Handreiking Bijzondere bijstand en Voorzieningen voor minima 2012 Gemeente Neder-Betuwe Het college stelt de Handreiking Bijzondere bijstand en Voorzieningen voor minima 2012 Gemeente Neder-Betuwe vast. Hoofdstuk1Inleiding Voor u ligt de Handreiking Bijzondere Bijstand en Voorzieningen voor minima 2010. Dit is een handreiking en toelichting bij de uitvoering van het bijzondere bijstandsbeleid. Hoofdstuk2In het kort Hierna worden in het kort de belangrijkste onderwerpen in de bijzondere bijstand uitgelegd: Artikel2.1Wat is bijzondere bijstand? Bijzondere bijstand is een uitkering voor extra of hoge kosten. Er bestaat alleen recht op bijzondere bij-stand als de kosten voor aanvrager bijzonder en noodzakelijk zijn en de kosten niet (geheel) zelf kunnen worden betaald uit een andere uitkering of regeling of uit het inkomen en vermogen. Om te bepalen of de kosten uit het inkomen en vermogen kunnen worden betaald, wordt de draagkracht vastgesteld. Recht kan bestaan op bijzondere bijstand voor allerlei kostensoorten, zoals medische kosten en woonkosten. Artikel2.2Voor wie is de bijzondere bijstand bestemd? Bijzondere bijstand kan worden aangevraagd als men 18 jaar of ouder is en Nederlander is of aan een Nederlander gelijkgesteld kan worden. Aanvrager moet in Nederland wonen en verblijven. Bovendien moeten de kosten aan Nederland verbonden zijn. Verder is van belang dat de aanvrager niet uitgesloten is van het recht op bijzondere bijstand. Uitgesloten is de aanvrager bijvoorbeeld op het moment dat deze gedetineerd is of jonger dan 18 jaar is. Artikel2.3Drempelbedrag De gemeente mag bepalen dat aanvrager de kosten moet opsparen totdat deze in totaal meer kosten heeft dan het drempelbedrag. Artikel2.4Wat is de hoogte van de bijzondere bijstand? De hoogte van de bijzondere bijstand is afhankelijk van de volgende punten: - De bijstand is nooit hoger dan de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd - De gemeente kan bepalen dat voor bepaalde kostensoorten een maximumvergoeding geldt. Daar-naast kan de gemeente werken met richtprijzen. De hoogte van de bijzondere bijstand is dan in prin-cipe zo hoog als de richtprijs die de gemeente hanteert. - De draagkracht, die wordt berekend op basis van het inkomen en vermogen, wordt van de te be-talen kosten afgehaald. - Als aanvrager een gedeeltelijke vergoeding uit een andere uitkering of regeling ontvangt, dan wordt deze vergoeding ook van de te verstrekken bijstand afgehaald. Artikel2.5Voor welke kosten? Aanvrager kan recht hebben op bijzondere bijstand voor bepaalde kosten, bijvoorbeeld: Medische kosten: Brillen, contactlenzen, dieetkosten, fysiotherapie en oefentherapie, orthopedische schoenen, psychotherapie, stookkosten, tandartskosten en waskosten. Woonkosten: Eerste maand huur en administratiekosten, huur, hypotheek, inrichtingskosten, stookkosten, verhuiskosten en een wasmachine, koelkast etc. (duurzame gebruiksgoederen) Reiskosten: Reiskosten i.v.m. bezoek aan het Beursplein en een ziek of gedetineerd familielid, reiskosten woon-werkverkeer of reiskosten i.v.m. een studie Kosten i.v.m. kinderen: Baby-uitzet, LBIO-bijdrage, schoolkosten van uw kinderen en kosten kinderopvang Overig: Kosten begrafenis of crematie, bewindvoering, schuldhulpverlening, studiekosten, rechtsbijstand, ondercuratelestelling, legeskosten verblijfsvergunning en naturalisatie en een aflosaanvulling Artikel2.6Minimavoorzieningen Aanvrager heeft een minimuminkomen als het inkomen op of rond het bijstandsniveau ligt. Het maakt in principe niet uit of men inkomen heeft uit werk, bijstand of een andere uitkering. Heeft men een inkomen onder het bijstandsniveau, dan kan men recht hebben op een aanvullende bijstandsuitkering. Men moet dan aan de voorwaarden voor het recht op bijstand voldoen. Heeft men een minimuminkomen, dan kan men recht hebben op extra vergoedingen. Dit worden ook wel regelingen voor minima genoemd. Het gaat om de volgende regelingen: 1. Bijstandsuitkering 2. Collectieve ziektekostenverzekering 3. Toeslagen 4. Langdurigheidstoeslag 5. Kosten voor maatschappelijke deelname 6. Kwijtschelding 7. Woonkostentoeslag Artikel2.7Bijstandsuitkering Een bijstandsuitkering is een maandelijkse uitkering voor de kosten van levensonderhoud. Een bijstandsuitkering is bedoeld voor mensen zonder of met een laag inkomen en geen of een laag eigen vermogen. Het is de bedoeling dat mensen met een bijstandsuitkering zo snel mogelijk aan het werk gaan. Artikel2.8Collectieve ziektekostenverzekering Iedereen in Nederland is verplicht om een basisverzekering voor ziektekosten af te sluiten. Daarnaast kan iedereen zich vrijwillig bijverzekeren voor aanvullende ziektekosten door een of meerdere aanvullende ziektekostenverzekeringen af te sluiten. Soms is het ook mogelijk om (via de gemeente) een collectieve ziektekostenverzekering af te sluiten. Een collectieve verzekering kan worden afgesloten voor de basisverzekering en ook voor een of meerdere aanvullende verzekeringen. Het voordeel van een collectieve (aanvullende) verzekering is dat deze verzekering in de meeste gevallen goedkoper of uitgebreider is. Artikel2.9Toeslagen Via de Belastingdienst kunnen verschillende toeslagen worden aangevraagd: Huurtoeslag Bijdrage in de huurkosten. Zorgtoeslag Bijdrage in de kosten voor de zorgverzekering Kindertoeslag Toeslag voor mensen met kinderen jonger dan 18 jaar. Kindertoeslag is niet hetzelfde als kinderbijslag. Men kan recht hebben op zowel de kindertoeslag als de kinderbijslag. Kinderopvangtoeslag Toeslag voor mensen die gebruik maken van geregistreerde kinderopvang. Artikel2.10Langdurigheidstoeslag De langdurigheidstoeslag is een eenmalige uitkering voor mensen die al meer dan vijf jaar van een laag inkomen rond moeten komen. Artikel2.11Kosten voor maatschappelijke deelname Veel gemeenten hebben een speciale regeling om de maatschappelijke participatie van mensen met een minimuminkomen te verbeteren. Deze regeling kan inhouden dat men van de gemeente een ver-goeding kan krijgen als men deelneemt aan een sociaal-culturele of sportieve activiteiten zoals: - Lidmaatschap van een sport- of toneelvereniging - Abonnement op de bibliotheek - Zwemlessen De gemeente kan zelf bepalen welke activiteiten vergoed worden. Dit kan dus per gemeente verschil-len. Ook het maximale bedrag dat per jaar mag worden uitgeven aan deze activiteiten kan per gemeente verschillen. De gemeente kan zelf bepalen of zij een regeling voor maatschappelijke participatie heeft en onder welke voorwaarden hiervan gebruik kan worden gemaakt. Artikel2.12Kwijtschelding Voor sommige belastingen of heffingen kan kwijtschelding worden aangevraagd. Denk daarbij aan ge-meentelijke belastingen of waterschapsbelasting. Vaak staat op de belastingaanslag hoe de kwijtschel-ding kan worden aangevraagd. Voor meer informatie kan contact worden opgenomen met de gemeente of het waterschap. Artikel2.13Woonkostentoeslag Als men (tijdelijk) geen huurtoeslag ontvangt of de woonkosten om een andere reden te hoog zijn, dan kan men recht hebben op een woonkostentoeslag. Een woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand. Zowel huurders als woningeigenaren kunnen recht hebben op een woonkostentoeslag. Hoofdstuk3Gemeentelijk beleid Artikel3.1Moment indiening aanvraag bijzondere bijstand. In beginsel verbiedt artikel 44 lid 1 WWB, bijstandsverlening vanaf een eerdere datum dan de datum waarop belanghebbende zich heeft gemeld voor de aanvraag. Dit verbod op bijstandsverlening met te-rugwerkende kracht geldt ook voor bijzondere bijstand. Onder omstandigheden is bijstandsverlening met terugwerkende kracht wel mogelijk. Of er sprake is van een aanvraag tot bijstandsverlening met terugwerkende kracht, dient de gemeente zich een oordeel te vormen over de vraag van het tijdstip waarop de kosten gemaakt zijn. Het tijdstip waarop de kosten gemaakt zijn wordt niet bepaald door de facturatiedatum (het tijdstip waarop de rekening gepresenteerd wordt), maar door het tijdstip waarop de kosten zijn opgekomen. Beleidsregel: Moment indiening aanvraag bijzondere bijstand. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet in beginsel worden ingediend vóór dat de kosten zijn ge-maakt. Hierop bestaat een uitzondering, te weten: Als de noodzakelijkheid van de gemaakte kosten nog kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld bij de vervanging van een bril of eigen bijdragen van medische voorzieningen en verstrekkingen, waarvan de noodzaak al is vastgesteld op grond van de AWBZ en/of Zorgverzekeringswet. In dat geval kan een aanvraag voor deze kosten nog worden ingediend tot 12 maanden nadat de kosten zijn gemaakt. Artikel3.2In aanmerking te nemen middelen. Hoofdregel is dat alle middelen meetellen voor de beantwoording van de vraag of er recht op algemene bijstand bestaat en tot welk bedrag (artikel 19 lid 1 WWB, artikel 24 WIJ). Artikel 31 lid 2 WWB wijkt hier van af door een aantal middelen op te noemen die bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand worden vrijgelaten. Met dien verstande dat de onderdelen c, j, k en n van het tweede lid van dat artikel niet van toepassing zijn voor de WIJ (tot 1 januari 2011 in plaats van k en n dient k en o te worden gelezen). Bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand geldt tevens een vermogensvrijlating. Artikel3.3Inkomen De gemeente kan op grond van artikel 35 lid 1 WWB bij de bepaling van het recht op bijzondere bijstand afwijken van de middelentoets die van toepassing is bij de algemene bijstand. Afwijkende bepalingen zorgen voor onduidelijkheid en extra bewerkelijke werkprocessen. Het bij de berekening van de draag-kracht in verband met een aanvraag bijzondere bijstand in aanmerking nemen van inkomsten die bij de vaststelling van de algemene bijstand niet in aanmerking worden genomen is zeer bewerkelijk. Zowel aanvragers als uitvoerende krijgen dan te maken met een ingewikkelde uitvoeringsmaterie. Aanvragers met algemene bijstand die bijzondere bijstand aanvragen worden enerzijds “gestimuleerd” door de vrijlating van bepaalde middelen zouden daardoor anderzijds minder of geen bijzondere bijstand krijgen. Voor eenduidigheid tussen uitvoering algemene bijstand en bijzondere bijstand is het wenselijk dat op gelijke wijze toepassing wordt gegeven aan de vrijlating van inkomsten i.c. het in aanmerking nemen daarvan als middel. Beleidsregel: In aanmerking te nemen inkomen Inkomensbestanddelen die bij de verlening van algemene bijstand of de inkomensvoorziening WIJ niet tot de middelen worden gerekend, bij de uitvoering van de bijzondere bijstand i.c. het vaststellen van de draagkracht ook niet tot de middelen van belanghebbende(
- n)rekenen. Artikel3.3.1Vaststellen van het inkomen Voor de vaststelling van het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen, kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde buitengewone uitgaven die ten laste van de belanghebbende komen. Deze kunnen op het inkomen in mindering worden gebracht. Vooral voor mensen met een inkomen boven het minimumniveau kan dat van belang zijn. De als buitengewoon aan te merken uitgaven zijn bijvoorbeeld - de inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage; - het huurtoeslagnadeel, zijnde het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag en de huur-toeslag die zou zijn ontvangen bij een inkomen op bijstandsniveau; - de kosten van alimentatie- of onderhoudsverplichtingen, welke daadwerkelijk zijn voldaan; - buitengewone verwervingskosten; - kosten voor studie en opleiding; - eigen bijdrage Wet Inburgering. Deel inkomen niet beschikbaar bij executoriaal beslag. Indien op (een deel van) het inkomen van belanghebbende executoriaal beslag is gelegd waardoor be-langhebbende ter zake dat (deel van het) inkomen geen feitelijke bestedingmogelijkheid heeft, noch be-schikkingsbevoegd is, noch een mogelijkheid heeft om het hem uit te laten betalen, mag de gemeente bij de berekening van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand met dat (deel van het) inkomen geen rekening houden. Dit omdat belanghebbende niet redelijkerwijs kan beschikken over dat (deel van het) inkomen. Deel inkomen niet beschikbaar bij WSNP. Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uit-gesproken, geldt dat de gemeente enkel de draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op de voet van artikel 295 lid 2 Faillissementswet buiten de boedel worden gelaten. Aangezien dit in de praktijk neerkomt op 90% van de bijstandsnorm, betekent dit dat er in de regel geen draagkracht zal kunnen bestaan bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling van toepassing is. Beleidsregel: Vaststellen inkomen voor draagkrachtberekening Bij de vaststelling van het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen ook rekening houden met zogenaamde buitengewone uitgaven die ten laste van de belanghebbende komen. Artikel3.4Vermogen Op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel b en lid 4 WWB wordt het vermogen bij bepaling van het recht op algemene bijstand vrijgelaten voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens. Het bepaalde in artikel 34, lid 4 WWB is niet van toepassing op degene die een inkomensvoorziening WIJ heeft. Het lijkt erop dat de ontvangst van bezittingen tijdens de uitkeringsperiode niet kan leiden tot beëindiging van de voorziening, zolang het feitelijke vermogen maar onder de toepasselijke vermogens-grenzen blijft. De hoogte van de vermogensgrenzen zijn opgenomen in artikel 34 lid 3 WWB. Artikel3.4.1Tegoeden op betaalrekening Het is mogelijk dat van een positief saldo op een lopende rekening bij aanvang van de bijstand nog kos-ten betaald moeten worden (levensonderhoud, huur etc.). Voor zover deze kosten niet bestaan uit al bij aanvraag bestaande schulden kan het meetellen van een positief saldo op de lopende rekening voor be-langhebbende onredelijk uitwerken. Dit geldt eens te meer in het geval het positieve saldo ontstaan is doordat bijvoorbeeld net de kinderbijslag is gestort. Het is daarom wenselijk om een deel van het positieve saldo op de betaalrekening niet te betrekken in de bepaling van het vermogen. Beleidsregel: Tegoeden op lopende betaalrekening 1. Van het saldo op de lopende betaalrekening wordt bij de aanvraag bijzondere bijstand een bedrag ter hoogte van 1-maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm niet als vermogen aangemerkt in verband met lopende uitgaven. Bij de draagkrachtberekening blijft dit saldo dan volledig buiten beschouwing. 2. Een negatief saldo op de lopende rekening moet als schuld worden aangemerkt en telt dus wel mee bij de vaststelling van het vermogen. Saldi op spaarrekeningen tellen wel volledig mee als vermogen. Artikel3.4.2Tegoeden op de betaalrekening en vermogen op spaarrekening(en). Van aanvragers die beschikken over hogere tegoeden op betaal- en/of spaarrekeningen (bank/giro) dan de in artikel 34 lid 3 WWB opgenomen bedragen mag in alle redelijkheid verwacht worden dat zij hun beschikbare vermogen aanwenden voor bestrijding van bijzondere kosten. Beleidsregel: Tegoeden op de betaalrekening en vermogen op spaarrekening(
- en)1. Het vermogen op lopende en of spaarrekening(
- en)dat het saldo van de in artikel 34 lid 3 WWB ge-noemde bedragen overschrijdt volledig in aanmerking nemen bij de draagkrachtberekening. Uitzondering: 2. Deze vermogensvrijlating beperken bij eigen woningbezit. Zie paragraaf 3.4.3. Artikel3.4.3Vermogen in de vorm van een eigen huis In de WWB en de daarop berustende bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip. Het te gelde maken van vermogen in de vorm van een eigen woning is een ingewikkelde en kostbare procedure. Ook het berekenen van de hoogte van een dergelijk vermogen indien dat niet te gelde wordt gemaakt is bewerkelijk en ingewikkeld. Hierbij krijgen zowel aanvragers als uitvoerende dan te maken met een ingewikkelde uitvoeringsmaterie. Bij vaststelling van het recht en de vorm van algemene bijstand of de inkomensvoorziening WIJ (artikel 42a WIJ) en eigen woningbezit van de aanvrager dient berekend te worden of het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, minder bedraagt dan € 46.200 (peil juli 2010), artikel 34 lid 2 sub d WWB. De meerwaarde wordt aangemerkt als relevant vermogen. Uit de toelichting op artikel 34 lid WWB blijkt dat het door de wetgever ongewenst of onbillijk wordt gevonden om een aantal vermogensbestanddelen in aanmerking te nemen. De vrijlating van een vast deel van het vermogen in de eigen woning is ingevoerd omwille van vereenvoudiging, zo blijkt uit de toelichting. Als de aanvrager niet zelf in de eigen woning woont en of als het gaat om een vakantiehuis of andere onroerende zaken is het vraagstuk ten aanzien van de vermogensvrijlating van andere orde. In die situatie kan verlangd worden dat belanghebbende die woning te gelde maakt i.c. extra belast. In dergelijke situaties dient het vermogen bij de draagkrachtberekening volledig in aanmerking genomen te worden. Het gaat hierbij alleen om niet beschikbare middelen in de vorm van de eigen woning. Beschikt belang-hebbende naast de eigen woning over in aanmerking te nemen tegoeden op bank- en of girorekeningen, dan worden die tegoeden, met uitzondering van het bedrag ter hoogte van 1 maal de van toepassing zijnde maandnorm, volledig in aanmerking genomen. Beleidsregel: Vermogen in eigen huis en verlening bijzondere bijstand 1. Bij bezit van een door belanghebbende zelf bewoonde woning en het ontbreken van in aanmerking te nemen tegoeden op bank- of girorekening(
- en)het vermogen in de vorm van de eigen woning niet in aanmerking nemen bij de draagkrachtberekening indien en zover de te verstrekken bijzondere bijstand over de periode gelijk aan het draagkrachtjaar naar verwachting niet meer bedraagt dan het bedrag gelijk aan de van toepassing zijnde norm volgens artikel 21 onder a, b of c WWB en artikel 26 t/m 29 WIJ. 2. Bij kosten tot een hoger bedrag dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm het vermogen in de vorm een eigen woning volledig in aanmerking nemen bij de draagkrachtbepaling. 3. Bij verlening van bijzondere bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen is artikel 51 WWB (bijstand in de vorm van een geldlening) onverminderd van toepassing. Daarvoor gelden afzonderlijke beleidsregels. Artikel3.4.4Reservering voor uitvaartkosten Niet iedereen heeft een verzekering tegen uitvaartkosten. Bij ouderen komt het voor dat zij op een bankrekening sparen of geld apart gezet hebben voor de kosten van hun uitvaart. Dit spaargeld maakt deel uit van het vermogen. Dat is van invloed bij de bepaling van de draagkracht en daarmee op het recht op bijstand. In de prijzengids van het Nibud zijn uitvaartkosten opgenomen. Niet alle opgenomen kosten zijn als noodzakelijk aan te merken en kunnen om die reden bij de beoordeling van de benodigde middelen buiten beschouwing gelaten worden. Uit onderzoek is echter gebleken dat de kosten voor begraven en de grafrechten afwijken van de in de prijzengids van het Nibud opgenomen bedrag. In de gemeente Neder-Betuwe bedragen de werkelijke kosten ongeveer € 885 meer dan de richtprijs (prijspeil 1 september 2008). Reden waarom besloten is rekening te houden met de meer- respectievelijk minderkosten voor begraven of cremeren en grafrechten, ten opzichte van de richtprijs van het Nibud, binnen zowel de gemeente Neder-Betuwe, als andere gemeenten, wanneer de overledene ergens anders binnen Nederland wordt begraven of gecremeerd. Als belanghebbende bij het indienen van een aanvraag beschikt over vermogen bestemd voor uitvaart-kosten maar dat vermogen niet aantoonbaar daarvoor heeft vastgezet op een bankrekening wordt deze alvorens tot afhandeling wordt overgegaan in de gelegenheid gesteld dit bedrag te storten op een depositofonds van een uitvaartverzekeraar. Vooral ouderen hebben geen verzekering tegen uitvaartkosten en hebben om die reden gespaard. Dat kan echter ook voorkomen bij de jongeren. Om die reden wordt geen leeftijdsgrens voor de vermogensvrijlating toegepast. Beleidsvoorstel: Draagkracht en uitvaartkosten Geen rekening houden met de overschrijding van het vermogen als het bedrag gereserveerd is voor de kosten van uitvaart onder voorwaarde dat: a. belanghebbende aantoonbaar niet of niet voldoende verzekerd is voor de kosten van uitvaart b. belanghebbende het bedrag (alsnog) aantoonbaar stort in een depositofonds bij een uitvaartvereni-ging of het op een bankrekening heeft staan waarvan aantoonbaar is dat het vermogen alleen be-schikbaar komt voor betaling van de uitvaartkosten c. het maximale bedrag in het depositofonds of op de bankrekening, volgens de richtprijs van het Nibud (€ 3.300, prijspeil 1 januari 2008) plus de meerkosten voor begraven of cremeren en de grafrechten binnen zowel de gemeente Neder-Betuwe, als andere gemeenten binnen Nederland, per persoon bedraagt. d. indien uit gegevens van de al bestaande uitvaartverzekering blijkt dat er sprake is van onder verzekering en het verschil tussen de bestaande verzekering en het bedrag genoemd in c in een depositofonds of op een bankrekening als bedoeld in b wordt gestort. Het meerdere vermogen wordt volledig als draagkracht in aanmerking genomen. Artikel3.4.5Vermogen in de vorm van een auto, caravan en motor Auto, caravan en motor zijn vermogensonderdelen die niet aangemerkt worden als algemeen gebruike-lijk. Als over vermogen wordt beschikt in de vorm van een auto en deze auto voor de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin noodzakelijk is wegens ziekte of handicap wordt de waarde van de auto en daarmee het vermogen op individuele wijze vastgesteld. Beleidsregel: Vermogen bij autobezit (motor en caravan) 1. De waarde van een auto die niet ouder is dan 7 jaar telt volledig mee bij de vermogensvaststelling. 2. Indien er sprake is van een wagen uit de duurdere prijsklasse (bv Mercedes en BMW) en als er sprake is van een oldtimer dient ook bij oudere wagens een afzonderlijke waardebepaling plaats te vinden. 3. Voor de waardebepaling wordt gebruik gemaakt van de koerslijsten van de ANWB (inkoopprijs). Artikel3.5Draagkrachtberekening Voor de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand zijn twee componenten van belang: - welke middelen in aanmerking worden genomen (=inkomen en vermogen) en; - welke deel van deze in aanmerking te nemen middelen ingezet kan worden ter voldoening van de bij-zondere kosten (= draagkracht) In het voorgaande is aangegeven welke middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking worden genomen. Om te voorkomen dat de armoedeval in de hand wordt gewerkt is het wenselijk dat daarmee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de draagkrachtpercentages. Om ook de iets hogere inkomens (net boven bijstandsniveau) met bijzondere uitgaven de mogelijkheid te bieden een beroep te doen op de bijzondere bijstand is het toch ook wenselijk om het draagkrachtloos inkomen iets te verhogen. Hantering van een draagkrachtloos inkomen tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm is daarvoor een goed uitgangspunt. Beleidsregel: Berekening draagkrachtpercentages Draagkracht uit inkomen 1. 0 % van het in aanmerking te nemen inkomen tot 110% van de toepasselijke WWB- en WIJ- norm; 2. 50% van het in aanmerking te nemen inkomen voor zover dat meer is dan 110% van de toepasselijke WWB –en WIJ- norm 3. 100% van het in aanmerking te nemen inkomen (= inkomen boven de toepasselijke WWB- en WIJ- norm), indien bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de algemene kosten van levensonderhoud (bijv. woonkosten, zorgverzekeringpremie, enz.) Draagkracht uit vermogen 1. 100% van het in aanmerking te nemen vermogen dat de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 WWB overschrijdt, indien en zover er sprake is van vermogen dat direct ter beschikking is (saldo op bankrekening en contant geld). 2. 100% van het in aanmerking te nemen vermogen, indien bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de algemene kosten van levensonderhoud (bijv. woonkosten, zorgverzekeringpremie, enz.) 3. 100% van het in aanmerking te nemen vermogen indien aannemelijk is dat de te verlenen bijzondere bijstand over de periode gelijk aan het draagkrachtjaar naar verwachting meer bedraagt dan het be-drag gelijk aan de van toepassing zijnde norm volgens artikel 21 onder a, b of c WWB en artikel 26 t/m 29 WIJ. Artikel3.5.1Draagkrachtperiode De gemeente kan zelf ook de draagkrachtperiode vaststellen, d.w.z. de periode waarover de aanwezige geachte draagkracht geacht wordt betrekking te hebben. De draagkracht wordt vastgesteld voor de periode van een jaar. Het draagkrachtjaar is echter gesteld op 12 maanden, waarbij de ingangsdatum van dat jaar wordt bepaald door de datum van indiening van de aanvraag bijzondere bijstand. Minima die binnen de 12 maanden nadat de draagkrachtperiode n.a.v. een aanvraag bijzondere bijstand is vastgesteld aan het werk gaan en een hoger inkomen verwerven kunnen dan toch aanspraak maken op bijzondere bijstand omdat het nieuwe hogere inkomen gedurende eerder vastgestelde draagkrachtperiode buiten beschouwing blijft. Bij de bepaling van de draagkracht en draagkrachtperiode wordt een uitzondering gemaakt, wanneer het een aanvraag betreft voor algemene bestaanskosten. Beleidsregel: Draagkrachtperiode en draagkrachtjaar De draagkracht vaststellen voor een periode van 12 maanden, beginnend op de eerste dag van de maand waarin de bijstandsaanvraag wordt ingediend. Uitzonderingen 1. De draagkracht in het inkomen wordt afwijkend vastgesteld indien het betreft bijstandsverlening ten aanzien van kosten die zijn gemaakt tot 12 maanden vóór de bijstandsaanvraag. In dat geval wordt de draagkrachtperiode vastgesteld voor de periode van een jaar, aanvangende de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn gemaakt waarop de bijstandsverlening betrekking heeft. 2. De draagkracht voor kosten van levensonderhoud en verwervingskosten wordt vastgesteld over de maand waarop de bijzondere bijstand betrekking heeft. Artikel3.5.2Wijzigingen draagkracht tijdens de draagkrachtperiode. Beleidsregel: Wijziging draagkracht. Als uitgangspunt geldt dat de draagkracht wordt vastgesteld op het moment van de aanvraag overeen-komstig de daarvoor gelden regels. Wijzigingen in de draagkracht die zich daarna voordoen worden in beginsel niet meegenomen. Met andere woorden: een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt gedurende de vastgestelde draagkrachtperiode niet gewijzigd. Artikel3.6Drempelbedrag Artikel 35 lid 2 WWB stelt: Het college kan bijzondere bijstand weigeren, indien de bijzondere kosten bin-nen 12 maanden een bedrag van € 117 niet te boven gaan. In de WWB heeft het drempelbedrag een "administratieve" functie. Het doel daarvan is het tegengaan van bijzondere bijstandsverlening voor "kruimelvoorzieningen". Beleidsregel: Drempelbedrag Geen drempelbedrag hanteren Hoofdstuk4Vorm van de bijzondere bijstand In beginsel wordt bijzondere bijstand om niet verleend. De WWB geeft echter ook de mogelijkheid (en soms de verplichting) om in een limitatief aantal gevallen bijstand in de vorm van een geldlening, bij wijze van borgtocht of in natura te verstrekken. Paragraaf Artikel4.1Bijstand om niet In artikel 48 lid 1 WWB is bepaald dat bijstand, dus ook de bijzondere bijstand in beginsel om niet wordt verleend. Dat wil zeggen dat de bijstand in beginsel niet terugbetaald hoeft te worden. Afwijking van deze hoofdregel is alleen toegestaan als de WWB daartoe de mogelijkheid biedt. Wanneer bijstand om niet wordt verstrekt, wil dat echter nog niet zeggen dat die bijstand nooit terugbe-taald hoeft te worden. Er zijn omstandigheden denkbaar dat eenmaal om niet verstrekte bijstand toch moet worden teruggevorderd of verhaald. Paragraaf Artikel4.2Geldlening Bijstand kan op grond van artikel 48 lid 2 WWB worden verleend in de vorm van een geldlening of borg-tocht indien: a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het be-staan te voorzien; b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft. Bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen kan op grond van het gestelde in artikel 51 lid 1 WWB verleend worden in de vorm van een borgtocht of geldlening. Paragraaf4.3Aflossing geldlening Artikel4.3.1Termijn Artikel 51 lid 2 WWB bepaalt, dat indien een bijstand in de vorm van een geldlening voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen wordt verstrekt de gemeente de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belang-hebbende. Het is wenselijk om aansluiting te zoeken bij het standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) ten aanzien van de termijn waarbinnen schulden, en dat is leenbijstand, terugbetaald dienen te worden. De NVVK hanteert daarbij een termijn van maximaal 36 maanden. Deze termijn van 36 maanden wordt verlengd in situaties waarbij door eigen toedoen van de cliënt terugbetaling binnen die termijn niet kan plaatsvinden. Als de bijstand is verleend als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid geldt de termijn van 36 maanden terugbetaling niet. Dan dient een termijn van 60 maanden gehanteerd te worden. Artikel4.3.2Hoogte aflossing In het kader van de Wet Sanering Natuurlijke Personen (WSNP) hanteren de Rechtbanken een vrij te laten bedrag (vltb) van 95%. Besloten is om de hoogte van de aflossing te stellen op 5% van de bijstandsnorm, zolang de aflossing op vrijwillige basis plaats vindt. Als er sprake is van een gemeentelijk incassotraject voor inning van de verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening dient de aflossing plaats te vinden met een bedrag gelijk aan 10% van de bijstandsnorm, conform de uitgangspunten van de berekening van de beslagvrije voet. Bij een inkomen dat uitgaat boven de bijstandsnorm kan het aflossingsbedrag worden verhoogd. Voor de berekening van de aflossingsbedragen kan dan aansluiting gezocht worden bij de draagkrachtregels. Artikel4.3.3Omzetting geldlening in bijstand om niet Als belanghebbende de geldlening niet binnen de termijn van 36 maanden heeft terugbetaald maar wél heeft voldaan aan de vastgestelde terugbetalingsverplichting, dat wil zeggen elke maand vrijwillig een betaling heeft verricht van 5% van de bijstandsnorm, kan de resterende geldlening omgezet worden in bijstand om niet. Dit is niet van toepassing als bijstand in de vorm van de geldlening is verleend als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Beleidsregel: Aflossing bijstand in de vorm van een geldlening. 1. Bijstand in de vorm van een geldlening dient binnen maximaal 36 maanden terugbetaald te worden. 2. Terugbetaling dient met ingang van de eerste maand na toekenning van de bijstand plaats te gaan vinden. 3. Terugbetaling dient maandelijks maximaal 5% van de relevante bijstandsnorm te bedragen. 4. Als de terugbetaling met 5% binnen 36 maandelijkse termijn niet gerealiseerd is, wordt de resterende bijstand in de vorm van een geldlening omgezet in bijstand 'om niet', zulks alleen als de volledige en regelmatige betalingen gedurende 36 maanden hebben plaatsgevonden. 5. Over deze bijstand wordt geen rente in rekening gebracht. 6. Als bijstand in de vorm van een geldlening verleend is als gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid geldt deze maximale termijn (36 maanden) van terugbetaling niet. 7. In de situatie zoals genoemd onder 6 wordt het bedrag van de terugbetaling gesteld op 10% van de relevante bijstandsnorm. De volledige bijstand dient dan terugbetaald te worden. 8. Over deze bijstand wordt geen rente in rekening gebracht. Paragraaf4.4Kosten van rente en aflossing van een geldlening. Artikel4.4.1Suppletie lening woninginrichting of duurzame gebruiksgoederen Een lening bij de Kredietbank Utrecht wordt aangemerkt als een voorliggende voorziening als het gaat om aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen en complete woninginrichting. Ten einde te zorgen dat de lening als voorliggende voorziening ook passend en toereikend is kan het in situaties voorkomen dat verlening van aanvullende bijstand op de eigen aflossingscapaciteit noodzakelijk is. Bij het aangaan van een lening kan het, vooral bij complete woninginrichting (nieuwkomers), voorkomen dat de aflossingscapaciteit van belanghebbende(
- n)niet voldoende is om aan de aflossingsverplichting en verplichting tot betaling van rente te voldoen. Bijzondere bijstand als suppletie (aanvulling) op de aflossingcapaciteit van belanghebbende kan dan ver-leend worden om het voor de belanghebbende(
- n)mogelijk te maken de lening aan te gaan en de kosten van rente en aflossing van de benodigde geldlening te kunnen voldoen. Een lening bij de Kredietbank moet in maximaal 36 maandelijkse termijnen terugbetaald worden. Om in aanmerking te kunnen komen voor bijzondere bijstand mogen de noodzakelijke kosten waarvoor de lening gevraagd wordt niet hoger zijn dan wat in 7.1.4 is aangegeven. De kosten van de netto lening verhoogd met kosten en rente (bruto lening) zijn aan te merken als kosten die in aanmerking komen voor verlening van aanvullende bijzondere bijstand. Belanghebbenden worden altijd geacht een eigen aflossingscapaciteit te hebben, waarbij voor de eenduidigheid uitgegaan wordt van de aflossingscapaciteit bij terugbetaling van leenbijstand; dus 5%. In de kosten van de maandelijkse rente én aflossing van de lening die de eigen aflossingscapaciteit van 5% van de relevante bijstandsnorm te boven gaat is verlening van bijzondere bijstand mogelijk. Beleidsregel: Suppletie. 1. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil tussen maandelijkse termijnbetalingen (aflossing plus rente) en de in de bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) begrepen aflossingscapaciteit van 5%. 2. In afwijking van de hoofdregel bedraagt het draagkrachtpercentage voor deze kosten 100%. De draagkracht wordt vastgesteld over de maand waarop de suppletie betrekking heeft. Artikel4.4.2Betalingsfrequentie suppletie Bij de draagkrachtbepalingen is gesteld dat de eenmaal vastgestelde draagkracht in de periode van 12 maanden niet gewijzigd wordt bij tussentijdse wijzigingen in omstandigheden. Ook bij deze bijzondere bijstandssoort is een dergelijke gedachte passend; eenmaal vaststellen voor een periode van 36 maanden en direct uitbetalen. Het draagt bij aan de besparing van uitvoeringskosten en biedt zekerheid voor de cliënt. De Kredietbank is dan verantwoordelijk voor bewaking van de aflossing van de lening die belanghebbende met zijn aflossingscapaciteit kan realiseren. Van belanghebbenden met een inkomen uit arbeid boven bijstandsniveau mag verwacht worden dat deze de volledige draagkracht voor de aflossing aanwenden. Dat is dan de aflossingscapaciteit. Vanwege verwervingskosten wegens arbeid kan de aflossingscapaciteit dan alleen bestaan uit de draagkracht. Deze dient wel minimaal gelijk te zijn aan 5% van de bijstandsnorm. Verhoging van de draagkracht met aflossingscapaciteit begrepen in de bijstandnorm blijft dan achterwege. Dit zal sporadisch voorkomen. Beleidsregel: Suppletie kosten lening Kredietbank 1. In de situaties waarin belanghebbende de (totaal) benodigde geldlening voor incidenteel voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan niet tot stand kan brengen bij een (normale) kredietverlenende instantie omdat de door de kredietverlenende instantie berekende aflossingcapaciteit van belanghebbende ontoereikend is, bijstand om niet verlenen voor dat deel van de noodzakelijk kosten dat de eigen aflossingscapaciteit te boven gaat. 2. De eigen aflossingscapaciteit wordt gesteld op 5% van de relevante bijstandsnorm incl. vakantietoeslag 3. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil tussen de maandelijkse termijnverplichting (aflossing plus rente) en de eigen aflossingscapaciteit. 4. Bij een inkomen uit arbeid boven bijstandsniveau de volledige draagkracht aanmerken als aflossingscapaciteit. Dat in afwijking van de hoofdregel t.a.v. draagkracht. Deze aflossingscapaciteit dient gelijk te zijn aan minimaal 5% van de relevante bijstandsnorm. Hoofdstuk5Voorliggende voorzieningen voor medische kosten Zorgverzekeringswet (Zvw) Vanaf 1 januari 2006 geldt een verzekeringsplicht tegen ziektekosten in Nederland. Iedere Nederlander en daarmee gelijkgestelde is op grond van de Zvw verplicht om zich te verzekeren tegen ziektekosten. De verzekeringsplichtige is zelf verantwoordelijk voor de keuze van de zorgverzekeraar en het aangaan van een verzekeringsovereenkomst. Voor zorgverzekeraars geldt voor de basisverzekering een accepta-tieplicht. Het doel van de Zvw is iedereen een goede en toereikende verzekering tegen zorgkosten te bieden. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) De AWBZ heeft tot doel de gehele bevolking te verzekeren tegen het risico van bijzondere ziektekosten. Het gaat daarbij om geneeskundige risico’s, die niet of niet volledig via de Zorgverzekering gedekt zijn, zoals verblijf in een verpleeghuis en instelling voor gehandicapten, geestelijke gezondheidszorg, persoonlijke verzorging, vaccinaties enz. Zvw en AWBZ vergoeden geheel of gedeeltelijk kosten in verband met medische of paramedische kosten. Artikel5.1Aanvullende zorgverzekering. Omdat de Zvw niet alle zorgkosten dekt bieden zorgverzekeraars aanvullende verzekeringen voor zorg-kosten aan. Daarbij worden afzonderlijke verzekeringen aangeboden voor algemene zorg en specifiek voor tandheelkundige zorgkosten. De kosten van een aanvullende verzekering, zo blijkt uit een uitspraak van de CRvB, zijn aan te merken als algemene bestaanskosten. Iedereen wordt dus geacht deze te kunnen voldoen uit de bijstandsnorm of ander inkomen dat daarmee gelijk of hoger is. Het aangaan van een aanvullende zorgverzekering is ieders eigen verantwoordelijkheid. Beleidsregel: premie aanvullende zorgverzekering Kosten van de aanvullende zorgverzekering aanmerken als algemene bestaanskosten die uit eigen mid-delen voldaan dienen te worden. Artikel5.2. Zvw en AWBZ zijn voorliggende voorzieningen Inkomensaanvulling i.c. verlening van bijzondere bijstand op grond van de WWB is niet aan de orde wanneer binnen een voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen voor de noodzakelijkheid van een voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie. De Zvw en de AWBZ zijn voor de WWB voorliggende voorzieningen, artikel 5 onder f WWB en artikel 15 onder f WWB. De Zvw en de AWBZ dekken echter niet alle medische kosten. De wetgever heeft bepaalde kostensoorten bewust, bijvoorbeeld om dat er sprake is van ontwikkelingsgeneeskunde of niet medisch noodzakelijk geachte ingrepen zoals bepaalde cosmetische chirurgie, buiten de dekkingssfeer van de Zvw en AWBZ gelaten. Andere kostensoorten zijn om budgettaire redenen niet of niet volledig opgenomen in de pakketen van de Zvw en AWBZ. Dat betekent dat kostensoorten die volgens de Zvw en of de AWBZ niet worden vergoed, omdat ze niet noodzakelijk worden gevonden, ook niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Volgens de CRvB moet namelijk worden aangenomen dat in het kader van de Zvw en of de AWBZ een bewuste beslissing is genomen over de omvang van de medische zorg en hulp. Artikel5.3Zorgverzekering en eigen risico Kosten die voortvloeien uit een door belanghebbende vrijwillig gekozen eigen risico zijn weliswaar aan te merken als noodzakelijke kosten doch dat deze zijn niet aan te merken als kosten die ontstaan zijn door bijzondere omstandigheden. Het kiezen voor het eigen risico is namelijk niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Een aanvraag bijzondere bijstand dient om die reden afgewezen te worden op grond van artikel 35 lid 1 WWB. Beleidsregel: Kosten als gevolg van vrijwillig eigen risico Zvw Kosten die voortvloeien uit een door belanghebbende vrijwillig gekozen eigen risico zijn aan te merken als noodzakelijke kosten doch worden niet aangemerkt als kosten die ontstaan zijn door bijzondere omstandigheden. Artikel5.4Verplicht eigen risico Zorgverzekeringswet Het kabinet heeft besloten om per 1 januari 2008 een verplicht eigen risico per volwassene per kalenderjaar op te nemen in de Zvw. Dit eigen risico geldt niet bij de echte basiszorg. Alle minima worden door middel van verhoging van de zorgtoeslag gedeeltelijk gecompenseerd in deze kosten. Chronische zieken en gehandicapten worden door de Rijksoverheid extra gecompenseerd als zij gecon-fronteerd worden met kosten door het eigen risico. Beleidsregel: Kosten als gevolg van verplicht eigen risico Zvw. Kosten die voortvloeien uit het verplichte eigen risico in de Zorgverzekeringswet worden niet aangemerkt als kosten die ontstaan zijn door bijzondere omstandigheden en wordt geen bijzondere bijstand verleend. Artikel5.5Bijzondere bijstand en eigen bijdragen Zvw en AWBZ Eigen bijdragen van kostensoorten die slechts gedeeltelijk door de Zvw of AWBZ worden vergoed, komen in beginsel in aanmerking voor bijzondere bijstand. Indien een aanvullende of collectief aanvullende verzekering is afgesloten, komt deze eigen bijdrage vaak geheel of gedeeltelijk in aanmerking voor een bijdrage o.g.v. de aanvullende verzekering. Voor het recht op bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage is daarom ook van belang of belanghebbende daadwerkelijk aanvullend of collectief verzekerd is. In dat geval is deze aanvullende verzekering voor belanghebbende een voor-liggende voorziening. Artikel5.5.1Overzicht eigen bijdragen Zvw / AWBZ. Het is zeer moeilijk om een compleet overzicht te geven van de vergoedingen op basis van de AWBZ en Zvw. Wordt de voorziening in het individuele geval binnen de Zvw wel noodzakelijk gevonden maar worden de kosten om budgettaire redenen niet of niet volledig vergoed, dan heeft de gemeente wel de bevoegdheid (aanvullende) bijstand te verlenen voor zover die kosten door de voorliggende voorziening voor belanghebbende noodzakelijk worden geacht. Voorbeelden hiervan zijn: - de eigen bijdragen - de kosten van ‘normale’ brillenglazen of contactlenzen. Artikel5.5.2Vrijstelling eigen bijdrage Zorg zonder verblijf. (brochure ZzV.pdf) http://www.hetcak.nl/smartsite.dws?id=64261 Er zijn bepaalde omstandigheden waaronder bij Zorg zonder verblijf vrijstelling van de eigen bijdra-ge AWBZ en dus niet Wmo wordt verleend. Dit is het geval als: 1. één van beide partners binnen een huishouden een eigen bijdrage betaalt voor intramurale AWBZ zorg (bijvoorbeeld in een verpleeg- of verzorgingshuis); 2. het zorg aan minderjarige cliënten betreft. Daarnaast bestaat er een hardheidsclausule. Hierop kan een beroep worden gedaan in situaties waarin een instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de Raad voor de Kinderbescherming vreest voor verwaarlozing of (dreigende) mishandeling van minderjarige kinderen die bij belanghebbende verblijven. De zorgverzekeraar beoordeelt of de hardheidsclausule van toepassing is. Artikel5.5.3Eigen bijdrage AWBZ-instelling. (brochure ZmV.pdf) http://www.hetcak.nl/smartsite.dws?id=64000 Bij het verblijf in een AWBZ-instelling is verzekerde een hoge of een lage eigen bijdrage verschuldigd. Hoge eigen bijdrage. Alvorens aanspraak gemaakt kan worden op bijstand, dient de verzekerde die de hoge bijdrage is ver-schuldigd en door de betaling van zijn eigen bijdrage beneden de zogenaamde 'piepgrens' van € 290,45 (peildatum 1 juli 2010) uitkomt, om herziening van zijn eigen bijdrage te verzoeken (artikel 10 Bijdrage-besluit zorg). In beginsel betekent dit dat de eigen bijdrage op € 0 vastgesteld zal worden als belangheb-bende slechts beschikt over zak- en kleedgeld. De verzekerde moet immers na het betalen van zijn eigen bijdrage minimaal €290,45 incl. vakantietoeslag per maand overhouden. Bijstandsverlening aan een belanghebbende met zak- en kleedgeld voor de eigen bijdragen AWBZ-instelling is daarmee niet aan de orde; er is een passende en toereikende voorliggende voorziening. Lage eigen bijdrage De verzekerde die de lage bijdrage is verschuldigd zal altijd de minimale eigen bijdrage van € 144,40 moeten betalen, ook al heeft de verzekerde onvoldoende inkomen. De verzekerde kan voor deze eigen bijdrage een beroep doen op de bijzondere bijstand. Artikel5.5.4Geen Zvw en AWBZ vergoeding Er zijn ook medische kosten die op grond van de Zvw of AWBZ zijn uitgesloten van vergoeding. Soms worden deze kosten toch vergoed op grond van een individuele aanvullende verzekering. Daarbij geldt dan meestal ook een eigen bijdrage. Omdat de kosten toch al buiten het vergoedingenpakket van Zvw en AWBZ vallen, komen deze eigen bijdragen ook niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dit volgt uit constante jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand dient dan ook onderzocht te worden wat de reden is dat de voorliggende voorziening voor de kosten geen vergoeding kent. Daarbij zal ook gekeken moeten worden naar jurisprudentie. Artikel5.5.5Eigen bijdragen aanvullende verzekeringen Of een eigen bijdrage die op grond van de aanvullende verzekering wordt opgelegd in aanmerking komt voor bijzondere bijstand is afhankelijk van de bepalingen in de basisverzekering. Als op grond van de ba-sis verzekering uit budgettaire overwegingen een eigen bijdrage wordt gevraagd, dan is er sprake van noodzakelijke kosten. Als op grond van de aanvullende verzekering daarvoor ook een vergoeding wordt verstrekt dient daar rekening mee gehouden te worden. Als deze vergoeding niet voldoende is om de volledige eigen bijdrage (uit de basisverzekering) te dekken is de aanvullende verzekering wel passend maar niet toereikend. Dan kan bijzondere bijstand in de resterende kosten van de eigen bijdrage o.g.v. de basisverzekering verleend worden. Als er geen vergoeding o.g.v. de basisverzekering wordt verstrekt omdat de kosten als niet noodzakelijk worden aangemerkt is verlening van bijzondere bijstand ook niet mogelijk. Vanuit het oogpunt van bij-standsverlening gaat het dan ook niet om noodzakelijke kosten. De na aftrek van de vergoeding o.g.v. de aanvullende verzekering voor rekening van belanghebbende blijvende kosten zijn ook niet noodzakelijke kosten. Artikel5.5.6Afwijking vanwege dringende redenen In afwijking van het vermelde hiervoor is toch bijstandsverlening mogelijk indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn (artikel 16 lid 1 WWB). Het criterium “zeer dringende redenen” mag echter niet al te ruim worden geïnterpreteerd. Het kan alleen worden toegepast bij acute noodsituaties. Daarvan zal ook bij aanvragen om bijzondere bijstand voor medische kosten niet snel sprake zijn. Vast dient te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Voorbeelden van zeer dringende redenen zijn: • Situaties van levensbedreigende aard • Situaties waarin de kans bestaat op (ernstig) lichamelijk letsel • Situaties waarin weliswaar een beroep op een voorliggende voorziening mogelijk is, maar waarin de daadwerkelijke effectuering daarvan nog enige tijd vergt. Artikel5.5.7Buitenwettelijk beleid Indien op grond van de algemene voorwaarden geen recht op bijstand bestaat en er ook geen dringende redenen aanwezig zijn om wel tot bijstandsverlening over te gaan, heeft de gemeente op grond van de WWB niet de bevoegdheid om bijstand te verlenen voor de betreffende kosten. Dat is ook van toepassing bij aanvragen om bijzondere bijstand voor medische kosten die om hiervoor genoemde gronden niet door de Zvw en of AWBZ noodzakelijk worden geacht. Indien de gemeente des-ondanks toch bijstand wil verlenen, dan zal het daarvoor zelf beleid moeten formuleren. Men spreekt in dit verband over buitenwettelijk beleid. De rechter kan buitenwettelijk beleid slechts terughoudend toet-sen. Samenvattend: Bijzondere bijstand in medische of paramedische kosten alleen verlenen ingeval; - de kosten om budgettaire redenen buiten het Zvw en AWBZ pakket zijn gehouden, - er sprake is van zeer dringende redenen, of - als de gemeente buitenwettelijk beleid heeft vastgesteld. Beleidsregel: Zvw en AWBZ passende en toereikende voorliggende voorzieningen 1. Zvw en AWBZ als passende en toereikende voorliggende voorziening aanmerken. 2. Bijzondere bijstand verlenen voor eigen bijdragen van kostensoorten die om louter budgettaire redenen slechts gedeeltelijk op grond van de Zvw of AWBZ door zorgverzekeraars worden vergoedt. 3. Buitenwettelijk beleid niet uit sluiten ten aanzien van voorzieningen en kosten van medische aard i.c. eigen bijdragen o.g.v. de Zorgverzekeringswet bij kosten waarvan de Zorgverzekeringwet of AWBZ en de nota bijzondere bijstand en voorzieningen voor minima stelt dat die wel noodzakelijk zijn. Artikel5.6Aanvullende verzekering en bijzondere bijstand. Om te stimuleren dat mensen zich aanvullend verzekeren is het mogelijk te bepalen dat ook recht be-staat op (aanvullende) bijzondere bijstand in die kosten die op grond van (bepaalde) aanvullende verzekeringen ook voor vergoeding in aanmerking komen. Deze kosten worden dan op grond van gemeentelijk (deels buitenwettelijk) beleid als noodzakelijk aan-gemerkt. De bijzondere bijstand kan bij deze kosten begrensd worden tot een maximaal bedrag per kos-tensoort. Algemene aanvullende verzekering Kosten die volgens de nota bijzondere bijstand als noodzakelijk zijn aan te merken en die op grond van de algemene aanvullende verzekering (1 en verder) voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aan-merking komen eveneens aan te merken als kosten in welke bijzondere bijstand verleend kan worden tot een maximumbedrag per kostensoort, welke in nadere beleidsregels wordt vastgesteld (zie ook specifieke toelichtingen diverse kostensoorten). Aanvullende tandverzekering Kosten die op grond van aanvullende tandverzekering (1 en verder) voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking komen eveneens aan te merken als noodzakelijke kosten in welke bij-zondere bijstand verleend kan worden tot een maximum bedrag welke in nadere beleidsregels wordt vastgesteld (zie ook paragraaf tandheelkundige kosten). Om te benadrukken dat de gemeente het van belang acht dat mensen zelf een aanvullende verzekering afsluiten is onderstaande beleidsregel opgesteld. Beleidsregel: Aanvullende verzekering als voorwaarde voor bijzondere bijstand in medische kosten 1. Kosten en eigen bijdragen van medische kosten die op grond van de Zvw/AWBZ niet noodzakelijk worden geacht komen voor bijzondere bijstand in aanmerking als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: - Belanghebbende heeft aanvullende verzekeringen (algemeen en tand). - De kosten zijn volgens gemeentelijk beleid (nota bijzondere bijstand) aan te merken als noodzake-lijk. 2. Bij aanwezigheid van een aanvullende verzekering wordt de vergoeding die op grond daarvan wordt verstrekt in mindering gebracht op de vastgestelde noodzakelijke kosten, artikel 15 lid 1 WWB. Hoofdstuk6Bijzondere bijstand en (enkele) specifieke medische kosten In deze paragraaf wordt nader ingegaan op een aantal specifieke medische kostensoorten. Er zijn diverse soorten medische zorg welke kosten met zich brengen voor ontvangers daarvan. Artikel6.1Medisch advies. Uit artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit voort dat een beslissing zorgvuldig dient te wor-den voorbereid. Die zorgvuldige voorbereiding kan in individuele gevallen inhouden dat een deskundige geraadpleegd moet worden. De vraag of een beslissing zorgvuldig is voorbereid, kan in beroep door de rechter worden getoetst. Indien de noodzakelijkheid van kosten en/of de medische beperkingen van belanghebbende niet door de consulent zelf kan worden vastgesteld en de kosten van het advies opwegen tegen het belang van de aanvraag (hoogte kosten / bezwaarprocedure) moet advies worden ingewonnen. Daarbij wordt eerst medisch advies gevraagd. Indien het voornemen is een aanvraag af te wijzen wegens geen noodzaak, wordt altijd medisch advies gevraagd. In de rapportage wordt altijd vermeld waarom wel of waarom geen medisch advies is gevraagd. NB. Als de aanvraag wordt afgewezen wegens een passende en toereikende voorliggende voorziening is een medisch advies over de noodzaak uiteraard ook niet noodzakelijk. Artikel6.1.1Eisen aan extern advies Toetsingscriteria die gelden voor alle adviezen: 1. Is het advies volledig? Anders gezegd: beantwoordt het advies de vragen die door de gemeente aan de adviseur gesteld zijn? 2. Is het advies begrijpelijk en leesbaar? 3. Zijn, indien een bepaald soort voorziening wordt geadviseerd, de selectiefactoren die voor die keuze relevant zijn gevolgd? 4. Is het advies in overeenstemming met de WWB en het gemeentelijk beleid? Onafhankelijkheid adviesinstantie In de praktijk maakt de gemeente, afhankelijk van het onderwerp van het gevraagde advies, vaak gebruik van dezelfde adviesinstantie(s). Denk aan de GGD, CIZ, Argonaut B.V. of het IMK (Intermediair midden- en kleinbedrijf). Er hoeft echter niet getwijfeld te worden aan de onafhankelijkheid van een bepaald advies alleen omdat dit wordt verkregen van een instantie die door de gemeente vaak wordt geraadpleegd. Aanvullend advies Wanneer het advies tekortkomingen vertoont, zal aan de adviseur gevraagd moeten worden om zijn ad-vies aan te vullen. Laat de gemeente dit na dan loopt zij het risico dat de rechter in een beroepsprocedure het op basis van het advies genomen besluit vernietigt en daarbij de gemeente veroordeelt in de proceskosten. Van het opvragen van verdere gegevens bij de behandelaars kan achterwege blijven wanneer het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen en naar hun inhoud deugdelijk. Artikel6.1.2Gebruik van extern advies in besluitvorming Op grond van artikel 3:49 Awb is het mogelijk om ter motivering van een besluit of een onderdeel daar-van te verwijzen naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien: • het advies zelf de motivering bevat, en; • van het advies kennis is of wordt gegeven. Zorgvuldige voorbereiding Artikel 3:9 Awb bepaalt ten aanzien van adviezen van externe adviseurs, dat de gemeente zich ervan dient te vergewissen dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Artikel 3:2 Awb bevat een algemene zorgvuldigheidseis ten aanzien van de voorbereiding van besluiten. Het baseren van een besluit op een medisch advies is dus niet zomaar toegestaan. Voorwaarde is dat het medisch advies voldoet aan de eisen die uit oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf worden gesteld. Dit is het geval indien uit het advies tenminste blijkt op basis van welke gegevens dit tot stand is gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van het advies is gevolgd. Het is niet mogelijk om een besluit te baseren op een zeer kort (en onduidelijk) geformuleerd advies. Gebeurt dit toch dan is het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb. Afwijken van advies De gemeente is bevoegd om een van het advies afwijkende beslissing te nemen. Maar het afwijken van een advies van een extern adviseur dat gegeven is krachtens een wettelijk voorschrift moet op grond van artikel 3:50 Awb uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Rapporten medici in bezwaarfase en hoorplicht In het kader van de behandeling van een bezwaarschrift is het in voorkomende gevallen uit oogpunt van zorgvuldige voorbereiding raadzaam om een nader advies in te winnen bij de medische adviseur. Het hieruit voortvloeiende nader rapport is volgens de CRvB geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 7:9 Awb. Dit betekent dat het niet nodig is om alvorens een besluit te nemen de belang-hebbende over het nader rapport te informeren en te horen. Dit is slechts dan anders indien het nader rapport nieuwe feiten of omstandigheden bevat, die tot een nadere of aanvullende standpuntbepaling van belanghebbende nopen. Belanghebbende niet eens met advies Indien de belanghebbende het niet eens is met een medisch advies dat voldoet aan de zorgvuldigheidseisen dan zal hij zijn standpunt toereikend moeten onderbouwen met concrete medische gegevens. Artikel6.2Fiscale regelingen De fiscale regelingen BU en TBU zijn in het leven geroepen om mensen met hoge (niet vergoede) ziekte-kosten te compenseren met behulp van belastingmaatregelen. Deze fiscale regelingen zijn géén voorliggende voorzieningen voor de WWB. Het zijn echter wel voorzie-ningen waarop een beroep gedaan kan worden als men géén of slechts gedeeltelijke bijzondere bijstand ontvangt voor medische kosten. Dus bij het niet of niet volledig ontvangen van bijzondere bijstand bestaat de mogelijkheid om via een beroep op die regelingen nog belasting terug te krijgen. In het kader van voorlichting is het wenselijk om deze informatie aan bijstandsaanvragers te verstrekken. Belastingteruggaven i.v.m. een beroep op deze middelen worden niet in aanmerking genomen bij de be-paling van de draagkracht, artikel 31 lid 2 onder f WWB, tenzij voor betreffende kosten bijzondere bij-stand wordt verleend. Per 1 januari 2009 zijn de fiscale regelingen afgeschaft. Hiervoor is een nieuwe compensatieregeling voor in de plaats gekomen, de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg), zie hiervoor: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/tegemoetkoming-chronisch-zieken-en-gehandicapten-wtcg Artikel6.3Brillen Budgettaire overwegingen zijn de reden geweest dat brillenglazen nog slechts in zeer bijzondere gevallen op grond van de Regeling zorgverzekering Hulpmiddelenzorg van de Zvw basisverzekering door Zorgverzekeraars worden vergoed. Dit betreft gevallen waarbij sprake is van (een beperkt aantal) bijzondere medische indicaties. Omdat er sprake is van budgettaire overwegingen binnen de Zvw zijn de kosten van aanschaf van een bril of daarmee vergelijkbare contactlenzen aan te merken als kosten in welke bijzondere bijstand verleend kan worden. Vrijwel alle Zorgverzekeraars verstrekken op basis van de aanvullende verzekering een vergoeding in de aanschafkosten van brillenglazen en of monturen of verstrekken via afspraken met opticiens een bril in natura. De kosten van de aanschaf van een bril (montuur met glazen) of contactlenzen één keer per twee kalen-derjaren worden in beginsel aangemerkt als noodzakelijk kosten. Voorwaarde is wel dat belanghebbende een aanvullende zorgverzekering heeft afgesloten. Bij de aanvraag dient de aanvrager te overleggen: 1. De nota betreffende de aanschaf van de bril of contactlenzen, dan wel de pro forma nota betref-fende de voorgenomen aanschaf van de bril of contactlenzen. (In geval van een pro forma nota wordt de bestedingsplicht aan de bijstand verbonden (artikel 55 WWB). Steekproefsgewijs wordt de besteding geverifieerd. 2. Uit de (pro forma) nota) moet de sterkte van de glazen, of dat er sprake is van een speciaal soort glas, bifocaal glas, een multifocaal glas of een glas met een prisma. 3. Een bericht van de zorgverzekeraar over de voor de bril op grond van de (aanvullende) verzekering toegekende vergoeding. Artikel6.3.1Vast bedrag bijzondere bijstand voor “gewone” brillen De bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een "gewone"bril wordt vastgesteld op de aan-schafkosten met een maximum van € 200. Op de vastgestelde maximaal te verlenen bijstand wordt de vergoeding uit de aanvullende verzekering in mindering gebracht. Beleidsregel: Bijzondere bijstand in kosten van bril 1. Normbedrag voor brillen vaststellen op maximaal € 200 per 2 kalenderjaren. 2. Vergoeding op grond van de aanvullende verzekering in mindering brengen op de bijzondere bijstand. Artikel6.3.2Brillen met “bijzondere” glazen De bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een bril met "bijzondere glazen" wordt vastge-steld op de aanschafkosten met een maximum van € 300. Op de vastgestelde maximaal te verle-nen bijstand wordt de vergoeding uit de aanvullende verzekering in mindering gebracht. Bijzondere glazen zijn: • kunststofglazen (eventueel inclusief hardingslaag) voor kinderen, • brillenglazen met een sterkte groter dan (+/-) 4 (sterkte plus cilinder bij elkaar opgeteld). • bifocale of multifocale glazen • extra kosten in verband met een prisma Beleidsregel: Bijzondere bijstand voor brillen met bijzondere glazen. 1. Normbedrag voor brillen met bijzondere glazen vaststellen op maximaal € 300 indien er sprake is van hogere kosten door bijzondere medische omstandigheden. 2. Bij hogere kosten medisch advies vragen. 3. Meerkosten (t.a.v. de lagere richtprijs) i.c. de noodzaak daarvan moet blijken /aangetoond worden door aanvrager. 4. Vervangingsperiode stellen op 2 jaar indien aan vervanging geen medische aspecten ten grondslag liggen. 5. Vergoeding o.g.v. de (aanvullende) verzekering in mindering brengen. Artikel6.3.3Contactlenzen De kosten voor contactlenzen komen één keer per 2 kalenderjaren voor bijstandsverlening in aanmer-king tot het bedrag dat zou zijn vergoed bij de aanschaf van een vergelijkbare bril. Eventuele meerkosten voor de aanschaf van contactlenzen vloeistof komen niet voor vergoeding in aanmerking. Indien contactlenzen worden aangeschaft wegens medische noodzaak wordt voor deze contactlenzen bijstand verleend tot een maximaal bedrag van € 300 per twee kalenderjaren. De medische noodzaak voor aanschaf van contactlenzen dient te blijken uit een medisch advies. Op de vastgestelde maximaal te verlenen bijstand wordt de vergoeding uit de aanvullende verzeke-ring in mindering gebracht. Beleidsregel: Bijzondere bijstand voor medisch noodzakelijke contactlenzen 1. Bijzondere bijstand in de kosten van contactlenzen verlenen tot maximaal het bedrag aan bijzondere bijstand van een vergelijkbare bril, eenmaal per 2 jaar. 2. Bij vastgestelde medische noodzaak voor gebruik van contactlenzen en contactlenzenvloeistof bijzondere bijstand verlenen tot maximaal het bedrag aan bijzondere bijstand van een vergelijkbare bril met bijzondere glazen, eenmaal per 2 jaar. 3. Medische noodzaak dient te blijken uit een medisch advies. 4. Vergoeding o.g.v. de (aanvullende) verzekering in mindering brengen. Artikel6.3.4Contactlenzenvloeistof De extra kosten voor contactlenzenvloeistof zijn te vermijden door aanschaf en gebruik van een bril en zijn daardoor ook niet noodzakelijk te noemen. De kosten van contactlenzenvloeistof komen ook niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Als uit een extern medisch advies blijkt dat het gebruik van contactlenzen medisch noodzakelijk is, kan ook bijzondere bijstand in de kosten van contactlenzenvloeistof verleend worden. Beleidsregel: Geen bijzondere bijstand voor contactlenzen vloeistof 1. Bij algemeen gebruik van contactlenzen géén bijzondere bijstand verlenen voor de bijkomende kos-ten van contactlenzen vloeistof. 2. Bij gebruik van contactlenzen om medische redenen bijzondere bijstand in kosten van contactlenzenvloeistof verlenen. 3. Medische noodzaak dient te blijken uit een medisch advies. 4. Vergoeding o.g.v. de (aanvullende) verzekering in mindering brengen. Artikel6.3.5Ooglaserbehandeling Ooglaserbehandeling valt onder de medische terminologie refractiechirurgie. De kosten van de "nieuwe" techniek worden niet vergoedt op grond van Zvw / regeling zorgverzekering. Brillen en daarmee de vergoedingen die door de zorgverzekeraars in de kosten daarvan worden verstrekt zijn goede voorliggende voorzieningen. Artikel6.4Tandartskosten Voor de bepaling van de noodzakelijkheid van de kosten kan aangesloten worden bij artikel 2.7 van het Besluit Zorgverzekering. Komt de kostensoort daarin niet voor of is de vergoeding op nihil gesteld, dan wordt die kostensoort niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35 lid 1 WWB aangemerkt. Voor de kosten van kronen, bruggen en orthodontie voor volwassenen wordt om die reden geen bijstand verleend. De eigen bijdrage verschuldigd voor een uitneembare volledige prothetische voorziening voor de boven- en/of de onderkaak komt in beginsel voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dit is het besluit Zorgverzekering afzonderlijk geregeld. Bij kosten die gewoonlijk niet noodzakelijk worden geacht doch die door zeer bijzondere omstandigheden zijn ontstaan dient een incidentele beoordeling betreffende de medische noodzaak plaats te vinden door een onafhankelijke deskundige. Artikel6.4.1Maximering bijzondere bijstand Gelet op de hoge kosten die tandheelkundige hulp met zich mee kunnen brengen is het wenselijk om aan de verlening van bijzondere bijstand in deze kosten een maximum te verbinden. Daarbij is aansluiting gezocht bij het bedrag dat door Menzis o.g.v. de gemeentelijke zorgpakketten wordt vergoed. Dat bedrag is € 350 per kalenderjaar. Beleidsregel: Bijzondere bijstand tandartskosten 1. Bijzondere bijstand in kosten van tandheelkundige zorg verlenen als belanghebbende(
- n)de Zvw ba-sisverzekering, een aanvullende zorgverzekering en een tandzorgverzekering hebben. 2. Als belanghebbende géén aanvullende tandzorgverzekering heeft en wél een uitneembare volledige prothetische voorziening voor de boven- en/of de onderkaak bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage verschuldigd voor deze uitneembare volledige prothetische voorziening voor de boven- en/of de onderkaak verlenen tot het bedrag dat op grond van artikel 2.7 lid 6 Besluit Zorgverzekering verschuldigd is. 3. Bijzondere bijstand maximeren tot een bedrag van € 350 per persoon per kalenderjaar. Artikel6.5Hoortoestellen Op grond van het Besluit Zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering (hulpmiddelenzorg) bestaat recht op een vergoeding in de aanschafkosten van gehoorhulpmiddelen zoals hoortoestellen. De eventuele meerkosten van de aanschaf is de verzekerde als eigen bijdrage verschuldigd. Bij de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand is aansluiting gezocht bij het Garant Midden Pakket van Menzis. De vergoeding volgens dit pakket bedraagt maximaal € 150 per hoortoestel. Beleidsregel: Bijzondere bijstand in kosten van hoortoestellen 1. Bijzondere bijstand in de kosten van hoortoestellen verlenen tot een bedrag van maximaal € 150 per hoortoestel. 2. Maximumbedrag jaarlijks aanpassen aan ontwikkelingen gemeentelijk zorgpakket. 3. Voor de beoordeling van de gebruiksduur van hoortoestellen wordt aangesloten bij de termijnen ge-noemd in de Zvw. 4. Vergoeding o.g.v. de aanvullende verzekering niet in mindering brengen op bijzondere bijstand Het gaat hierbij alleen om kosten van hoortoestellen. Kosten van aanverwante artikelen zoals onder-houdscontracten, schoonmaaksetjes en afstandbediening komen op grond van deze beleidsregel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Artikel6.5.1Kosten van batterijen voor hoortoestellen Kosten van hoortoestellen worden noodzakelijk gevonden. Ook de kosten van batterijen voor hoortoestellen zijn aan te merken als noodzakelijke kosten. Besloten is om voor de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand eveneens aansluiting te zoeken bij het Garant middenpakket. De vergoeding volgens dit pakket bedraagt € 35 per jaar. Beleidsvoorstel: Bijzondere bijstand in kosten van batterijen voor hoortoestellen Bijzondere bijstand in de kosten van batterijen voor hoortoestellen verlenen tot een bedrag van € 35 per kalenderjaar. Artikel6.6Overige medische kosten Artikel6.6.1Alarmeringsapparatuur Het verstrekken van persoonlijke alarmeringsapparatuur voor lichamelijk gehandicapten bij medische indicatie (indien de lichamelijk gehandicapte een verhoogde risicosituatie verkeert) valt onder de basis zorgverzekering en is geregeld in de regeling zorgverzekering. Belanghebbenden kunnen om medische en sociale redenen aangesloten worden op een personenalar-meringssysteem. Dat wordt verzorgd door de St. Thuiszorg Midden-Gelderland (Stmg). De Stmg regelt de aanvragen voor de sociale indicatie en de medische aanvragen van zorgverzekeraar Menzis. De beoordeling van de Stmg namens Menzis of rechtstreeks van een andere zorgverzekeraar aangaande de noodzakelijkheid wordt als voldoende indicatie beschouwd. Beleidsregel: Alarmeringsapparatuur. Bij het aanschaffen/plaatsen van deze apparatuur in verband met medische noodzaak komen de eigen bijdrage in de aansluitkosten en de abonnementskosten voor bijstandverlening in aanmerking. Voorwaarde is wel dat belanghebbende een aanvullende zorgverzekering heeft afgesloten. NB. Indien de alarmeringsapparatuur wordt aangeschaft op sociale gronden is bijzondere bijstand niet mogelijk. Dit is ook zo als de noodzaak op sociale gronden door de Stmg is geïndiceerd. Artikel6.6.2Alternatieve geneeswijze Voor de behandeling van medische klachten is de reguliere geneeskunde de aangewezen weg. Alternatieve geneeskunde wordt, voor zover dit niet is opgenomen in de Zorgverzekeringswet, niet noodzakelijk geacht. De kosten daarvan komen in beginsel niet in aanmerking voor verlening van bijzondere bijstand. Kosten van alternatieve geneeswijze kunnen voor bijstandsverlening in aanmerking komen als aan de volgende 4 voorwaarden is voldaan: • de behandeling via de reguliere geneeswijze biedt geen genezing en • de behandeling is medisch noodzakelijk en • de behandeling vindt plaats door een geregistreerde arts en • er kan geen gebruik gemaakt worden van een voorliggende voorziening Beleidsregel: Alternatieve geneeswijze. Als aan de hiervoor genoemde 4 voorwaarden is voldaan kan in individuele gevallen bijzondere bijstand voor de kosten van alternatieve geneeswijze verleend worden. Voor de beoordeling van de medische noodzaak en van het feit dat reguliere geneeswijze geen genezing biedt wordt altijd medisch advies ge-vraagd. M.b.t. de individualisering wordt gemotiveerd gerapporteerd. Artikel6.6.3Dieetkosten In beginsel behoren die dieetkosten, die de normale voedingskosten niet of niet in belangrijke mate overtreffen, tot de algemene noodzakelijk kosten die uit de algemene middelen bestreden dienen te worden. Dat houdt in dat normaliter geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor dieetkosten, tenzij het een dieet betreft, dat in belangrijke mate kostenverhogend is t.o.v. reguliere voeding. Een voorgeschreven dieet hoeft in beginsel niet te leiden tot meerkosten. Medisch advies over de noodzaak en de kosten van een dieet dient gevraagd te worden. Beleidsregel: Dieetkosten. 1. Slechts als het een dieet betreft waarvan de kosten in belangrijke mate uitgaan boven de kosten van de gebruikelijke (referentie) voeding kan bijzondere bijstand voor de meerkosten worden verleend. Over het feit of de kosten in belangrijke mate die van de referentievoeding overstijgen wordt uitgebreid gerapporteerd. 2. Medisch advies over de noodzaak en de kosten van een dieet dient te worden gevraagd. Artikel6.6.4Medicijnen / geneesmiddelen De AWBZ en Zvw vergoeden in de regel alle noodzakelijke kosten die verband houden met medische of paramedische behandeling. Beide regelingen gelden samen in het kader van de WWB als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15 lid 1 WWB). Indien de AWBZ en Zvw de voorgeschreven geneesmiddelen niet vergoeden, bestaat er in beginsel ook geen recht op bijzondere bijstand. Aangenomen moet worden dat er in het kader van de AWBZ en Zvw een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van deze geneesmiddelen. Artikel 15 lid 1 WWB staat dan in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in de weg. Voorbeelden van voorgeschreven geneesmiddelen die niet worden vergoed en niet voor bijstand in aan-merking komen: • plantaardige geneesmiddelen; • homeopathische geneesmiddelen; • medicinale cannabis. Een chronische gebruiker is degene die het middel langer dan 6 maanden gebruikt. De arts schat van te voren in of het zelfzorggeneesmiddel langer dan 6 maanden moeten worden gebruikt. Op het recept van de arts staat dan ‘voor chronisch gebruik’ (CG) is. Alleen dan krijgt men deze medicijnen vergoed. De eerste twee weken moeten overigens de medicijnen altijd zelf worden betaald. Als de medicijnen bij een drogist of ergens anders worden gekocht, dan moet belanghebbende deze volledig zelf betalen. In beginsel wordt, behoudens eventueel in geval van zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening, dus geen bijzondere bijstand verleend voor geneesmiddelen. In afwijking hiervan is toch bijstandsver-lening mogelijk indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aan-wezig zijn (artikel 16 lid 1 WWB). Door het Geneesmiddelenvergoedingensysteem (GVS) wordt bepaald welke geneesmiddelen door de zorgverzekeraar worden vergoed. Als een geneesmiddel niet onder het GVS valt, is daarvoor meestal een alternatief geneesmiddel te vinden dat er wel onder valt. Beleidsregel: Medicijnen/geneesmiddelen. Als voor geneesmiddelen die onder het GVS vallen een eigen bijdrage verschuldigd is, kan bijzondere bij-stand in de kosten van de eigen bijdrage verleend worden. Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor kosten van geneesmiddelen die niet onder de GVS vallen. De gemeente verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor de kosten van zelfzorggeneesmiddelen, tenzij het de kosten van een chronisch gebruiker betreft en deze kan aantonen dat het bedrag van € 350 dat jaarlijks wordt toegekend op grond van de categoriale bijstand voor chronisch zieken en ge-handicapten ontoereikend is. Voorwaarde is wel dat belanghebbende een aanvullende zorgverzekering heeft afgesloten. Artikel6.6.5Bewassing en kledingslijtage. Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook kosten van bewassing en ten gevolge van slijtage. Aangezien de algemene bijstand in een inkomen op bijstandsni-veau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Over deze bijzonderheden in het individuele geval wordt uitgebreid gerapporteerd. Van bijzondere omstandigheden in het individuele geval is in ieder geval sprake: • bij het extra wassen als gevolg van het noodzakelijk gebruik van zalf of bij incontinentie • voor de extra kosten van het niet meer zelf kunnen wassen in verband met ziekte, handicap of ouderdom (voorwaarde is wel dat belanghebbende zelfstandig woont. Personen die in een in-richting verblijven, komen niet in aanmerking voor bijstand voor waskosten). Het voorgaande is geen limitatieve opsomming van situaties waarin recht bestaat op bijzondere bij-stand voor de kosten van bewassing en ten gevolge van kledingslijtage. Het betreft slechts een beleidsregel. Zowel op grond van artikel 35 lid 1 WWB als op grond van artikel 4:84 Awb kan en moet in individuele gevallen worden afgeweken. De meerkosten van bewassing en slijtage ten gevolge van • incidenteel incontinent (GGD-code B1.1) • regelmatig incontinent (GGD-code B1.2) • voortdurend incontinent (GGD-code B1.3) worden vastgesteld op de Geïndexeerde GMD-lijst. Deze bijdrage omvat dus alle meerkosten in verband met de medische indicatie; er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen slijtagekosten en bewassingkosten. In andere gevallen zal individueel vastgesteld moeten worden wat de meerkosten van bewassing en slijtage zijn. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij het Nibud voor de vaststelling van algemeen gebruikelijke kosten voor bewassing en gebruiksduur kleding. M.b.t. de medische noodzaak van de te maken kosten wordt medisch advies gevraagd. Beleidsregel: Bewassing en kledingslijtage. 1. Voor de meerkosten van bewassing en slijtage, volgens de geïndexeerde GMD-lijst, kan bijzondere bijstand worden verleend. 2. In individuele gevallen wordt voor deze kosten aansluiting gezocht bij de richtprijzen van het Nibud. 3. Medische noodzaak dient te blijken uit een medisch advies. Artikel6.6.6Orthopedisch schoeisel / orthopedische steunzolen Voor de eigen bijdrage die betaald moet worden bij de aanschaf van (semi) orthopedisch schoeisel kan bijzondere bijstand worden verleend. Omdat iedereen schoenen dient aan te schaffen wordt van de eigen bijdrage, naast de vergoeding(
- en)uit –aanvullende- verzekering(en), een bedrag afgetrokken dat bespaart wordt omdat geen gewoon schoeisel aangeschaft hoeft te worden. Voor de bepaling van dat bedrag wordt aansluiting gezocht bij het bedrag dat het Nibud heeft vastgesteld als aanschafprijs van gewone schoenen. Het bedrag dat na aftrek van beide bedragen voor rekening van de aanvrager blijft komt voor bijzondere bijstand in aanmerking. Beleidsregel: Orthopedisch schoeisel/ orthopedische steunzolen. 1. De kosten van orthopedisch schoeisel worden vergoed tot het bedrag dat na aftrek van de ver-goeding o.g.v. de aanvullende verzekering en de richtprijs van het Nibud voor een paar schoenen, voor eigen rekening blijft. 2. De kosten van orthopedische steunzolen worden vergoed tot het bedrag dat na aftrek van de vergoeding o.g.v. de aanvullende verzekering voor eigen rekening blijft. Artikel6.6.7Pedicure Vooral bij chronisch zieken, gehandicapten en ouderen (70-plussers) kan periodieke behandeling door een pedicure medisch noodzakelijk zijn indien ook de gezondheidssituatie niet goed is. Er is dan geen medisch advies nodig. Indien de cliënt nota's, betaalbewijzen of een verklaring van een medisch specialist heeft overgelegd kan de medische noodzaak worden vastgesteld. Bij twijfel of bijzondere omstandigheden, dient de medische noodzaak te worden vastgesteld via een medisch advies. Als de medische noodzakelijkheid is vastgesteld kunnen de kosten worden vergoed. Bij aanvraag of periodiek heronderzoek dient de afsprakenkaart overgelegd te worden om de frequentie te kunnen vaststellen. Als er sprake is van incidentele behandelingskosten is verlening van bijstand niet mogelijk omdat deze dan behoren tot de algemene bestaanskosten. Beleidsregel: Pedicure. Kosten van een behandeling door een pedicure komen voor bijstandsverlening in aanmerking, mits aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel6.6.8Podotherapie / podotherapeutische hulpmiddelen Bij behandeling door een, door de zorgverzekeraar erkende, podotherapeut is het mogelijk dat de zorgverzekeraar de kosten van behandeling en onderzoek gedeeltelijk vergoedt uit de aanvullende verzekering. De behandeling moet dan echter van te voren zijn aangevraagd en goedgekeurd. Als dat het geval is kan bijzondere bijstand verleend worden in de eigen bijdrage die in rekening wordt gebracht. Beleidsregel: Podotherapie / podotherapeutische hulpmiddelen. Als het onderzoek en de behandeling vooraf is aangevraagd en goedgekeurd door de zorgverzekeraar, kan voor het voor eigen rekening blijvende deel van de kosten bijzondere bijstand worden verleend. Artikel 6.6.9Fysiotherapie en oefentherapie. De AWBZ en Zvw vergoeden in de regel alle noodzakelijke kosten die verband houden met medische of paramedische behandeling. Beide regelingen gelden samen in het kader van de WWB als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15 lid 1 WWB). De gemeente vindt de AWBZ en Zvw eventueel aangevuld met een aanvullende zorgverzekering een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de kosten van fysiotherapie en oefentherapie zijn. Beleidsregel: Fysiotherapie en oefentherapie. Voor deze kosten wordt geen bijzondere bijstand verleend. Artikel6.6.10Psychotherapie De aanspraak op psychotherapeutische behandeling is geregeld in artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Deze behandeling wordt verzorgd door een psychiater, zenuwarts of psychotherapeut in dienst van de RIAGG of een daaraan verwante instelling; ook kunnen sommige vrijgevestigde psychotherapeuten op basis van de AWBZ declareren. De voorwaarden voor het geldend maken van de aanspraak op psychotherapeutische behandeling zijn: • verwijzing door huisarts, bedrijfsarts of behandelend medisch specialist van de verzekerde, • melding van de start van de psychotherapeutische behandeling bij het zorgkantoor en • indicatiestelling door de beroepsbeoefenaar of de instelling. De aanspraak op psychotherapeutische behandeling is gedifferentieerd naar stoornis. Bij zogenaamde persoonlijkheidsstoornissen is het aantal zittingen gemaximeerd op 50. Voor psychotherapeutische be-handelingen bij de overige stoornissen bestaat aanspraak op maximaal 25 zittingen. Er geldt geen maximum meer voor psychoanalytische behandelingen door een instelling. Verzekerden tot 18 jaar krijgen, ongeacht het ziektebeeld, aanspraak op ten hoogste 50 zittingen. De Ziekenfondswet en de AWBZ zijn voor een verstrekking zoals psychotherapeutische hulp aan te mer-ken als een aan de WWB voorliggende toereikende en passende voorziening, ook al is belanghebbende deze mening zelf niet toegedaan omdat belanghebbende bijvoorbeeld negatieve ervaringen heeft met behandelaars bij de Riagg. Op grond van artikel 35, lid 1 WWB kan bijzondere bijstand worden verleend voor het op grond van artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, aantal noodzakelijk geachte zittingen. Sinds 1 januari 2008 worden de kosten van psychologische zorg op grond van de Zvw vergoed. In de 1ste 8 behandelingen is een eigen bijdrage per behandeling verschuldigd. Bijzondere bijstand kan verleend worden in de kosten van die eigen bijdrage indien geen vergoeding op grond van de aanvullende verzekering wordt ontvangen. Als de volledige kosten na verloop van tijd niet meer op grond van de voorliggende voorziening (Zvw) worden vergoedt bestaat ook geen recht meer op bijzondere bijstand. Voorwaarde voor de verlening van bijzondere bijstand is dat belanghebbende een aanvullende zorgverzekering heeft afgesloten. Beleidsregel: Psychotherapie. 1. Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor het op grond van artikel 8 van het Besluit zorgaan-spraken AWBZ, aantal noodzakelijk geachte zittingen voor psychotherapie. 2. Bijzondere bijstand kan verleend worden in de kosten van die eigen bijdrage voor psychologische zorg indien geen vergoeding op grond van de aanvullende verzekering wordt ontvangen. Artikel6.6.11Vervoer van en naar ziekenhuis Kosten van vervoer van en naar het ziekenhuis worden o.g.v. de Zorgverzekeringswet alleen nog vergoed als er sprake is van liggend vervoer. Uitzondering is gemaakt voor nierdialysepatiënten, radiotherapie- en chemokuur patiënten, visueel gehandicapten en rolstoelgebruikers. Belanghebbenden dienen een eigen bijdrage te voldoen. In die kosten kan bijzondere bijstand worden verleend. Beleidsregel: Vervoer van en naar ziekenhuis. Voor de eigen bijdrage vanwege kosten van vervoer van en naar het ziekenhuis o.g.v. de Zorgverzeke-ringswet kan bijzondere bijstand worden verleend. Artikel6.7Eigen bijdragen Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ( brochureWmo.pdf) Brochure Door de invoering van de Wmo krijgen gebruikers van Wmo voorzieningen te maken met meer eigen bijdragen, een eigen aandeel en besparingsbijdragen. Deze kosten vloeien voort uit het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Neder-Betuwe. Bij bepaling van de inkomenscriteria volgens dit besluit is ook gekeken naar de inkomensbepalingen zoals die gelden bij de WWB. Ondanks de verschillende inkomensbegrippen en soorten wordt er vanuit gegaan dat de mensen waar het gemeentelijke minimabeleid zich op richt alleen te maken krijgen met de vaste eigen bijdrage. In voorkomende gevallen kan bijzondere bijstand verleend worden in het vaste deel van de eigen bijdrage. Artikel 6.7.1Kosten van hulp bij het huishouden ( brochureZzV.pdf ). Brochure Personen die een beroep doen op huishoudelijke verzorging zijn een eigen bijdrage verschuldigd. Indicatie voor de huishoudelijke verzorging wordt gesteld door een daartoe ingehuurde deskundige of door de gemeente. Deze indicatie is voldoende om de noodzaak daarvan aan te nemen. De verschuldigde inkomensafhankelijke eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie-kantoor bijzondere zorgkosten (CAK-
- bz)te 's Gravenhage en door hen in rekening gebracht bij de gebrui-kers. De bijdrage wordt berekend aan de hand van het belastbare inkomen in het jaar min 2. D.w.z. bij een bijdrage in 2009 wordt uitgegaan van het belastbare inkomen over het jaar 2007. Het be-lastbare inkomen is een ander inkomen dat bij de berekening van bijzondere bijstand wordt gehanteerd. Deze eigen bijdrage voor extramurale AWBZ-zorg, zoals dat voor 1 januari 2008 bekend stond, komt voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking. Gebruikers zijn altijd een minimumbijdrage verschuldigd. Gebruik wordt gemaakt van tabellen. Als het laagste eigen bijdrage bedrag in rekening wordt gebracht, staat vast dat de gebruiker een mini-muminkomen heeft (gehad). Dat wordt als uitgangspunt gebruikt bij de vaststelling van het recht op bij-zondere bijstand. De kosten van huishoudelijke verzorging zijn aan te merken als kosten die ontstaan zijn door bijzondere omstandigheden. De hoogte van de kosten wordt bepaald volgens de eigen bijdrage regeling WMO en het inkomen van belanghebbende. Bij afhandeling van aanvragen bijzondere bijstand dient aandacht te bestaan voor de juistheid van de eigen bijdrage in relatie tot het inkomen van het moment van aanvragen. Het kan zijn dat het huidige inkomen afwijkt van het inkomen dat het CAK-bz heeft gebruikt bij de vaststelling van de eigen bijdrage. Belanghebbende kan het CAK-bz verzoeken om het peiljaar te verleggen. De zogenoemde peiljaarverlegging kan plaatsvinden als het verwachte verzamelinkomen in het zorgjaar ten opzichte van het peiljaar € 1.816, -
(2009)of meer gedaald is. Peiljaarverlegging is aan te merken als een voorliggende voorziening. Belanghebbende dient dan zelf het verwachte verzamelinkomen van het zorgjaar aangeven. Beleidsregel: Hulp bij het huishouden
- Bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage in hulp bij het huishouden verlenen.
- Bij vastgestelde langdurige zorg bijzondere bijstand aansluiten bij de indicatietermijn voor hulp bij het huishouden en deze betaalbaar stellen zonder maandelijkse aantoonplicht.
- Afhankelijk van de financiële omstandigheden (geen schulden) bijzondere bijstand uitbetalen per maand, 3 maanden of als bedrag (maximaal 12 maanden) ineens.
- Steekproefsgewijze controle achteraf Artikel6.7.2Eigen bijdragen woonvoorzieningen Per 1 juli 2010 is het Besluit maatschappelijke ondersteuning Wmo gemeente Neder-Betuwe juli 2010 van kracht geworden. Dit besluit stelt nadere regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), waaronder de eigen bijdragen. Bij eigen bijdragen WMO gerelateerd aan woningaanpassingen zal het vermogen in de woning een rol spelen bij de draagkrachtbepaling, conform de uitgangspunten van het gestelde in hoofdstuk 3.4.
- Met als doel om gemeentelijke regelgeving enigszins op elkaar af te stemmen wordt voorgesteld om deze lijn ook te volgen binnen de uitvoering WWB bijzondere bijstand. In situaties van klaarblijkelijke hardheid, zoals samenloop van diverse kosten, moet het wel mogelijk blijven om bijzondere bijstand te verlenen. Beleidsregel: Eigen bijdrage WMO woningaanpassing Geen bijzondere bijstand in kosten van een woningaanpassing verlenen als daarvoor op grond van de Besluit maatschappelijke ondersteuning geen recht op een WMO vergoeding bestaat. Artikel6.7.3Eigen bijdragen vervoersvoorzieningen Het Besluit maatschappelijke ondersteuning voorziet in de verstrekkingen van tegemoetkomingen voor het lokaal verplaatsen per vervoermiddel. In de vervoersbehoefte m.b.t. zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van inwoners wordt daarmee voldoende voorzien. De verschuldigde eigen bijdrage, zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt geïnd door het CAK. Conform hetgeen hiervoor is genoemd bij kosten van hulp bij het huishouden kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Beleidsregel: Kosten WMO vervoersvoorzieningen WMO vervoersvoorzieningen m.b.t. zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie aanmerken als passende en toereikende voorliggende voorziening. Bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bij-drage verlenen. Hoofdstuk7Woonkosten Woonkostentoeslag (WKT) is een veel voorkomende soort bijzondere bijstand. Kort gezegd vult het be-paalde gaten op die de huurtoeslag laat vallen. De Wet op de huurtoeslag (WHT), die sinds 1 september 2005 de Wet op de huursubsidie is opgevolgd, is in relatie tot de woonkostentoeslag aan te merken als voorliggende voorziening. Eigenaren van woningen hebben geen recht op huurtoeslag. Bij een laag inkomen en hoge woonkosten kunnen zij in aanmerking komen voor een woonkostentoeslag. Bij de bepaling van de hoogte hiervan wordt (meestal) aangesloten bij de regels voor de woonkostentoeslag aan huurders, dus het systeem van de WHT. Woonkostentoeslag wordt verleend als bijzondere bijstand. Voor de beantwoording van de vraag in hoe-verre hier recht op bestaat, zal daarom gekeken moeten worden naar de draagkracht van de betrokkene. Voor woonkostentoeslag geldt, in afwijking van de algemene draagkrachtregels, meestal een draagkrachtpercentage van
- Dit betekent dat het inkomen boven de bijstandsnorm (norm + toeslag - verlagingen) en het vermogen volledig aangewend moeten worden voor de hoge woonkosten. Voor een verdere berekening en rechten op een woonkostentoeslag voor huurders en eigenaren, wordt kortheidshalve verwezen naar de beleidsregels B145 en B146 in het Handboek WWB van Schulinck. De woonkostentoeslag wordt in alle gevallen toegekend voor een periode van maximaal 12 maanden. Indien de verwachting is dat belanghebbende binnen die periode van 12 maanden niet in aanmerking kan komen voor een huurtoeslag die passend en toereikend is, wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor wel recht bestaat op een passende en toereikende huurtoeslag. De periode waarover de woonkostentoeslag is toegekend kan na afloop tijdelijk worden verlengd indien het feit dat de belanghebbende nog niet over goedkopere woonruimte beschikt hem niet te verwijten valt. Beleidsregel: Bijzondere bijstand in woonkosten
- Bijzondere bijstand in woonkosten verlenen indien er sprake is van niet verwachte aantoonbare noodzakelijke kosten van huur of relevante kosten eigen huis.
- Verhuisplicht beoordelen en indien van toepassing, expliciet vermelden in toekenningbeschikking.
- Bijzondere bijstand om niet verlenen gedurende maximaal 12 maanden.
- Aanwezige draagkracht dient volledig (100%) ingezet te worden. Afdeling Artikel7.1Overige noodzakelijke kosten i.v.m. wonen Afdeling Artikel7.1.1Eerste maand huur en administratiekosten. De kosten van de eerste maand huur en de administratiekosten in verband met het aanvaarden van een huurwoning alsmede verschuldigde administratiekosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die, behoudens bijzondere omstandigheden, uit het eigen inkomen op bijstandsniveau behoren te worden voldaan (door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf). Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. Er is pas sprake van een bijzondere omstandigheid indien deze kosten het gevolg zijn van een noodzakelijk geachte verhuizing. Beleidsregel: Eerste maand huur en administratiekosten. Alleen wanneer er sprake is van een noodzakelijk geachte verhuizing, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Afdeling7.1.2Verhuiskosten Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). Denk in dit geval aan: een geldlening bij een kredietverlenende instantie de Wmo. (Bijvoorbeeld als de verhuizing medisch noodzakelijk is in verband met een handicap van de betrokkene.) de werkgever. Bijvoorbeeld als krachtens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst een tegemoetkoming in verhuiskosten betaald wordt door de werkgever. Verhuiskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. Er is sprake van een bijzondere omstandigheid indien: het een niet voorzienbare verhuizing op grond van medische of sociale noodzaak betreft; of de verhuizing het gevolg is van een verhuisverplichting vanwege het bewonen van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de maximale subsidiabele huur naar een woning met lagere lasten; of het een vrijwillige verhuizing betreft van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de toepasselijke aftoppingsgrens (WHT) naar een woning waarvoor de woonkosten niet meer bedragen dan de kortingsgrens. De hoogte van de bijstand voor verhuiskosten is gelijk aan: de noodzakelijk te maken transport kosten; de woonkosten van de nieuwe woning in onze gemeente gedurende maximaal 3 weken, indien sprake is van dubbele lasten (Hierbij wordt rekening gehouden met een eventueel recht op huurtoeslag) de te betalen waarborgsom Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de eventueel aanwezige draagkracht in mindering gebracht. De bijstand wordt in principe in de vorm van een geldlening verstrekt (artikel 48 WWB). In bijzondere situaties kan hiervan worden afgeweken. Bijzondere situaties zijn o.a. statushouders of op grond van een bijzondere regeling toegelaten vreemdelingen die voor de eerste keer zelfstandige huisvesting krijgen. Bijzonderheden: Bij verhuizing naar een andere gemeente komen slechts de transportkosten voor bijstandsverlening in aanmerking. Voor de overige kosten is de gemeente van vestiging de aangewezen gemeenten. Bij vestiging vanuit een andere gemeente in onze gemeente is de vertrek gemeente de aangewezen gemeente voor de transportkosten. Voor de overige verhuiskosten is onze gemeente de aangewezen gemeente. Beleidsregel: Verhuiskosten. In beginsel is er geen bijstandsverlening mogelijk voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken, te weten: het een niet voorzienbare verhuizing op grond van medische of sociale noodzaak betreft; of de verhuizing het gevolg is van een verhuisverplichting vanwege het bewonen van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de maximale subsidiabele huur naar een woning met lagere lasten; of het een vrijwillige verhuizing betreft van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de toepasselijke aftoppingsgrens (WHT) naar een woning waarvoor de woonkosten niet meer bedragen dan de kortingsgrens. De hoogte van de bijstand voor verhuiskosten is gelijk aan: de noodzakelijk te maken transport kosten; de woonkosten van de nieuwe woning in onze gemeente gedurende maximaal 3 weken, indien sprake is van dubbele lasten (Hierbij wordt rekening gehouden met een eventueel recht op huurtoeslag) de te betalen waarborgsom Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de eventueel aanwezige draagkracht in mindering gebracht. De bijstand wordt in principe in de vorm van een geldlening verstrekt (artikel 48 WWB). Afdeling7.1.3Dubbele huur Bij een noodzakelijke verhuizing is veelal sprake van een periode waarin voor twee woningen woonlasten verschuldigd zijn. Voor het betrekken van een nieuwe woning is een termijn van maximaal 3 weken aan te merken als acceptabel. Voor de overlappende periode kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de huur van de nieuwe woning, waarbij rekening gehouden dient te worden met het (eventuele) recht op huurtoeslag. Beleidsregel: Dubbele huur. Voor de periode dat voor twee woningen huur moet worden betaald, kan maximaal voor een termijn van 3 weken, bijzondere bijstand worden verstrekt voor de huur van de nieuwe woning, waarbij rekening wordt gehouden met het (eventuele) recht op huurtoeslag. Afdeling7.1.4Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kosten voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Het onderscheid is van belang voor de vorm waarin de bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Duurzame gebruiksgoederen zijn goederen (witgoed, elektronica, meubels, vloerbedekking, gordijnen etc. die binnen een huishouden gedurende meerdere jaren (kunnen) worden gebruikt. Overige inrichtingskosten zijn kosten die niet aan te merken zijn als aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen. Voorbeelden hiervan zijn verf en behang. Duurzame gebruiksgoederen. Bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verleend (artikel 48 lid 1 WWB). In afwijking hiervan bepaalt artikel 51 lid 1 WWB dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan worden gegeven in de vorm van een geldlening, borgtocht of als een bedrag om niet. Voor wat betreft de vorm van de bijzondere bijstand geldt de volgende voorkeur: borgtocht bij een geldlening via de normale kredietverlenende instanties als vaststaat dat, zonder optreden van de bijstand als borg, de lening door de kredietverlenende instelling niet zal worden verstrekt; leenbijstand; bijstand om niet Overige inrichtingskosten Voor overige inrichtingskosten wordt op grond van artikel 48, lid 1 WWB bijstand om niet verleend, tenzij zich ten aanzien van de belanghebbende omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 48 lid 2 WWB. De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm door middel van reservering vooraf dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Indien de betreffende kosten voorzienbaar waren, versterkt dit het argument dat belanghebbende wordt geacht hiervoor te reserveren. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. In dat geval wordt bijzondere bijstand verleend, ook als dit bijstand betekent in aanvulling op een voorliggende voorziening. Het feit dat belanghebbende wegens schulden niet heeft kunnen reserveren is op zich nog geen bijzondere omstandigheid. De volgende omstandigheden kunnen mogelijk wel als bijzonder worden aangemerkt: er bestaat een medische noodzaak voor het maken van de kosten. langdurige afhankelijkheid van een inkomen tot 100% van de toepasselijke WWB-norm. Omtrent de bijzondere omstandigheden wordt gerapporteerd. De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen zoals die zijn vermeld in de NIBUD-Prijzengids. Bij complete woninginrichting wordt in afwijking van tabel 17 van de NIBUD-Prijzengids uitgegaan van maximaal 75% van de daargenoemde bedragen, omdat belanghebbende geacht kan worden sommige goederen tweedehands aan te kunnen schaffen. Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht in mindering gebracht. De bijstand wordt verleend in de vorm van borgtocht indien de belanghebbende alleen onder deze voorwaarde een lening kan afsluiten bij een geldverstrekker (meestal de Kredietbank Utrecht). De bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening indien borgtocht niet mogelijk is. Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken. Indien deze zeer bijzondere omstandigheden zich voordoen wordt hierover uitvoerig gerapporteerd. Beleidsregel: Bijzondere bijstand in kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Bij de beoordeling van het recht en de vorm van bijstand de navolgende volgorde aanhouden Lening bij een kredietverlenende instantie (bijv. Kredietbank Utrecht) aanmerken als voorliggende voorziening bij de aanschaf of vervanging van duurzame goederen. Bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een borgstelling voor een lening bij de Kredietbank Utrecht als of indien deze lening niet wordt verstrekt zonder deze borgstelling en belanghebbende in eigen kring geen borg heeft kunnen vinden, Bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken als de Kredietbank Utrecht het verzoek om een lening heeft afgewezen. Ingeval van individuele zeer bijzondere omstandigheden voor deze kosten bijzondere bijstand om niet verstrekken. Bijzondere bijstand in overige inrichtingskosten 'om niet' verstrekken. Voor het in redelijkheid bepalen van de hoogte van de noodzakelijke kosten bij complete woninginrichting uitgaan van maximaal 75% van de in de Nibud-prijzengids genoemde bedragen. Afdeling7.1.5Eerste inrichting nieuwkomers. Eerste inrichting nieuwkomers. In afwijking van de algemene richtlijnen die gelden voor het aangaan van leningen, de aflossing van een krediet en de mogelijkheid van het verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten van rente en aflossing is een werkwijze ontwikkeld voor de verstrekking van bijzondere bijstand voor de inrichting van de woning van nieuwkomers. Bijzondere bijstand voor de aanschaf van een eerste inrichting wordt op grond van artikel 51 lid 1 verstrekt in de vorm van een geldlening. De hoogte van de aflossing van de geldlening bedraagt 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm incl. vakantietoeslag per maand, bij een vrijwillige aflossing. Als er sprake is van een gemeentelijk incassotraject voor de inning van de verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening, dient de aflossing plaats te vinden met een bedrag van 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Er wordt gedurende 36 maanden afgelost op de lening. Aflossing vindt plaats door middel van een rechtstreekse inhouding op de uitkering wet werk en bijstand in Tiel. Cliënt moet hiervoor een machtiging ondertekenen. Als de cliënt gedurende 36 maanden zijn termijnen voldaan heeft kan de resterende lening omgezet worden in bijstand om niet. Voor de vaststelling van de hoogte van de geldlening voor de inrichting van de woning wordt aangesloten bij de Nibud richtprijzen. Van het vermelde inventarispakket wordt een percentage van 75% genomen omdat uit de praktijk blijkt dat men er in slaagt een inboedel aan te schaffen waarvan de kosten beduidend lager liggen dat de Nibud richtprijzen. Daarnaast wordt bij de vaststelling van de geldlening rekening gehouden met de mogelijkheid dat de cliënt zelf al wat goederen heeft of dat in de te aanvaarden woning stoffering achterblijft. Uitbetaling vindt plaats in 2 termijnen: de eerste betaling van € 2.000,00 vindt zo snel mogelijk plaats. Cliënt kan dan alvast de meest noodzakelijke goederen aanschaffen. Het resterende bedrag wordt uitbetaald nadat de cliënt van de eerste betaling de verantwoording getoond heeft. Nota’s van de tweede betaling worden door middel van een steekproef achteraf gecontroleerd en dienen gedurende 1 jaar bewaard te worden. Beleidsregel: bijzondere bijstand kosten eerste woninginrichting nieuwkomers bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken voor de kosten van de eerste woninginrichting nieuwkomers voor het bepalen van de hoogte van de noodzakelijke kosten bij een complete woninginrichting uitgaan van maximaal 75% van de in de Nibud prijzengids genoemde bedragen terugbetaling dient maandelijks maximaal 5% van de relevante bijstandsnorm te bedragen Als de aflossing van de lening met 5% binnen 36 maandelijkse niet gerealiseerd is, wordt de resterende bijstand in de vorm van een geldlening omgezet in bijstand “om niet”. Dit alleen als de volledige en regelmatige betalingen gedurende 36 maanden hebben plaatsgevonden. over de bijstand wordt geen rente in rekening gebracht als cliënt niet voldoet aan zijn betalingsverplichting en er een incassotraject opgestart moet worden dient de aflossing vastgesteld te worden op 10% van de relevante bijstandsnorm. aflossing dient zoveel mogelijk plaats te vinden door middel van inhouding op de uitkering Wet werk en bijstand in Tiel (machtiging). uitbetaling vindt plaats in 2 termijnen: € 2.000,00 zo snel mogelijk, resterend bedrag nadat een verantwoording van de eerste betaling heeft plaatsgevonden Over de resterende betaling wordt een steekproefsgewijze controle gehouden waarbij cliënt de nota’s 1 jaar ter inzage moet bewaren Hoofdstuk8Reiskosten Reiskosten zijn algemene kosten van bestaan. Belanghebbenden worden geacht uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm de vervoerskosten te kunnen voldoen om in aanvaardbare mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden. Slechts als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan in reiskosten die binnen Nederland (artikel 11 lid 1 WWB, territorialiteitsbeginsel) gemaakt worden bijzondere bijstand verleend worden. Deze omstandigheden kunnen te maken hebben met detentie, omgangsregeling, scholing en opleiding en ziekenbezoek. In die situaties dat geen gebruik gemaakt kan worden van openbaar vervoer kan bijzondere bijstand in de vorm van een kilometervergoeding voor gebruik van eigen auto verleend worden. Voor bepaling van de hoogte van de kilometervergoeding wordt aansluiting gezocht bij artikel 2.38 van de Regeling Zorgverzekering. In dat artikel is de hoogte van de kilometervergoeding bij ziekenvervoer per particuliere auto vastgelegd. Deze bedraagt € 0,25 per kilometer
(2010). Voor kosten in verband met her-, om-, en bijscholing in het kader van re-integratie kan geen bijzondere bijstand verleend worden. De re-integratieverordening is een voorliggende voorziening. Artikel8.1Reiskosten bezoek aan uit huis geplaatst kind Reiskosten voor bezoek van uit huis geplaatste kinderen aan hun familie moeten worden voldaan uit de pleegvergoeding die de pleegouders of de instelling hiervoor ontvangen. Reiskosten voor bezoek aan een uit huis geplaatst kind door de ouder(
- s)komen wel voor bijzondere bij-stand in aanmerking. Bijzondere bijstand kan verstrekt worden voor bezoek met een frequentie van 2 maal per maand en tot de kosten van de goedkoopste vorm van openbaar vervoer. Bij gebruik eigen vervoer is de kilometervergoeding gelijk aan het hiervoor gestelde bedrag bij eigen vervoer. Geen recht op bijzondere bijstand bestaat wanneer het kind in de woongemeente verblijft. Als bezoekfrequentie volgens de Raad voor de Kinderbescherming hoger moet zijn, kan afgeweken wor-den van de gestelde frequentie. Artikel8.2Reiskosten ziekenbezoek Recht op bijzondere bijstand voor bezoek aan een ziek gezinslid (tot het gezin van belanghebbende behorend ) in het ziekenhuis bestaat indien door belanghebbende een aanvullende zorgverzekering is afgesloten. Bijzondere bijstand wordt verleend voor de kosten van de goedkoopste vorm van het openbaar vervoer voor maximaal twee gezinsleden per bezoekdag. Indien gebruik van het openbaar vervoer niet mogelijk is kan een kilometer vergoeding worden verstrekt tot het bedrag genoemd in artikel 2.38 van de Regeling Zorgverzekering ( € 0,30 per kilometer in 2012). In aanmerking voor bijzondere bijstand komen de kosten van de eerste 500 kilometer (of anders bij een andere zorgverzekeraar dan Menzis) die niet door de zorgverzekeraar worden vergoedt. De kosten moeten blijken uit een specificatie van de vergoeding van de zorgverzekeraar. Als het reizen met eigen vervoer in het individuele geval goedkoper blijkt te zijn dan reizen met open-baar vervoer kan de vergoeding op het reizen per eigen vervoer worden afgestemd. Artikel8.3Reiskosten bezoek gedetineerde. De noodzaak voor het bezoeken van een gedetineerde wordt in ieder geval aanwezig geacht indien: • de gedetineerde behoort tot het gezin van belanghebbende, en; • de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting (= geen recht op verlof), en; • de inrichting buiten de gemeente is gelegen (maar binnen Nederland). Als gebruikelijke bezoekfrequentie geldt een frequentie van maximaal 2 keer per maand De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan goedkoopste vorm van openbaar vervoer voor het be-treffende traject. Bij gebruik van het openbaar vervoer wordt de vergoeding gegeven voor maximaal 2 gezinsleden per bezoekdag. Slechts als het niet mogelijk is om met het openbaar vervoer te reizen geldt een kilometervergoeding van € 0,30 zijnde het bedrag genoemd in artikel 2.38 van de Regeling Zorgverzekering. Als het reizen met eigen vervoer in het individuele geval goedkoper blijkt te zijn dan reizen met openbaar vervoer kan de vergoeding op het reizen per eigen vervoer worden afgestemd. Artikel8.4Reiskosten bezoek Beursplein. Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de kosten van ver-voer voor de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Hieronder wordt ook begrepen het doen van aanvragen, het komen voor gesprekken e.d. op het Beursplein. Aangezien de algemene bijstand dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten. Beleidsregel: Kosten van reizen 1. Goedkoopste vorm van openbaar vervoer aanmerken als toereikend en passend. 2. Als gebruik van openbaar vervoer niet mogelijk is kilometervergoeding verstrekken tot bedrag als genoemd in artikel 2.38 van de Regeling Zorgverzekering (€ 0,30 per kilometer in 2012). 3. Bijstand verlenen als aanvulling op voorliggende voorziening en rekening houdende met de bepa-lingen van de voorliggende voorzieningen. Artikel8.5Reiskosten scholing en opleiding Voor zover er geen sprake van een voorliggende voorziening dienen voor de verlening van bijzondere bij-stand het kosten te betreffen die bijzonder noodzakelijk zijn en waarin niet op andere wijze wordt voor-zien. Hiervan kan sprake zijn wanneer een vergunninghouder (nieuwkomer met een verblijfsvergunning) een verplichte inburgeringscursus, dan wel eerst een alfabetiseringscursus dient te volgen en geen WWB uitkering ontvangt. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de goedkoopste vorm van openbaar vervoer voor het betreffende traject. Vergoeding van reiskosten voor gebruik van een eigen auto is voor dit onderdeel uit-gesloten (zie ook 10.3) Hoofdstuk9Kosten i.v.m. kinderen. Artikel9.1Babyuitzet Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). Denk in dit geval aan: • een lening bij een kredietverlenende instelling bijvoorbeeld de Kredietbank of een betalingsregeling bij de leverancier, • de aanvullende ziektekostenverzekering. Zo vergoeden bijvoorbeeld sommige zorgverzekeraars het kraampakket. De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit be-tekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van heel bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. Omtrent deze heel bijzondere omstandigheden wordt gemotiveerd gerapporteerd. De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de richtbedragen zoals opgenomen in de NIBUD-Prijzengids. De bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening (artikel 51 WWB, Duurzame ge-bruiksgoederen). Beleidsregel: Babyuitzet. Kosten van een babyuitzet zijn algemene bestaanskosten die uit de eigen middelen voldaan dienen te worden. Bij heel bijzondere omstandigheden kan bijzondere bijstand verleend worden. Deze bijstand heeft de vorm van een geldlening. Voor de bepaling van de hoogte daarvan wordt aansluiting gezocht bij het Nibud. Artikel9.2Jongeren 18 t/m 20 jaar Artikel9.2.1Zelfstandig wonend Personen van 18 t/m 20 jaar die niet in een inrichting verblijven, kunnen recht hebben op een jongeren-norm als bedoeld in artikel 20 WWB; artikel 26 t/m 30 WIJ. Deze jongerennormen zijn afgeleid van de niveaus van de kinderbijslag. De jongerennormen kunnen niet worden verhoogd met een toeslag, maar in beginsel wel worden verlaagd met een verlaging op grond van de toeslagenverordening als bedoeld in artikel 30 WWB; artikel 35 WIJ. Personen van 18 t/m 20 jaar voor wie de lage jongerennorm onvoldoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien, zullen een beroep moeten doen op hun ouders. Tot dat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonder-houd en studie (artikel 1:395a BW). Gezien het karakter van de bijstand als sluitstukvoorziening is het gerechtvaardigd om de bijstandsverlening daarop af te stemmen. Er kan echter niet zonder meer van worden uitgegaan dat de jongeren altijd voor hun bestaanskosten volledig een beroep op de ouders kunnen doen. Voor zover dit beroep niet mogelijk is, wordt voorzien in een recht op bijzondere bijstand (artikel 12 WWB). Onder bepaalde voorwaarden kan op grond van artikel 12 WWB bijzondere bijstand worden verleend voor:
- a)De kosten van levensonderhoud voor zover de lage jongerennorm daarin niet voorziet (= ter aanvul-ling van en met hetzelfde doel als de algemene bijstand);
- b)bijzondere kosten (= de normale bijzondere bijstand). Artikel 12 WWB is van toepassing op: • alleenstaanden van 18 t/m 20 jaar; • alleenstaande ouders van 18 t/m 20 jaar; • gehuwden waarvan één of beide partners 18 t/m 20 jaar zijn. LET OP: de vakantietoeslag wordt alleen berekend over de norm voor de algemene bijstand en niet over de aanvulling via de bijzondere bijstand. De voorwaarden voor verlening van bijzondere bijstand aan personen van 18 t/m 20 jaar zijn opgenomen in artikel 12 WWB. Verlening van bijzondere bijstand is mogelijk wanneer de noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere uitgaan boven de bijstandsnorm (= van toepassing zijnde norm + toeslag - verlaging; zie artikel 5 onderdeel c WWB) en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; b. de ouders van belanghebbende bevinden zich in het (verre) buitenland en zijn daar onbereikbaar; c. de ouders van belanghebbende zijn overleden; d. de relatie tussen belanghebbende en zijn ouders is ernstig verstoord (om misbruik te voorkomen mag deze conclusie echter niet al te snel en lichtvaardig getrokken worden). Bovenstaande lijst met voorbeelden is niet limitatief. Er zijn dus ook nog andere situaties denkbaar waarin toepassing van artikel 12 WWB aan de orde kan zijn. Het is niet mogelijk om in dit verband in de vorm van beleid een limitatieve opsomming te geven. Voordat verlening van bijzondere bijstand aan jongeren plaatsvindt, zal dus altijd getoetst moeten worden aan de bepalingen van artikel 12 WWB. Daarbij moet vooral niet de eis uit het oog verloren worden dat de noodzakelijke kosten van het bestaan moeten uitgaan boven de bijstandsnorm. De vraag of er sprake is van een noodzaak tot zelfstandige huisvesting vergt volgens de CRvB altijd een individuele beoordeling. Het is dus niet mogelijk om hiervoor beleidsregels vast te stellen. Hierna volgt een aantal voorbeelden waarin zelfstandige huisvesting voor jongeren van 18 t/m 20 jaar noodzakelijk kan zijn (een individuele beoordeling blijft echter nodig): • de ouders van belanghebbende zijn overleden of wonen in het buitenland; • belanghebbende is in het kader van de Wet op de Jeugdzorg buiten het gezinsverband van de ou-der(
- s)geplaatst; • belanghebbende is niet officieel uit huis geplaatst, maar het is niet verantwoord om hem nog langer bij zijn ouders te laten wonen; • belanghebbende woont op de datum van de bijstandsaanvraag al geruime tijd niet meer op het adres van de ouder(s), denk aan een periode van 12 maanden of langer; • belanghebbende heeft de zorg voor één of meer kinderen; • er is sprake van een zodanig verstoorde relatie tussen belanghebbende en zijn ouders, dat van hem niet gevergd kan worden dat hij zijn intrek bij zijn ouders zou nemen. Bovenstaande lijst is niet limitatief. Dit betekent dat een noodzaak tot zelfstandige huisvesting ook kan worden aangenomen in situaties die hier niet zijn genoemd. Indien de gemeente aan jongeren van 18 t/m 20 jaar bijzondere bijstand verstrekt, gelden er speciale regels inzake de korting van alimentatie (artikel 31 lid 2 onderdeel n WWB, welke voor de WIJ niet van toepassing is verklaard (artikel 7, lid 1 WIJ)). Wanneer met toepassing van artikel 12 WWB bijzondere bijstand wordt verleend aan een persoon van 18 t/m 20 jaar dan kan de gemeente deze bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht van artikel 395 onderdeel a van Boek 1 BW verhalen op de onderhoudsplichtige ouders (Paragraaf 6.5. WWB). Dit zal vooral een rol spelen in situaties waarin beroep op de ouders niet mogelijk is vanwege een ernstig verstoorde relatie. Beleidsregel: Zelfstandig wonende jongeren van 18 t/m 20 jaar. Thuiswonenden De algemene bijstandsnorm voor personen van 18 t/m 20 jaar (artikel 20 WWB; artikel 26 t/m 30 WIJ) en de wettelijke onderhoudsplicht van de ouders wordt toereikend geacht om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van een thuiswonende alleenstaande te voorzien. Aan thuiswonenden personen van 18 t/m 20 jaar wordt in beginsel dan ook geen aanvulling via de bijzondere bijstand verstrekt. Uitwonenden Wordt aan een uitwonende alleenstaande aanvullend op een lage norm van artikel 20 WWB; artikel 26 t/m 30 WIJ bijzondere bijstand verstrekt voor levensonderhoud dan wordt de hoogte hiervan in beginsel zodanig vastgesteld, dat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand op grond van artikel 20 WWB; artikel 26 t/m 30 WIJ + bijzondere bijstand op grond van artikel 12 WWB) gelijk is aan de bijstandsuitkering (norm + toeslag - verlaging) die in een vergelijkbare situatie zou gelden voor personen van 21 jaar. Verhaal. De gemeente hanteert als beleid, nadat is overgegaan tot verlening van aanvullende bijzondere bijstand aan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar, dat geen verhaal van deze bijstand op diens onderhoudsplichtige ouders wordt gezocht. Artikel9.2.2In een inrichting Personen van 18 t/m 20 jaar die in een inrichting verblijven, zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2 onderdeel a WWB; artikel 42 lid 1 sub j WIJ). In hun algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt grotendeels voorzien door de inrichting waar ze verblijven. Let wel: bij personen in deze leeftijdscategorie wordt van de ouders over het algemeen een bijdrage gevraagd in de kosten van het verblijf in de inrichting. Voor zover niet in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongeren van 18 t/m 20 jaar wordt voorzien door de inrichting waar zij verblijven - denk aan: ouderbijdrage, zak- en kleedgeld en overige bijzondere kosten die de inrichting niet vergoedt - zal eerst een beroep op de ouders moeten worden gedaan. Deze hebben ingevolge Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een onderhoudsplicht totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft. Er kan echter niet zonder meer van worden uitgegaan dat de jongeren altijd voor hun bestaanskosten volledig een beroep op de ouders kunnen doen. Voor zover dit beroep niet mogelijk is, wordt voorzien in een recht op bijzondere bijstand (arti