LANDSVERORDENING van de 10de maart 1965 tot regeling van het onderzoek van ongevallen met burgerlijke luchtvaartuigen (Luchtvaartrampenverordening). AFDELINGIDe raad voor de luchtvaart in het algemeen Artikel1 1.Er is een raad voor de luchtvaart van de Nederlandse Antillen, in deze landsverordening verder aan te halen als „de raad", welke is gevestigd op het eiland Curaçao en ook bevoegd is op de andere eilanden van de Nederlandse Antillen te vergaderen. 2.De raad bestaat uit een voorzitter, als hoedanig benoemd wordt een door de President van het Hof van Justitie aan te wijzen lid van het Hof van Justitie, en twee leden die deskundig op het gebied van de luchtvaart zijn. 3.Verder worden benoemd een plaatsvervangende voorzitter en plaatsvervangende leden, die invallen bij ontstentenis van de voorzitter onderscheidenlijk de leden. 4.De raad wordt bijgestaan door een secretaris. 5.De voorzitter, de leden en de secretaris van de raad zomede hun plaatsvervangers worden door de Gouverneur benoemd telkens voor de tijd van ten hoogste twee jaren. 6.De werkkring, de bevoegdheden en de schadeloosstelling van de voorzitter, de leden en de secretaris zomede van hun plaatsvervangers worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. 7.Eveneens worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, geregeld de werkkring en de bevoegdheden van het hoofd en van de andere ambtenaren van de luchtvaartdienst in verband met hun arbeid voor de raad. Artikel2 1.De raad kan de voorzitter en/of een of meer van de leden opdracht geven tot het bezoeken van de plaats, waar een ongeval met een burgerlijk luchtvaartuig is geschied of waar zich de overblijfselen van zulk een luchtvaartuig bevinden, tot het bezoeken van burgerlijke luchtvaartuigen, van anders dan uitsluitend voor de militaire luchtvaart opengestelde luchtvaartterreinen en zich daarop bevindende gebouwen en inrichtingen, zomede tot het bezoeken van fabrieken, werkplaatsen en aanhorigheden daarvan, bestemd voor de vervaardiging, het onderhoud of het herstel van burgerlijke luchtvaartuigen of onderdelen daarvan. 2.Indien zulks voor het vooronderzoek nodig is, is ook de in het derde lid van artikel 6 bedoelde vooronderzoeker bevoegd tot het bezoeken van de in het vorige lid genoemde luchtvaartuigen en plaatsen. 3.Aan de personen, die een opdracht als bedoeld in het eerste lid hebben ontvangen, onderscheidenlijk aan de vooronderzoeker, moet toegang tot de genoemde luchtvaartuigen en plaatsen worden verleend. Indien hun toegang wordt geweigerd, verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de sterke arm. 4.In de in het eerste lid bedoelde gebouwen en inrichtingen, fabrieken, werkplaatsen en aanhorigheden, welke tevens woningen zijn of alleen door een woning toegankelijk zijn, treden zij tegen de wil van de bewoner niet binnen dan op algemene of bijzondere schriftelijke last van de Officier van Justitie of een hulp-officier van Justitie dan wel in tegenwoordigheid van een van dezen. Van dit binnentreden wordt binnen tweemaal vierentwintig uren proces-verbaal opgemaakt. Daarin wordt mede van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel melding gemaakt. 5.De personen, die ingevolge de terzake wettelijke regelen bevoegd zijn aan boord van een 'burgerlijk luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de besturing of de veilige vaart, hierna te noemen leden der bemanning, zomede de personen, die een betrekking bekleden in verband met de burgerlijke luchtvaart of luchtvaartindustrie, zijn verplicht aan hen, die ter uitvoering van een opdracht als bedoeld in het eerste lid van dit artikel handelen, desverlangd de nodige inlichtingen te geven. 6.Degenen, die ingevolge het eerste en het tweede lid van dit artikel op plaatsen, welke niet voor het publiek toegankelijk zijn, binnentreden, zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun op die plaatsen omtrent de uitgeoefende werkzaamheden bekend is geworden, voor zover die geheimhouding niet in strijd is met de wettelijke bepalingen. Artikel3 De voorzitter, de leden van de raad, alsmede hun plaatsvervangers onthouden zich van deelneming aan de behandeling van zaken, welke hun of hun bloed- en aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk aangaan of bij de beslissing waarvan zij belang hebben. Artikel4 1.De zittingen van de raad worden in het openbaar gehouden, tenzij de raad om in de afspraak te vermelden redenen mocht besluiten een zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren te doen behandelen, 2.De voorzitter, de leden, de secretaris en hun plaatsvervangers zijn verplicht het geheim der raadkamer te bewaren. 3.Beslissingen van de raad kunnen slechts bij meerderheid van stemmen in een voltallige zitting worden genomen. AFDELINGIIOnderzoek met betrekking tot ongevallen met burgerlijke luchtvaartuigen A. Het onderzoek Artikel5 Van Landswege wordt een onderzoek ingesteld met betrekking tot een ongeval, dat hetzij aan een Nederlands-Antilliaans burgerlijk luchtvaartuig, hetzij hier te lande aan een vreemd burgerlijk luchtvaartuig is overkomen. Onder vreemde burgerlijke luchtvaartuigen worden mede begrepen de in een der andere Rijksdelen geregistreerde luchtvaartuigen. Wanneer een ongeval met een Nederlands-Antilliaans burgerlijk luchtvaartuig buiten de Nederlandse Antillen heeft plaats gevonden, wordt een onderzoek hiernaar ingesteld hetzij van Landswege hetzij door het Land waar het ongeval heeft plaats gevonden. Van Landswege wordt een onderzoek ingesteld indien zulks vanwege het betrokken land niet geschiedt of, afgezien van een door het betrokken land gehouden onderzoek, indien zulks wenselijk wordt geacht door de vooronderzoeker. Indien van Landswege geen onderzoek wordt ingesteld wordt door de zorg van het Hoofd van de Luchtvaartdienst de uitkomsten van het gehouden onderzoek door tussenkomst van de vooronderzoeker — voor zover hij niet zelf als vooronderzoeker is aangewezen — aan de raad medegedeeld. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ongeval verstaan een voorval, verband houdende met het gebruik van het luchtvaartuig, hetwelk plaats vindt tussen het ogenblik dat iemand zich aan boord van het luchtvaartuig begeeft met de bedoeling een vlucht aan te vangen, tot het tijdstip dat alle personen het luchtvaartuig na de landing hebben verlaten, tengevolge waarvan een der inzittenden of een ander ernstig lichamelijk letsel heeft bekomen, dan wel het luchtvaartuig of enig ander goed ernstig is beschadigd. Voor wat Nederlands-Antilliaanse luchtvaartuigen betreft, wordt onder ongeval mede begrepen elk voorval, aan een luchtvaartuig overkomen: 1°. indien ten gevolge daarvan de veiligheid der inzittenden ernstig in gevaar is gebracht; 2°. indien op grond van de aard van het voorval de waarschijnlijkheid bestaat, dat uit een onderzoek lessen kunnen worden geput, of de wenselijkheid kan blijken van het stellen van voorschriften, welke kunnen dienen ter voorkoming van ongevallen met luchtvaartuigen. Artikel6 1.Het onderzoek bestaat uit een vooronderzoek door één of meer personen, daartoe aangewezen door de Gouverneur en zo nodig uit een nader onderzoek door de raad. 2.Al hetgeen het vooronderzoek betreft wordt bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, geregeld, voor zover daarin niet reeds bij deze landsverordening is voorzien. 3.Degene, die het vooronderzoek instelt, hierna te noemen vooronderzoeker, deelt de uitkomsten daarvan zo spoedig mogelijk onder overlegging van stukken aan de voorzitter van de raad mede, vergezeld van zijn voorstel om met het oog op aard en omvang van het ongeval al dan niet een nader onderzoek daarvan door de raad te doen instellen. Hij kan daarbij een opgave indienen van de getuigen en deskundigen, wier verhoor hij tijdens de behandeling voor de raad nodig acht. 4.Over het voorstel van de vooronderzoeker om al dan niet een nader onderzoek in te stellen wordt beslist door de raad, de vooronderzoeker gehoord. 5.Wanneer beslist is, dat een nader onderzoek zal worden ingesteld, stelt de voorzitter plaats, dag en uur daarvoor vast en worden door of namens hem de nodige getuigen en deskundigen tegen die zitting van de raad opgeroepen. 6.De raad is bevoegd zo nodig de vooronderzoeker op te dragen middelerwijl nog nopens bepaalde onderwerpen nadere gegevens te verzamelen. Artikel7 Ingeval de voorzitter een verzoek bereikt om een onderzoek naar een ongeval in de zin dezer landsverordening in te stellen, waaromtrent hem geen voorstel als in het derde lid van het vorige artikel bedoeld is gedaan, stelt hij daarvan de raad in kennis. De raad beslist of er al dan niet een onderzoek zal plaats hebben. Besluit de raad tot het instellen van een onderzoek, dan is hij bevoegd het hoofd van de luchtvaartdienst op te dragen nopens bepaalde onderwerpen gegevens te verstrekken. Artikel8 1.De schriftelijke aantekening der afgelegde verklaringen of gegeven berichten wordt aan de getuigen of deskundigen voorgelezen en door deze ondertekend. 2.Indien een getuige of deskundige verhinderd is voor de raad ter aangegeven plaatse te verschijnen, kan de raad, zulks noodzakelijk oordelende, aan de rechter in eerste aanleg der woonplaats of der verblijfplaats van die getuige of deskundige opdragen om hem te ondervragen. Artikel9 1.De raad kan het verhoor van getuigen of deskundigen, mits deze de ouderdom van zestien jaren vervuld hebben, onder ede doen plaats hebben. 2.Onder ede gehoord wordende, zweert (belooft) de getuige de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, de deskundige zijn verslag naar eer en geweten en overeenkomstig zijn beste wetenschap te zullen uitbrengen. Artikel10 1.Indien de behoorlijk gedagvaarde getuige of deskundige niet verschijnt, wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk een nauwkeurige omschrijving der akte van dagvaarding behelst en door de aanwezige leden van de raad of in het geval van het tweede lid van artikel 8 door de rechter in eerste aanleg wordt ondertekend. 2.Dit proces-verbaal wordt door de raad, wanneer hij dit nodig oordeelt, in handen gesteld van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg op het eiland waar de in gebreke gebleven getuige of deskundige woont of verblijf houdt. Artikel11 Het proces-verbaal van niet-verschijning, door de raad of in het geval van het tweede lid van artikel 8 door de rechter in eerste aanleg opgemaakt, levert, behoudens tegenbewijs, een volledig bewijs op van hetgeen daarin vermeld staat. Artikel12 Onverminderd de vervolging wegens de eerste niet-verschijning kan de raad een nadere dagvaarding van dezelfde getuige of deskundige bevelen en zelfs door tussenkomst van het openbaar ministerie bij het betrokken gerecht een bevel van medebrenging van de rechtercommissaris doen rekwireren om bij de dagvaarding te worden gevoegd. Artikel13 Bij herhaalde niet-verschijning zijn de artikelen 10 en 11 dezer landsverordening mede van toepassing. Artikel14 Wanneer een getuige of deskundige hetzij op de eerste, hetzij op de nadere dagvaarding verschenen of uit kracht van het bevel van medebrenging voor de raad gebracht zijnde, weigert te antwoorden of de eed (belofte) af te leggen, wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, hetwelk de redenen van weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt, en door de aanwezige leden van de raad of in het geval van het tweede lid van artikel 8 door de rechter in eerste aanleg wordt ondertekend. Dit proces-verbaal bezit de bewijskracht in artikel 11 omschreven. Artikel15 De raad stelt dit proces-verbaal in handen van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg binnen welks ressort de weigerachtige deskundige of getuige woonachtig is of verblijf houdt. Artikel16 1.Het gerecht in eerste aanleg kan op vordering van de raad de gijzeling van de weigerachtige getuige of deskundige gelasten. De gijzeling wordt voor ten hoogste zes maanden uitgesproken of verlengd, doch houdt op, wanneer de getuige of deskundige vroeger aan zijn verplichting voldoet. 2.Inmiddels kan tot aan de beschikking van het gerecht in eerste aanleg de weigerachtige getuige of deskundige op last van de raad in bewaring worden gehouden binnen het gebouw waar de raad vergadert. 3.Het door de rechter in eerste aanleg af te geven bevel vermeldt de gedane vordering, benoemt de deurwaarder met de overbrenging belast en wijst de plaats der gijzeling aan. 4.De last van de raad, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zomede alle beschikkingen waarbij gijzeling wordt bevolen of verlengd, zijn met redenen omkleed. Een afschrift van de last of beschikking wordt onmiddellijk aan de weigerachtige getuige of deskundige uitgereikt. 5.Binnen drie dagen na de uitreiking van de last of beschikking, bedoeld in het vierde lid van dit artikel, staat aan de getuige of deskundige beroep open op het Hof van Justitie. 6.De door de raad gegeven last en de beschikking van de rechter in eerste aanleg als bedoeld in respectievelijk het eerste en tweede lid van dit artikel, zijn uitvoerbaar bij voorraad. Artikel17 Zij, die uit hoofde van hun stand, beroep of wettige betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd of als zodanig te hunner kennis is gekomen. Artikel18 Wanneer de raad het nodig acht personen als getuige af deskundige te horen, die in Nederland, in Suriname of in het buitenland verblijven, kan hij van de vragen, waarop antwoord verlangd wordt, in geschrifte mededeling doen aan de Gouverneur. De Gouverneur bevordert de beantwoording hiervan door doorzending van de vragen aan de overheid van het betrokken Rijksdeel dan wel door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in het buitenland. Artikel19 Het proces-verbaal van gehouden getuigenverhoor bezit de bewijskracht in artikel 11 omschreven. Artikel20 Aan getuigen en deskundigen, voor zover hun dienstverhouding tot de overheid niet medebrengt dat zij hun medewerking verlenen zonder een schadeloosstelling, wordt, zo zij dit verlangen, een schadeloosstelling toegelegd naar de maatstaf der tarieven van justitiekosten en salarissen in strafzaken. Artikel21 De vooronderzoeker, de voorzitter van de raad en de raad kunnen, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een bepaalde termijn, van de gezagvoerders der luchtvaartuigen, bij het ongeval betrokken, en van ieder ander die daarvoor in aanmerking komt, overlegging en terbeschikkingstelling vorderen van alle bescheiden en voorwerpen, welke ingevolge wettelijke bepalingen of krachtens verdrag in het luchtvaartuig aanwezig moeten zijn, en van alle andere voor het onderzoek vereiste bescheiden en voorwerpen. Bij verzuim van de gevorderde overlegging of terbeschikkingstelling wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, waarmede gehandeld wordt als bepaald bij artikel 15 en dat de bewijskracht bezit in artikel 11 omschreven. B. Ongeschiktheid van leden der bemanning van een luchtvaartuig Artikel22 Indien tijdens het vooronderzoek nopens een ongeval omstandigheden aan het licht komen, welke bij de vooronderzoeker de vraag doen rijzen, of een lid der bemanning wel geschikt is om zijn taak aan boord van een luchtvaartuig te vervullen, verbindt hij aan zijn voorstel om een nader onderzoek naar het ongeval te doen instellen de voordracht om dat lid te horen. Voor zover niet het hoofd van de luchtvaartdienst zelf als vooronderzoeker is aangewezen, stelt hij dat hoofd terstond van de voordracht in kennis. Ook indien geen ongeval met een luchtvaartuig heeft plaats gehad, kan in bijzondere omstandigheden het hoofd van de luchtvaartdienst aan de raad voorstellen een onderzoek in te stellen naar de al of niet geschiktheid van een lid van de bemanning. Beslist de raad, dat een lid der bemanning als bedoeld in het eerste of tweede lid van dit artikel ter zake zal worden gehoord, dan wordt de betrokkene een afschrift der beslissing betekend. Voorts wordt gehandeld overeenkomstig het vijfde lid van artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.