.00 uur en in gebied 3 een openingstijd van 08.00 uur tot 22.00 uur.
  192. Het is de leidinggevende van een horecabedrijf, zoals genoemd in lid 1, onder c, toegestaan om op Oudjaarsnacht, Nieuwjaarsnacht, beide Paasnachten, beide Kerstnachten, beide Pinksternachten, in de nacht volgend op 5 mei en in de nacht volgend op Koningsdag toegestaan het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers te laten verblijven tot 02:00 uur.
  193. Het is de leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in lid 1, onder a en b van dit artikel toegestaan een terras geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven van 08:00 uur tot 01:00 uur, met dien verstande dat het in de maanden juni, juli, augustus en september toegestaan is het terras in de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag tot 02:00 uur geopend te hebben.
  194. Het is de leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in lid 1, onder c, van dit artikel toegestaan een terras geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven van 08:00 uur tot 24:00 uur.
  195. De in het eerste en tweede lid genoemde verboden gelden niet voor de leidinggevende van een bedrijf waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt geboden voor zover het betreft activiteiten en handelingen die betrekking hebben op het vertrekken van logies.
  196. De burgemeester kan door middel van een ontheffing voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras een ander sluitings- en/of toelatingsuur vaststellen.
  197. Het in de vorige leden bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
  198. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:29a Overgangsrecht
  199. Voor horecabedrijven, gelegen in gebied 3, waarvoor op 15 januari 1998 andere sluitingstijden golden, blijft de toen geldende situatie van kracht, met uitsluiting van de bepalingen voor de sluitingstijden van terrassen;
  200. Voor horecabedrijven waarvoor op 1 mei 2017 latere sluitingstijden golden, blijft de toen geldende situatie nog vijf jaar na vaststelling van deze wijziging van het sluitingsuur van kracht. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting
  201. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, ingeval van exploitatie zonder vergunning of in strijd met de vergunning of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 of 2:29a geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
  202. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
  203. De burgemeester kan door middel van een ontheffing andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras. Artikel 2:31 Verboden gedragingen
  204. Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras; d. messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
  205. Eenieder is verplicht in een horecabedrijf alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven
  206. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
  207. De leidinggevende van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college van burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college van burgemeester en wethouders op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:28 tot en met 2:
  208. Artikel 2:34 Gereserveerd Artikel 2:34a Overige bepalingen Bij overlijden van een vergunninghouder kan het bedrijf worden voortgezet tot drie maanden na het overlijden, of indien binnen die termijn een nieuwe vergunning is aange­vraagd, tot het tijdstip waarop op de desbetreffende aan­vraag onherroepe­lijk is beslist. Artikel 2:34b Terrasvergunning horecabedrijf
  209. Het is verboden bij een horecabedrijf een terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
  210. Indien de vergunningaanvraag mede betrekking heeft op één of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen op de weg, beslist de burgemeester over de ingebruikneming van die weg ten behoeven van het terras. De burgemeester kan over de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vaststellen.
  211. Het verbod in het eerste lid geldt niet indien het terras zich geheel op eigen grond bevindt en onderdeel is van een horecabedrijf waar geen alcohol geschonken wordt.
  212. Onverminderd het gestelde in artikel 1.8 kan de burgemeester de in het tweede lid bedoelde ingebruikneming van de weg weigeren: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. c. in het belang van voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak; d. ingeval van strijd met de op grond van lid 2 vastgestelde nadere regels
  213. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement. Artikel 2:34c Gereserveerd Afdeling 8a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:34d Regulering paracommerciële rechtspersonen Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: - maandag tot en met zondag, vanaf een uur voor de activiteiten en uiterlijk twee uren na de activiteiten/bijeenkomsten/wedstrijden/trainingen. Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sociaal-culturele aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: - maandag tot en met zondag vanaf 10.00 uur tot 01.00 uur (eindtijd is gekoppeld aan de geldende sluitingstijden). Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van educatieve aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: - maandag tot en met zondag vanaf 10.00 uur tot 05.00 uur (eindtijd is gekoppeld aan de geldende sluitingstijden). Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: - maandag tot en met zondag vanaf 16.00 uur tot 23.00 uur (eindtijd is gekoppeld aan de geldende sluitingstijden). Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: maandag tot en met zondag van 18.00 uur tot 20.00 uur. Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens jeugdactiviteiten, jeugdwedstrijden en jeugdbijeenkomsten, waaraan jeugd tot 15 jaar deelneemt. Een paracommerciële rechtspersoon mag alcoholhoudende drank verstrekken tijdens ten hoogste 4 bijeenkomsten van persoonlijke aard of die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, waarbij fiscale wet- en regelgeving dienen te worden gerespecteerd. De paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk 3 weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het zevende lid, hiervan melding aan de burgemeester door middel van een meldingsformulier. Artikel 2:34e Beperking verstrekking sterke drank Het is tevens verboden anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting: waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt gegeven; b. welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer jeugd- of jongerenorganisaties of- instellingen. Hieronder wordt in ieder geval een jongerencentrum verstaan. Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister Gereserveerd. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, woonplaats, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Begripsomschrijvingen
  214. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid, waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
  215. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
  216. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien na zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beinvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
  217. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Speelautomaten
  218. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
  219. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
  220. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
  221. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
  222. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
  223. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
  224. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2:42 Plakken en kladden
  225. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
  226. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken , te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur‑ of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
  227. Het in het tweede lid gestelde verbod is tevens van toepassing op straatmeubilair, verkeersmeubilair en andere tot de inrichting van de weg behorende voorzieningen.
  228. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
  229. Het college van burgemeester en wethouders kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
  230. Het is verboden de in het vijfde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
  231. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
  232. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
  233. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur‑ of verfstof of verfgereedschap.
  234. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:
  235. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal
  236. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
  237. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas of andere voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
  238. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. Artikel 2:45 Gereserveerd Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.
  239. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
  240. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Friesland. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
  241. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.
  242. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
  243. Artikel 2:47a Liggen of slapen op openbare plaatsen
  244. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken en verder op een openbare plaats een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.
  245. Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder, overlast en ontsiering van het stadsbeeld.
  246. Het verbod geldt niet op door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. Artikel 2:47b Verplichte route
  247. Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken.
  248. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

(2)1. Het is verboden voor personen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, met het kennelijke doel deze geheel of ten dele op de weg te nuttigen of te laten nuttigen. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2:27, eerste en tweede lid; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank‑ en Horecawet. Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of de ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of die portiek; b. daardoor de doorgang ernstig belemmerd wordt. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt‑ en kermisterrein e.d. Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2:53 Bespieden van personen 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (Gereserveerd) Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren Het is verboden zonder dat daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat de politie, de brandweer of enig andere overheidsinstelling op welke wijze dan ook te alarmeren. Artikel 2:56 Alarminstallaties (Gereserveerd) Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een weg waar dat door borden is aangegeven; c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speel- en ligweide, recreatieterrein, natuurgebied, dan wel strand en andere door het college als zodanig aangewezen plaatsen; 2. Het in het eerste lid, onder a. vervatte verbod geldt niet voor door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen waar dat door borden is aangegeven, mits een hond los­loopt onder vol­doende geleide of toezicht 3. Het bepaalde in het eerste lid, onder b, geldt niet voor perso­nen die in verband met hun gezichtsvermogen gebruik maken van een blindengeleidehond, voor ambtena­ren van politie die voor de uitoe­fening van hun taak gebruik moeten maken van een surveil­lancehond of een speurhond en voor het be­stemmingsverkeer. 4. Van het in het eerste lid, onder a, vervatte verbod kan het college ontheffing verlenen voor een hond, die ingezet wordt ten behoeve van het hoeden van een schaapskudde. 5. Het in het eerste lid, onder a, vervatte verbod geldt niet voor hulphonden voor mensen met een motorische beperking mits: a. het een speciaal opgeleide hond betreft van een erkende organisatie voor hulphonden; b. de hond als zodanig herkenbaar is; c. de begeleider op verzoek een identiteitspas kan tonen van de erkende organisatie voor hulphonden. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden, paarden en pony’s 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van de hond in de openbare ruimte terstond worden opgeruimd. 2. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar de in lid 1 gestelde verplichting niet van toepassing is. 3. De eigenaar, houder of berijder van een paard of pony is verplicht ervoor te zorgen dat in de openbare ruimte, voor zover gelegen binnen de bebouwde kommen van de gemeente Leeuwarden, de uitwerpselen van het paard of de pony terstond worden opgeruimd. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; dan wel b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:61 Wilde dieren (Gereserveerd) Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:63 Duiven Het is verboden op de openbare weg (stads)duiven of andere overlastveroorzakende vogels te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren. Artikel 2:64 Gereserveerd Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw (winkels daaronder begrepen) om geld of andere zaken te bedelen. Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voorzover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32). Afdeling 13 Vuurwerk Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2:72 Gereserveerd Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:73a Carbidschieten 1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 2. Carbidschieten is verboden. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien het carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar, mits daarbij wordt voldaan aan de volgende voorschriften: a. er worden geen handelingen verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens en milieu; b. er wordt gebruik gemaakt van melkbussen met een maximale inhoud van 50 liter; c. de plek waar het carbidschieten plaatsvindt ligt buiten de bebouwde kom. d. de plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen: - op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing en; - op een afstand van tenminste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; e. het vrijschootsveld bedraagt tenminste 75 meter en hierin bevinden zich geen openbare wegen of paden en er wordt geschoten in een richting die is afgewend van woonbebouwing; f. indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang dient het terrein te worden verlicht. 4. De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het derde lid niet van toepassing is. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 6. Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht. 7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 14 Drugsoverlast Artikel 2:74 Verzameling van personen in verband met drugs of heling Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, danwel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 154a van de Gemeentewet, besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1a, 2:2, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:20a, 2:25j, 2:47, 2:47b, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 en 5:34. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden (Gereserveerd) Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. Afdeling 16 Voor publiek openstaande gebouwen Artikel 2:78 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(
  1. en)van het gebouw of het erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht, kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij: a. ernstige en herhaaldelijke geluid- of geurhinder; b. ernstige en herhaaldelijke hinder van dieren; c. ernstige en herhaaldelijke hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn; d. ernstige en herhaaldelijke intimidatie van derden vanuit de woning of het erf. Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling 1 Begripsomschrijvingen Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen erotische massage, al dan niet in combinatie met elkaar; d. erotische massagesalon: een seksinrichting, waar uitsluitend erotische massages plaatsvinden; e. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. i. hygiëne rapport: rapport van de GGD waaruit blijkt dat de hygiëne binnen de seksinrichting voldoet aan de op grond van 3:3 gestelde nadere regels. Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3:3 Nadere regels 1. Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. 2. Het college kan voor seksinrichtingen nadere regels stellen in het belang van de vrijheid, de veiligheid, de gezondheid of de arbeidsomstandigheden van de prostituees, de volksgezondheid, het voorkomen van strafbare feiten, het voorkomen of beperken van overlast of het voorkomen van aantasting van het woon- en leefklimaat. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van prostituees. Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3:4 Seksinrichtingen 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan gebieden aanwijzen waar uitsluitend vergunning kan worden verleend voor een seksinrichting. 3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan het bevoegd bestuursorgaan buiten de aangewezen gebieden vergunning verlenen voor ten hoogste 2 erotische massagesalons. 4. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. het aantal werkzame prostitué (
  2. e)s; d. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; e. de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000; f. de plattegrond van de inrichting door middel van een tekening met een schaal van tenminste 1:100; g. bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; h. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of het escortbedrijf; i. het door de GGD afgegeven hygiëne-rapport dat niet ouder is dan 3 maanden. Artikel 3:4a Verplicht bedrijfsplan 1. Bij het indienen van een aanvraag voor een vergunning voor een seksinrichting wordt naast het aanvraagformulier een bedrijfsplan overgelegd, waarin het bedrijfsbeleid wordt beschreven ten aanzien van de hygiëne, de gezondheid, het zelfbeschikkingsrecht, de zelfredzaamheid, de veiligheid en de arbeidsomstandigheden van de in het bedrijf werkzame prostituees, alsmede de veiligheid en de gezondheid van klanten. 2. Uit het bedrijfsplan blijkt in ieder geval: a. welke maatregelen de exploitant neemt om te voorkomen dat in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die het slachtoffer zijn van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting; b. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het bedrijf werkzame prostituees voldoende zelfredzaam zijn; c. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het bedrijf werkzame prostituees niet worden verplicht tot het verrichten van seksuele handelingen tegen hun wil en tot het gebruik van drugs of tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken; d. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het bedrijf werkzame prostituees klanten kunnen weigeren; e. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat er voldoende toezicht plaatsvindt op de seksinrichting; f. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de gezondheid en veiligheid van klanten voldoende wordt beschermd; g. dat de geneeskundige zorg en voorlichting met betrekking tot beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van de prostituees beschikbaar is; h. dat gewaarborgd is dat de prostituees vrij worden gelaten in het contact met organisaties die van belang zijn voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid en i. onder welke arbeids- en verhuurvoorwaarden de in de seksinrichting werkzame prostituees werken. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van hetgeen in het bedrijfsplan wordt opgenomen. 4. Als de exploitant het bedrijfsplan wil wijzigen, doet hij hiervan vooraf mededeling aan de burgemeester. De wijziging wordt als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt. Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso (o)n (
  3. en)- en de beheerder: a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso (o)n (
  4. en)- en de beheerder niet: a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; 2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 250, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; 3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; 5. .de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; 6. .de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5. De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso (o)n (
  5. en)- of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel 3:6 Sluitingstijden 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met zondag tussen 03.00 uur en 10.00 uur. 2. Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3. Het is bezoekers van een seksinrichting, alsmede prostituees werkzaam in de seksinrichting, verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1. Met het oog op de in artikel 3:13, eerste lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. c. vermoedens van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting worden gemeld bij de politie; d. in het bedrijf geen prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt; e. het bedrijfsplan wordt nageleefd. Artikel 3:8a Verplichtingen van de exploitant of beheerder 1. De exploitant draagt er zorg voor dat een actuele bedrijfsadministratie wordt bijgehouden waarin in ieder geval gegevens zijn opgenomen van de in de seksinrichting werkzame prostituees en de verhuuradministratie. 2. De exploitant en de beheerder dragen er zorg voor dat de bedrijfsadministratie van de laatste drie maanden in het bedrijf beschikbaar is voor toezichthouders en opsporingsambtenaren. 3. De exploitant draagt er zorg voor dat de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van de bedrijfsadministratie. 5. De exploitant of de beheerder van een seksinrichting draagt er zorg voor dat in advertenties voor het bedrijf de naam van het bedrijf en het nummer van de exploitatievergunning worden vermeld. 6. Het is de exploitant of de beheerder van een seksinrichting verboden in advertenties onveilige seks aan te bieden of daarin te garanderen dat de in het bedrijf werkzame prostituees vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. Artikel 3:9 Straatprostitutie 1. Het is verboden op een openbare plaats, door handelingen, ho

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.