Reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand 2012Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.Deze verordening verstaat onder: de wet: de Wet werk en bijstand (Staatsblad 2003, nummer 375), zoals deze nadien is of wordt gewijzigd; Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers; Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen; uitkeringsgerechtigde: degene die een periodieke uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de wet, de Ioaw of de Ioaz; Anw-er: persoon die een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet ont-vangt en die als werkloze werkzoekende staat ingeschreven bij het Centrum Werk en Inkomen; niet-uitkeringsgerechtigde (nugger): een persoon als bedoeld in artikel 6 onder a. van de wet, die als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij het Centrum-Werk en Inkomen; belanghebbende: een persoon die behoort tot de doelgroep en die aanspraak maakt op ondersteuning of aan wie ondersteuning wordt geboden; werknemer in gesubsidieerde arbeid: werknemer als bedoeld in artikel 10, lid 2 van de wet; doelgroep: de personen aan wie op grond van artikel 7, lid 1 onder a. van de wet door burgemeester en wethouders ondersteuning kan worden geboden; voorzieningen: voorzieningen bedoeld in artikel 7, lid 1 onder a. van de wet; een instrument binnen een traject dat ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid weg te nemen; arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Met een arbeidsovereenkomst wordt gelijkgesteld een aanstelling op grond van het ambtenarenrecht; vrijwilligerswerk: het verrichten van onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie; traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel door burgemeester en wethouders aan hem opgelegd geheel van activiteiten gericht op het verkrij-gen en behouden van betaalde arbeid; wettelijk minimumloon: het wettelijk minimumloon dat van toepassing is op de werknemer, exclusief werkgeverslasten; medische belemmering: ten gevolge van ziekte of gebrek objectief aantoonbare langdurige beperking als het gaat om arbeidsinschakeling of verrichten van arbeid. draagkracht: het gedeelte van het inkomen voor zover dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en toeslag (inclusief vakantiegeld) en/of het van toepassing zijnde vrij te laten vermogen. Artikel2Opdracht aan burgemeester en wethouders 1.Burgemeester en wethouders bieden ondersteuning aan belanghebbenden. 2.Burgemeester en wethouders zorgen voor een voldoende gevarieerd aanbod van voorzieningen. Burgemeester en wethouders houden daarbij rekening met de aard en omvang van door burgemeester en wethouders te bepalen doelgroepen en de voorzieningen die het meest geschikt zijn voor de leden van die doelgroepen. 3.Burgemeester en wethouders kunnen bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 4.Burgemeester en wethouders bevorderen de beschikbaarheid van voorzieningen voor de opvang van kinderen jonger dan 12 jaar voor belanghebbende, voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject of voor deelname aan een voorziening, of voor het bereiken van het doel van een traject of een voorziening. 5.Uitvoering van dit artikel vindt plaats binnen de daarvoor door de gemeenteraad beschikbaar gestelde middelen. Hoofdstuk2Doel en doelgroep Artikel3Doel van de ondersteuning Burgemeester en wethouders kunnen aan een belanghebbende ondersteuning bieden bij het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid, of als dat doel nog niet bereikbaar is, bij zelfstandige maatschappelijke participatie. Artikel4Vorm van de ondersteuning 1.Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een traject, waarbij zonodig voorzieningen kunnen worden ingezet, en/of door het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties. 2.Bij de inzet van voorzieningen wordt gekozen voor die voorziening die beschikbaar is en die adequaat en toereikend is voor het doel dat beoogd wordt. 3.Onder een voorziening wordt tevens verstaan: vergoeding van noodzakelijke reiskosten voor deelname aan een voorziening, volgens het goedkoopste openbaar vervoer tarief, kosten van noodzakelijke kinderopvang gedurende deelname aan een voorziening en de hiermee samenhangende reistijd; de kosten onder a. en b. worden niet vergoed indien de voorziening bestaat uit een voorziening als bedoeld in artikel 11 of artikel 12 van deze verordening. 4.Voorzieningen die gericht zijn op de arbeidsinschakeling worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. 5.Burgemeester en wethouders kunnen een voorziening beëindigen: indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in artikel 9 van de wet niet nakomt; indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet; indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening; indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling. Artikel5Onderzoek Burgemeester en wethouders kunnen, voordat besloten wordt tot het aanbieden, van voorzieningen een onderzoek (laten) doen naar de mogelijkheden van de belanghebbende en naar de geschiktheid voor hem van de voorzieningen of andere vormen van begeleiding. Artikel6Verplichtingen Onverminderd de verplichtingen die gelden op grond van de wet of van andere wetten gelden voor de belanghebbende de volgende verplichtingen: verstrekken van de inlichtingen aan burgemeester en wethouders die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt traject en/of een geschikte voorziening; verlenen van medewerking aan een onderzoek als bedoeld in artikel 5; het naar vermogen deelnemen aan de verschillende onderdelen van het traject; na te laten hetgeen de realisatie van het doel van het traject of van de voorzieningen belemmert; anderszins het slagen van een traject te bevorderen. Artikel7Beperking Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar mening van burgemeester en wethouders in voldoende mate bijdraagt aan de reïntegratie van de belanghebbende of als er sprake is van voldoende draagkracht. Hoofdstuk3Werken als instrument voor reïntegratie Paragraaf1Sociale activering en werken met behoud van uitkering Artikel8Sociale activering 1.Burgemeester en wethouders kunnen aan een belanghebbende als onderdeel van een traject activiteiten in het kader van sociale activering aanbieden gericht op arbeidsinschakeling of, als dat nog niet mogelijk is, gericht op maatschappelijke participatie en het voorkomen van sociaal isolement. 2.Activiteiten als bedoeld in lid 1 hebben als doel de belanghebbende werkritme op te laten doen en/of behouden. 3.Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties zonder winstoogmerk. In afwijking daarvan kan vrijwilligerswerk ook verricht worden bij een organisatie die ten behoeve van de gemeente reïntegratieactiviteiten verricht als bedoeld in deze verordening. 4.Sociale activering kan ingezet worden wanneer door burgemeester en wethouders aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op middellange of lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk, dan wel dat dit perspectief onduidelijk is en dat inzet van het instrument nodig is om dit perspectief duidelijk te krijgen . Artikel9Leerwerkstages 1.Burgemeester en wethouders kunnen aan een belanghebbende als onderdeel van een traject een werkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. 2.De leerwerkstage heeft als doel de belanghebbende door middel van een stage werkervaring en vaardigheden op te laten doen. 3.Dit instrument kan ingezet worden wanneer door burgemeester en wethouders aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een leerwerkstage geïndiceerd is. 4.In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het doel de duur en de inhoud van de werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 5.De leerwerkstage duurt maximaal 12 maanden. Artikel10Proefplaatsingen 1.Burgemeester en wethouders kunnen aan een belanghebbende een proefplaatsing aanbieden als onderdeel van een traject gericht op arbeidsinschakeling. 2.De proefplaatsing heeft als doel de belanghebbende te laten wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid. 3.Deze voorziening kan ingezet worden wanneer door burgemeester en wethouders aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een proefplaatsing geïndiceerd is. 4.In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het doel, de duur en de inhoud van de proefplaatsing, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 5.De proefplaatsing duurt maximaal 12 maanden 6.Voor een proefplaatsing kan van de instelling of het bedrijf een inleenvergoeding worden gevraagd. Paragraaf2Betaald werk Artikel11Detacheringsbanen 1.Burgemeester en wethouders kunnen aan een uitkeringsgerechtigde een detacheringsbaan aanbieden als een onderdeel van een traject gericht op arbeidsinschakeling. 2.Burgemeester en wethouders dragen de uitvoering van artikel 11 op aan een rechtspersoon. 3.Plaatsing in een baan heeft ten doel om de uitkeringsgerechtigde vaardigheden te laten behouden of te laten opdoen die nodig zijn om betaalde arbeid te verrichten. 4.De uitkeringsgerechtigde wordt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden. De duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 12 maanden met een loon van 100% van het bruto wettelijk minimumloon (WML). 5.De rechtspersoon als bedoeld in lid 2 van dit artikel heft een inleentarief van minimaal 30 % van het bruto wettelijk minimumloon per gedetacheerde werknemer. Artikel12Loonkostensubsidie gericht op reïntegratie 1.Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde een loonkostensubsidie aan een werkgever verstrekken om daarmee het opdoen van werkervaring of de overgang naar een reguliere functie bij betreffende werkgever voor een belanghebbende mogelijk te maken. 2.De loonkostensubsidie wordt slechts uitbetaald voor zover de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk van kracht is en naar rato van een voltijds dienstverband. 3.De duur van de subsidie bedraagt minimaal een periode van zes maanden, tenzij op een eerder moment uitstroom naar regulier werk bij een andere werkgever gerealiseerd wordt, en maximaal 2 jaar. 4.De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van het voor belanghebbende geldende netto wettelijk minimum loon. 5.De duur en hoogte van de subsidie worden met inachtneming van het bepaalde in dit artikel door burgemeester en wethouders vastgesteld op basis van een individuele afweging ten aanzien van de betreffende belanghebbende. Artikel13Aanvullende voorwaarde Aan de loonkostensubsidie wordt de voorwaarde verbonden dat een overeenkomst tussen werkgever en gemeente wordt afgesloten waarin de wederzijdse rechten en plichten zijn opgenomen. Door werkgever en belanghebbende wordt een trajectplan opgesteld. In dit trajectplan staan de vorm van begeleiding, de evaluatiemomenten en concrete afspraken beschreven. Het trajectplan vormt een integraal onderdeel van de overeenkomst die afgesloten wordt tussen de werkgever en gemeente.De werkgever en belanghebbende kunnen bij het opstellen van het traject door burgemeester en wethouders worden ondersteund. Artikel14Samenloop van subsidies Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten waarvoor, al dan niet door de gemeente, reeds een andere subsidie wordt verstrekt. Artikel15Aanvraag subsidie 1.De subsidie dient te worden aangevraagd bij burgemeester en wethouders voor de datum waarop de arbeidsovereenkomst van kracht wordt. 2.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels vast met betrekking tot de wijze van indiening van de aanvraag. Artikel16Definitieve vaststelling 1.De hoogte van de subsidie wordt na afloop van de subsidieperiode definitief vastgesteld door burgemeester en wethouders. 2.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot de bescheiden die voor de definitieve vaststelling van de subsidie moeten worden overgelegd. 3.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden waaraan een toekenning van de subsidie moet voldoen. Artikel17Voorschotten 1.Burgemeester en wethouders kunnen voorschotten verstrekken als aan de voorlopige voorwaarden voor subsidie is voldaan. 2.Voorschotten worden verrekend met de definitief vastgestelde subsidie. Hoofdstuk4Scholing Artikel18Nieuw Artikel 1.Burgemeester en wethouders kunnen een vorm van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling 2.De in het eerste lid bedoelde scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie. 3.Voor de scholing die wordt aangeboden of waarvoor subsidie wordt verleend gelden de navolgende voorwaarden: de scholing dient te zijn gericht op het behalen van een startkwalificatiearbeidsmarkt; andere scholing dient kortdurend te zijn en gericht op snelle arbeidsinschakeling; de goedkoopste scholingsmogelijkheid moet worden benut; uitgesloten zijn scholingen die gericht zijn op het zelfstandig ondernemen. Artikel19Specifieke kosten in verband met scholing 1.Voor de scholing die met toepassing van artikel 18 wordt gevolgd komen de volgende kostensoorten voor vergoeding in aanmerking: opleidingskosten en cursusbijdragen; boeken en leermiddelen die door het opleidingsinstituut verplicht zijn gesteld; 2.Voor niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers geldt naast de in artikel 18, lid 3 genoemde voorwaarden dat de kosten van kinderopvang niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hoofdstuk5Inkomensvrijlating en premies Artikel20Inkomensvrijlating 1.In alle gevallen waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder o. van de WWB, moet er sprake zijn van werkzaamheden die in belangrijke mate bijdragen aan fulltime arbeidsinschakeling; 2.De vrijlating als bedoeld in lid 1 wordt ambtshalve toegepast; 3.Voor de vrijlating als bedoeld in lid 1 kan men eens in de drie jaar in aanmerking komen. Artikel21Premies 1.Burgemeester en wethouders kunnen aan een uitkeringsgerechtigde een premie toekennen. 2.Deze premie wordt verstrekt in de volgende gevallen: bij uitstroom door werkaanvaarding wordt een eenmalige premie verstrekt ter hoogte van 50% van het in artikel 31, lid 2 onder j. van de wet genoemde bedrag nadat gedurende een half jaar aaneengesloten het werk is verricht; de persoon die blijvend is aangewezen op deeltijdwerk en werkzaam is in een dienstbetrekking met een omvang van tenminste 16 uur per week, komt in aanmerking voor een eenmalige premie ter hoogte van het in artikel 31 lid 2 onder k. van de wet genoemde maximum bedrag per jaar. Indien als gevolg van in de persoon gelegen beperkingen een dienstbetrekking met een omvang van tenminste 16 uur per week niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten om in afwijking van het voorgaande een premie toe te kennen tot maximaal de in dit lid bedoelde premie; de alleenstaande ouder van wie het jongste kind jonger is dan 12 jaar en die werkzaam is in een of meer dienstbetrekkingen met een totale omvang van tenminste 16 uur per week, komt in aanmerking voor een eenmalige premie ter hoogte van het in artikel 31 lid 2 onder k. van de wet genoemde maximum bedrag per jaar.Indien als gevolg van in de persoon gelegen beperkingen een of meer dienstbetrekkingen met een totale omvang van tenminste 16 uur per week niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten om in afwijking van het voorgaande een premie toe te kennen tot maximaal de in dit lid bedoelde premie; voor de premie als bedoeld in lid twee onder a. kan men eens in de 3 jaar in aanmerking komen; de premies als bedoeld in dit artikel onder a., b. en c. worden ambtshalve toegekend. Artikel22Anti-cumulatiebepaling 1.Binnen één kalenderjaar bestaat slechts aanspraak op ofwel een vrijlating (artikel 20) ofwel een premie (artikel 21); 2.Bijstandsgerechtigden met een norm voor gehuwden hebben slechts aanspraak op één van de genoemde vrijlating of premie. Hoofdstuk6Afstemming en terugvordering Artikel23Afstemming en terugvordering 1.Een persoon die door burgemeester en wethouders een voorziening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken, en wel op zodanige wijze dat uitstroom naar betaalde arbeid niet belemmerd wordt. 2.De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, artikel 7, alsmede de verplichtingen die burgemeester en wethouders aan de aangeboden voorziening hebben verbonden, na te komen. 3.Burgemeester en wethouders beoordelen of aan een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening en die niet voldoet aan het gestelde in het eerste of tweede lid een maatregel wordt opgelegd conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening. 4.Burgemeester en wethouders kunnen van een belanghebbende niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening en die niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Hoofdstuk6aRegelingen in verband met samenvoeging/wijziging van de WWB en WIJ Artikel23aWijziging betekenis begrippen 1.Waar in deze verordening de begrippen “alleenstaande”, “alleenstaande ouder” en “gezin” worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. 2.Waar in deze verordening wordt gesproken van “gehuwde(n)” of “gehuwdennorm” hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als “gezin”, bedoeld in artikel 4, respectievelijk “gezinsnorm”, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet Artikel23bAfwijkende bepalingen voor jongeren In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de volgende voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de wet niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van belanghebbenden jonger dan 27 jaar: onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de wet; de voorzieningen bedoeld in artikel 31, vijfde lid van de wet. Hoofdstuk7Slotbepalingen Artikel24Beleid Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels vaststellen. Artikel25Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel26Citeerartikel Deze verordening kan worden aangehaald als “Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2012”. Artikel27Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.