Regeling beoordelingsgesprekkenRegeling beoordelingsgesprekken Artikel 1 Begripsbepalingen Medewerker: de ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling. Leidinggevende: het hoofd van de afdeling c.q. het hoofd van het team onder wiens dagelijkse verantwoordelijkheid de medewerker zijn werkzaamheden verricht. Functie: het samenstel van werkzaamheden door de medewerker te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem is opgedragen door de werkgever. Beoordelingsgesprek: een periodiek gesprek tussen de medewerker en de leidinggevende over de wijze waarop deze zijn/haar functie gedurende het beoordelingstijdvak heeft uitgeoefend. Beoordelingstijdvak: een beoordelingstijdvak heeft minimaal betrekking op een voorliggende periode van zes maanden. Informant: de functionaris, niet zijnde de beoordelaar, die vanuit de werkrelatie met betrokkene relevante feiten naar voren kan brengen die van belang kunnen zijn voor de oordeelsvorming. Artikel 2 Deelnemers De leidinggevende is bij het beoordelingsgesprek gesprekspartner van de medewerker. De P&O-adviseur kan op verzoek van de leidinggevende en/of van de medewerker als adviseur bij het beoordelingsgesprek aanwezig zijn. Op verzoek van de leidinggevende en/of medewerker kan een informant aanwezig zijn bij het beoordelingsgesprek. Artikel 3 Frequentie Er wordt minimaal éénmaal per jaar over de medewerker een beoordeling uitgebracht voor het einde van het kalenderjaar over het gehele beoordelingstijdvak. Bij indiensttreding of overplaatsing vindt in de negende maand een beoordelingsgesprek plaats. Er wordt altijd een beoordeling opgemaakt als er een besluit moet worden genomen waarbij een oordeel over het functioneren nodig is of mede een rol speelt (bijv. aanstelling in vaste dienst, beloning, bevordering en overplaatsing). Een beoordeling wordt ook opgemaakt, indien de medewerker daar onder opgaaf van redenen om verzoekt. Een beoordeling behoeft niet te worden opgemaakt indien de medewerker gedurende (vrijwel) het gehele beoordelingstijdvak verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen, tenzij de medewerker schriftelijk verzoekt alsnog een beoordeling uit te brengen. Een beoordeling behoeft niet te worden opgemaakt indien naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders bijzondere omstandigheden het noodzakelijk c.q. gewenst maken dat een beoordeling achterwege moet blijven, tenzij de medewerker schriftelijk verzoekt alsnog een beoordeling uit te brengen. Een beoordeling op grond van de leden
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.