WMO verstrekkingenboekVerstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Hof van Twente Goor, oktober 2008, gewijzigd april 2009 Inleiding Voor u ligt het Wmo-verstrekkingenboek. Dit Verstrekkingenboek bevat beleidsregels met betrekking tot de verstrekking van voorzieningen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning (de Wmo-verordening). Deze Verordening is door de gemeenteraad vastgesteld in haar vergadering op 26 september 2006 en later gewijzigd op 11 maart 2008 en 30 september 2008. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht: “ Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.” De Wet maatschappelijke ondersteuning is een raamwet. Dit betekent dat gemeenten een zekere mate van vrijheid hebben om binnen bepaalde grenzen de omvang en de inhoud van het lokale voorzieningenpakket te bepalen. De ondergrens van het verstrekkingenbeleid wordt naast de wet, ook bepaald door de verordening en jurisprudentie. Deze gemeentelijke beleidsvrijheid verdient een uitgebreidere aanpak dan alleen een verwoording in de verordening. Derhalve is er in de gemeente Hof van Twente gekozen om een zogenaamd verstrekkingenboek vast te stellen. Om die reden bepaalt artikel 1 onder q van de Wmo-verordening dat het college van burgemeester en wethouders beleidsregels vaststelt waarin het verstrekkingenbeleid uitgebreid wordt beschreven; het Wmo-verstrekkingenboek. Dit boek is een uitschrijving van de verordening en geeft een uitgebreide weergave (verdieping) van het gemeentelijk beleid. Gemeenten mogen en moeten zelf de keuze moeten maken met betrekking tot de vorm en de gevallen waarin de voorzieningen worden verstrekt. Deze keuzes zijn bij de gemeente Hof van Twente neergelegd in de Wmo-verordening; dit Wmo-verstrekkingenboek (met een voorzieningenlijst) en het (financiële) Besluit maatschappelijke ontwikkeling Hof van Twente (het Wmo-besluit) Deze documenten vormen samen de basis waarop personen met beperkingen aanspraak kunnen maken op individuele voorzieningen in de gemeente Hof van Twente. Het verstrekkingenboek, zoals dat nu voor u ligt, heeft een interne en externe werking. Primair is het bedoeld om de uitvoeringsorganisatie, met name de afdeling Werk Inkomen Zorg een spelregelboek te verstrekken, die gebruikt kan worden bij de besluitvorming op Wmo-aanvragen. Daarnaast moet het verstrekkingenboek duidelijkheid verschaffen aan een ieder die te maken heeft met het verstrekkingenbeleid in het kader van de Wmo. Een ieder kan daardoor kennis nemen van de beleidspunten en hieruit afleiden waarom een bepaalde beslissing is genomen. Dit verstrekkingenboek volgt de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop individuele voorzieningen worden verstrekt: Hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoer) en verplaatsen in en rond de woning (rolstoelen). Daaraan vooraf gaat hoofdstuk 2 over de vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen. HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN (dit hoofdstuk verwijst naar de artikelen 1 en 2 van de Verordening) In artikel 1 van de Verordening worden diverse begrippen beschreven. Deze spreken, in combinatie met de toelichting, voor zich. Deze worden daarom niet verder uitgewerkt in dit verstrekkingenboek. 1. Afbakening Artikel 2 lid 1 van de Verordening benoemt een aantal voorwaarden waaraan een voorziening moet voldoen. In dit artikel is dus de reikwijdte van de Verordening vastgelegd. Niet elk probleem kan of hoeft op grond van de Wmo-verordening te worden opgelost. Bij de behandeling van een aanvraag om een voorziening spelen enkele algemene beperkingen. 1.1.a. Langdurig noodzakelijk De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, heeft te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op 6 maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. In dit verband is de prognose van groot belang. Dat geldt overigens niet als een persoon met beperkingen terminaal is. Als de levens-verwachting 4 maanden is, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem zolang betrokkene leeft. Er moet dan uitgegaan worden van langdurige noodzaak. Een uitzondering moet worden gemaakt voor kortdurende noodzakelijk hulp bij het huishouden. Indien bij bijvoorbeeld ontslag uit het ziekenhuis een beperkte periode hulp bij het huishouden noodzakelijk is, kan deze voorziening wel worden verstrekt. 1.1.b. Goedkoopst-adequaat Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstreken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden voor de goedkoopste voorziening. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen niet voor vergoeding in aanmerking komen. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief vervoer (Regiotaxi/CVV) ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag meetellen; dus ook al is een individuele persoon met beperkingen wellicht goedkoper uit met een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen. In enkele uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep bevestigd dat het feit dat het CVV mogelijk niet de goedkoopste voorziening is, dit geen reden hoeft te zijn om niet aan dit primaat vast te houden. Zie bijvoorbeeld CRvB 29-08-2005, 02/2512. De hoogte van een financiële tegemoetkoming dan wel van een persoonsgebonden budget (PGB) zal afgestemd worden op het prijsniveau van de goedkoopst adequate voorziening op dat moment. 1.1.c. In overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en lid 1 onder
- d)Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de persoon met beperkingen. Bij de beoordeling van het recht op een voorziening en/of de omvang ervan, dient wel rekening te worden gehouden met de beschikbaarheid van huisgenoten. 1.2. Geen recht op een voorziening Lid 2 van artikel 2 noemt een aantal omstandigheden waarin geen compenserende wmo-voorziening wordt toegekend. 1.2.1. Geen algemeen gebruikelijke voorziening Algemeen aanvaard uitgangspunt is dat geen voorziening wordt verstrekt, indien deze voor een persoon als de aanvrager als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk indien de volgende criteria van toepassing zijn: de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten bedoeld; de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar; de voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten en de aan te schaffen voorziening kan voor een niet-ondersteuningsbehoeftige in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend. In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de persoon met beperkingen toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Er moet dan een uitzondering worden gemaakt. Dit doet zich voor indien een plotseling optredende handicap noopt tot plotselinge vervanging van voorheen adequate algemeen gebruikelijke voorzieningen (dus vanwege een calamiteit een vroegtijdige vervanging); Voorbeelden van zaken die als algemeen gebruikelijk worden gezien (niet limitatief): mobiele telefoon; automatische transmissie; airconditioning in de auto; keramische kookplaat; kosten van aanschaf en het gebruik van een spartamet/snorfiets/fiets; wasdroger; centrale verwarming; thermosstatische mengkraan. 1.2.2. Niet woonachtig in de gemeente De Wvg sprak over: “in de gemeente woonachtige gehandicapten”. De Wmo kent deze aanduiding niet meer. Toch is het evident dat de compensatieplicht van de gemeente slechts geldt ten aanzien van in de gemeente woonachtige personen met beperkingen. Daarom is bepaald dat de compensatieplicht van de gemeente slechts geldt ten aanzien van de in de gemeente woonachtige personen met beperkingen. Veelal zal de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) uitsluitsel geven waar de persoon woont. Deze inschrijving is echter niet doorslaggevend, maar een hulpmiddel. Doorslaggevend is de plaats van het daadwerkelijk verblijf. Waar verblijft betrokkene en waar is het centrum van zijn economische en sociale activiteiten gelegen? Met name bij bewoners van een AWBZ-erkende instelling met een briefadres elders en bij bewoners van recreatie-woningen verdient dit aspect extra aandacht. Voor de uitvoering van de Wet en de afweging die daarbij gemaakt moet worden over het woonplaatscriterium, zoeken wij daarom aansluiting bij de werkwijze en vaste jurisprudentie zoals die geldt bij de uitvoering van de Wet werk en bijstand (WWB) 1.2.3. Een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw Veelal wonen mensen naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft, zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoervoorzieningen) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel of ander Wmo-vervoermiddel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages. 1.2.4. Geen sprake is van meerkosten De Wet kent de compensatieplicht. Dit betekent dat er wel wat te compenseren moet zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben, zal als hij die auto moet hebben vanwege een beperking, niet in een andere situatie komen. Hetzelfde doet zich voor indien iemand al langere tijd particuliere hulp in het huishouden inschakelt. Is deze hulp vervolgens nodig vanwege een beperking, dan komt die persoon niet in een andere situatie dan voorheen voor wat betreft het schoonhouden van het huis. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden. Bij een aanvraag zal dus bezien moeten worden of het optreden van een beperking een wijziging aanbrengt in de woon- en leefsituatie van de persoon met beperkingen. 1.2.5. Kosten gemaakt voorafgaand aan het moment van beschikken Deze beperking is er voor bedoeld om te voorkomen dat de gemeente voor een fait accompli wordt gesteld, waardoor de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf mogelijk te maken. Bij een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot consequentie dat indien achteraf alsnog de noodzaak van de voorziening kan worden vastgesteld en toch nog gecontroleerd kan worden wat de goedkoopst-adequate oplossing was, een afwijzing op deze grond achterwege moet blijven. Het gaat dan om de (medische) noodzaak op het moment van realiseren van de voorziening. Uiteraard mag dan worden volstaan met toekenning van de goedkoopst-adequate voorziening, ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de consequentie voor de persoon met beperkingen die voor de beschikking zelf iets heeft aangeschaft. In het derde lid van artikel 2 van de verordening zijn daarom twee situaties beschreven waarin de voorziening niet om deze reden wordt geweigerd. De eerste situatie is indien de kosten vroegtijdig zijn gemaakt met schriftelijke toestemming van het college. De tweede situatie is indien wij achteraf de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de reeds gerealiseerde oplossing nog kunnen vaststellen en, de persoon met beperkingen redelijkerwijs niet kan worden verweten de kosten reeds te hebben gemaakt en het tijdverloop tussen realisatie van de voorziening en de aanvraag niet onredelijk lang is. Indien een dergelijke situatie zich voordoet, dan zal de aanvraag inhoudelijk beoordeeld moeten worden waarbij aan deze aandachtpunten expliciet aandacht wordt besteed. Dit vergt een individuele beoordeling (maatwerk). 1.2.6. Vroegtijdige vervanging waarbij sprake is van schuld Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch kan het voorkomen dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootermobiel rijdend te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid, onder invloed van alcohol of drugs enz. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot (aangetekend) waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer, dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden. Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn. Als iemand een persoonsgebonden budget heeft, kan op gelijke wijze bij verloren gaan gedurende de looptijd gehandeld worden. Hoofdstuk2.Vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen (dit hoofdstuk verwijst naar de artikelen 3 t/m 7 van de Verordening) 2.1. Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken. In artikel 3 van de Verordening is de keuzevrijheid voor de persoon met beperkingen vastgelegd. Deze keuzevrijheid geldt alleen bij toekenning van individuele voorzieningen. In enkele artikelen in de Verordening is het primaat neergelegd bij de toekenning van algemene voorzieningen. Bij algemene voorzieningen geldt de keuzevrijheid niet. Ook geeft dit artikel de mogelijkheid om vast te leggen in welke situaties overwegende bezwaren tegen deze keuzevrijheid aanwezig worden geacht. Allereerst is er de voorziening in natura, al dan niet in bruikleen, (geregeld in artikel 4 van de verordening). Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. De tweede mogelijkheid is de financiële tegemoetkoming (geregeld in artikel 5 van de Verordening). Een financiële tegemoetkoming wijkt niet veel af van een persoonsgebonden budget. Een financiële tegemoetkoming wordt niet altijd uitbetaald aan de aanvrager, maar bijvoorbeeld bij bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen aan de eigenaar van de woning. De derde mogelijkheid is het persoonsgebonden budget (PGB). Dit is weergegeven in artikel 6 van de Verordening. 2.1.1. Geen keuzevrijheid In artikel 3 van de Verordening is bepaald dat het college vast moet stellen in welke situaties overwegende bezwaren tegen de keuzevrijheid aanwezig worden geacht. Deze overwegende bezwaren zijn in ieder geval aan de orde als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Hiervan is in ieder geval sprake als het gaat om aanvragers die zijn toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), aanvragers die deelnemen aan een (gemeentelijk) schuldhulpverleningstraject, aanvragers waarvoor een budgetbeheerrekening is geopend bij de Stadsbank Oost Nederland aanvragers waarbij sprake is van een andere vormen van budgettering. tenzij zij aantoonbaar de beschikking hebben over een netwerk dat zorgdraagt voor het beheer en de besteding van de middelen uit het persoonsgebonden budget; mensen met manische buien en/of verslavingsproblematiek (TK 2005-2006, 30 131 nr. 31) indien redelijkerwijs te verwachten is dat een voorziening slechts voor een relatief korte periode adequaat is. Hiervan is sprake bij bijvoorbeeld zeer progressieve ziektebeelden en voorzieningen voor jonge kinderen. als een algemene voorziening, waaronder het collectief vervoersysteem, de adequate voorziening is. in geval de hulp bij het huishouden bij spoed gerealiseerd moet worden, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis indien de hulp bij het huishouden voor maximaal 3 maanden wordt toegekend. bij toekenning van sportrolstoelen. bij toekenning van een financiële tegemoetkoming in kosten van een verhuizing. Deze opsomming is niet limitatief. Er kunnen zich individuele situaties voordoen waarbij de keuze tussen een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming en een PGB ook niet wordt geboden. Deze situaties zijn ter beoordeling aan het college. In de uitvoering zal duidelijk worden of er ook andere situaties zijn waarin weigering op zijn plaats is. Eventuele nieuwe situaties zullen later in deze nadere regels worden toegevoegd. Geen keuzevrijheid betekent dus dat de persoon met beperkingen geen keuze wordt geboden tussen verstrekking in natura en een financiële tegemoetkoming of PGB. Het college bepaalt de vorm waarin de voorziening wordt verstrekt. Daartegenover staat de toekenning van een sportrolstoel. Deze wordt enkel in de vorm van een persoonsgebonden budget toegekend. Met de door ons gekozen leverancier van rolstoelen en vervoermiddelen is een contract afgesloten en een kernassortiment van te verstrekkeen voorzieningen afgesproken. Achterliggende gedachte is hierbij is dat middelen in natura en in bruikleen later weer kunnen worden herverstrekt. Bij sportrolstoelen is dit niet aan de orde. Herverstrekking vindt niet plaats. Verstrekking in natura in buikleen is om die reden niet zinvol. Een tegemoetkoming in verhuiskosten kan alleen door een financiële bijdrage. Verstrekking in natura is onmogelijk. Kortom, in de onder 1 t/m6 beschreven situaties wordt geen PGB verstrekt, terwijl verstrekking in natura niet mogelijk is voor de onder punt 6 en 7 beschreven voorzieningen. 2.2. Verschillende overeenkomsten en voorwaarden Artikel 4 van de Verordening bepaalt: “Indien een voorziening in bruikleen in natura wordt verstrekt, is de bruikleenovereenkomst, gemeente Hof van Twente van toepassing”. De leverancier verzorgt de werkzaamheden voor het afsluiten van de overeenkomsten. Artikel 5 van de Verordening: Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Wmo-verstrekkingenboek, in de beschikking opgenomen. De voorwaarden zijn: De (proforma) nota/factuur van de voorziening waarvoor de financiële tegemoetkoming is bestemd, dient aan de gemeente te worden overgelegd. Direct na het gereedkomen van de voorziening dient het definitieve betalingsbewijs aan de gemeente te worden overgelegd. Na controle van bovengenoemde stukken kan tot betaling van de financiële tegemoetkoming worden overgegaan. 2.3. Persoonsgebonden budget (PGB) In artikel 6 van de verordening worden de regels met betrekking tot het persoonsgebonden budget genoemd. Artikel 6, eerste lid onder a bepaalt dat een persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt kan worden. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers eenvoudige oplossingen, lichte, niet complexe hulp betreffen of betrekking hebben op incidentele hulpbehoeften. Daarbij is er een alternatief. Indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag voor een individuele voorziening worden ingediend. Artikel 6, eerste lid onder b bepaalt dat de omvang van het PGB de tegenwaarde is van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura. Als dat nodig is (is afhankelijk van de soort aan te schaffen voorziening), wordt ook een PGB voor de zogeheten instandhoudingkosten toegekend. De hoogte van het PGB is vastgelegd in het Wmo-besluit. Instandhoudingskosten zijn met name kosten van onderhoud, reparaties en zonodig verzekeringen. Een PGB voor instandhoudingskosten gaat in nadat de garantie-periode (veelal 1 jaar) is verstreken. Artikel 6, eerste lid onder c, bepaalt dat de wijze waarop het PGB wordt vastgesteld door het college wordt vastgelegd in het Wmo-besluit. 2.3.1. Hoogte PGB Wat betreft de bouwkundige en woontechnische woonvoorzieningen zal steeds vooraf een berekening van de kosten gemaakt moeten worden. Dat kan bijvoorbeeld afgeleid worden uit een offerte. Ook kunnen de kosten worden bepaald aan de hand van prijzen die gecontracteerde leveranciers hebben aangeboden. Separaat kan een PGB worden toegekend voor het onderhoud en de reparaties, en eventueel de verzekering, van de voorziening (instandhoudingskosten). De Hof van Twente heeft op 1 januari 2008 contracten met: de firma Otto Ooms BV met betrekking tot de levering, montage en onderhoud van trapliften en de firma HCNON met betrekking tot de levering van rolstoelen en vervoermiddelen en enkele natura-woonvoorzieningen. ook zijn met enkele woningbouwverenigingen prijsafspraken gemaakt om, zonder voorafgaande offerte, benoemde, eenvoudige (niet-)bouwkundige en (niet-) woontechnische woonvoorzieningen te realiseren. Indien een persoon met beperkingen ervoor kiest voorzieningen, die vallen onder de contracten met genoemde bedrijven, verstrekt te krijgen in de vorm van een PGB, dan wordt de hoogte van het PGB bepaald op de contractprijs, dat wil zeggen de prijs waartegen de gemeente de voorziening kan inkopen (dus inclusief de bedongen korting). Deze korting wordt doorberekend naar het PGB. Het is immers niet de bedoeling dat een persoons-gebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een PGB een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Beschikbaarheid van voorzieningen uit het depot wordt buiten beschouwing gelaten. Kan de PGB-houder niet dezelfde korting bedingen als in de contracten van de gemeente met de leveranciers is bedongen, dan komt het prijsverschil voor rekening van de PGB-houder. Dit is dan een direct gevolg van de keuze voor een PGB. Het tweede lid van artikel 6 bepaalt dat de toekenning van het te verstrekken PGB, de omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking worden vastgesteld. Als het PGB berekend is, wordt het bij beschikking aan de aanvrager bekendgemaakt. 2.3.2. Programma van eisen Artikel 6, derde lid bepaalt dat aan de beschikking een programma van eisen wordt toegevoegd. Hierin dient nauwkeurig aangegeven te worden aan welke eisen de aan te schaffen voorziening dient te voldoen. Voorkomen moet immers worden dat de persoon met beperkingen door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld worden, een verkeerde voorziening aanschaft of wil aanschaffen. Bovendien kan dan ook bezwaar worden aangetekend tegen dit onderdeel van de beschikking. 2.3.3. Voorwaarden en controle Tenslotte worden in de beschikking een aantal voorwaarden genoemd die controle op de besteding van het budget mogelijk maken. Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening en; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening of; een overeenkomst tussen de persoon met beperkingen en de hulpverlener tot het leveren van hulp; een overzicht van de salarisadministratie met betalingsbewijzen en een door de budgethouder en zorgverlener ondertekende werkbrief met daarop het aantal geleverde uren zorg. Artikel 6, vierde lid maakt een onderscheid tussen een PGB voor Hulp bij het Huishouden en andere budgetten. Een PGB voor HH wordt vooraf betaald aan de budgethouder per periode van 4 weken. Op deze wijze is de budgethouder in de gelegenheid de ingekocht hulp periodiek te betalen. Andere budgetten worden toegekend voor en besteed aan de aanschaf van voorzieningen/ middelen. Dit geschiedt op factuurbasis. Het budget hiervoor, maar ook de financiële tegemoetkoming, wordt dan eerst betaalbaar gesteld nadat de budgethouder een bewijs van aanschaf (factuur) of voornemen tot aanschaf (getekende opdrachtbevestiging) heeft overgelegd. Op deze wijze kan de aanschaf worden gecontroleerd (komt aanschaf overeen met programma van eisen?) en kan de persoon met beperkingen eventueel tijdig erop worden gewezen dat een niet-adequate voorziening wordt aangeschaft. Bovendien bestaat dan een reëel inzicht in de datum van aanschaf van een voorziening. Dit is vooral daarom van belang omdat voor diverse voorzieningen ook een PGB voor instand-houdingskosten moet worden toegekend. Dit budget gaat in vanaf het moment dat de garantiebepalingen zijn verlopen. Om dit moment te kunnen bepalen is de datum van aanschaf van belang. Zouden wij dergelijke PGB-en niet stuk voor stuk bezien, dan lopen wij (maar ook de budgethouder) het risico dat nimmer een factuur wordt overgelegd en dat dus ook nimmer een PGB voor instandhoudingskosten wordt toegekend. Tot slot sluit de voorgestelde werkwijze 100% aan op de wijze waarop al vele jaren budgetten voor sportrolstoelen worden toegekend en uitbetaald. Het 6e lid van artikel 6 geeft aan dat de controle van het persoonsgebonden budget steekproefsgewijs kan plaatsvinden. De budgethouder heeft in de toekenningsbeschikking de verplichting opgelegd gekregen bewijsstukken te bewaren. Controle geschiedt op basis van deze bewijsstukken. Dit heeft met name betrekking op Hulp bij het Huishouden. Immers, budgetten voor andere voorzieningen worden eerst betaald na ontvangst van de factuur dan wel getekende opdrachtbevestiging. In die laatste situatie zal de budgethouder de factuur achteraf moeten overleggen. Artikel 6, zevende lid, bepaalt dat nagegaan moet worden of het PGB besteed is aan het doel waarvoor het bestemd is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het budget anders besteed dan bedoeld, dan beoordeelt het college of het PGB geheel of ten dele terug wordt teruggevorderd of verrekend. Het uitgangspunt is dat wij terugvorderen, tenzij er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Bij terugvorderen of verrekenen neemt het college de procedure in acht zoals die is omschreven in hoofdstuk 7 van de Verordening. 2.4. Eigen bijdrage Artikel 7 van de Verordening stelt vormt de basis voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage. De hoogte hiervan is in het Wmo-besluit vastgelegd. Door de staatssecretaris van Volksgezondheid Welzijn en Sport is een algemene maatregel van bestuur (AMVB) opgesteld, met daarin spelregels waaraan het beleid t.a.v. eigen bijdragen en eigen aandeel in de kosten moet voldoen. Deze AMVB, het Besluit maatschappelijke ondersteuning, is een uitwerking van artikel 15 lid 3 en artikel 19 lid 2 van de Wet. De gemeente Hof van Twente kent alleen een eigen bijdrage voor de Hulp bij het huishouden. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. In 2008 hebben we dus te maken met verzamelinkomens over het jaar 2006. Wijkt het inkomen van 2008 erg af van het inkomen van 2006, dan kan betrokkene bij het CAK een verzoek om verlegging van het peiljaar in te dienen. Er kan dan, mits het CAK dit verzoek honoreert, rekening worden gehouden met het gewijzigde, meer actuele inkomen. De wijze waarop de eigen bijdrage wordt berekend, is vastgelegd in het Wmo-besluit. Hoofdstuk3.Hulp bij het huishouden (Dit hoofdstuk heeft betrekking op de artikelen 8 tot en met 13 van de Verordening) 3.1. Inleiding Dit hoofdstuk uit het Wmo-verstrekkingenboek behandelt de Hulp bij het Huishouden, verder te noemen HH. Met de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning (de wet) zijn gemeenten sinds 1 januari 2007 belast met het indiceren en verstrekken van Hulp bij het Huishouden. In Hof van Twente is besloten bij de invoering van de wet de Hulp bij het Huishouden beleidsarm over te nemen vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Dit betekende dat werd aangehaakt bij de beleidsregels zoals die door het Centrum Indicatie-stelling Zorg (CIZ) waren vastgelegd in het Protocol Gebruikelijke Zorg (PGZ) en het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke verzorging (PIHV). Het PGZ en het PIHV bevatten veel AWBZ-gerelateerde teksten en verwijzingen naar de AWBZ. Wij hebben de behoefte aan beleidsregels die meer zijn toegesneden op de lokale situatie in Hof van Twente en die recht doen aan de beleidsvrijheid die de wet aan de gemeente biedt. Om deze redenen hebben wij dit hoofdstuk opgesteld. Om tot deze beleidsregels te komen, hebben wij het PGZ en het PIHV aangepast op basis van onze Wmo-verordening. Begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd, hebben dezelfde betekenis als in de Wet en de Wmo-verordening. 3.2. Uitgangspunten voor Hulp bij het Huishouden 3.2.1. Als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden Hulp bij het Huishouden (HH) is aan de orde als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden. Dit doet zich voor indien men vanwege beperkingen het huishouden niet meer kan voeren, maar kan zich ook uiten in vervuiling (van de woning en/of van kleding) en verwaarlozing, waardoor het functioneren in huis en ook daarbuiten, belemmerd wordt. Het doel van de hulp kan dan zijn het schoonhouden van het huis en/of het verrichten van dagelijkse voorkomende huishoudelijke activiteiten, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. HH betreft geen hulp aan een persoon, maar aan een leefeenheid. HH is gericht op het ondersteunen bij, of het overnemen van huishoudelijke taken, of activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in relatie tot (dreigend) disfunctioneren van het huishouden. Het kan dus gaan van het motiveren tot of aansturen van, tot het instrueren en zonodig overnemen van: het zorgen voor eten en drinken: aanschaffen van voedingsmiddelen, bereiden van voeding en drinken, afvoeren van vuilnis; de essentiële hygiëne van de huishouding: schone bedden, kleding, sanitair, vloeren, stofzuigen en dweilen; incidentele werkzaamheden als het schoonhouden van ramen, kasten e.d.; het verzorgen van jonge kinderen in verband met de uitval van de primaire verzorger(
- s)en afwezigheid van informele zorg de veiligheid van en de regie over het huishouden. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen. Deze beperkingen kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden. In een deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling, in andere situaties kan worden volstaan met een hoogwaardige intake door de consulent Zorg van de gemeente. Dit ter beoordeling van de consulent Zorg. In dit kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning (respijtzorg). Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de persoon met beperkingen, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis. Het gaat dan om ontlasting van de mantelzorger, waarbij de hulp in het huishouden van de persoon met beperkingen al dan niet geheel wordt overgenomen Er zijn enkele omstandigheden die het recht op een compenserende voorziening HH beperken dan wel niet noodzakelijk maken. Hieronder worden 2 van dergelijke omstandig-heden benoemd, te weten gebruikelijke zorg en de voorliggende voorziening. 3.2.2. De verantwoordelijkheid van de leefeenheid De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden. Dat betekent dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van een van de leden van die leefeenheid, door een herverdeling van huishoudelijke taken, andere leden van de leefeenheid de huishoudelijke taken overnemen. Dit met inbegrip van het bevorderen en instandhouden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Dit heet gebruikelijke zorg. Hulp bij het huishouden is er dus als aanvulling op de eigen mogelijkheden. In paragraaf 3.6. wordt het begrip gebruikelijke zorg nader uitgewerkt. Als er sprake is van kamerverhuur, hoort de huurder van de desbetreffende ruimte niet tot de leefeenheid. Het moet dan wel gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. Wonen mensen zelfstandig samen op een adres waarbij gemeenschappelijke ruimten worden gedeeld (woongroepen, kamerverhuur), dan gaan we ervan uit dat het aandeel van de persoon met beperkingen in het schoonmaken van die gemeenschappelijke ruimten wordt overgenomen door andere bewoners. HH kan dan alleen worden ingezet voor zover het de eigen woonruimte (kamers) van de persoon met beperkingen betreft. In Hof van Twente is regelmatig sprake dat op 1 adres meerdere generaties in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staan ingeschreven. In die woonsituaties zal steeds individueel moeten worden bezien in hoeverre sprake is van een leefeenheid. Indien de persoon met beperkingen een eigen voordeur, een eigen toilet en natte cel, keuken en slaap-kamer gebruikt, zal er veelal sprake zijn van 2 aparte leefeenheden. Dit staat los van het feit dat de wooneenheden bijvoorbeeld hetzelfde huisnummer hebben. Op het moment dat 1 of meerdere gebruiksruimten worden gedeeld, zal nader gemotiveerd moeten worden of sprake is van 2 separate leefeenheden. Gebruiksruimten die door iedere bewoner (GBA) worden of kunnen worden gebruikt, vallen buiten de indicatie HH. Voor AWBZ-instellingen geldt dat Hulp bij het huishouden in de functie Verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. 3.3. Voorliggende voorzieningen In artikel 2 van de Wet wordt reeds aangegeven dat geen aanspraak op een Wmo-voorziening bestaat voor zover een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. Dit zijn op de Wet voorliggende voorzieningen. Wij beschouwen een aantal voorziening als voorliggend. Dat houdt in dat wanneer een adequate oplossing wordt geboden door het gebruik maken van deze voorzieningen, deze voorzieningen voor gaan op een individuele Wmo-voorziening. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen wettelijke, anders gefinancierde, voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Wettelijke voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen die zijn neergelegd in andere wet- en regelgeving dan de Wmo en zijn afdwingbaar. Bij algemeen gebruikelijke (voorliggende) voorzieningen moet worden nagegaan of deze ook daad-werkelijk beschikbaar en passend zijn. Voorbeelden van voorliggende voorzieningen zijn (niet limitatief); Kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school) Voor-, tussen- en naschoolse opvang Oppascentrale Maaltijdservice Hondenuitlaatservice Boodschappendienst Strijkservice Ouderschaps- en zorgverlof Bedrijfszorg Een voorliggende voorziening moet beschikbaar en passend zijn. In dit verband is kennis van de sociale kaart van groot belang. Alleen dan kan worden beoordeeld of een voor-liggende voorziening daadwerkelijk beschikbaar en passend is. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de persoon met beperkingen. In beginsel is ook niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden. Dit is anders indien sprake is van een extreem laag inkomen, namelijk een inkomen dat door kosten op grond van ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt te komen door de kosten van de voorliggende voorziening. Indien de persoon met beperkingen bij de aanvraag om HH reeds gebruik maakt van een voorliggende voorziening, gaan we ervan uit dat de persoon dat zal blijven doen. Wordt geen gebruik gemaakt van een voorliggende voorziening, dan dient beoordeeld te worden in hoeverre mogelijkheden aanwezig zijn om hiervan alsnog gebruik te gaan maken. Men zal dan alles in het werk moeten stellen om zo snel mogelijk in aanmerking daarvoor te komen. Ter overbrugging van de tijd die daarmee gemoeid is, als ook in crisissituaties, kan voor een termijn van maximaal 3 maanden HH worden toegekend om deze eigen oplossingen te regelen. Ook tijdelijke oplossingen, zoals een gastgezin, burenhulp, oppas aan huis kunnen fungeren als een tijdelijke overbrugging van de wachttijd van een voorliggende voorziening. Aan welk belang de meeste waarde wordt gehecht, moet blijken in een individuele situatie. Verwijzing naar een maaltijdservice is wellicht een reële optie als alternatief voor een dure aangepaste rolstoelgeschikte keuken, terwijl het wellicht een minder voor de hand liggende optie is voor het doen van boodschappen. Immers, om een maaltijd te kunnen bereiden, moet men ook in staat zijn de boodschappen daarvoor te kunnen verkrijgen. Dit vergt een zekere inspanning om zich buitenshuis te kunnen verplaatsen, en daardoor te participeren en de zelfredzaamheid te vergroten. 3.3.1. Vrijwilligerswerk Vrijwilligerswerk is geen voorliggende voorziening. Indien vrijwilligers aanwezig, beschikbaar en bereid zijn huishoudelijke taken over te nemen, dan mag hierbij het vaststellen van de indicatie rekening mee worden gehouden. Maar op het moment dat een vrijwilliger aangeeft de ondersteuning te beëindigen, dan zal dit betekenen dat de indicatie heroverwogen moet worden cq. moet worden uitgebreid. 3.3.2. Particuliere hulp Particuliere hulp is geen voorliggende voorziening. Indien de persoon met beperkingen gebruikt maakt van particuliere hulp, dan is dat de keuze van die persoon. Kiest de persoon met beperkingen ervoor, op eigen kosten, de particuliere hulp voort te zetten, dan wordt daarmee uiteraard wel rekening gehouden bij de indicatie en de vast te stellen omvang van de Wmo-hulp. 3.4. Instructie Indien binnen de leefeenheid degene die de huishouding voert, uitvalt, wordt altijd bezien of de partner en/of andere leden van de leefeenheid gebruikelijke zorg kunnen bieden. Hierbij kan zich de situatie voordoen dat de persoon, van wie wordt veracht dat hij/zij de gebruikelijke zorg biedt, deze zorg niet biedt omdat hij/zij dit nooit gewend is te doen. In het algemeen geldt dat redenen als ‘niet gewend zijn ‘ of ‘geen huishoudelijk werk willen doen en kan dat ook niet doen want ik heb dat nooit geleerd’ niet leiden tot een indicatie voor HH. Deze taken kunnen worden aangeleerd. Van ieder lid van de leefeenheid wordt dus, ongeacht de leeftijd, bezien of dat lid in staat is de gebruikelijke zorg te bieden. Is sprake van een situatie dat de gezonde partner nooit huishoudelijke taken heeft uitgevoerd en nooit heeft leren uitvoeren, dan kan, mits daarvoor motivatie aanwezig is, gedurende een zeer korte periode van maximaal 6 weken HH worden toegekend voor het aanleren van huishoudelijke activiteiten en/of het leren organiseren van het huishouden, zodat men alsnog zelfstandig het huishouden kan voeren dan wel de gebruikelijke zorg kan worden geboden. De huishoudelijke taken worden dan niet overge-nomen maar via instructies gestuurd en aangeleerd. Als blijkt dat huishoudelijke taken niet aangeleerd kunnen worden, dan kan om die reden recht bestaan op een compenserende Wmo-voorziening. 3.5. Maaltijdverzorging en boodschappen doen Maaltijdbereiding en boodschappen doen vinden niet structureel plaats binnen de functie HH. Voor deze activiteiten moet in eerste instantie een beroep worden gedaan op de eventueel aanwezige volwassen en gezonde leden van de leefeenheid (gebruikelijke zorg). Indien dit niet leidt tot een oplossing van het probleem, moet worden nagegaan welke mogelijkheden mantelzorg, vrijwilligers en voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen bieden. Hierbij valt te denken aan kant-en-klaarmaaltijden, boodschappendiensten, bezorging van warme maaltijden en/of boodschappen aan huis. 3.6. Gebruikelijke zorg Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg en hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als een leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoor-delijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. Gebruikelijke zorg is dan ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. Gebruikelijke zorg wil dus zeggen dat, als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamen-lijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle leden van de leefeenheid ouder dan 17 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien Iedere volwassene van 23 jaar en ouder wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een volledig, meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Dit betekent dat deze persoon geacht wordt alle huishoudelijke taken te kunnen verrichten, ook als dit moet gebeuren naast een volledige baan of een dagopleiding. Immers, iedereen die werkt, zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Gebruikelijke zorg gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie. In deze paragraaf worden de volgende onderwerpen besproken: 3.6.1. Uitstelbare en niet-uitstelbare taken 3.6.2. Samenstelling van de leefeenheid 3.6.3. Gezondheidsproblemen 3.6.4. Overbelasting 3.6.5. Fysieke afwezigheid 3.6.6. Technische hulpmiddelen 3.6.1. Uitstelbare en niet-uitstelbare taken Hulp bij het huishouden betreft de -uitstelbare taken (boodschappen doen, wasverzorging, licht en zwaar huishoudelijk werk) en -niet-uitstelbare taken (verzorging van maaltijden inclusief afwas, verzorging van kinderen) Uitstelbare taken kunnen worden uitgevoerd op zelfgekozen momenten in de week. Er is geen absolute noodzaak deze op een bepaalde dag of bepaald moment te verrichten. 3.6.2. Samenstelling van de leefeenheid Gebruikelijke zorg is alleen aan de orde bij meerpersoonhuishoudens. Als de persoon met beperkingen deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen, dan moet worden vastgesteld welke zorg en hulp andere leden van de leefeenheid kunnen bieden en overnemen. Personen van 23 jaar en ouder worden geacht alle huishoudelijke taken te kunnen uitvoeren en zonodig over te nemen. Voor jongere leden van een leefeenheid gelden afwijkende uitgangspunten. Taken van een persoon van 18 tot en met 22 jaar Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken van een dergelijk huishouden zijn: schoonhouden van de sanitaire ruimten schoonhouden van keuken en een kamer de wasverzorging boodschappen doen de maaltijd verzorgen afwassen en opruimen. Deze taken normeren wij per persoon naar 2 uur per week zware, uitstelbare taken en 3 uur per week lichte, niet-uitstelbare huishoudelijke taken. Daarnaast kunnen zij jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Ook kinderen jonger dan 18 jaar, hebben een taak in het huishouden. Hun bijdrage in het huishouden is er vooral op gericht dat de omvang van de te verstrekken HH beperkt blijft. Wij onderscheiden hierin de volgende leeftijdscategorieën: kinderen tot en met 4 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke taken, zoals opruimen, tafel dekken/afruimen, kleding in de wasmand opruimen, een boodschap doen, afwassen en afdrogen Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen, behalve de hierboven genoemde taken, ook hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen hun eigen rommel opruimen, hun eigen bed verschonen en deze kamer stofzuigen. Met deze activiteiten wordt rekening gehouden bij de indicatie. Indien van een andere persoon van de leefeenheid wordt verwacht dat deze persoon gebruikelijke zorg levert, dan is het zaak dat die persoon door de gemeente persoonlijk wordt gehoord. Op die manier kan correct worden geïnventariseerd welke taken die persoon uitvoert dan wel zou kunnen uitvoeren en of er medische bezwaren bestaan tegen het daadwerkelijk bieden van die gebruikelijke zorg. 3.6.3. Gezondheidsproblemen Gebruikelijke zorg kan niet worden geleverd indien de partner of ander lid van de leefeenheid waarvan deze zorg wordt verwacht, zelf zodanige gezondheidsproblemen en beperkingen heeft dat redelijkerwijs moet worden geconcludeerd dat (een deel van) de huishoudelijke taken niet door hem/haar kunnen worden uitgevoerd. 3.6.4. Overbelasting Altijd moet worden onderzocht of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de uitval van de persoon met beperkingen, niet alsnog onevenredig belast wordt of dat overbelasting dreigt. Overbelasting heeft dus altijd betrekking op personen binnen een leefeenheid van wie wordt verwacht dat zij de gebruikelijke zorg binnen het huishouden leveren. Wanneer de partner of een ander lid van de leefeenheid door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van een meerpersoonshuishouden overbelast raakt of dreigt te geraken, dan zullen (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door betrokkene moeten worden aangeleverd. Het meewerken aan een medisch onderzoek in opdracht van het college kan ook als zodanig worden opgevat Wanneer dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van gebruikelijke zorg, werk en andere activiteiten dan gaan gebruikelijke zorg en werk voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding is op zich geen reden te veronderstellen dat de gebruikelijke zorg niet kan worden geboden. 3.6.4.1. Vaststellen van overbelasting Overbelasting kan worden gedefinieerd als “meer belasting dan het prestatievermogen toelaat”. Het is een (on)balans tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). In AWBZ-beroepzaken heeft het College van Zorgverzekeringen stelselmatig aangegeven dat de beperkingen in de belastbaarheid moeten worden beoordeeld en vastgesteld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. In situaties dat leden van een leefeenheid aangeven door de ontstane thuissituatie overbelast te zijn of te raken, zullen wij dan ook een arts, aan te wijzen door het college, vragen om in een medisch advies aan te geven of sprake is van zodanige (medische) situatie dat sprake is van (dreigende) overbelasting waardoor de gebruikelijke zorg niet kan worden geleverd. 3.6.4.2. Overbelasting door de combinatie van HH en AWBZ-functies In de situatie dat overbelasting ontstaat of dreigt vanwege een combinatie van werk of opleiding en de verzorging van de zieke partner/gezinslid, kan tijdelijk een indicatie voor HH worden verstrekt voor die huishoudelijke taken die normaliter tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. In eerste instantie is deze indicatie van tijdelijke duur (maximaal 3 maanden) om de leefeenheid in die periode de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de nieuw ontstane situatie aan te passen. Voor de verzorging van de zieke partner/gezinslid kan een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) worden verkregen. Ook in de AWBZ geldt een keuzevrijheid. Dat betekent dat de zorgvrager kan kiezen of men de geïndiceerde functies in natura wil ontvangen dan wel deze in de vorm van een persoons-gebonden budget (PGB) verstrekt wenst te krijgen. Indien wordt gekozen voor een PGB, dan wordt de PV veelal geboden door de partner verricht. Dus tegen een vergoeding. Gevolg van deze keuze kan zijn dat de partner vanwege de PV geen tijd en/of energie meer heeft voor het huishouden en de gebruikelijke zorg. Zouden de AWBZ-functies worden ontvangen in natura, dan was dit probleem er niet en kon met de gebruikelijke zorg zelf verrichten. Met andere woorden, leidt de keuze voor een PGB voor AWBZ-functies tot overbelasting waardoor ook een Wmo-voorziening moeten worden geboden, dan moet worden gewezen op de eigen verantwoordelijkheid en gevolgen van de gemaakte keuzen van de zorgvrager. Een Wmo-compenserende voorziening is dan niet noodzakelijk. Het ligt dan voor de hand dat allereerst de gemaakte keuze hoe men de AWBZ-functies verstrekt wil krijgen, heroverweegt en de zorg alsnog in natura gaat ontvangen. In terminale situaties, waarin de partner zwaar belast wordt met zorgtaken, hanteren we richtlijnen met betrekking tot gebruikelijke zorg soepeler. Deze situatie is per definitie van tijdelijke aard. HH kan dan worden geïndiceerd zolang de situatie zich voordoet, dus ook langer dan 3 maanden. 3.6.4.3. Overbelasting door de combinatie van HH en werk In de situatie dat overbelasting ontstaat of dreigt vanwege een combinatie van zeer drukke werkkring en het leveren van de gebruikelijke zorg, kan tijdelijk een indicatie voor HH worden verstrekt voor die huishoudelijke taken die normaliter tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. Dit kan zich voordoen wanneer men een eigen bedrijf heeft of een werkkring waarin regelmatig meer dan 40 uur per week wordt gewerkt. In eerste instantie is deze indicatie van tijdelijke duur (maximaal 3 maanden) om de leefeenheid in die periode de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de nieuw ontstane situatie aan te passen. In deze periode kan bijvoorbeeld zorgverlof worden gerealiseerd of wellicht een andere indeling van werktijden worden bewerkstelligd. Indien de persoon met beperkingen verzoekt om een langere periode HH te ontvangen, dan is dit slechts mogelijk indien: men aantoonbaar moeite heeft gedaan om het huishouden zodanig te reorganiseren dat geen compenserende voorziening nodig zou zijn en dat deze pogingen aantoonbaar en niet-verwijtbaar niet succesvol zijn geweest. Hierbij valt ook te denken aan het benutten van allerlei voorliggende voorzieningen, zoals buitenschoolse kinderopvang, maaltijdvoorzieningen, zorgverlof, ouderschapsverlof, bedrijfszorg, e.d. en inzicht bestaat (via een medisch advies) in de belasting en belastbaarheid van de persoon, die geacht wordt de gebruikelijke zorg te bieden en mogelijke behandel-wijzen om die overbelasting te voorkomen dan wel te beperken en de vraag “Wat als er geen gehandicapte partner aanwezig zou zijn?” is beantwoord en de leefeenheid niet over de financiële middelen beschikt zelf de oplossing te realiseren. 3.6.5. Fysieke afwezigheid Bij werkenden wordt dus geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Indien de partner of ander gezinslid binnen de leefeenheid vanwege werk fysiek niet aanwezig is, wordt hiermee slechts rekening gehouden wanneer het gaat om aaneengesloten perioden van tenminste 7 etmalen. Wanneer degene die geacht wordt de gebruikelijke zorg te leveren, tenminste aaneengesloten perioden van 7 etmalen afwezig is, dan wordt die persoon niet tot de leefeenheid gerekend, voor zover het de gebruikelijke zorg betreft. Er kan tijdens de periode van afwezigheid geen gebruikelijke zorg worden geboden. De afwezigheid moet wel een regelmatig terugkerend en verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan het werk. Te denken valt aan internationaal vrachtverkeer, off-shore werk, werk in het buitenland. Maar in situaties dat sprake is van een eigen keuze zal daar geen rekening mee worden gehouden. 3.6.6. Technische hulpmiddelen HH wordt niet ingezet als de problemen van de persoon met beperkingen en de leefeenheid afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen of (woon)voorzieningen. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige hulpmiddelen, zoals een vaatwasser en wasdroger. Zijn dergelijke apparaten niet aanwezig, maar zouden die wel een adequate oplossing bieden voor het ondervonden probleem, dan kan, afhankelijk van de individuele (inkomens)situatie, aanschaf van een dergelijk apparaat voorliggend zijn op HH. Woonvoorzieningen kunnen in deze situaties bestaan uit bijvoorbeeld een keuken-aanpassing, plaatsen van een verhoging zodat wasmachine en wasdroger beter bedienbaar zijn, maar ook kan worden gedacht aan een woningsanering. 3.7. Vorm van de HH Op het moment dat een indicatie voor HH is gesteld, moet deze ook daadwerkelijk worden geleverd. In de Wmo-verordening is dit geregeld in hoofdstuk 3. De verordening geeft een drietal vormen van te verstrekken HH aan: een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. 3.7.1. Algemene hulp bij het huishouden In de Wmo-verordening is het primaat van de algemene hulp van het huishouden vastgelegd. Indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch probleem en/of psychosociaal probleem (de grondslag) of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, komt men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking. Het gaat dan om een snelle en eenvoudige oplossing zonder veel administratieve rompslomp. Er vindt derhalve een eenvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, hetgeen in een beschikking wordt bevestigd. Te denken valt aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden, bijvoorbeeld vanuit een wijksteunpunt voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. Een algemene hulp bij het huishouden is in Hof van Twente nog niet ontwikkeld. Invulling van dit primaat is daarmee dus nog niet aan de orde. Wel biedt het de mogelijkheid initiatieven op dit terrein te ontwikkelen. Tot het moment dat een algemene voorziening HH bestaat, wordt de noodzakelijke hulp dus toegekend als een individuele verstrekking. Bij deze verstrekking heeft de zorgvrager dus de keuze tussen verstrekking in natura dan wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. 3.7.2. Hulp bij het huishouden in natura Deze vorm van HH betekent dat de gemeente zorgdraagt voor de feitelijke hulp. Hiervoor zijn overeenkomsten afgesloten met 3 zorgaanbieders. De door de persoon met beperkingen gekozen zorgaanbieder levert, na opdracht van de gemeente, de geïndiceerde zorg. Hierbij is relevant dat de aanbieder de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. 3.7.3. Een persoonsgebonden budget Indien de persoon met beperkingen geen zorg in natura wenst, maar deze zelf wil organiseren en inkopen, is een persoonsgebonden budget (PGB) de aangewezen weg. De budgethouder ontvangt dan het budget dat overeenkomt met het bedrag behorend bij de geïndiceerde uren hulp. Hij/zij is dan zelf verantwoordelijk voor de inkoop van de noodzakelijke hulp. Over de berekening van de hoogte van het PGB, de betaling en controle e.d. zij verwezen naar paragraaf 2.3.3. van dit verstrekkingenboek en naar het Wmo-besluit. 3.8. Soorten van hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden (HH) omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden. Hulp in het huishouden valt te onder-scheiden in 2 soorten, te weten de daadwerkelijke hulp (HH1) en het ondersteunen bij het voeren van de regie over het huishouden (HH2) Bij HH1 gaat het om de volgende activiteiten: boodschappen doen broodmaaltijd bereiden warme maaltijd bereiden licht huishoudelijk werk zwaar huishoudelijk werk de wasverzorging, inclusief strijkwerk van bovenkleding huishoudelijke spullen in orde houden. HH2 omvat de volgende werkzaamheden: activiteiten HH1 anderen helpen in huis met zelfverzorging anderen helpen in huis bij bereiden maaltijd dagelijkse organisatie van het huishouden. Voor andere werkzaamheden, zoals het verzorgen van dieren en planten en tuinonderhoud, wordt geen (extra) tijd geïndiceerd. 3.9. Vereenvoudigde procedure na periode van ziekenhuisopname Na een periode van ziekenhuisopname kan met spoed hulp noodzakelijk zijn. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is. Dit wordt aangegeven door het transferpunt van het ziekenhuis. De duur is beperkt tot maximaal 3 maanden. Het is in deze situatie ongewenst om een uitgebreide aanvraagprocedure te volgen, omdat dit zou leiden tot een te lange periode dat men op hulp moet wachten. Hierbij is geen sprake van een keuze voor een persoonsgebonden budget. Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de AWBZ: ook onder de AWBZ werd bij een vraag die naar verwachting niet langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid voor een persoonsgebonden budget geboden. 3.10. Beëindiging van de voorziening vanwege overlijden Als de persoon met beperkingen, aan wie de HH is toegekend, overlijdt, bestaat geen recht meer op voortzetting van de voorziening. Indien sprake is van achterblijvende gezinsleden, die de HH-taken niet kunnen uitvoeren (dit is normaliter reeds beoordeeld bij de toekenning van de HH aan de overleden persoon), kan de HH op naam van de achterblijvende partner worden voortgezet. Wel moeten vorm en omvang opnieuw worden vastgesteld. Is sprake van een of meer achterblijvende gezinsleden die niet gewend zijn HH-taken uit te voeren, dan kan, bij wijze van gewenning, de HH gedurende een korte periode nog voort-gezet. Deze korte periode is vastgesteld op de laatste dag van de periode volgende op de periode waarin de persoon is overleden (periodes zijn periodes van 4 weken, waarover de eigen bijdrage wordt berekend). De gewenningstermijn is dus altijd minstens 4 weken en maximaal 8 weken. 3.11. Kinderen Deze paragraaf gaat over leefeenheden met jonge kinderen. 3.11.1. oppas/opvang en verzorging van kinderen bij uitval van een van de ouders Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid en het naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles. Deze zorgplicht strekt zich uit over de opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger) normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder deze gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Deze gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of eventueel een derde persoon conform de leeftij en ontwikkeling van het kind/de kinderen. Oppas/opvang is geen (structurele) Wmo-zorg, verzorging van de kinderen kan dat eventueel wel zijn. Ook bij de opvang en verzorging van kinderen geldt dat eigen oplossingen voor gaan. Zie daarvoor ook paragraaf 3.3. Indien nodig, dient de ouder gebruik te maken van de voor hem./haar geldende regeling voor zorgverlof. Ook wordt bezien welke mogelijkheden tot mantelzorg redelijkerwijs kunnen worden benut. Is dit niet mogelijk, dan dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) crèche, opvang op school (voor-, tussen- en naschoolse opvang), buitenschoolse opvang, gastouder e.d. (dus de zogenoemde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen). Het gebruik van dergelijke alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen gedurende 5 dagen per week is redelijk, ook indien daaraan kosten zijn verbonden. Zijn alle hierboven aangegeven mogelijkheden reeds maximaal benut of niet aanwezig, of is er slechts een kortdurende overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan HH gedurende die korte periode worden ingezet. Dus, Structurele opvang van kinderen valt niet onder de Wmo-compensatieplicht; Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen als HH worden ingezet bij ontwrichting van het huishouden en in crisissituaties/calamiteiten gedurende een korte, afziebare periode en Verzorging van kinderen kan als HH worden ingezet 3.11.2. uitval van de ouder in een éénoudergezin Als er sprake is van uitval van de ouder in een éénoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, wordt allereerst nagegaan welke mogelijkheden er zijn van mantelzorg, vrijwilligerswerk als vervangende mantelzorg en van (algemeen) voorliggende voorzieningen. Zoals in 3.11.1. reeds is aangegeven, geldt dat de ouder zelf in oppas en opvang van gezonde kinderen moet voorzien. Gebruik van kinderopvang/crèche als voorliggende voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen gedurende 5 dagen per week is redelijk. Blijkt dat voorliggende voorzieningen niet (voldoende) beschikbaar zijn, dan kan hiervoor HH worden ingezet, afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind/de kinderen, gedurende maximaal 40 uur per week voor de oppas, opvang en verzorging van gezonde kinderen. Het spreekt voor zich dat een dergelijk indicatie in principe voor een korte periode (maximaal 3 maanden) geldt. In die tijdspanne heeft men de gelegenheid eigen oplossingen te vinden en te realiseren. Indien aantoonbaar en alle inspanningen ten spijt, eigen oplossingen niet kunnen worden gerealiseerd, kan HH worden toegekend. Deze toekenning moet worden heroverwogen indien de leeftijd van het kind/de kinderen daartoe aanleiding geeft (zie daarvoor de leeftijdscategorieën uit paragraaf 3.6.2.) en in geval de omstandigheden van de leefeenheid wijzigen. 3.11.3. Ouderlijke zorgplicht en echtscheiding Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee ook de gebruikelijke zorg voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen vervalt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid van oppas/opvang en verzorging door de niet-thuiswonende ouder. Voor zover de niet-thuiswonende ouder niet de oppas/opvang en verzorging van de uitgevallen ouder kan overnemen, kan er een tijdelijke indicatie HH aan de uitgevallen ouder worden toegekend. Als de niet-verzorgende ouder kennelijk niet zijn/haar zorgplicht nakomt, beschouwen we de situatie van de uitgevallen, verzorgende ouder als een eenoudergezin. 3.12. Normering huishoudelijke activiteiten in minuten Voor de huishoudelijke activiteiten zijn normtijden ontwikkeld. Deze normtijden zijn afgeleid van de destijds (onder het AWBZ-regime) gehanteerde normeringen van het CIZ. Deze normeringen zijn van oorsprong ontwikkeld in samenspraak met landelijke organisaties van de thuiszorg. In die zin is sprake van algemeen aanvaarde normtijden. Normering is wenselijk om een uitgangspunt te hebben en discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten. Op die wijze heeft de gemeente een uitgangspunt voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. Normtijden zijn mede afhankelijk van de grootte van de leefeenheid (aantal personen). de soort woning locale omstandigheden de over te nemen huishoudelijke activiteiten Uitgangspunt zijn steeds de aangegeven normtijden. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kleine woningen tot en met 90 m2 (veelal appartementen en kleine seniorenwoningen) en woningen groter dan 90 m2 (veelal eengezinswoningen). Daarnaast maken we een onderscheid tussen 1persoons huishoudens en meerpersoonshuishoudens. Niet elke woon- en leefsituatie kan worden gevat in een overzicht. Om die reden zijn de aangegeven normtijden indicatief en is er ruimte om af te wijken van de normtijden en op die wijze maatwerk te leveren. Zo mogelijk worden bij de diverse functies handvatten aangereikt die aanleiding kunnen zijn om van de normtijd af te wijken. Deze opsommingen zijn niet limitatief. In individuele specifieke situaties kunnen andere factoren een rol spelen waardoor meer tijdseenheden moeten worden toegekend. Normering in tijd van alle te verrichten activiteiten leidt tot een totaal aantal minuten cq.uren. Zowel in het toekenningsbesluit als in de opdracht aan de zorgaanbieder worden de over te nemen taken en de daarbij behorende normtijden aangegeven. Hieronder worden alle functies en daarvoor geldende normtijden beschreven, alsmede de huishoudelijke activiteiten die daaronder vallen. Let op: alle tijden zijn weergegeven in minuten per week 3.12.1. Boodschappen doen voor het dagelijks leven Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan, voor een leefeenheid tot en met 4 personen, 1x per week worden gedaan. De normtijd hiervoor is 60 minuten. Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend. Dus 2 x 60 minuten. Indien de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet gehonoreerd. Factoren voor meer tijdseenheden: leefeenheid van meer dan 4 personen (2x per week boodschappen doen) kinderen jonger dan 12 jaar (2x per week boodschappen doen) afstand tot winkels onredelijk groot (meer reistijd) Boodschappen doen alleenstaande meerpersoons Normtijd 60 60 Meer dan 4 personen nvt +60 Afstand tot winkels +30 + 30 3.12.2. Maaltijdverzorging: broodmaaltijd en warme maaltijd Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig. Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken) tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer van de levensmiddelen-voorraad. Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend. Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend. Per dag kan het dus gaan om maximaal 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd. Maaltijdverzorging Brood Warme maaltijd Per keer 15 30 Kinderen jonger dan 12 jaar +20 per keer +20 per keer 3.12.3. Licht huishoudelijk werk onder deze functie vallen met name het opruimen van spullen, stof afnemen, bedden opmaken en de wekelijkse beurt van het interieur. Licht werk impliceert geen buk- en strekactiviteiten. Dus alles tussen knie- en schouderniveau. De omvang is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling. Factoren voor meer hulp: kinderen onder de 12 jaar allergie voor huisstofmijt/COPD (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen en handen Factoren voor minder hulp: alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. Indien geen maaltijdvoorziening (paragraaf 3.12.2) is geïndiceerd, behoort ook de afwas (15 minuten per keer) dan wel het in- en uitruimen van de vaatwasmachine (10 minuten per keer) tot deze functie. Licht HH-werk alleenstaande in woning t/m 90m2 alleenstaande in woning meer dan 90m2 Meerpersoons-huishouden normtijd 60 60 90 meer hulp nvt nvt max. +30 3.12.4. Zwaar huishoudelijk werk Hieronder vallen stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen, incidenteel ramen lappen en opruimen van huishoudelijk afval. De normtijd wordt met name bepaald door de soort en grootte van de woning en de omvang en samenstelling van de leefeenheid. De omvang is meer afhankelijk van de grootte van de woning dan de aanwezigheid van een extra persoon. Voor een alleenstaande in een (gelijkvloerse) woning van maximaal 90 m2 geldt een normtijd van 90 minuten. Een alleenstaande en een meerpersoonshuishouden in een grote woning (meer dan 90 m2) hebben recht op een normtijd van 180 minuten, mits alle ruimten in de woning worden gebruikt. Enkele factoren voor meer of minder hulp: een echtpaar in een gelijkvloerse woning van maximaal 90 m2: normtijd
(90)alleenstaande + 30 minuten vanwege een extra persoon bewoning van een eengezinswoning (meer dan 90 m2) waarbij de bovenverdieping niet wordt gebruikt : normtijd woning van maximaal 90 m2 + 30 minuten extra voor het incidenteel schoonhouden van de niet-gebruikte kamers bewoning van een eengezinswoning (meer dan 90 m2) door een leefeenheid met kinderen jonger dan 12 jaar: 30 minuten extra in geval sprake is van bedlegerigheid en/of incontinentie: 30 minuten extra t.b.v extra bedden verschonen in geval sprake is van allergie voor huisstofmijt/COPD: 30 minuten, mits de woning volledig is gesaneerd. Zonder sanering geen extra tijd indiceren. verzorging huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd. Zwaar HH-werk Alleenstaande, woning t/m 90 m2 meerpersoons, woning t/m 90 m2 alleenstaande, woning meer dan 90 m2 meerpersoons, woning meer dan 90 m2 normtijd 90 Nvt 180 180 extra bewoner nvt +30 nvt nvt Niet-gebruik kamers nvt Nvt 90+30 90+30+30 kinderen jonger dan 12 nvt Nvt nvt +30 bedlegerigheid/incontinentie +30 120+30 +30 +30 allergie/COPD +30 +30 +30 +30 Niet-gebruik van kamers bij een meerpersoonshuishouden in een eengezinswoning: hier gaan we uit van een kleine woning/maximaal 3 kamers (dus normtijd van 90 voor een alleenstaande plus 30 vanwege extra persoon plus 30 minuten voor de incidentele schoonmaak niet gebruikte ruimten). In de praktijk is gebleken dat deze situatie zich met name voordoet bij oudere alleenstaanden en echtparen, die de bovenverdieping neer meer (kunnen en/of willen) gebruiken. 3.12.5. Wasverzorging, inclusief strijkwerk van bovenkleding Tot deze functie worden gerekend: sorteren en wassen kleding en linnengoed met behulp van een wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen, strijken van bovenkleding en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed. Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen 90 minuten per week. Enkele factoren voor meer hulp: kinderen onder de 16 jaar: 30 minuten per kind; bedlegerigheid: 30 minuten extra bewassing vanwege incontinentie, overmatige transpiratie, speekselverlies e.d: 30 minuten; huishoudens met kleine kinderen: kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend indien het totaal van de normtijd inclusief 30 minuten per kind per week extra onvoldoende is Wasverzorging alleenstaande meerpersoons huish. 60 90 kind onder 16 jaar nvt +30 bedlegerigheid +30 +30 incontinentie e.d. +30 +30 kleine kinderen nvt maximaal 180 De hierboven genoemde huishoudelijke activiteiten vallen onder de in paragraaf 3.4. genoemde HH1-werkzaamheden. Het in orde houden van huishoudelijke spullen valt eveneens onder de HH1-taken. Echter, hiervoor wordt geen specifieke tijd toegekend. Deze taak is in de andere taken opgenomen. Zoals reeds is weergeven, bestaat HH niet alleen uit het schoonhouden van de woning, maar kan deze ook zijn gericht op het organiseren van het huishouden, het ondersteunen bij het voeren van de regie van het huishouden. Indien dit aan de orde is, is sprake van zogeheten HH2. HH2 vergt extra kwaliteiten van de persoon die de HH biedt. Hieronder zijn de verschillende HH2-taken benoemd en genormeerd. Bij een samenloop van HH1- en HH2-activiteiten, wordt de volledige HH in de vorm van HH2 toegekend en uitgevoerd. 3.12.6. Anderen helpen met de zelfverzorging en/of bereiden van maaltijden Hiertoe worden gerekend de opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden. Het gaat dan om een ouder of beide ouders die tijdelijk niet in staat is/zijn de ouderrol op zich te nemen. De ouder(
- s)moeten dus personen zijn met beperkingen zoals in de Wet en verordening is beschreven. De omvang is tot maximaal 40 uur per week en aanvullend op de eigen mogelijkheden. De activiteiten betreffen met name: wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten. Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek. 3.12.7. Dagelijkse organisatie van het huishouden Onder deze functie vallen administratieve werkzaamheden (alleen in combinatie met andere HH1-taken), de organisatie van de huishoudelijke activiteiten en het plannen en beheren van middelen. Voor deze functie kan 30 minuten per week voor worden geïndiceerd. Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, meerdere kinderen onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten. 3.12.8. Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen Taken die onder deze functie vallen, zijn het formuleren doelen met betrekking tot huishouding, helpen, (ver)krijgen en handhaven van structuur in het huishouden, helpen bij en handhaven van de zelfredzaamheid t.a.v. budget, begeleiden van ouders bij opvoeding van kinderen (beperkt, bezien of er overlap is met OB en Jeugdzorg) begeleiding van kinderen (beperkt, bezien of er overlap is met OB en Jeugdzorg) De omvang is 30 minuten per week. 3.12.9. Advies, instructie en voorlichting (AIV) gericht op het huishouden Instructie is de begeleiding, zonodig voordoen en het aanleren met betrekking tot het omgaan met hulpmiddelen, licht en zwaar huishoudelijk werk, textielverzorging, boodschappen doen en maaltijdbereiding (koken). De omvang is maximaal de tijd die zou worden toegekend voor de over te nemen huishoudelijke taken (3.12.1. t/m 3.12.5.) Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd. Hoofdstuk4.Woonvoorzieningen (dit hoofdstuk verwijst naar de artikelen 14 t/m 22 van de Verordening) 4.1. Vormen van woonvoorzieningen Artikel14.Vormen van woonvoorzieningen De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit: een algemene woonvoorziening; een woonvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening. Artikel15.Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 14, onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, een woonvoorziening noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 14, onder b. c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, een woonvoorziening noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate oplossing leidt. Op dit moment is er nog geen lokaal beleid voor algemene woonvoorzieningen gerealiseerd, zoals bedoeld in artikel 14 onder a. Als een algemene woonvoorziening niet de oplossing is voor het woonprobleem, zal een aanvraag voor een individuele woonvoorziening moeten worden ingediend (art. 15 lid 2). In dat geval komen de onder b, c en d van artikel 14 van de Verordening genoemde vormen van verstrekking in aanmerking. Artikel16.Soorten individuele woonvoorzieningen 1.De in artikel 14 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening; een uitraasruimte; 2.De in artikel 14 onder d. genoemde voorzieningen kunnen eveneens bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van: een verhuizing; onderhoud en reparatie; tijdelijke huisvesting c.q. dubbele woonlasten; huurderving; Onderhoud/reparatie Indien de kosten van onderhoud en/of reparatie noodzakelijk zijn, worden deze volledig vergoed indien: de voorziening in het kader van deze Verordening of hieraan voorafgaande Wmo-verordeningen of een van de Verordeningen Voorzieningen Gehandicapten is verstrekt, en; ten tijde van het onderhoud, de keuring of reparatie de woonruimte het hoofdverblijf van de persoon met beperkingen is, en; indien de persoon waarvoor de voorziening is aangebracht de voorziening ook daadwerkelijk gebruikt, en; het één van de volgende woonvoorzieningen betreft: stoelliften; rolstoel- of sta-plateauliften; woonhuisliften; hefplateauliften; balansliften; tilliften; de mechanische inrichting van een in hoogte verstelbaar keukenblok, elektrische openings- en sluitingsmechanismen van deuren. Tijdelijke huisvesting: Een persoon met beperkingen kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoet-koming in de kosten van tijdelijke huisvesting in verband met het aanpassen van de huidige of de nog te betrekken woonruimte. Deze tegemoetkoming wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte door het uitvoeren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden waardoor men dubbele woonlasten heeft. De maximale termijn bedraagt drie maanden. Beoordeeld moet worden of belanghebbende redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij dubbele woonlasten heeft. De termijn kan eenmaal met drie maanden verlengd worden. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is vermeld in het Wmo-besluit. Dubbele woonlasten c.q huurderving: De mogelijkheid van het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving kan gezien worden als een van de instrumenten waardoor de medewerking van verhuurders sneller verkregen kan worden. Gemeente en verhuurders hebben er beiden belang bij dat reeds aangepaste woningen weer opnieuw aan een andere persoon met beperkingen worden toegewezen. Het Wmo-besluit bepaalt de maximale hoogte van deze financiële tegemoetkoming. De eerste maand van leegstand komt voor rekening van de verhuurder. De zes maanden (maximaal) daarna kunnen voor rekening van de gemeente komen. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, maar er geen andere Wmo-geïndiceerde aanwezig is, dient uiterlijk voor het verstrijken van deze periode de eigenaar van de woning in kennis worden gesteld van het “vrijgeven van de woning”. Het bovenstaande is ook van toepassing als er sprake is van huurderving die het directe gevolg is van een op basis van de verordening te realiseren aanpassing van een woning. 4.2. Primaat van de verhuizing Artikel17.Primaat van de verhuizing Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 16 lid 1 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare plotseling en onvoorzienbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, het normale gebruik van de woning belemmeren. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 16 lid 1 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare plotseling en onvoorzienbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, het normale gebruik van de woning belemmeren en de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 16 lid 1 onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen en de in artikel 16 lid onder a. genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. De voorziening als bedoeld in artikel 16 lid 2 onder a. kan eveneens worden verstrekt aan een persoon die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een persoon met beperkingen de aangepaste woonruimte, bestemd voor permanente bewoning, heeft ontruimd. Het primaat van de verhuizing ligt vast in het eerste lid van artikel 17 van de verordening. Het betekent dat als vast staat dat een woonvoorziening noodzakelijk is, eerst beoordeeld moet worden of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst adequate oplossing. Een aantal aspecten uit de jurisprudentie zijn hieronder in het wegingsmodel uitgewerkt. 4.2.1 Wegingsmodel In deze regels stellen wij grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing. Het primaat van het verhuizen wordt niet toegepast als de aanpassingskosten van de huidige woning een bedrag van € 9.100,00 niet te boven gaat. In de laatstgenoemde situatie is nader onderzoek niet noodzakelijk. Heeft de persoon met beperkingen toch de voorkeur voor een verhuizing boven een woonvoorziening in of aan de huidige woning, dan kan de financiële tegemoetkoming in kosten van verhuizen worden toegekend, mits dit de goedkoopst adequate oplossing is. Indien de noodzakelijke aanpassingen meer bedragen dan € 9.100,00 dan wordt het primaat van verhuizen wel toegepast. Dit impliceert dat dan in ieder geval nader onderzoek aan de hand van het wegingsmodel moet worden gedaan en dat moet worden beoordeeld of een verhuizing redelijkerwijs verlangd kan en mag worden. De achterliggende gedachte bij dit uitgangspunt is dat zo efficiënt mogelijk met de beschik-bare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Dit betekent dat een aanvrager verplicht kan worden om een andere (adequate) woning te betrekken. Het aangeven van de aanvrager dat hij of zij niet wil verhuizen, is voor de vertaalslag naar een adequate voorziening niet voldoende. Het primaat houdt echter niet in dat de gemeente in alle gevallen ook daadwerkelijk besluit dat de persoon met beperkingen naar een andere woonruimte moet verhuizen. Zo zal een verhuizing naar een andere kern binnen Hof van Twente niet worden afgedwongen. Onderstaande opsomming dient als checklist ten behoeve van het onderzoek. * Aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimte en de termijn waarop een geschikte woning vrij kan komen; * Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woning in relatie tot de prognose van de aandoening; * Volkshuisvestelijke afwegingen; * Termijn waarop het woonprobleem opgelost kan worden; * Sociale omstandigheden; * Integrale afweging verstrekking Wmo-voorzieningen; * Eigen woning; * Noodzaak tot verhuizen door inkomensachteruitgang; * Woonlastenstijging en draagkracht. Aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimte Verhuizing naar een voor de persoon met beperkingen geschikte betaalbare woonruimte moet binnen een medisch aanvaardbare termijn te realiseren zijn. Hieronder wordt verstaan de in het medische advies genoemde termijn. Na afloop van deze termijn is het medisch niet meer verantwoord dat betrokkene in de huidige niet aangepaste woning blijft wonen, en zal de woning alsnog moeten worden aangepast. De maximale termijn is één jaar, gerekend vanaf de datum van de beslissing. Dit impliceert tevens dat de beschikking betreffende de tegemoetkoming in de verhuiskosten een geldigheidsduur heeft van één jaar. Bij de afweging speelt ook het financiële aspect een rol, het alternatief moet immers betaalbaar zijn voor de cliënt. Een woning wordt als niet betaalbaar beschouwd als de huur boven de individuele huurtoeslaggrens ligt én de cliënt, gelet op de hoogte van zijn inkomen, wel voor huurtoeslag in aanmerking zou kunnen komen . Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woning Bij deze vergelijking dient tevens de prognose van de aandoening te worden betrokken. De woning moet langdurig geschikt te maken zijn, zodat niet binnen enkele jaren opnieuw een voor de persoon met beperkingen belastende verbouwing moet worden uitgevoerd. Bij de vergelijking worden de volgende kosten meegewogen: De kosten van de financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten; De eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning, De kosten van het eventueel vrijmaken van de nieuwe woning; Een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. (indien nieuwe woning leegstaat). Volkshuisvestelijke afwegingen Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingenaan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Termijn waarop het woonprobleem opgelost kan worden Verhuizen kan een snellere oplossing zijn dan aanpassen, daarbij speelt de medisch verantwoorde termijn een rol. Hoe hoger de urgentie, hoe zwaarder dit aspect mag meewegen. Bijvoorbeeld wanneer het ontslag uit het ziekenhuis of de verpleeginrichting afhankelijk is van de woningaanpassing. Sociale omstandigheden De plek van de nieuwe woning is eveneens bepalend. Er wordt uitgegaan dat de woning “nabij” de huidige woning gelegen moet zijn. Vooral als er kinderen en/of mantelzorgers zijn betekent dit in dezelfde wijk of buurt. Voorkomen moet worden dat verhuizing leidt tot onherstelbare aantasting van het sociale netwerk van betrokkene. Bekeken moet worden of dit leidt tot het wegvallen van: Mantelzorg die nodig is voor het overwinnen van ergonomische belemmeringen bij het normale gebruik van de woning; Mantelzorg die in belangrijke mate ondersteunt in ADL en daarmee een besparing oplevert ten opzichte van professionele zorg (thuiszorg); Buurtgebonden vrijwilligerswerk . Integrale afweging verschillende Wmo-voorzieningen Afstemming met overige Wmo-voorzieningen is van belang voor het maken van een keuze. Afstemming met vervoersvoorzieningen kan een belangrijke rol spelen. Criteria zijn de afstand tot openbare vervoerhaltes en de aanwezigheid van voorzieningen zoals winkelcentra. Als een woning dichtbij bovengenoemde voorzieningen ligt, kan het adequater zijn om de huidige woning aan te passen dan de betrokkene te laten verhuizen. Eigen woning Verhuizing kan meer consequenties hebben wanneer de persoon met beperkingen eigenaar is van de woning. Er zal worden nagegaan of de betrokkene vermogensverlies lijdt bij gedwongen verkoop en er een schuldrestant ontstaat. Van ernstig vermogensverlies is sprake als 5% of meer op de verwervingsprijs moet worden toegelegd. Bij een aangepaste woning is minder kans op hergebruik. Noodzaak tot verhuizen door inkomensachteruitgang Iemand kan door zijn handicap aangewezen raken op een (arbeidsongeschiktheid) uitkering, wanneer werken niet meer mogelijk is. Het hierdoor ontstane inkomensverlies kan ertoe leiden dat een cliënt de woonlasten van zijn huidige woning niet meer kan dragen waardoor verhuizen automatisch een adequatere oplossing is dan aanpassing van de huidige woning. Woonlastenstijging en draagkracht Indien bij verhuizing de woonlastenstijging de draagkracht van cliënt te boven gaat, dient hiermee rekening te worden gehouden, tenzij de lastenstijging uitsluitend het gevolg is van een door aanvrager gewenste verbetering van het wooncomfort. Onderzocht moet worden in hoeverre de hogere woonlasten kunnen worden gedekt op grond van de Wet op de Huurtoeslag. Is dit niet het geval dan kan verhuizen geen optie zijn, vanwege de te hoge woonlasten Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. 4.2.2. Tegemoetkoming in kosten van verhuizing Valt de afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing een rol spelen. Dit is in drie situaties mogelijk aan de orde: De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woning-aanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren. Voor verhuizingen naar of vanuit AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 19 van de Verordening is bepaald. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing kan dus verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een tegemoetkoming in de verhuiskosten. 4.2.3. Uitgangspunten tegemoetkoming in verhuiskosten Deze tegemoetkoming kan dus verstrekt worden indien wordt verhuisd vanuit een inadequate naar een adequate woonruimte of naar een met minder kosten aan te passen woonruimte. Uitgangspunten hierbij zijn dat; verhuizen goedkoper is dan het aanpassen van de huidige woning, en de verhuizing uitsluitend plaatsvindt ten gevolge van het ondervinden van belemmeringen in het normale gebruik van de huidige woning, en; dat de aanleiding tot de verhuizing een aantoonbare plotseling onvoorzienbare beperking is, en het geen verhuizing betreft naar een meer op de levensfase afgestemde woning, die toevallig samenvalt met een plotseling optredende fysieke beperking. Dit kan aan de orde zijn als men op oudere leeftijd nog steeds dezelfde woning bewoont en waar men in het verleden met het hele gezin heeft gewoond. In dergelijke situaties bestaat vaak de wens om een meer op deze levensfase afgestemde woning te betrekken vanwege het onderhoud van de woning en de tuin. De situatie van de persoon met beperkingen verschilt dan niet met die van een andere personen zonder beperkingen in dezelfde levensfase. Een dergelijk voornemen tot verhuizen kan blijken uit de inschrijvingsduur als woningzoekende bij de woningstichtingen. Ook kan medische geschiedenis van de persoon met beperkingen een indicatie geven over de noodzaak van de verhuizing. Een dergelijke verhuizing wordt als een algemeen gebruikelijke verhuizing aangemerkt en valt daarom niet onder de compensatieplicht van de Wmo en niet wordt verhuisd naar een AWBZ-instelling, een woonzorgcomplex of de daarbij behorende aanleun- c.q. zorgwoningen, en; niet wordt verhuisd vanuit een AWBZ-instelling en men niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen. In de situatie dat men voor het eerst zelfstandig gaat wonen, zijn deze kosten namelijk algemeen gebruikelijk, en; de aanvraag tijdig is ingediend (dus voordat een huur- dan wel aankoopverplichting is aangegaan) zodat de oude woning op adequaatheid kan worden getoetst en een afweging kan worden gemaakt betreffende de uitgangspunten ‘goedkoopst adequaat’ en het primaat van verhuizen, en; De persoon met beperkingen is verhuisd naar een woning die bedoeld en geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden. De financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing kan ook worden verstrekt indien een (achterblijvende) medebewoner een aangepaste woning vrijmaakt nadat bewoning door de persoon met beperkingen door overlijden of verhuizing/AWBZ opname is beëindigd. Voorwaarde is dat de woning op verzoek van de gemeente wordt vrijgemaakt om een andere persoon met beperkingen te huisvesten. De financiële tegemoetkoming is een forfaitair bedrag dat is opgenomen in het Wmo-besluit. Dit bedrag wordt onafhankelijk van de werkelijke kosten en onafhankelijk van het inkomen verstrekt. NB: Indien verhuizing wordt geadviseerd kunnen (al dan niet tijdelijk) eenvoudige aanpassingen worden geadviseerd voor de oude woonruimte om de periode tot de verhuizing te overbruggen. Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan losse woonvoorzieningen. Als deze niet adequaat zijn dan kunnen vaste aanpassingen worden geadviseerd. 4.2.4. Betaalbaar stellen toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten De tegemoetkoming wordt eerst betaalbaar gesteldindien: Een bericht van verhuizing van de cliënt is ontvangen (melding GBA) of dat de verhuizing is gemeld bij de afdeling Zorg, Werk en Inkomen; De nieuwe woning voldoet aan de in de toekenningsbeschikking genoemde eisen (programma van eisen). Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke woning-aanpassingen noodzakelijk zijn. 4.2.5. Geldigheidsduur toekenningsbeschikking Aan de verlening van de financiële tegemoetkoming in kosten van verhuizing wordt een geldigheidstermijn van 12 maanden verbonden, waarbinnen de verhuizing moet worden gerealiseerd. Eventueel kan uit het medisch advies een kortere periode blijken. Daarna vervalt de toekenningsbeschikking. Verlenging van de toekenningsbeschikking kan worden aangevraagd door middel van een verkorte aanvraag, twee maanden voor het einde van de geldigheidsduur. Daarna zal worden beoordeeld of; in de afgelopen periode een geschikte woning is aangeboden; of een aanbod binnen drie maanden te verwachten is. Indien er geen aanbod is geweest, zal de huidige woning alsnog aangepast moeten worden. Indien een geschikt aanbod afgewezen is, wordt de toekenningsbeschikking niet verlengd en wordt ook de huidige woning niet aangepast. 4.3. Individuele woonvoorzieningen De individuele woonvoorzieningen zijn vermeld in artikel 16 eerste lid. Dit lid onder a noemtde mogelijkheid van bouwkundige en woontechnische voorzieningen, onder b zijn de niet-bouwkundige en niet-woontechnische woonvoorzieningen vermeld. Onder c wordt de uitraasruimte benoemd. De uitraasruimte wordt nader toegelicht in paragraaf 3.10.3 Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vast voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen in een slooppand wonen. Woonvoorzieningen kunnen verbeteringen van de toegankelijkheid, de doorgankelijkheid of de bruikbaarheid van de woning betreffen. Uitgangspunt voor de toegankelijkheid geldt dat de woning slechts via één ingang rolstoeltoegankelijk moet zijn. Voorbeelden van woningaanpassingen zijn: eenvoudige woonvoorzieningen zoals douchezitjes, douchestoelen, wandgrepen, opdruksteunen, toiletverhogers (+ 6 of +10); Complexe woningaanpassingen, zoals het vergroten of nieuw realiseren van een badkamer, slaapkamer of een toiletruimte. Bij een aanbouw omvat de aanpassing eveneens de noodzakelijke kosten van het schilderwerk en de verwarming. Ook hier gaan we uit van de goedkoopst adequate oplossing. het aanpassen van een keuken, Het plaatsen van trapliften en plafondliften; toegankelijkheidbevorderende aanpassingen, zoals drempelhulpen, verwijderen van drempels, verbreden deuren, elektrische deuropeners. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt – conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg- beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtings-elementen in de woning. Een integrale beoordeling is ook aan de orde wanneer recht bestaat op een aanvullende vervoervoorziening, zoals een driewielfiets of scootmobiel, én een geschikte of eenvoudig geschikt te maken berging/stallingmogelijkheid ontbreekt. Dan zal gezocht worden naar de meest goedkope oplossing, t.w. Afdakje op een beschutte (binnen)plaats Een eenvoudige houten schuurtje(bouwpakket) Als punt 1 en 2 niet mogelijk zijn, is verstrekking van een eenvoudige (compacte) elektrische rolstoel een mogelijk alternatief. 4.3.1. Nadere regels ten aanzien van woonvoorzieningen: De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vlucht-voorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes, studeer- en werkkamers en recreatieruimten worden geen compenserende woonvoor-zieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. 4.3.2. Aanpassingen in woongebouwen voor ouderen Het Besluit Beheer Sociale Huursector ( BBSH) bepaalt in artikel 12, lid 2: “de toegelaten instelling bouwt zodanige woongelegenheden of treft zodanige voorzieningen aan haar woongelegenheden, dat lichamelijk gehandicapten voor wie hun woongelegenheden niet passend zijn volgens redelijke wensen kunnen worden gehuisvest”. Met andere woorden, de toegelaten instellingen kunnen gedwongen worden zich aan het BBSH te houden In die gevallen is er dan geen reden om in het kader van de Wmo een woonvoorziening te treffen. Dit geldt in het bijzonder voor de toegankelijkheid van het gebouw en de gemeen-schappelijke ruimte(n). Wmo-aanvragen kunnen in die gevallen worden afgewezen op grond van artikel 2 van de Wet. Wanneer de woningeigenaar weigert om de noodzakelijke voorzieningen te realiseren, stelt de Centrale Raad van Beroep dat de woningeigenaar gewezen kan worden op het BBSH. De gemeente kan indien nodig dan gebruik maken van haar wettelijke aanschrijvings-bevoegdheid o.g.v. die regeling. 4.3.3. Aanpassingen aan gezinsvervangende tehuizen (GVT) Een GVT is een woonvorm voor verstandelijk en/of meervoudige gehandicapten. Dergelijke woonvormen zijn erkend als AWBZ-woonvormen en vallen daarom niet onder de Wmo. Bewoners kunnen op grond van de Wmo aanspraak maken op vervoersvoorzieningen en rolstoelen, echter niet voor woningaanpassingen. 4.3.4. Richtlijnen Bouwbesluit Dit Besluit is gebaseerd op de Woningwet. Het bevat de minimale eisen waaraan een nieuw te bouwen woning moet voldoen. Alle aanvragen voor een bouwvergunning worden aan dit besluit getoetst. De criteria hebben betrekking op (in volgorde van relevantie): veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. In de Wmo gaan we uit van de goedkoopst adequate oplossing. De ondergrens hiervan wordt mede bepaald door het verstrekken van voorzieningen die aan minimale eisen voldoen. In het Bouwbesluit zijn eveneens minimale eisen opgenomen met betrekking tot bijvoorbeeld de natte cel, toilet, keuken en woonkamer. Met de afdeling Vergunningen en Handhaving is afgesproken dat zij bij het beoordelen van Wmo-offertes rekening houden met het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit stelt geen verplichting meer om bij een woning een berging te bouwen. Maar een berging bij een woning wordt wel als algemeen gebruikelijk onderdeel van de woning beschouwd. Dit betekent dat het realiseren van een nieuwe berging voor bijvoorbeeld het stallen van een scootmobiel, geen Wmo-voorziening is (sociale woningbouw). Indien aanpassing aan een bestaande berging absoluut noodzakelijk is, komt men in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. Bij het ontbreken van een geschikte berging, zal een eenvoudige buitenstalling worden gerealiseerd, zodat de voorziening water- en winddicht kan staan en indien nodig een stopcontact veilig te gebruiken is (zie 4.3.) 4.3.5. Uitbreiding van ruimten en het verwerven van grond Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het groter bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft, kan een financiële tegemoetkoming aan de orde zijn om in de kosten van het verwerven van extra grond die noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Er wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt indien de extra te verwerven grond als tuin of iets dergelijks wordt benut, ook niet wanneer deze tuinuitbreiding dient ter compensatie van de aanbouw in de oorspronkelijke tuin. Alleen de grond die noodzakelijk is voor de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming, waarbij een maximum aantal m2 wordt gehanteerd voor de verschillende vertrekken. Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden: Soort vertrek Bij aanbouw Bij uitbreiding woonkamer 30 6 keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 toiletruimte 2 1 badkamer -wastafelruimte 2 1 -doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 Berging 6 4 4.4. Gemeenschappelijke ruimten Artikel 18 Woonvoorzieningen en gemeenschappelijke ruimten Het college kan een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een persoons-gebonden budget verlenen voor het treffen van uitsluitend de volgende voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte indien zonder deze woonvoorziening de woonruimte voor de persoon met beperkingen ontoegankelijk blijft: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel); drempelhulpen of vlonders; het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning; een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het woongebouw. Gemeenschappelijke ruimtenvan niet specifiek voor ouderen en gehandicapten gebouwde woningen, kunnen worden aangepast indien zonder deze aanpassing de woonruimte voor één individuele persoon met beperkingen ontoegankelijk blijft. Het betreft hier een limitatieve opsomming, niet genoemde voorzieningen vallen niet onder de reikwijdte van de verordening. Ook niet op grond van de hardheidsclausule. De voorzieningen moeten (uiteraard) bestemd zijn voor een individuele bewoner/aanvrager. 4.5. Hoofdverblijf en bezoekbaar maken Artikel20.Hoofdverblijf Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZinrichting De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. De financiële tegemoetkoming bedoeld in het tweede lid wordt verleend onder de voorwaarde, dat de gemeente waar de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de persoon met beperkingen reeds eerder een woning bezoekbaar is gemaakt. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon met beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Een toilet wordt uitsluitend bereikbaar gemaakt indien deze ruimte reeds geschikt is voor gebruik door de persoon met beperkingen. Het eerste lid bepaalt dat een woonvoorziening slechts wordt verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkenezijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in degemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat, heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in verhuiskosten behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 20 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: Deze uitzondering is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de Verordening opgenomen, aangezien met invoering van de Wmo niet is beoogd het regime van de Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden of te beperken. Een persoon met beperkingen die zijn hoofdverblijf in een AWBZ-instelling heeft, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van één (andere) woonruimte, mits in geen andere gemeente een woning voor de persoon met beperkingen bezoekbaar is gemaakt. Het uitgangspunt bij bezoekbaar maken is om kortdurende bezoeken aan ouder(
- s)( bij jonge kinderen/ jong volwassenen) of de partner mogelijk te maken.Bezoekbaar maken houdt in dat de persoon met beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Voorwaarde voor het bereikbaar maken van het toilet is dat die ruimte reeds geschikt is voor gebruik door de persoon met beperkingen. De aanpassing van de toiletruimte wordt beperkt tot het plaatsen van enkele wandbeugels. NB: In een uitspraak van de CRvB van 19 maart 1999 stelt de Raad dat de combinatie van deze uitsluiting van de zorgplicht en de limitatieve aard van de opsomming in de verordening een strikte toepassing rechtvaardigen. Dit betekent dat in deze zaak geen tillift werd verstrekt omdat dit geen relatie had tot het bezoekbaar maken van de woonruimte maar met het gebruik van de woning. Daarnaast herhaalt de Raad haar mening dat in een dergelijke situatie de hardheidsclausule niet gehanteerd kan worden. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend de in lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat dus niet om gebruiken maar om bereiken. 4.6. Beperkingen Artikel 21 van de Verordening luidt: De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden voor deze verhuizing aanwezig was; de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan de voorzieningen genoemd in artikel 18; en voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; De aanvraag voor een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt ook geweigerd indien: de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; de persoon met beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, een aanleun- of zorgwoning, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. 4.6.1. Geen aanleiding tot verhuizen De bepaling onder a ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen in de niet-adequate woning als er een belangrijke reden voor die verhuizing is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. 4.6.2. Meest geschikte woning In lid b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die de gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. 4.6.3. Gemeenschappelijke ruimten onder c. wordt verwezen naar artikel 18 waarin de (limitatieve) opsomming is opgenomen welke voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten mogelijk zijn. 4.6.4. Aard van de gebruikte materialen Het zal hierbij vooral om woonvoorzieningen gaan. Hierbij valt te denken aan vochtproblemen vanwege slechte isolatie en ventilatie, spaanplaat dat deformaldehydegas bevat, halfsteens muren op het westen die veel waterdoorslag geven en dus veel vochtigheid binnen, enz. Iedereen, ongeacht een eventuele handicap, zal met dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie handicap-woning, maar door de gebruikte materialen. Reden om de gevraagde voorziening te weigeren 4.6.5. Algemeen gebruikelijke verhuizing Hier worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de persoon met beperkingen. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Voorzienbare kosten en eigen verantwoordelijkheid zijn sleutelbegrippen voor de tegemoetkoming in de verhuiskosten Dit geldt eveneens voor voorzienbare verhuizingen of verhuizingen die verband houden met de levensfase zoals kleiner gaan wonen in een seniorenwoning of aanleunwoning. Ook voor een onvoorzienbare verhuizing van een adequate naar een niet adequate woning, wordt geen tegemoetkoming verstrekt. 4.7. Kosten van de woonvoorziening Bij complexe aanvragen worden kosten bepaald aan de hand van twee offertes van twee verschillende aannemers. De beoordeling van de prijs/kwaliteitsverhouding van de aan te brengen voorzieningen ligt bij de consulent Zorg, eventueel bijgestaan met advies door de afdeling Vergunningen en Handhaving. Uitgangspunt bij de beoordeling is een gemiddeld kwaliteitsniveau (goedkoopst mogelijke ennog adequate uitvoering), waar nodig rekening houdend met duurzaamheid van de toegepaste materialen. De volgende kosten kunnenin aanmerking komen voor een tegemoetkoming: De aanneemsom (hierin begrepen de loon en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; De risicoverrekening van loon en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning - en utiliteitsbouw 1991; (NB: Ad 1 en 2: indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt.) Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in DNR 2005 (De Nieuwe Regeling). Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing wordt ingeschakeld, worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; De prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, gemaximeerd aan hetgeen gesteld is in paragraaf 3.3.5 van dit hoofdstuk De het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; De kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een bo