Algemeen Plaatselijke Verordening Enkhuizen 2008 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
(12)incidentele festiviteiten zoals bedoeld in artikel 4.1.3, eerste en tweede lid’. Artikel 4.1.3.2 ?‘Ter voorkoming van onevenredige geluidshinder voor omwonenden wordt aan de toestemming als bedoeld in artikel 4.1.2, eerste en tweede lid en artikel 4.1.3, eerste en tweede lid de voorwaarde verbonden, dat het geluid, gemeten op de dichtstbijzijnde gevel van woningen van derden de volgende waarden niet mag overschrijden: •Tot 24.00 uur 70 dB(A) •Na 24.00 uur 50 dB(A) Genoemde geluidsniveaus zijn inclusief muziekstrafcorrectie.Controle of berekening van de geluidsvoorwaarden moet geschieden overeenkomstig de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”, HMRI versie
- Als er sprake is van muziekgeluid dient op de gemeten equivalente geluidsbelasting een toeslagfactor van 10 dB in rekening te worden gebracht. Als criterium voor het toekennen van de toeslagfactor moet worden aangehouden of ter plaatse van de ontvanger het geluid duidelijk herkenbaar is als muziekgeluid’. Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel 4.1.5 Overige geluidshinder
- Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluid- en/of lichthinder wordt veroorzaakt.
- Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 2.4.16, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. Artikel 4.1.5a (Geluid)hinder door dieren Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Artikel 4.1.5b (Geluid)hinder door bromfietsen e.d Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. Artikel 4.1.5c (Geluid)hinder door vrachtauto's
- Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.
- Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4.2.1 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 4.2.1a Gevelreiniging (Vervallen) Artikel 4.2.2 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel 4.2.3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen
- In deze afdeling wordt verstaan onder: a. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 cm op 1,3 m hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 cm dwarsdoorsnede op 1,3 m boven maaiveld; b. houtopstand: één of meer bomen, hákhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing in de vorm van bomen en struiken (heesters), een beplanting van bosplantsoen; c. hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; d. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; e. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; f. boomwaarde: het bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van de laatstverschenen versie van de richtlijnen van de NVBTB (Nederlandse Vereniging van Beëdigde Taxateurs van Bomen).
- In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel 4.3.2 Kapverbod
- Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.
- Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft: a. populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot; b. fruitbomen, en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde Bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en, ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, ni etmeer bomen omvat dan 20;
- Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: a. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van Burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.3.7 en 4.3.11; b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; d. bomen met een stamomtrek tot maximaal 63 cm, gemeten op 1,3 m hoogte boven het maaiveld, staande in beplantingen van bosplantsoen en die niet voorkomen op de door burgemeester en wethouders opgestelde lijst van waardevolle bomen als bedoeld in artikel 4.3.14; e. bomen met een stamomtrek tot maximaal 63 cm, gemeten op 1,3 m hoogte boven het maaiveld, in tuinen of erven behorende bij woningen en die niet voorkomen op de door burgemeester en wethouders opgestelde lijst van waardevolle bomen als bedoeld in artikel 4.3.14; f. het verplanten van bomen met een stamomtrek tot maximaal 63 cm, gemeten op 1,3 m hoogte boven het maaiveld; g. dode bomen. Artikel 4.3.3 Aanvraag vergunning
- De vergunning moet onder bijvoeging van een situatieschets, worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
- Wanneer de teammanager van de Landelijke Service bij Regelingen (LASER) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan Burgemeester en Wethouders een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwen burgemeester en wethouders dit afschrift mede als een vergunningaanvraag. Artikel 4.3.4 Weigering ex lege De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd, wanneer niet binnen de in artikel 1.2 genoemde termijn een beslissing is genomen op de aanvraag voor een vergunning. Artikel 4.3.5 Weigeringsgronden
- Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder meer: a. natuur- en milieuwaarden; b. landschappelijke waarden; c. cultuurhistorische waarden; d. waarden van stads- en dorpsschoon; e. waarden voor recreatie en leefbaarheid, f. of indien de bomen staan vermeld op de gemeentelijke lijst van waardevolle bomen.
- Burgemeester en wethouders kunnen bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren. Zij verwijzen zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.
- De burgemeester kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van een grootgevaar voor mensen, dieren of andere houtopstanden, een groot risico op schade aangebouwen of andere bouwwerken of een vergelijkbaar spoedeisend belang. Artikel 4.3.6 Openbaarmaking ?Burgemeester en wethouders doen zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken van de bekendmaking van de beslissing op een aanvraag mededeling in een lokaal dag- of nieuwsblad. Artikel 4.3.7 Bijzondere vergunningsvoorschriften
- Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.
- Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
- Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.
- Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens behoren het voorschrift dat de vergunning pas van kracht wordt met ingang van de dag na de dag waarop de bezwaartermijn afloopt en dat indien gedurende de bezwaartermijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de vergunning niet van kracht wordt voordat op dat verzoek is beslist.
- Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens behoren het voorschrift dat ten behoeve van herplanting een bijdrage wordt voldaan aan het bomenfonds van de gemeente Enkhuizen als bedoeld in artikel 4.3.
- Deze bijdrage is gelijk aan de boomwaarde van de houtopstand welke op grond van de vergunning kan worden geveld.
- Een kapvergunning vervalt indien daarvan binnen twee jaar gerekend vanaf de dag na de dag waarop de vergunning onherroepelijk is geworden geen gebruik is gemaakt. Artikel 4.3.8 Herplant-instandhoudingsplicht
- Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester en wethouders is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.
- Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij, tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
- Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Artikel 4.3.9 Schadevergoeding Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 4.3.2, artikel 4.3.7 of artikel 4.3.8 schade lijdt of zal leiden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kennen burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Artikel 4.3.10 Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 2 m voor bomen en op 0,5 m voor heggen en heesters. Artikel 4.3.11 Bestrijding van iepziekte
- Dit artikel verstaat onder: a. Iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf.(syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); b. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus muitistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.
- Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; b. de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen; c. de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
- Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren met uitzondering van geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm;
- Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder het derde lid gestelde verbod. Artikel 4.3.12 Verhouding tussen kap- en bouw of aanlegvergunning Een kapvergunning kan worden geweigerd op de enkele grond dat de voorgenomen kap voortvloeit uit een bouw- of aanlegplan waarvoor nog geen vergunning is verleend. Artikel 4.3.13 Bescherming bomen
- Het is verboden om houtopstanden, die openbaar eigendom zijn te beschadigen, te bekladden of te beplakken of daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak;
- Het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan een openbare houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van burgemeester en wethouders. Artikel 4.3.14 Waardevolle bomen
- Burgemeester en wethouders kunnen een lijst met waardevolle bomen en houtopstanden vaststellen, waarvoor in beginsel geen kapvergunning wordt afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties.
- De lijst met waardevolle bomen omvat in ieder geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere houtopstand.
- De gemeente Enkhuizen houdt een bomenfonds voor het onderhoud, de instandhouding en uitbreiding van houtopstanden. Artikel 4.3.15 Bijdrageregeling waardevolle bomen
- Burgemeester en wethouders kunnen een bijdrage verlenen in de kosten van maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het duurzaam instandhouden van een waardevolle boom, bomen of andere houtopstanden.
- Burgemeester en wethouders kunnen een bijdrage, als bedoeld in het eerste lid, verlenen voor een bepaalde, waardevolle houtopstand, indien zij een vergunning tot vellen voor deze houtopstand geweigerd hebben.
- Onder duurzame maatregelen, als bedoeld in het eerste lid, zijn in elk geval begrepen: a. het onderzoek naar de ‘kwaliteit van de houtopstand en de groeiplaats; b. structurele groeiplaatsverbetering; c. bescherming van de groeiplaats; d. kroonsnoei (herstel- en stabilisatiesnoei); e. kroonverankering.
- De bijdrage kan worden verleend aan: a. de eigenaar van de grond waarop zich houtopstand bevindt; b. een natuurlijk of rechtspersoon die krachtens een persoonlijk of zakelijk recht het feitelijke gebruik heeft van de grond waarop zich de houtopstand bevindt.
- Burgemeester en wethouders kunnen, naast het in het eerste en tweede lid van dit artikel bepaalde, diensten (laten) verlenen voor het onderhoud en de instandhouding van een houtopstand. Artikel 4.3.16 Procedure bijdrageregeling waardevolle bomen
- Een aanvraag om een bijdrage of dienstverlening als bedoeld in het eerste respectievelijk het vijfde lid van artikel 4.3.15 moet schriftelijk worden ingediend bij burgemeester en wethouders.
- De aanvraag dient ondertekend te zijn door zowel de eigenaar als de gebruiker van de grond waarop zich de houtopstand bevindt.
- De bijdrage wordt slechts verleend indien een begroting van de kosten, opgesteld door een deskundig boomverzorger dan wel door de gemeente, wordt bijgevoegd en vooraf door burgemeester en wethouders is goedgekeurd. Artikel 4.3.17 Beslissingstermijn bijdrageregeling Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is binnengekomen. Zij kunnen bij schriftelijk ter kennis van aanvrager te brengen besluit hun beslissing met ten hoogste acht weken verlengen. Artikel 4.3.18 Hoogte van de bijdrage
- Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks de bijdragen vast voor de in artikel 4.3.15 bedoelde maatregelen. Zij kunnen een maximumbijdrage vaststellen voor de maatregelen ter verrichten aan één boom of één andere houtopstand.
- De bijdrage wordt alleen toegekend voor de kosten, die vooraf door burgemeester en wethouders zijn goedgekeurd.
- De bijdrage wordt verleend onder de voorwaarden dat: a. de maatregelen worden uitgevoerd door een deskundig boomverzorger: b. de maatregelen binnen één jaar worden uitgevoerd; c. de boom of houtopstand in alle opzichten behoorlijk in stand wordt gehouden.
- Aan het verlenen van de bijdrage kunnen door burgemeester en wethouders nadere voorwaarden worden verbonden. Artikel 4.3.19 Uitbetaling bijdrage De bijdrage wordt uitbetaald indien: a. burgemeester en wethouders is gebleken dat de maatregelen naar behoren zijn getroffen; b. binnen 15 maanden na toekenning van de bijdrage de rekening van de boomverzorger is overgelegd. Artikel 4.3.20 Het vervallen van de bijdrage
- De toekenning van de bijdrage vervalt, zodra: a. degene aan wie de bijdrage is toegekend ophoudt eigenaar te zijn of anderszins onbevoegd wordt over de houtopstand te beschikken; b. de houtopstand teniet is gegaan; c. niet wordt voldaan aan de bepalingen van deze bijdrageregeling; d. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij toekenning van de bijdrage; e. de eigenaar een privaatrechtelijke rechtspersoon is, die ontbonden wordt.
- Ingeval de eigendom van de houtopstand gedeeltelijk overgaat of de houtopstand gedeeltelijk tenietgaat, bepalen burgemeester en wethouders of en in hoeverre voor het overblijvende deel van de houtopstand verdere verlening van de bijdrage plaatsvindt. Artikel 4.3.21 Verwijderen distels
- Degene die op basis van een titel, anders dan eigendom, grond of gronden welke in de gemeente is of zijn gelegen beheert, is verplicht de op deze grond of gronden voorkomende distelsoorten “Circium arvensis” (akkerdistels) en de “Sonchus arvensis” (akkermelkdistel) tijdig, voordat deze tot bloei komen, te verwijderen en te vernietigen.
- Bij gebreke van de in eerste lid bedoelde persoon, rust de in het eerste lid bedoelde verplichting op de eigenaar van de bedoelde grond of gronden. Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
- Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij naderaangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; e. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet
- Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof: a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.
- Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Verordening. Artikel 4.4.1a Stankoverlast door gebruik van meststoffen
- Dit artikel verstaat onder: a. meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; b. emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt'; c. grond: bouwland, maïsland en grasland.
- Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de volgende feest en gedenkdagen: nieuwjaarsdag, de eerste en tweede Paasdag, de eerste en tweede Pinksterdag, Hemelvaartsdag, 5 mei, de eerste en tweede Kerstdag en de dag waarop de verjaardag van koningin wordt gevierd.
- Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voorzover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.
- Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden.
- Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren. Artikel 4.4.2 Vergunningsplicht handelsreclame
- Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.
- Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: 1e. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; 2e. het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; 3e. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; 4e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college; b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.
- Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.
- Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening;
- De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken;
- De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Afdeling 5 Kamperen buiten de kampeerterreinen Artikel 4.5.1 Begripsomschrijving In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
- Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
- Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
- Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het eerste lid.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 1.
- kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap b. de bescherming van een stadsgezicht Artikel 4.5.3 Aanwijzing kampeerplaatsen
- Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4.5.
- eerste lid, niet geldt.
- Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4.5.
- vierde lid. Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: c. treinen en trams; d. fietsen, bromfietsen; e. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; f. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen; g. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d
- Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van vijfentwintig meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
- Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
- Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.
- Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen
- Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
- Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen. Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken
- Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.
- Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.1.5 Caravans e.d.
- Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan welanderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
- Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
- Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen
- Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen
- Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
- Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
- Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
- Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
- Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
- Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
- Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
- Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
- Dit verbod is niet van toepassing: a. op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a; b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
- Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.11 Overlast van fiets en bromfiets
- Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
- Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan. Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen
- Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
- Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
- Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
- Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. Artikel 5.2.2 Venten e.d.
- Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.
- Het verbod geldt niet: a. ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet; b. voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; c. voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; d. voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5.2.3.
- De vergunning kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; d. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt. Artikel 5.2.3 Standplaatsen
- Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats: a. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden dan wel diensten aan te bieden; b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.
- Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.
- Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
- De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.2.4.
- De vergunning kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; d. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; f. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement ….
- De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
- De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor bouwwerken.
- Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het vijfde lid, tot de dag waarop de beslissing over de Wet-milieubeheervergunningaanvraag is genomen. Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d.
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: a. in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld; b. toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.
- Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
- Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt. Afdeling 3 Openbaar water Paragraaf 1 Gebruik van openbaar vaarwater Artikel 5.3.1.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
- Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.
- Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.
- Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hunomvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
- De verboden in het eerste en derde lid gelden niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provincialevaarwegenverordening, de Havenverordening Enkhuizen, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 5.3.1.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
- Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
- Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met danwel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Provinciale landschapsverordening of de Havenverordening Enkhuizen. Artikel 5.3.1.3 Aanwijzingen ligplaats
- Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.
- De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op tevolgen.
- Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Provinciale landschapsverordening of de Havenverordening Enkhuizen. Artikel 5.3.1.4 Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede lid, en 5.3.3 bepaalde. Artikel 5.3.1.5 Beschadigen van waterstaatswerken
- Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Havenverordening Enkhuizen. Artikel 5.3.1.6 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5.3.1.7 Veiligheid op het water
- Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Havenverordening Enkhuizen. Artikel 5.3.1.8 Overlast aan vaartuigen
- Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
- Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Artikel 5.3.1.9 Maximale vaarsnelheid
- Het is verboden om met een vaartuig in openbaar vaarwater waarvoor burgemeester en wethouders zijn aangewezen als bevoegd gezag sneller te varen dan zes kilometer per uur.
- Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Havenverordening Enkhuizen van toepassing is. Paragraaf 2 Toezicht op het strand Artikel 5.3.2.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. strand: het strand van het recreatieoord Enkhuizer Zand; b. zeilplank: een klein vaartuig voorzien van een vrij bewegende, in alle richtingen draaibare zeiltuigage welke is gemonteerd die tijdens het ze