← Nederland

Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Naarden II (Naarden)

Hoofdstuk1INHOUD HOOFDSTUK 0 INLEIDING 1 HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN 2 HOOFDSTUK 2 VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN 7 HOOFDSTUK 3 HET VOEREN VAN EEN HUISHOUDEN 15 HOOFDSTUK 4 WOONVOORZIENINGEN 20 HOOFDSTUK 5 LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL 33 HOOFDSTUK 6 VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING: DE ROLSTOEL 41 HOOFDSTUK 7 HET VERKRIJGEN VAN VOORZIENINGEN EN MOTIVEREN VAN BESLUITEN 45 BIJLAGE 1 ICF FUNCTIES 52 BIJLAGE 2 ICF ACTIVITEITEN EN PARTICIPATIE 57 BIJLAGE 3 HET RPS-FORMULIER 61 Hoofdstuk2INLEIDING Voor u liggen de beleidsregels behorende bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden 2012. De beleidsregels zijn een uitwerking van de verordening zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld. In de beleidsregels wordt aangegeven hoe in de praktijk vorm wordt gegeven aan de in de verordening gestelde regels. Naast de beleidsregels kent de gemeente het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden 2012. Ook dit besluit is een uitwerking van de verordening, maar dan vooral op het terrein van financiën en de regeling van het persoonsgebonden budget. In de beleidsregels wordt aangegeven hoe een afweging wordt gemaakt om tot een beslissing op een aanvraag te komen en welke zaken daarin een rol moeten spelen daarbij is veel aandacht voor het individu en bestaat de mogelijkheid om maatwerk te leveren, mits daar een goede motivering aan ten grondslag ligt. De beleidsregels geven richting aan de voorzieningen waarmee de gemeente beperkingen kan compenseren. De opbouw van de beleidsregels is vergelijkbaar met die van de verordening en het besluit. Hoofdstuk 1 gaat over de algemene toekenning- en weigeringgronden voor voorzieningen. Hoofdstuk 2 gaat over de vorm van te verstrekken voorzieningen. Hoofdstuk 3 geeft aan wanneer men aanspraak kan maken op voorzieningen gericht op het voeren van een huishouden, hoofdstuk 4 gaat over de woonvoorzieningen, hoofdstuk 5 over de vervoersvoorzieningen en hoofdstuk 6 gaat in op het verkrijgen van rolstoelvoorzieningen. Hoofdstuk 7 betreft het medisch advies en tot slot wordt in hoofdstuk 8 vermeld hoe een voorziening aangevraagd wordt en aan welke voorwaarden de gemeente moet voldoen. Hoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Maatwerk Omdat de gemeente voor maatwerk wil staan en niet rigide wil zijn, hebben de consulenten van de gemeente een cruciale rol in de benadering van de vraag. Voorheen had de gemeente in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten de zorgplicht voor die burgers die ergonomische belemmeringen ondervonden bij hun maatschappelijk functioneren. De Wmo verlangt dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het oplossen van hun vraag. Ook de omgeving (het gezin, de familie, de buurt, etc.) van de klant speelt daarbij een belangrijke rol. De gemeente stelt de zelfredzaamheid en het organisatorisch vermogen van personen met beperkingen centraal. Dit betekent dat zij een afweging wil maken bij een vraag met betrekking tot de eigen mogelijkheden van de klant of diens omgeving alvorens ondersteuning te bieden vanuit de compensatieplicht van de gemeente. De eigen verantwoordelijkheid hangt nauw samen met de wijze waarop de gemeente in de verordening en de beleidsregels de compensatieplicht inhoud geeft. Hoe kan een burger de eigen verantwoordelijkheid vormgeven? Een aantal beperkingen kan een burger zelf compenseren door aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit is een voorziening die overal (in het reguliere economische verkeer) te verkrijgen is, laagdrempelig in de aanschaf en ook wordt aangeschaft door mensen zonder beperkingen. Een elektrische fiets of een verhoogd toilet zijn bijvoorbeeld algemeen gebruikelijk. De burger kan een beroep doen op een voorhanden zijnde voorliggende voorziening. Indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperking, is een beroep op de ondersteuning bij de gemeente niet noodzakelijk. De burger heeft dan zelf de mogelijkheid om ook deze kosten te dragen. Bij het doen van een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de burger moeten we altijd kijken naar de individuele situatie. Van de burger verlangen we dat hij bij keuzes die hij maakt, rekening houdt met zijn levensfase en de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden. Een burger moet naar levensfase anticiperen op zijn eigen behoeften. Er kunnen altijd individuele omstandigheden zijn, waardoor dit geen reëel verlangen is en een beroep op ondersteuning van de gemeente noodzakelijk is. De gemeente ondersteunt, als de eigen mogelijkheden niet leiden tot een aanvaardbare oplossing, de burger door de beperkingen te compenseren. Vanuit deze compensatieplicht maakt de gemeente afwegingen. Indien een burger komt met een vraag, maakt de consulent van de gemeente een afweging aan de hand van de volgende stappen. Stap 1 Wat is de vraag? De consulent benadert de vraag van de klant niet vanuit het aanbod aan producten. Niet de gevraagde voorziening staat centraal, maar eerst moet helder gesteld zijn wat precies de vraag van de klant is. Stap 2 Wat zijn de mogelijkheden van de klant zelf? Als de vraag in beeld is, worden de mogelijkheden van de klant zelf onderzocht. Kan de klant zelf (een deel van) het probleem oplossen? Kan familie, vrienden of de buurt ondersteuning bieden? Mensen die dat kunnen, dienen voor problemen die zich voordoen zelf oplossingen te bedenken in de eigen omgeving. De gemeente kan mensen daarbij ondersteunen. Er wordt uitgegaan van de eigen kracht van de burger. Stap 3 Samen op zoek naar geschikte oplossingen Als aanvulling op de mogelijkheid om een beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid gaat de gemeente samen met de klant kijken welke oplossingen beschikbaar zijn. Voorzieningen (collectief of individueel) worden ingezet om gezamenlijk te komen tot een adequate ondersteuning en compensatie van de ondervonden beperkingen. Artikel1.2Toekenning en weigering van voorzieningen Bovenstaande wordt vertaald in toekenning- en weigeringgronden die zijn opgenomen in artikel 2 van de verordening. De verordening vormt zo het raamwerk waarbinnen maatwerk geleverd kan worden. A. Toekenning van voorzieningen Langdurig noodzakelijk (art. 2, lid 1 en onder

  1. a)De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn heeft onder andere te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op de basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, eenmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil echter niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op 6 maanden ligt. De grens wordt bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend? Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat er geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Er moet dan worden uitgegaan van langdurige noodzaak Goedkoopst adequaat (art. 2, lid 1 en onder
  2. b)Het criterium goedkoopst adequaat betekent dat een te verstrekken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Adequaat houdt in dat de voorzieningen moeten voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen zoals die in de overeenkomst en/of (Europese) aanbestedingen zijn vastgelegd. Voldoen meerdere voorzieningen aan deze eisen, dan wordt uit die voorzieningen de goedkoopste gekozen. De kwaliteit is op deze wijze gewaarborgd. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem om zoveel mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook als is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen. In overwegende mate op het individu gericht (art. 2, lid 1 en onder
  3. c)Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten worden. B. Weigering van voorzieningen Een algemeen gebruikelijke zaak (art. 2, lid 2 en onder
  4. a)Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk indien onderstaande vragen met “ja” beantwoord kunnen worden: 1. Is voorziening niet speciaal voor gehandicapten bedoeld? 2. Is de voorziening gewoon te koop? (in de reguliere handel verkrijgbaar) 3. Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Indien de vragen bevestigend beantwoord worden dan staat vast dat de klant over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij niet gehandicapt zou zijn geweest. Het college moet vervolgens onderzoeken of de voorziening, gelet op de persoonlijke situatie van de klant, toch niet algemeen gebruikelijk kan worden geacht. In individuele gevallen kan een voorziening, die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de klant toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Er moet dan een uitzondering worden gemaakt. Het gaat bijvoorbeeld om een klant waarvan het inkomen door aantoonbare kosten van de beperking onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen. De aanvrager is woonachtig binnen de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend (art. 2, lid 2 en onder
  5. b)Het compensatiebeginsel van de gemeente Naarden geldt alleen maar ten aanzien van in de gemeente woonachtige aanvragers. Voor zover geen sprake is van meerkosten (art. 2, lid 2 en onder
  6. c)wordt ook geen voorziening verstrekt. De Wmo kent immers de compensatieplicht. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt financieel in staat te zijn om in een auto te kunnen rijden, zal als hij die auto moet hebben vanwege een handicap niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden. Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening. Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (art. 2, lid 2 en onder
  7. d)wil zeggen: het is een aanvrager niet toegestaan een gemeente voor een fait accompli te stellen waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf mogelijk te maken. Bij een woningaanpassing zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan worden wat de goedkoopst adequate oplossing was, een afwijzing achterwege moet blijven. Uiteraard kan dan wel de goedkoopst adequate voorziening verstrekt worden, ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de consequentie voor de aanvrager die voor de beschikking zelf iets heeft aangeschaft. Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (art. 2, lid 2 en onder
  8. e)en daarbij sprake is van schuld, zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden. Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootmobiel rijdend te houden. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden. Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn. Als iemand een persoonsgebonden budget heeft kan op gelijke wijze bij verloren gaan gedurende de looptijd gehandeld worden. Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (art. 2, lid 2 en onder f). Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages. Medewerking van anderen in de omgeving aan oplossingen (art. 2, lid 2 en onder
  9. g)Er bestaat geen aanspraak op een voorziening indien redelijkerwijs van anderen in de omgeving van de aanvrager (zoals huisgenoten en familieleden) kan worden verwacht dat zij meewerken aan het oplossen van de zich voordoende beperkingen. Bij iedere aanvraag moeten de mogelijkheden die binnen het gezin (en de woonruimte) aanwezig zijn onderzocht worden. Van huisgenoten mag verwacht worden dat zij ook een aandeel leveren in het huishouden. Noodzakelijke gegevens (art. 31, lid 3) De aanvrager verstrekt die gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en laat zich (als hierom gevraagd wordt) bevragen en/of onderzoeken. Indien de noodzakelijke gegevens niet worden verstrekt of de aanvrager niet meewerkt aan een onderzoek wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld c.q. afgewezen, omdat het recht op een voorziening niet kan worden vastgesteld. Legitimatie (art. 31, lid 4) Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en verifiëren kan de gemeente het wenselijk vinden dat personen die een aanvraag indien voor voorzieningen zich legitimeren. Dat kan door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag indienen is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de verblijfsrechterlijke status. De volgende documenten worden door de gemeente in ieder geval als geldig identiteitsbewijs aangemerkt: Belanghebbenden met de Nederlandse nationaliteit: a. paspoort; b. Europese identiteitskaart. Belanghebbenden zonder de Nederlandse nationaliteit: a. vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER. Dit zijn de (nieuwe) documenten die zijn uitgegeven op grond van de Vreemdelingenwet 2000, welke op 01 april 2001 in werking is getreden; b. verblijfskaart ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Een rijbewijs wordt niet als een geldig legitimatiebewijs aangemerkt, omdat het rijbewijs geen nationaliteit vermeld. Indien geen geldig legitimatiebewijs wordt overlegd kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld c.q. worden afgewezen, omdat het recht op een voorziening niet kan worden vastgesteld. Voorliggende voorzieningen (art. 2 Wmo) Artikel 2 van de Wmo bepaalt dat geen aanspraak op een Wmo-voorziening bestaat voor zover met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot de voorziening, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. De aanspraak op grond van een andere wettelijke bepaling heeft in dat geval voorrang op de Wmo. De wetgever heeft in de Wmo niet gekozen voor een limitatieve opsomming van de wetten die voorgaan op de Wmo, omdat die van tijd tot tijd verschillen. In de onderstaande, niet-limitatieve opsomming, staan enkele wetten op grond waarvan een persoon wellicht aanspraak kan maken op een voorziening en die voorrang hebben op de Wmo: - AWBZ; - Zorgverzekeringwet; - Wet op de jeugdzorg; - Regeling tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 ( TOG 2000); - Leerlingenvervoer; - WIA. De Wmo kan als een toereikende en passende voorliggende voorziening worden beschouw ten aanzien van de Wet werk en bijstand (Wwb). Concreet betekent dit dat als de Wmo oproept een bepaalde voorziening aan te bieden, de kosten hiervan niet kunnen worden vergoed op basis van de Wwb (Tweede Kamer 2004-2005, 30 131, nr. 3, p. 30). De Wwb heeft dus geen voorrang op de Wmo. Rechtmatig verblijf (art. 8, lid 1 Wmo) Artikel 8 lid 1 Wmo bepaalt dat een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8 onder a t/m e van de Vreemdelingenwet 2000, in aanmerking kan komen voor het verlenen van een individuele voorziening. Daarbij gaat het om de volgende vreemdelingen: - vreemdelingen met een regulier verblijfsvergunning (I1.2.3.2) - vreemdelingen met een verblijfsvergunning op asielgronden; - gemeenschapsonderdanen; - vreemdelingen die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Vreemdelingen die zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijven kunnen in beginsel geen aanspraak maken op individuele voorzieningen. Op grond van artikel 8 lid 2 Wmo kan daarop een uitzondering worden gemaakt bij Algemene Maatregel van Bestuur. De AMvB is (nog) niet vastgesteld. In een aantal situaties zal het college een Wmo-aanvraag van een vreemdeling moeten melden bij de IND. Naast deze algemene beperkingen spelen ook per vertrekkingen gebied bijzondere beperkingen. Deze worden in de desbetreffende hoofdstukken besproken. Hoofdstuk2VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel2.1Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende: Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. De voorziening wordt verstrekt. Een alternatief voor een voorziening in natura wordt in de vorm van een persoonsgebonden budget. Naast een voorziening in natura of persoonsgebonden budget kennen wij de financiële tegemoetkoming. Bij de voorzieningen die uitsluitend gegeven worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming is geen verstrekking in natura mogelijk. Voorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming zijn bouwkundige en woontechnische woonvoorzieningen (woningaanpassing), verschillende soorten vervoerskostenvergoedingen, vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten, vergoedingen voor de sportrolstoel en andere aangepaste sportvoorzieningen. A. Onderscheid tussen financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget Het onderscheid tussen de begrippen financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget is niet altijd even duidelijk. Dat wordt nog ingewikkelder doordat soms een financiële tegemoetkoming als forfaitaire financiële tegemoetkoming verstrekt wordt. De verschillen tussen een financiële tegemoetkoming, een forfaitaire financiële tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget zijn het beste als volgt aan te geven. Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de wet gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de aanvrager. De aanvrager betaalt dan mee en dat wordt een eigen aandeel genoemd. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële tegemoetkoming kostendekkend zijn, tenzij er nog een algemeen gebruikelijk deel in het bedrag zit. Dat kan, als dit in deze beleidsregels is geregeld, in mindering worden gebracht, ook naast een eigen aandeel. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten en los van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal niet op het inkomen van de aanvrager worden afgestemd. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel wel rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals bijvoorbeeld het tarief van het collectief vervoer. Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag bedoeld om zelf een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op dit persoonsgebonden budget kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht, tenzij het om een rolstoel en/of een minderjarig persoon gaat. Ook hier kan eventueel met een algemeen gebruikelijk deel rekening worden gehouden. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt aan de aanvrager. In geval van een woningaanpassing wordt een financiële tegemoetkoming aan de eigenaar van de woning verstrekt. B. Voorlichting vanuit de gemeente Het nieuwe artikel 6A Wmo bepaalt dat het college de aanvrager vooraf in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen de aanvrager inlicht over de gevolgen van de keuze voor individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de aanvrager door het college wordt geïnformeerd over de keuze die deze persoon heeft tussen de individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming. Artikel2.2Het persoonsgebonden budget Artikel 3 van de verordening bepaalt: Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. De bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget wordt niet geboden indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met het persoonsgebonden budget, of de voorzienbare duur van de noodzakelijkheid van de voorziening korter is dan de normale afschrijvingstermijn van de voorziening, dan wel sprake is van bezwaren van overwegende aard. Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Het gaat hier om uitzonderingen. Mede daarom is het niet mogelijk om een limitatieve opsomming van categorieën van personen te maken. U moet hier bij denken aan personen met een verslavingsproblematiek, die manisch depressief of dementerend zijn, grote schulden hebben of een verstandelijke beperking hebben. Hebben deze personen echter een goede begeleiding die voor hen het beheer en regelwerk doen, dan is voor deze groepen een persoonsgebonden budget beschikbaar. Voor dat er een afwijzende beschikking wordt genomen wordt eerst een advies ingewonnen bij het indicatiestellend orgaan. Vanzelfsprekend is in het advies meegewogen wat de mate van de beperking is. Is betrokkene het niet eens met het advies van het indicatiestellend orgaan, dan kan in overleg met de klant een second opinion aangevraagd worden om vast te stellen of een persoonsgebonden budget de voor de persoon geëigende voorziening is. Een dergelijke second opinion zal worden aangevraagd bij professionele en/of vrijwilligersorganisaties, die betrokkenheid hebben bij deze persoon en waarvan in redelijkheid verwacht mag worden dat zij een reëel inzicht hebben in de bekwaamheid van betrokkene tot het zelfstandig beheren van een persoonsgebonden budget. Afhankelijk van de situatie is het ook goed mogelijk dat familieleden en/of andere persoonlijke relaties van betrokkene hierover geraadpleegd worden. Artikel2.3Voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 6 van de verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget. De eerste voorwaarde is dat een persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld. NB In een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een natura voorziening wegvallen. Daarom is in de verordening het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het hoofdstuk vervoer nader worden uitgewerkt. Artikel2.4Omvang van het persoonsgebonden budget De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Er zijn twee mogelijkheden: a. het persoonsgebonden budget voor diensten, zoals de hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie; b. het persoonsgebonden budget voor voorzieningen zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. A. Hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie Bij diensten, zoals hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie, gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur of een gedeelte daarvan. Het uurbedrag wordt jaarlijks door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en aangepast aan de economische ontwikkelingen. Het bedrag wordt vastgelegd in artikel 3 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden. Bepaald is in artikel 6 lid 1 Wmo dat het uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien toereikend. Dat betekent dat het bedrag tenminste het minimumloonbedrag zal moeten zijn. Bij de berekening van het persoonsgebonden budget is het inkooptarief van de hulp in natura als vertrekpunt genomen. Dat betekent dat het basisbedrag van een persoonsgebonden budget 80% van dit tarief is, omdat een persoon met een persoonsgebonden budget geen overheadkosten heeft welke een organisatie wel heeft. De zorgorganisatie brengt als bemiddelaar tussen klant en de gemeente administratieve kosten in rekening. Deze administratieve kosten bedragen ongeveer 20%. Deze brengen wij in mindering, omdat bij een persoonsgebonden budget deze bemiddelingskosten niet van toepassing zijn. De berekening voor hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie komt er als volgt uit te zien: Voorziening Tarief in natura Berekening persoonsgebonden budget per jaar Hulp bij het huishouden 22,75 Euro 22,75 Euro x 80 % x aantal uren per week in natura* x aantal weken (maximaal 52 weken) ** Persoonlijke assistentie regie 25,83 Euro 25,83 Euro x 80 % x aantal uren per week in natura* x aantal weken (maximaal 52 weken) ** * Zie artikel 11 en artikel 11A van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning ** Voorbeeld op basis tarieven 2011. deze tarieven stelt het college jaarlijks bij. Het college maakt jaarlijks de bijgestelde tarieven bekend. Wordt er gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot additionele uren boven de hoogste klasse 6, dan wordt per uur een bedrag vergoed ter hoogte van 80% van de kostprijs per uur. Het werken met bovenstaande klassen heeft als voordeel dat bij kleine wijzigingen in het aantal benodigde uren (binnen de klasse) er geen nieuwe aanvraag, indicatie en besluit nodig is. In uitzonderingssituaties waarbij de benodigde uren hulp niet kunnen worden ingekocht, omdat het persoonsgebonden budget gebaseerd is op het gemiddeld aantal uren binnen de klasse, kan het persoonsgebonden budget worden vastgesteld op basis van het aantal uren hulp vermenigvuldigd met 80% van de kostprijs per uur. De budgethouder zal hiervoor aan moeten tonen dat de benodigde uren niet kunnen worden ingekocht. Werkgever of opdrachtgever? U bent werkgever als u een arbeidsovereenkomst heeft afgesloten met een zorgverlener en uw zorgverlener op minimaal 4 dagen per week voor u werkt. Het maakt niet uit hoeveel uur per dag hij of zij werkt. Heeft u een arbeidsovereenkomst afgesloten met uw zorgverlener en werkt hij of zij op 3 dagen per week of minder? Dan kunt u uw zorgverlener bruto uitbetalen. Uw zorgverlener moet dan zelf de afdrachten aan de Belastingdienst betalen. Werkt iemand meer dan 3 dagen dan ben je als werkgever ook verantwoordelijk voor de afdracht van belastingen en verplichte premies voor diverse verzekeringen, zoals doorbetaling bij ziekte of werkloosheid. In deze beide situaties moet het minimum (jeugd)loon in ieder geval betaald worden. U bent opdrachtgever indien u een overeenkomst heeft afgesloten met uw partner, een inwonend familielid, een zorginstelling of een freelancer. Gaat u een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer aan dan zal het veelal gaan om een zzp-er (een zelfstandige zonder personeel) en ben je niet gebonden aan het minimum (jeugd)loon en hoeft u geen afdrachten te doen. B. Overige voorzieningen Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de voormalige Wvg te weten: voorzieningen voor niet bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen en onderhoud en reparatiekosten, vervoersvoorzieningen en onderhoud en reparatie en rolstoelvoorzieningen en onderhoud en reparatiekosten, zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden staat in artikel 7, 13 en 15 dat het persoonsgebonden budget 90%van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate voorziening is. De waarde van de goedkoopst adequate voorziening wordt bepaald door de adviesprijs van de voorziening vanuit het kernassortiment of de waarde van de goedgekeurde offerte. Het kernassortiment bestaat uit meerdere voorzieningen per categorie. Bijvoorbeeld voor eenvoudige duwrolstoelen zijn minimaal drie typen beschikbaar. De merken en typen voorzieningen moeten voldoen aan de hoge kwaliteitseisen die gesteld zijn in het bestek bij de Europese aanbesteding. Elk jaar wordt het kernassortiment aangepast. Vanuit het kernassortiment wordt bepaald welke voorziening adequaat is. Vervolgens wordt gekeken welke voorziening het goedkoopst is in zijn categorie. Door deze volgorde te hanteren is de kwaliteit leidend. Rekenvoorbeeld Mevr. Geel krijgt een toekenning voor een handbewogen rolstoel. De gemeente koopt deze rolstoel conform de voorwaarde uit de Europese aanbesteding in voor €2.000,-. De adviesprijs van de fabrikant is echter € 3000,-. De hoogte van het PGB bedraagt 90% van de adviesprijs zijnde €3.000,- = €2.700,-. Als er speciale aanpassingen of voorzieningen nodig zijn die niet in het kernassortiment zijn opgenomen, dan wordt in die gevallen 90% vergoed van de adviesprijs van de voorziening die de gemeente in natura zou hebben geleverd. De indicatie gaat altijd vergezeld van een programma van eisen waaraan de voorziening dient te voldoen. Dit programma van eisen maakt deel uit van de beschikking waarin een persoonsgebonden budget wordt toegekend. In het persoonsgebonden budget wordt ook het bedrag voor onderhoud en reparatiekosten berekend. Ook het onderhoud en reparatie zijn onderdeel van de Europese aanbesteding. Dit zijn reële bedragen waar geen kortingen op van toepassing zijn. De bedragen voor onderhoud en reparatie zoals deze gelden voor de voorzieningen in het kernassortiment worden in het persoonsgebonden budget opgenomen. C. Service en onderhoudscontract De hoogte van het persoonsgebonden budget voor het servicecontract wordt bepaald aan de hand van wat er bij de Europese aanbesteding hiervoor is vastgesteld. De bedragen hiervoor zijn: Voorziening Bedrag * per jaar incl. 6 % BTW Handbewogen rolstoelen 113 Euro Elektrische rolstoelen 679,25 Euro Scootmobielen 339,37 Euro Aangepaste (driewiel) fietsen 103,16 Euro Kinderrolstoelen langdurig gebruik 679,25 Euro * Dit zijn de bedragen voor 2011. De bedragen worden jaarlijks geindexeerd en bijgesteld. D. Wanneer is er aanspraak op een nieuw Persoonsgebonden budget? Hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie De hoogte van het persoonsgebonden budget hangt af van de klasse waarin men ingedeeld wordt. De klasse bepaalt vervolgens hoeveel uren zorg er verleend moet worden. Zie paragraaf 2.4 onder a.. Het persoonsgebonden budget wordt slechts gewijzigd als de indicatie gewijzigd wordt. Dus als een nieuwe indicatie bepaalt dat men recht heeft op een hogere of lagere klasse aan zorg, dan zal ook het persoonsgebonden budget naar boven of naar beneden worden bijgesteld. Overige voorzieningen In hoofdstuk 2.4 onder b. wordt de berekening van de hoogte van het persoonsgebonden budget uitgelegd. Het recht op een nieuw persoonsgebonden budget ontstaat wanneer er in een nieuwe beschikking een programma van eisen is vastgesteld voor een andere of aanvullende voorziening. Wanneer men een bestaande voorziening wil vervangen, en er geen nieuwe indicatie is vastgesteld, zal de voorziening aan vervanging toe moeten zijn. Daarvoor is een afschrijvingstermijn van 7 jaar bepaald. Dus als iemand een nieuwe voorziening wil en de indicatie is niet gewijzigd, dan moet de actuele voorziening in ieder geval ouder dan 7 jaar zijn. Is de voorziening na 7 jaar nog niet versleten en aan vervanging toe, dan zal er niet tot vervanging worden overgegaan en er dus geen nieuw persoonsgebonden budget worden verstrekt. Maar als de afschrijvingstermijn nog niet verstreken is en de voorziening is wél aan vervanging toe, dan zal de reden daarvan onderzocht moeten worden. Dat onderzoek moet in ieder geval antwoord geven op de volgende vragen: 1. Is de voorziening gebruikt waarvoor deze gebruikt moet worden? 2. Is de voorziening goed onderhouden conform de afspraken? 3. Heeft de voorziening de reguliere periodieke service en onderhoudsbeurten gehad? Dit dient aangetoond te worden middels een service- en onderhoudsboekje. 4. Hoe intensief is de voorziening gebruikt? Is de voorziening intensief gebruikt en heeft hij ook aan de andere voorwaarden voldaan, dan is het mogelijk via de hardheidsclausule een persoonsgebonden budget te ontvangen. Het spreekt voor zich dat als er bij de aanvraag enige twijfel is of het nog wel de geëigende voorziening voor de aanvrager is, er een nieuwe indicatie moet worden gesteld. Indien nadat de afschrijvingstermijn is verstreken en de voorziening nog in goede staat verkeert, wordt er geen nieuw persoongebonden budget verstrekt. Dit heeft voor de aanvrager het voordeel dat er niet opnieuw een eigen bijdrage hoeft te worden betaald. Artikel2.5Ondersteuning beheer persoonsgebonden budget Het beheer van het persoonsgebonden budget heeft alleen betrekking op het budget ten behoeve van de hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie. Indien een persoon een persoonsgebonden budget krijgt toegewezen is hij of zij altijd werkgever. Dat betekent dat, indien men geen gebruik kan maken van de Regeling dienstverlening aan huis van de Belastingdienst *, er in veel gevallen belastingafdracht (loonheffing, premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet) moet plaatsvinden. Er moet een salarisadministratie worden gevoerd, de wet Poortwachter is van toepassing, etc.. * Voor de voorwaarden voor de Regeling dienstverlening aan huis verwijzen wij naar www.belastingdienst.nl. De regeling is in ieder geval niet van toepassing als hulp wordt ingehuurd voor meer dan 3 dagen per week. Het aantal uren per dag is niet belangrijk. In de AWBZ werden deze taken op verzoek van de klant gratis uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank. Ook kon men voor informatie en advies bij de Sociale Verzekeringsbank terecht. De gemeente Naarden heeft met de Sociale Verzekeringsbank een contract afgesloten dat het mogelijk maakt dat personen die na 1 januari 2007 een persoonsgebonden budget hebben toegewezen gekregen ook van deze diensten gebruik kunnen maken. De gemeente betaalt de kosten van deze begeleiding, maar deze is voor de klant gratis. Artikel2.6Uitbetaling persoonsgebonden budget Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Dit programma van eisen wordt bij de indicatiestelling vastgelegd. In het programma van eisen wordt ondermeer vastgelegd hoe hoog, breed en diep een rolstoel moet zijn. Of en zo ja wat voor beensteunen, etc.. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid over de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Om de betaling overzichtelijk te houden zou er voor gekozen kunnen worden dit persoonsgebonden budget per kwartaal of per half jaar beschikbaar te stellen. Daarbij zal er rekening moeten worden gehouden dat bij betaling over een lange periode, zoals bij de hulp in het huishouden en persoonlijke assistentie regie, uitsluitend betaling achteraf problemen zal opleveren. Immers de houder van het persoongebonden budget als werkgever, dient elke periode het salaris van de hulp aan het einde van de periode over te maken. De houder van het persoonsgebonden budget moet dan wel zelf het geld al op de rekening hebben staan anders moet hij dat zelf voorschieten. Betaling per voorschot, of aan het begin van de periode, ligt dan voor de hand. Hierbij zullen de volgende regels worden gehanteerd: 1. Het bedrag voor de volgende voorzieningen zal in één keer worden uitbetaald als de beschikking is genomen: a. woonvoorzieningen (bijvoorbeeld douchestoel); b. vervoersvoorzieningen (bijvoorbeeld scootmobielen, driewielfietsen ed); c. rolstoelvoorzieningen. 2. Per periode van vier weken wordt uitbetaald: a. kosten voor de hulp bij het huishouden; b. kosten voor de persoonlijke assistentie regie. 3. Per kwartaal wordt uitbetaald: a. de forfaitaire tegemoetkoming vervoersvoorziening. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is. De gemeente vraagt zelf geen inkomensgegevens aan de klant voor het vaststellen van een eigen bijdrage. Zowel voor de verstrekking in natura als voor de verstrekking door middel van een persoonsgebonden budget, wordt de eigen bijdrage vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor. Dat betekent dat de mensen het volledige persoonsgebonden budget krijgen uitbetaald en naderhand een nota van het Centraal Administratie Kantoor ontvangen. Naast de aankondiging in de beschikking van het vaststellen en innen van de eigen bijdrage, zal hierover voldoende informatie aan de klant moeten worden gegeven (zie ook onder §2.8). Artikel2.7Verantwoording van het persoonsgebonden budget Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren voor de verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget: - de originele nota/factuur van de aangeschafte voorziening; - het betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening; - een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen. Bij alle individuele voorzieningen (hulp bij het huishouden, persoonlijke assistentie regie, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen) uit de verordening vindt de verantwoording plaats via een steekproef. Steekproefsgewijs zal het college bepalen bij welke budgethouders bovengenoemde stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Dat houdt in dat het college uit het bestand per jaar willekeurig een aantal klanten vraagt de hiervoor genoemde bewijsstukken te leveren. De klant dient vervolgens de administratie binnen vier weken aan het college te overleggen. Het college van Burgemeester en wethouders kan de gegevens opvragen en controleren tot vijf jaar nadat het persoonsgebonden budget is besteed. Met andere woorden de klant dient de administratie minimaal vijf jaar te bewaren. Het niet kunnen overleggen van de administratie kan voor het college van Burgemeester en wethouders een grond tot terugvordering van het persoonsgebonden budget zijn. Is het persoonsgebonden budget besteed conform het plan van eisen, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget niet conform de beschikking besteed, dan kan het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. Artikel2.82.8 Eigen bijdrage en eigen aandeel A. Eigen bijdrage Indien er sprake is van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget dient een eigen bijdrage te worden betaald. Dit is bepaald in artikel 7 van de verordening. Een aantal voorzieningen is echter op grond van de Wmo en/of de verordening uitgesloten van het heffen van eigen bijdrage. Uitgesloten op grond van de Wmo zijn: - rolstoelen; - alle voorzieningen voor kinderen onder de 18 jaar; - collectief vervoer (= een algemene voorziening); - overige algemene voorzieningen; - alle voorzieningen indien de aanvrager of zijn partner een intramurale AWBZ-bijdrage is verschuldigd ingevolge artikelen 4 of 14 Bijdragebesluit zorg. De eigen bijdrage wordt vastgesteld voor de volgende voorzieningen: - hulp bij het huishouden; - Persoonlijke assistentie en regie; - niet bouwkundige en woontechnische woonvoorzieningen (bijvoorbeeld douchestoel en traplift); - scootmobiel; - overige vervoersvoorzieningen. De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). In de beschikking wordt aangekondigd dat een te betalen eigen bijdrage verschuldigd aan de orde is en dat de vaststelling en inning door het Centraal Administratie Kantoor zal plaatsvinden. Het Centraal Administratie Kantoor werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de Belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2009 doet men aangifte over 2008, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2007 in 2009 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd. Als het inkomen sterk is gedaald komt de cliënt mogelijk voor in aanmerking voor een peiljaarverlegging. Bij een peiljaarverlegging wordt de maximale periodebijdrage voorlopig gebaseerd op het verwachte (gezamenlijke) verzamelinkomen over het zorgjaar. Het Centraal Administratie Kantoor noemt dit een herziening van de eigen bijdrage. Herziening van de eigen bijdrage is alleen mogelijk als een cliënt verwacht dat het verzamelinkomen in 2010 minstens €1.816,- lager zal zijn dan in het jaar daarvoor. Herziening van de eigen bijdrage kan men aanvragen met een inkomensformulier van het Centraal Administratie Kantoor. Dit formulier kan men telefonisch opvragen bij het Centraal Administratie Kantoor. Indien de voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van een roerende zaak kan gedurende maximaal 39 perioden van 4 weken een eigen bijdrage in rekening worden gebracht. B. Eigen aandeel Indien een aanvrager een financiële tegemoetkoming ontvangt dient een eigen aandeel in de kosten te worden betaald. Geen eigen aandeel in de kosten wordt gevraagd bij financiële tegemoetkomingen in de kosten van: - alle voorzieningen voor kinderen onder de 18 jaar; - verhuizing en inrichting; - tijdelijke huisvesting of dubbele woonlasten; - inspectie/keuring, onderhoud en reparatie van een woonvoorziening; - sportrolstoelen en andere aangepaste sportvoorzieningen; - alle voorzieningen indien de aanvrager of zijn partner een intramurale AWBZ-bijdrage is verschuldigd ingevolge artikelen 4 of 14 Bijdragebesluit zorg. C. Aantal perioden waarover de eigen bijdrage/eigen aandeel geïnd wordt In de Verordening is op genomen (wettelijk voorschrift) dat het maximum aantal perioden bij voorzieningen die in eigendom worden gegeven 39 is. In alle andere gevallen is het aantal perioden in principe onbegrensd waarbij natuurlijk wel geldt dat nooit meer eigen bijdrage mag worden gevraagd dan de kostprijs van de voorziening. Voorzieningen met een kostprijs tot € 750,-. Bij voorzieningen met een lage kostprijs ligt het voor de hand om het aantal perioden dat de eigen bijdrage geïnd wordt ook laag te houden. Bij uitsmeren over veel perioden wordt de eigen bijdrage per 4 weken anders erg laag. Het aantal perioden en het periode bedrag wordt bij lage bedragen afgestemd op de maximale eigen bijdrage voor minima van € 18,- per 4 weken. Het aantal perioden en de bijbehorende periodebedragen die gehanteerd worden zijn als volgt: Kostprijs voorziening; Aantal perioden; periodebedrag € 0,- tot € 250,-; 13 (1 jaar); Kostprijs / 13 € 250,- tot € 500,-; 26 (2 jaar); Kostprijs / 26 € 500,- tot € 750,-; 39 (3 jaar); Kostprijs / 39 Voorzieningen met een kostprijs hoger dan € 750,-. Voorzieningen die in eigendom worden gegeven zijn gehouden aan een wettelijke termijn van 39 perioden. Dit is ook in de Verordening opgenomen. Alle andere voorzieningen (bruikleen) zijn niet aan deze termijn gehouden. Het aantal perioden en de bijbehorende periodebedragen bij voorzieningen die niet in eigendom worden gegeven worden afgestemd op 1) de kostprijs van de voorziening en de maximale eigen bijdrage voor minima ad € 18,- per 4 weken en 2) de gemiddelde afschrijvingstermijn van de voorzieningen. Het aantal perioden en de bijbehorende periodebedragen voor voorzieningen die niet in eigendom worden gegeven zijn als volgt: Kostprijs voorziening; Aantal perioden; periodebedrag € 750,- tot € 2500,-; 52 (4 jaar); Kostprijs / 52 € 2500,- en hoger; 65 (5 jaar); Kostprijs / 65 NB De kost prijs is bij her-verstrekking uit depot de restwaarde van de voorziening NB De beginperiode is de eerste periode volgend op de periode waarin de aanvraag is gedaan. Hoofdstuk3HET VOEREN VAN EEN HUISHOUDEN Artikel3.1Inleiding De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza). Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over “een huishouden te voeren”, waaronder in de verordening zowel hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie wordt verstaan als de woonvoorzieningen. Voor hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie zijn aanvullend op dit hoofdstuk beleidsregels opgesteld: 1. Beleidsregel hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie; 2. Beleidsregel gebruikelijke zorg. In dit hoofdstuk wordt hier indien van toepassing naar verwezen. Artikel3.2Mogelijke voorzieningen Artikel 8 van de verordening geeft een drietal mogelijk te verstrekken voorzieningen aan: a. een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; b. hulp bij het huishouden in natura; c. persoonlijke assistentie regie in natura; d. een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden; e. een persoongebonden budget te besteden aan persoonlijke assistentie regie. A. Algemene hulp bij het huishouden Uit artikel 9 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: - het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; - het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; - of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Wat betreft het eerste aspect zal beoordeeld moeten worden of het gaat om een kortdurende voorziening. De grens daarvan ligt bij 13 weken. Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe zorg, zoals tijdelijke hulp bij het huishouden na een ziekenhuisopname. Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele zorgbehoefte, zoals een periode na een ziekenhuisopname. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door de behandelend arts van het ziekenhuis. De duur is beperkt, ook de omvang is beperkt. Een uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te lange periode dat men op hulp moet wachten. Met de vorm algemene hulp bij het huishouden kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men meldt zich met de verwijsbrief van de arts of het maatschappelijk werk van het behandelende ziekenhuis bij het loket. Daar wordt gecontroleerd of de verwijzing duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Hierbij is geen sprake van een keuze voor een persoonsgebonden budget. Om administratieve rompslomp te voorkomen, worden er geen eigen bijdragen gevraagd. Er vindt daarom een eenvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, wat in een brief wordt bevestigd. Mocht men aan het loket aangeven niet met deze vorm van hulp in te kunnen stemmen, dan wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het gebruikelijke onderzoek. Deze vorm van algemene hulp bij het huishouden wordt dus alleen gerealiseerd indien men het daar mee eens is. Er moet dus altijd overeenstemming bestaan over deze vorm van hulp. Te meer daar er geen eigen bijdrage wordt gevraagd, zal deze vorm van hulp altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend. Daarbij moet gedacht worden aan situaties die maximaal 13 weken duren, eventueel 1 keer te verlengen met maximaal 13 weken. B. Als de gemeente (nog) geen algemene hulp bij het huishouden heeft? Het is logisch dat de algemene hulp bij het huishouden alleen ingezet kan worden als de gemeente een dergelijke vorm van hulpverlening heeft. Binnen de gemeente Naarden is deze vorm van hulp bij het huishouden nog niet aanwezig. Zolang deze vorm van dienstverlening nog niet beschikbaar is, vervalt uiteraard het primaat van algemene hulp bij het huishouden en is er de mogelijkheid om hulp bij het huishouden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget aan te vragen. Dit is conform artikel 9 van de verordening. C. Hulp bij het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget Hulp bij het huishouden betreft het overnemen van huishoudelijke taken op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort. Dit omvat de volgende activiteiten: - huishoudelijke werkzaamheden; - organisatie van het huishouden. Huishoudelijke werkzaamheden Huishoudelijke werkzaamheden omvat de volgende taken: - Licht huishoudelijk werk (afwassen (machine of handmatig) en vaatwas opruimen, hand en spandiensten, opruimen, stof afnemen/ragen, bedden opmaken). - Zwaar huishoudelijk werk (stofzuigen, schrobben/dweilen/soppen, bedden opmaken/verschonen, opruimen huishoudelijk afval). - De was doen (kleding en linnengoed sorteren en wassen in de wasmachine, centrifugeren, uitruimen en ophangen, was drogen in de droogmachine, vouwen, strijken en opbergen, afhalen/ophangen wasgoed). - Huishoudelijke spullen in orde maken. - Boodschappen doen voor het dagelijks leven (boodschappenlijst samenstellen, boodschappen inkopen en opslaan – wekelijks). - Broodmaaltijd bereiden (maaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten, afwassen (machine of handmatig) en opruimen, eten voorbereiden en bereiden, opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad). - Warme maaltijd bereiden (maaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten, afwassen (machine of handmatig) en opruimen, eten voorbereiden en bereiden, opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad). Organisatie van het huishouden Organisatie van het huishouden omvat de volgende taken: - Anderen helpen in de zelfverzorging (hulp bij het eten of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen/spelen, opvoedingsactiviteiten). - Anderen helpen in huis bij bereiden van de maaltijd (maaltijd voorbereiden). - De dagelijkse organisatie van het huishouden (administratieve werkzaamheden tbv klant (alleen in combinatie met andere huishoudelijke activiteiten), organisatie huishoudelijke activiteiten, plannen en beheren van middelen mbt het huishouden. Onderzoek Bij de beoordeling van een aanspraak op hulp bij het huishouden dient de gemeente allereerst na te gaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in een deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medische adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Mantelzorg Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van te worden uitgegaan dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft dan de hulpvrager. D. Persoonlijke assistentie regie in natura Als de algemene of individuele hulp bij het huishouden onvoldoende adequaat is of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening persoonlijke assistentie regie aan de orde. Persoonlijke assistentie regie betreft het ondersteunen en begeleiden van huishoudelijke taken op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort. Dit omvat de volgende activiteiten: - begeleiding in de vorm van advies, instructie en voorlichting gericht op huishoudelijke taken; - het gezamenlijk met de cliënt uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden. Begeleiding Begeleiding in de vorm van advies, instructie en voorlichting omvat de volgende taken: - sturing geven aan het organiseren van het huishouden; - sturing geven aan de klant bij het structureren van het huishouden; - geven van eenvoudige adviezen, instructie en voorlichting; - het signaleren van knelpunten, anders dan op huishoudelijk gebied, en deze terugkoppelen aan de leidinggevende. Gezamenlijk uitvoeren huishouden Doel van persoonlijke assistentie regie is om de cliënt te stimuleren de huishoudelijke taken zoveel mogelijk zelf te doen of gaan doen. Getracht wordt dit doel te bereiken door het bieden van begeleiding(advies/instructie/voorlichting) tijdens het zo veel mogelijk gezamenlijk uitvoeren (samen doen met de cliënt) van de huishoudelijke werkzaamheden. Dit omvat het gezamenlijk uitvoeren van de volgende taken: - Licht huishoudelijk werk (afwassen (machine of handmatig) en vaatwas opruimen, hand en spandiensten, opruimen, stof afnemen/ragen, bedden opmaken). - Zwaar huishoudelijk werk (stofzuigen, schrobben/dweilen/soppen, bedden opmaken/verschonen, opruimen huishoudelijk afval). - De was doen (kleding en linnengoed sorteren en wassen in de wasmachine, centrifugeren, uitruimen en ophangen, was drogen in de droogmachine, vouwen, strijken en opbergen, afhalen/ophangen wasgoed). - Huishoudelijke spullen in orde maken. - Boodschappen doen voor het dagelijks leven (boodschappenlijst samenstellen, boodschappen inkopen en opslaan – wekelijks). - Broodmaaltijd bereiden (maaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten, afwassen (machine of handmatig) en opruimen, eten voorbereiden en bereiden, opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad). - Warme maaltijd bereiden (maaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten, afwassen (machine of handmatig) en opruimen, eten voorbereiden en bereiden, opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad). Onderzoek Bij de beoordeling van een aanspraak op persoonlijke assistentie dient de gemeente allereerst na te gaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in een deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medische adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Vervolgens dient de gemeente na te gaan of de cliënt adequaat gecompenseerd kan worden met algemene of individuele hulp bij het huishouden. Deze voorzieningen gaan voor op persoonlijke assistentie regie. Om voor persoonlijke assistentie regie in aanmerking te komen is het een voorwaarde dat uit het onderzoek blijkt dat begeleiding (advies/instructie/voorlichting) bij het voeren van een huishouden nodig is. Artikel3.3Gebruikelijke zorg Artikel 10 van de verordening bepaalt dat: Als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg”. Bij de indicatiestelling wordt vastgesteld of er sprake is van gebruikelijke zorg. Het indicatiestellend orgaan bepaalt aan de hand van de Beleidsregel gebruikelijke zorg of er sprake is van gebruikelijke zorg. A. Wat is gebruikelijke zorg? Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijke werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen. Op dat moment wordt geen indicatie voor hulp bij het huishouden afgegeven, omdat de noodzaak ontbreekt. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijke werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 23 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. B. Criteria gebruikelijke zorg In de Beleidsregel gebruikelijk zorg zijn de criteria voor het vaststellen van de gebruikelijke zorg vastgelegd. C. Geen gebruikelijke zorg, wat dan? Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden of persoonlijke assistentie regie te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijke werk verricht moeten worden. De in de Beleidsregel hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn overgenomen uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ dat werd gehanteerd onder de AWBZ en samengesteld is in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten. Artikel3.4Voorliggende voorzieningen Bij al deze onderdelen (zie §3.1 t/m §3.3) geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Reden hiervoor is dat voorzieningen die voor een ieder, ook zonder beperking, algemeen gebruikelijk en toegankelijk zijn, dat voor aanvrager met een beperking ook zijn. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken. Aan de hand van de normtijden, zoals genoemd in de Beleidsregel hulp bij het huishouden en persoonlijke assistentie regie, kan voor de individuele situatie een inschatting worden gemaakt hoeveel tijd voor de hulp bij het huishouden noodzakelijk is. Conform artikel 11 van de verordening kan de klasse worden bepaald. De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz. Het niet gebruik willen maken van een voorliggende voorziening is geen reden om toch een voorziening toe te kennen. De kosten verbonden aan de voorliggende voorziening worden niet vergoed, tenzij er sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden of persoonlijke assistentie regie bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Omdat bij de hulp bij het huishouden sprake is van een eigen bijdrage moeten de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen bijdragen vaststelt en int. Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien aan het gestelde in artikel 6 is of kan worden voldaan en er geen overwegende bezwaren bestaan, het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend en ingevolge lid 4 van artikel 6 worden uitbetaald. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het vaststellen en innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven. Hoofdstuk4WOONVOORZIENINGEN Artikel 4 Wmo spreekt van: “a. een huishouden te voeren;”, onder welke regel in de verordening zowel de woonvoorziening als de hulp bij het huishouden wordt verstaan. Een woonvoorziening is erop gericht de beperkingen die iemand in het normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip ‘normale gebruik van de woning houdt in dat mensen de normale (elementaire) woonfuncties moeten kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning en de verzorging van kinderen. Artikel4.1Uitsluitingen Voor alles zal bepaald moeten worden of één van de uitsluitingen van artikel 18 van de verordening van toepassing is: De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, hobbyruimten, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten,en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meergenomen kunnen worden. Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. Artikel4.2Vormen van woonvoorzieningen Artikel 13 van de Verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken: a. als algemene woonvoorziening; b. als woonvoorziening in natura; c. als persoonsgebonden budget; d. als financiële tegemoetkoming. Artikel 14 van de verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan de criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen” en een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op kan lossen. A. Algemene woonvoorzieningen De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de Verordening bedoeld voor situaties betreffende oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg/ voorzieningen of betrekking hebben op incidentele (zorg)behoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. B. Als de gemeente (nog) geen algemene woonvoorzieningen heeft Het is logisch dat de algemene woonvoorziening alleen ingezet kan worden als de gemeente een dergelijke vorm van voorzieningen heeft. Binnen de gemeente Naarden is deze vorm van voorzieningen nog niet aanwezig. Zolang deze algemene voorzieningen nog niet beschikbaar zijn, vervalt uiteraard het primaat van algemene voorziening en is er de mogelijkheid om woonvoorzieningen in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget aan te vragen. Dit is conform artikel 13 van de verordening van de gemeente Naarden. Als een algemene voorziening niet beschikbaar is of niet de oplossing is voor het woonprobleem, of als de aanvrager geen algemene voorziening wenst, zal een aanvraag voor een woonvoorziening moeten worden ingediend. In dat geval komen de onder b, c en d van artikel 13 van de Verordening genoemde verstrekkingsmogelijkheden in aanmerking. Onder deze verstrekkingmogelijkheden kunnen de volgende concrete voorzieningen vallen: a. een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; b. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; c. een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; d. een uitraasruimte. C. Primaat verhuizing Artikel 16 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een al geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. Het beleid is er op gericht zo goed mogelijk gebruik te maken van de voorraad aangepaste woningen en de aanpassingskosten zoveel mogelijk te beperken. In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, in het bijzonder op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. 1. De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatieadvies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. 2. Rekening houden met sociale factoren Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces, vooral in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen be¬drijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. 3. Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapte Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het financiële gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhui¬zing of woningaan¬passing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft vaak maar zeker niet altijd meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten echter zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optre¬den. Een eigenaar heeft doorgaans geld ge¬leend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatie¬ve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbren¬gen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. 4. Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: a. huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al bewoonde woonruimte; b. de hoogte van de tegemoetkoming voor verhuiskosten c. de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; d. kosten van het eventueel vrijmaken van de woning e. een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurder¬ving. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. 5. De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen: - een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen wonin¬gen; - de gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen; - het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruim¬te. - rekening moet worden gehouden met eventuele anti-speculatiebedingen. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing aanpassen. 6.Als men niet wil verhuizen, wat dan? Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. 7. Tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten De tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten kan worden toegekend in de volgende situaties: 1. De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; 2. De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; 3. Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 2, lid 2 onder l van de Verordening wordt bepaald. Een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst adequate manier kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de WMO-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten. Het college verstrekt in beginsel geen tegemoetkoming voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als binnen zes maanden na de verhuizing niet (meer) kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de oude woning ondervonden werden, is dat reden voor afwijzing van de aanvraag. Een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding kan gecombineerd worden met andere woonvoorzieningen zoals een bouwkundige of woontechnische aanpassing of een woonvoorziening van niet bouwkundige of woontechnische aard. De uitbetaling vindt pas plaats als de aanvrager een schriftelijk bewijs kan overleggen dat hij/zij het nieuwe huurcontract heeft getekend en/of is ingeschreven in het bevolkingsregister op zijn/haar nieuwe adres. De maximale financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden. D. Primaat van de losse woonunit Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de Verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 17): Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daar geen bezwaren van overwegende aard tegen bestaan. Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Bovendien gaat het plaatsen van een woonunit sneller dan het realiseren van een uitbouw. In de regio is er een gespecialiseerd bedrijf dat woonunits plaatst, verhuurt, verkoopt en beheert. 8. Bezwaren van overwegende aard Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw is ook de basis voor een losse woonunit. Indien het programma van eisen niet in de losse woonunit gerealiseerd kan worden, is een aanbouw een alternatief. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. E. Overige (bouwkundige) voorzieningen De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. 1. Wanneer geen recht op bouwkundige voorziening? Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt – conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten - beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten en ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. Artikel4.3Beperkingen A. Hoofdverblijf Artikel 19 van de verordening bepaalt in lid 1: Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijf¬plaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 19 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: 2 In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. 3 De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend bij de gemeente waar de aan te passen woning staat. 4 De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden vast te leggen maximum bedrag. 5 Onder het bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Deze afwijking is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de verordening opgenomen. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling, betreft het uitsluitend de in artikel 5 genoemde zaken, te weten, het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en het toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk opgevat worden: het gaat niet om gebruiken, maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, wat niet past bij een bovenwettelijke taak. In artikel 14 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden zijn de maximale kosten voor het bezoekbaar maken gesteld op € 5.000,-. B. Algemene beperkingen woonvoorzieningen Bij (woon) voorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden gehanteerd, waarvan de definities terug te vinden zijn in de Wmo en de verordening. Voor een uitleg van deze algemene beperkingen wordt verwezen naar hoofdstuk 1. Eén van de algemene voorwaarden is dat een voorziening voor een persoon als aanvrager niet algemeen gebruikelijk is (artikel 2 lid 2 onder a van de verordening). Welke woonvoorzieningen daartoe behoren, hangt af van de maatschappelijke ontwikkelingen. Zaken die normaal in bijvoorbeeld bouwmarkten verkrijgbaar zijn, kunnen daartoe al snel worden beschouwd. Als algemeen gebruikelijk worden in ieder geval de volgende woonvoorzieningen beschouwd:  thermosstatische en eenhendelkranen (m.u.v. lange hendel);  verhoogde toiletpotten / losse toiletverhogers (alleen +6);  toiletgelegenheid op de eerste etage (m.u.v. oudere woningen);  douche;  hangtoilet;  eenvoudige wandgrepen en beugels (35 cm);  centrale verwarming en thermosstatische radiatorkranen;  douchekop op glijstang;  keramische kookplaats;  meterkast met meerdere groepen;  deugdelijke zonwering;  wasdroger;  vaatwasmachine;  normale babyfoon/intercom. C. Overige beperkingen woonvoorzieningen Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals in de Verordening vastgelegd in artikel 2, lid 3 onder a. t/m h: 3. Geen woonvoorziening wordt toegekend: a. indien de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. indien deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen; d. indien de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; e. indien de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar of woont in een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden; f. indien er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde woning; g. indien de beperkingen niet in de woning zelf, waaronder ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen, worden ondervonden; h. voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden, enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst adequate oplossing is. Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Onder e. worden tevens beperkingen ten aanzien van woonvoorzieningen opgelegd als de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Bij de uitvoering van deze artikelen zal als volgt te werk worden gegaan. Bij een aanvraag om een of meerdere woonvoorzieningen door een persoon met een beperking die voor het eerst zelfstandig gaat wonen, wordt eerst onderzocht of de aanvrager actief naar een woning op zoek is geweest. Ook van mensen met een beperking mag verwachten worden dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en actief naar een woning zoeken. Dit geldt ook voor personen zonder beperking. De aanvrager moet aan kunnen tonen dat hij minimaal 6 maanden actief op zoek is geweest. Mocht dat niet of onvoldoende het geval zijn geweest dan kan de zoekperiode met 6 maanden worden verlengd. Is de aanvrager actief op zoek naar een aangepaste woning, maar was er gedurende de zoekperiode geen geschikte woning voor hem beschikbaar, dan heeft de aanvrager recht op de noodzakelijke woonvoorzieningen. De aanvrager dient voordat hij een huurcontract of koopcontract ondertekent eerst contact op te nemen met de gemeente. Gezamenlijk wordt eerst bekeken of de gewenste woning aan te passen is. Op deze manier voorkomt men teleurstellingen omdat in de praktijk blijkt dat bepaalde niet of tegen zeer hoge kosten aan te passen zijn. Onder f. wordt gedoeld op een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de door aanvrager ondervonden beperkingen in de woning en kenmerken van die woning die een verhuizing medisch noodzakelijk maken. Er is geen rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ondervonden beperkingen in de woning en de kenmerken van de woning als bijvoorbeeld de beperkingen het gevolg zijn van geluidsoverlast die de aanvrager in de woning ondervindt en het gevolg is van het gedrag van de bovenburen in de nachtelijke uren. Van een rechtstreeks oorzakelijk verband zou wel sprake kunnen zijn indien belanghebbende ook bij normaal woongedrag van de bovenburen geluidsoverlast zou hebben ondervonden. Onder g. wordt gedoeld op het feit dat de beperkingen in de woning zelf inclusief de toegang tot de woning zelf ondervonden moeten worden. Beperkingen die worden ondervonden in de tuin worden niet gecompenseerd, tenzij het beperkingen zijn die de toegankelijkheid van de woning betreffen. Hierbij valt te denken aan voorzieningen zoals ophoging van een toegangspad tot de woning. Onder h. valt te denken aan materialen zoals spaanplaat dat formaldehydegas bevat, halfsteensmuren op het westen die veel waterdoorslag geven en dus problemen met vochtigheid binnen, enz. Iedereen, ongeacht eventuele beperking, zal met dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie beperking-woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een voorziening te weigeren. Artikel4.4Overige woonvoorzieningen A. Uitbreiding van ruimten Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima in vierkante meters aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserende arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden: Soort vertrek aantal m2 waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt verleend in geval van aanbouw van een vertrek aantal m2 waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt verleend in geval van uitbreiding van een al aanwezig vertrek woonkamer 30 6 keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 12,4 4 2 persoonsslaapkamer 16 4 toiletruimte 4 1 badkamer - wastafelruimte 3 1 - doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 berging 6 4 ruimte scootmobiel 2-4 4 NB. Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20 m2. B. Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen Of de aanvrager in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vaste voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen in een te slopen pand wonen. C. Woningsanering in verband met CARA 1. Financiële tegemoetkoming voor woningsanering Men kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkenen zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten. In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien: - de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; - vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen vergoeding wordt verstrekt indien: - het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; - de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de persoon die het betreft jonger is dan vier jaar. 2. Afschrijvingstermijn Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is afgeschreven (in de regel na 7 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode: - 100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar; - 75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; - 50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; - 25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. - Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen vergoeding verstrekt; - Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. 3. Normbedragen De normbedragen die gebruikt worden voor de kosten voor zeil, linoleum en gordijnen zijn conform de bedragen die NIBUD hiervoor hanteert. D. De uitraasruimte De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf, maar is onder de Wmo omschreven in de verordening. Artikel 15, aanhef en onder e. luidt dan ook: De in artikel 13 genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: d. een uitraasruimte. Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijke psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. Artikel4.5Procedure bij aanvraag bouwkundige woningaanpassing 1. Vaststellen programma van eisen Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid of eventueel aangevuld met een externe adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate bouwkundige of woontechnische woonvoorziening opstelt. De woningeigenaar vraagt op basis van dat programma van eisen twee offertes bij verschillende aannemers op. Op verzoek van de woningeigenaar (en namens de woningeigenaar) kan de gemeente op basis van dat programma van eisen ook twee offertes bij verschillende aannemers opvragen. Indien de aanvrager een woning bewoont die eigendom is van een woningbouwvereniging waarmee afspraken zijn gemaakt over de uitvoering en betaling van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen, geeft de gemeente de door de woningbouwvereniging aangewezen (huis-) aannemer/installateur direct opdracht de woonvoorziening uit te voeren. De financiële tegemoetkoming wordt na ontvangst van de factuur rechtstreeks aan de aannemer/installateur betaald. 2. Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming. 3. Het college geeft toestemming Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet al zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft. 4. De eigenaar voert uit De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening conform het programma van eisen, op voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een beging is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft. 5. Het college controleert Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening indien de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt/is verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening en de gelegenheid krijgen de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening te controleren. 6. Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de woningeigenaar. Onmiddellijk na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 15 maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is verleend. Diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. Artikel4.6Voorwaarden voor uitbetaling financiële tegemoetkoming Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is een aantal voorwaarden, conform artikel 11 Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden, gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Naarden is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: a. Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college; b. Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; c. Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; d. Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; e. Onmiddellijk na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (PvE); f. De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming; g. De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd. 4.7 Kosten van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen De volgende kosten in het kader van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming: 1. De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; 2. De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; 3. Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in Standaardvoorwaarden en Rechtsverhouding Opdrachtgever- Architect 1997 (SR 19997). Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen. 4. De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; 5. De leges voorzover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; 6. De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; 7. Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; 8. De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens bijgaande tabel. 9. De door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; 10. De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; 11. De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening; 12. Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder wil vergoeden kan het volgende opgenomen worden: 13. De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan €1000,- bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van €350,-. Artikel4.7Kosten van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen De volgende kosten in het kader van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming: 1. De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; 2. De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; 3. Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in Standaardvoorwaarden en Rechtsverhouding Opdrachtgever- Architect 1997 (SR 19997). Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen. 4. De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; 5. De leges voorzover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; 6. De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; 7. Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; 8. De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens bijgaande tabel. 9. De door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; 10. De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; 11. De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening; 12. Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder wil vergoeden kan het volgende opgenomen worden: 13. De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan €1000,- bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van €350,-. Artikel4.8Opstalverzekering Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. Hiervoor kan eventueel bijzondere bijstand aangevraagd worden. Artikel4.9Stopzetting bouwkundige en woontechnische woonvoorziening Indien na toekenning van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening doch voor de gereedmelding van de een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening de relatie tussen de aanvrager en de woning niet meer aanwezig is (verhuizing, overlijden, e.d.) wordt de toegekende bijdrage herzien. De mate van herziening is afhankelijk van het stadium waarin de woningaanpassing verkeerd en de al aangegane en niet meer te annuleren verplichtingen. Eventuele al aangegane verplichtingen of betalingen b.v. leges, architectenhonorarium worden vergoed. Artikel4.10Medewerking woningeigenaar Voor het aanpassen van de woning is medewerking van de eigenaar nodig. Indien belanghebbende voor wie de woning aangepast moet worden zelf eigenaar is, zal dat in de meeste gevallen geen problemen opleveren. Het is daarentegen denkbaar dat wanneer de belanghebbende de woning huurt, de eigenaar/verhuurder geen toestemming verleent voor het aanpassen van de woning. De wetgever heeft in dit probleem voorzien door opneming van artikel 16 van de Woningwet. Op grond van dit artikel rust op de eigenaar van een woning de plicht om die voorzieningen te treffen waarvoor ingevolge de Wmo geldelijke steun is verleend. Uit het karakter van de regeling kan worden afgeleid dat de weigerachtige verhuurder zonder nadere voorwaarden mee moet werken. Voor het eisen van (financiële) garanties van de gemeente en/of de belanghebbende/huurder dat bij vertrek van huurder de aanpassingen teniet gedaan worden, is dan ook geen plaats. Dit ontneemt uiteraard het college niet de mogelijkheid de verhuurder enigszins tegemoet te komen. Het college is hiertoe echter niet verplicht. Het college moet zorg dragen voor de bestuursrechterlijke handhaving van deze verplichting (artikel 100 Woningwet). De handhaving omvat het toepassen van Bestuursdwang (artikel 125 Gemeentewet) of het opleggen van een last onder dwangsom (artikel 5:32 Awb). De woningeigenaar wordt vanwege overtreding van artikel 16 Woningwet eerst aangeschreven om binnen een bepaalde termijn alsnog toestemming te verlenen om de woning aan te passen. Mocht hieraan niet worden voldaan, dan kan het college overgaan tot het plaatsen van woonvoorzieningen met toepassing van bestuursdwang. Hoofdstuk5LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL Artikel5.1Algemeen Artikel 21 van de verordening luidt: De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: a. een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening; b. een vervoersvoorziening in natura; c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening.” d. een financiële tegemoetkoming in de kosten te besteden aan een vervoersvoorziening. Artikel5.2Vormen van vervoersvoorzieningen Dit betekent dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 23 verordening blijkt verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met daarna een primaat voor het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden. Indien dat niet het geval is wordt eerst gekeken of collectief vervoer het probleem kan oplossen, is dat ook niet het geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking. A. De algemene voorzieningen anders dan collectief vervoer Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen lossen. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: - het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; - het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; - of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen zijn nog niet ontwikkeld. Te denken valt aan een scootmobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootmobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootmobiels. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk. Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen voor een individuele voorziening. Dan geldt echter de reguliere aanvraagprocedure. B. Primaat collectief vervoer Uit artikel 23 van de verordening blijkt dat er een primaat ligt bij de algemene voorziening in de vorm van het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of collectief vervoer geïndiceerd is. Wanneer dat niet geval is komen andere voorzieningen in aanmerking. Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of als naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het collectief vervoer conform artikel 23 van de verordening. Als gevolg van dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer. 1. Gebr

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.