Bouwverordening Tytsjerksteradiel 2012HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: Bevoegd gezag: -bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders; Bouwbesluit: -de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; Bouwtoezicht: -degene, die ingevolge artikel 92, tweede lid van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht; Bouwwerk: -elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; Gebruiksoppervlakte: -de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit; Hoogte van de weg: -de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; NEN: -een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; NVN: -een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; Omgevingsvergunning voor het bouwen: -vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Straatpeil: voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. In deze verordening wordt mede verstaan onder: Bouwwerk: - een gedeelte van een bouwwerk; Gebouw: - een gedeelte van een gebouw. Artikel 1.2 Termijnen (vervallen) Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: het gebied binnen de bebouwde kom; het gebied buiten de bebouwde kom; het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid. Als gebieden bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden de gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn aangegeven. HOOFDSTUK 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen) Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden (vervallen) Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen (vervallen) Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1; de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen.. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning (vervallen) Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen) Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen) Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen) Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (vervallen) Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen) Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning (vervallen) Paragraaf 3 Welstandstoetsing Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen) Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht van de bij dit besluit behorende bijlage, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en / of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet Bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen) Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling (vervallen) Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer Brandblusvoorzieningen (vervallen) Artikel 2.5.3A Brandweeringang (vervallen) Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (vervallen) Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn (vervallen) Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevel¬rooi¬lijn (vervallen) Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn (vervallen) Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooi¬lijn (vervallen) Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg (vervallen) Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken (vervallen) Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn (vervallen) Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn (vervallen) Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn (vervallen) Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn (vervallen) Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die: over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste . De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in: het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is; het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig; het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd. Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen (vervallen) Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: vanaf de hoogte van het erf tot daarboven minder dan breed zijn; niet toegankelijk zijn. Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen 1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten. 2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein. Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen (vervallen) Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn (vervallen) Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn (vervallen) Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achterge¬vel¬rooilijn (vervallen) Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen (vervallen) Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken (vervallen) Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen (vervallen) Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken (vervallen) Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte (vervallen) Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte (vervallen) Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van een nieuw ruimtelijk beleid (vervallen) Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. 2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste bij en ten hoogste bij bedragen; b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste bij bedragen. 3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtroute aanduidingen Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen) Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen) Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen) Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen) Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties (vervallen) Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties (vervallen) Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen) Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen) Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen) Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen) Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid (vervallen) Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten (vervallen) Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen) Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen) Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen) Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming (vervallen) Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen) Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen) Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen) Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen) HOOFDSTUK 3 De melding (vervallen) Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen) Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen) HOOFDSTUK 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (vervallen) Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden (vervallen) Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen) Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw (vervallen) Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (vervallen) Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen (vervallen) Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten (vervallen) Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein (vervallen) Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein (vervallen) Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder (vervallen) Artikel 4.11 Bouwafval (vervallen) Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (vervallen) Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen (vervallen) Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming (vervallen) HOOFSTUK 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen (vervallen) Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen (vervallen) Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (vervallen) Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtroute-aanduidingen Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen (vervallen) Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen niet zijndewoningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen) Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen) Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen) Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in kantoorgebouwen (vervallen) Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen) Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen) Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen) Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen) Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen) Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen) Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen) Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid. Artikel 5.4.1 Preventie (vervallen) HOOFDSTUK 6 Brandveilig gebruik Paragraaf 1 Gebruiksvergunning Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk (vervallen) Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning (vervallen) Artikel 6.1.3 In behandeling nemen (vervallen) Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing (vervallen) Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning (vervallen) Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning (vervallen) Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden (vervallen) Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen) Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen) Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen (vervallen) Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen (vervallen) Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen (vervallen) Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen) HOOFDSTUK 7 Overige gebruiksbepalingen Paragraaf 1 Overbevolking Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen (vervallen) Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens (vervallen) Paragraaf 2 Staken van het gebruik Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid (vervallen) Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne (vervallen) Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen) Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van de bestemming (vervallen) Artikel 7.3.2 Hinder (vervallen) Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel 7.4.1 Preventie (vervallen) Paragraaf 5 Watergebruik Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water (vervallen) Paragraaf 6 Installaties Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties (vervallen) HOOFSTUK 8 Slopen Paragraaf 1. Omgevingsvergunning voor het slopen. Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (vervallen) Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (vervallen) Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen) Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen) Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen. (vervallen) Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Artikel 8.2.1 Sloopmelding (vervallen) Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein (vervallen) Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden (vervallen) Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt (vervallen) Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest (vervallen) Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (vervallen) Paragraaf 4 Vrij slopen Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen (vervallen) HOOFDSTUK 9 Welstand Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan Hûs en Hiem, welstandsadvisering en monumentenzorg, hierna te noemen: de welstandscommissie. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie (alternatief 3) 1.De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur. Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat nadere regels voor de samenstelling, de taakomschrijving, de werkwijze en de benoeming van de leden. Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; - de werkwijze van de welstandscommissie; - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; - de aard van de beoordeelde plannen; - de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen over de toepasbaarheid van de welstandsnota. Artikel 9.5 Termijn van advisering De welstandscommissie brengt advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondeling toelichting De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. De aanvrager wordt tijdens de openbare welstandsbehandeling door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen. Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel 9.9 Uitzondering welstandstoetsing door welstandscommissie In afwijking van artikel 9.1 beoordelen burgemeester en wethouders zonder advies van de welstandscommissie of: Vlaggenmasten, straatmeubilair, informatieborden, walbeschoeiingen en hiermee gelijk te stellen bouwwerken geen gebouw zijnde; Civieltechnische bouwwerken tot een bouwsom van €75.000, - met uitzondering van met de Centrale As samenhangende civieltechnische bouwwerken; Interne niet aan de buitenkant van een gebouw zichtbare verbouwingen; Het vervangen van dakpannen op een bestaande woning niet in strijd is/zijn met de redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders baseren hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. HOOFDSTUK 10 Overige administratieve bepalingen Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen) Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen) Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (vervallen) Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen) Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen) Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening -of in de bij deze verordening behorende bijlagen- wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. HOOFDSTUK 11 Handhaving Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen) Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen) Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen) Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen) HOOFDSTUK 12 Straf-, overgang- en slotbepalingen Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen) Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek (vervallen) Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen (vervallen) Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.