Toeslagenverordening WWBDe raad van de gemeente Vlagtwedde; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2011 afdeling Samenleving; gelet op artikel 8 , en artikel 30 van de wet werk en bijstand , besluit: vast te stellen de “Toeslagenverordening Wwb”, Artikel 1 Voor de betekenis van de in deze verordening genoemde begrippen wordt verwezen naar de begripsomschrijvingen in hoofdstuk 1, § 1.1 van de Wet werk en bijstand met uitzondering van de in lid 2 van dit artikel genoemde begrippen. In deze verordening wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond: de te betalen huur per maand; duidelijk moet zijn dat er een contract is waaruit de verplichting afgeleid kan worden dat er maandelijks huur moet worden betaald. indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud; onder zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerend-zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten; normbedrag het normbedrag voor een gezin waarvan alle meerderjarige gezinsleden ouder zijn dan 21 jaar maar jonger dan 65 jaar, als bedoeld in artikel 21 lid 1 van de wet . Artikel 2 Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding. De categorieën worden aangeduid als: alleenstaande; alleenstaande ouder; gezin. Artikel 3 De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar, hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft en die de woonkosten niet met een ander kan delen, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag (20% van het normbedrag). De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het normbedrag voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede lid niet van toepassing is voor zover de medebewoners geen deel uitmaken van het gezin (dus artikel 4 lid 1, sub c onder 2 en 3 van de wet zijn niet van toepassing). De toeslag bedraagt 20% van het normbedrag voor de kostganger of onderhuurder die een commerciële kostprijs betaalt, dat wil zeggen tenminste 36% van het normbedrag aan kostgeld of 20% van het normbedrag aan onderhuur. Artikel 4 De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien het gezin lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het normbedrag. Artikel 5
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.