Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2012De raad van de gemeente Purmerend, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 februari 2012, registratienummer 648853; gelet op de Wet werk en bijstand (WWB), overwegende dat op grond van artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18 lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand; B E S L U I T vast te stellen de hierna volgende 'Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2012'. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepaling 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.Deze verordening verstaat onder: de wet: de Wet werk en bijstand; plan van aanpak: een plan waarin afspraken tussen gemeente en belanghebbende door de casemanager zijn vastgelegd bij de start van het re-integratietraject, gebaseerd op gevoerde gesprekken en eventueel aanvullend onderzoek, gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces of deelname aan sociale activiteiten; belanghebbende: degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen in de periode waarop de afstemmingswaardige gedraging betrekking heeft. Hoofdstuk2Bepalingen aangaande de afstemming van de uitkering Artikel2Gedragingen De gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet worden onderscheiden in de volgende categorieën: A. Categorie 1 het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, voor zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van bijstand; het later terugkeren van verblijf in het buitenland dan ingevolge artikel 13, eerste lid, onder e, dan wel artikel 13 lid 4 van de wet is toegestaan; het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de wet. B. Categorie 2 het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het UWV WERKBEDRIJF. het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, voor zover dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van bijstand, waarbij het bruto benadelingsbedrag lager is dan € 3.000,00 C. Categorie 3 het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van geboden re-integratie-instrumenten, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het re-integratietraject. het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a WWB, indien van toepassing het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a lid 1 WWB het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 55 WWB, voorzover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 WWB het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel c WWB het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van inlichtingen- en medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, voor zover dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van bijstand, waarbij het bruto benadelingsbedrag hoger is dan € 3.000,00, doch lager dan € 6.000,00 D. Categorie 4 het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. het door eigen toedoen niet (volledig) verkrijgen of behouden van een voorliggende voorziening waaronder begrepen het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van geboden re-integratievoorzieningen, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het re-integratietraject. het zich zeer ernstig misdragen jegens het college en de in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers conform artikel 18 lid 2 WWB. het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van inlichtingen- en medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, voor zover dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van bijstand, waarbij het bruto benadelingsbedrag hoger is dan € 6.000,00, indien er door de bevoegde autoriteiten geen strafvervolging wordt ingesteld. Artikel3Percentage van de verlaging, waarschuwing en individualisering 1.Het college stelt de verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet vast op: 5% van de bijstand gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 10% van de bijstand gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 20% van de bijstand gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; 100% van de bijstand gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie. 2.Het college kan afzien van het verlagen van de bijstand en volstaan met een schriftelijke waarschuwing, als in de voorafgaande twee jaar geen sprake is geweest van een andere verwijtbare gedraging en als de verwijtbare gedraging bedoeld in artikel 2 niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. 3.Het college kan, in afwijking van het eerste lid, het percentage of de duur van de verlaging hoger of lager vaststellen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Artikel4Toepassing verlaging 1.De verlaging, zoals bedoeld in deze verordening, vindt, indien men een uitkering ontvangt, direct en volledig plaats met de eerst volgende uitbetalingen van de uitkering. Indien dit niet mogelijk is, doordat de uitkering inmiddels is beëindigd, dan zal de uitkering over een periode die in het verleden ligt worden herzien. 2.Het college ziet af van een verlaging indien: De gedraging meer dan één jaar voor de constatering van die gedraging door het college plaatsgevonden heeft, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Artikel5Periode van de verlaging, recidive en cumulatie 1.Indien de belanghebbende zich binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, wordt de periode van afstemming, zoals genoemd in artikel 3 lid 1, verdubbeld. 2.In afwijking van het eerste lid kan het college in bijzondere gevallen, waaronder begrepen een derde of volgende verwijtbare gedraging, de bijstand verlagen voor een langere duur, als de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven. 3.Indien er sprake is van meerdere verwijtbare gedragingen, zoals bedoeld in de artikel 2 van deze verordening, die zich tegelijk voordoen, wordt in beginsel alleen de verlaging uit de hoogste categorie toegepast. Artikel6Heroverweging 1.Het college heroverweegt de in artikel 5, tweede lid, bedoelde verlaging, of de verlaging die na een eerdere heroverweging voor een periode langer dan drie maanden is voortgezet, binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot verlaging of voortzetting van de verlaging. 2.In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot beperking, beëindiging of ongewijzigde voortzetting van de verlaging. Hoofdstuk3Slotbepalingen Artikel7Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot het bepaalde in deze verordening. Artikel8Onvoorziene omstandigheden In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel9Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel10Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: "Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2012". Artikel11Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na die van publicatie. 2.De "Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009" wordt op deze datum ingetrokken. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 maart 2012 De griffier, J.F. KammingaDe voorzitter, D. BijlNota-toelichting Toelichting Algemeen De Wet werk en bijstand (WWB) kent de opdracht aan de gemeenteraad (artikel 8 lid 1 onder b) om een verordening vast te stellen voor de verlaging van de uitkering bij het niet nakomen van verplichtingen. In de afstemmingsverordening legt de gemeenteraad vast op welke wijze de uitkering wordt verlaagd wegens onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid of het niet nakomen van verplichtingen. De Afstemmingsverordening WWB regelt de verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 18, tweede en derde lid, WWB. Bij het besluit tot het verlagen van de bijstand én bij de heroverweging vormen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur centrale uitgangspunten. Bij het opstellen van de verordening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de voor invoering van de WWB bestaande wet- en regelgeving op het terrein van maatregelen en boeten ten tijde van de Algemene bijstandswet. Categorie-indeling De normering van de verlagingen bestaat uit een categorisering van gedragingen die betrekking hebben op het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichtingen. Naargelang de ernst van het verwijtbaar handelen worden verschillende gestandaardiseerde verlagingen van de uitkering voorgeschreven. De categorisering van de gedragingen corresponderend met de aan de uitkering verbonden verplichtingen, brengt in samenhang met de genormeerde afstemming van de uitkering tot uitdrukking welk gewicht aan het niet voldoen van een bepaalde verplichting wordt toegekend. Daarnaast wordt bij uitkeringsfraude een verlaging toegepast die is afgestemd op de hoogte van de ten onrechte ontvangen bruto-uitkering. Teneinde de eerste administratieve overtreding c.q. vergissing niet direct te doen leiden tot verlaging van de uitkering is overigens de mogelijkheid van de schriftelijke waarschuwing geopend. Doelmatigheid staat voorop Ook de afstemming van bijstand is erop gericht de zelfstandige voorziening in de bestaanskosten te bevorderen. Naarmate het niet nakomen van een verplichting concretere gevolgen heeft voor het verkrijgen van betaalde arbeid, neemt de ernst van het feit toe. Bij de beoordeling van de ernst van het feit is derhalve onder meer van belang of er sprake is van onvoldoende eigen initiatief en de kansen op arbeidsinschakeling door eigen toedoen worden verminderd of zelfs teniet worden gedaan. Door de normering van de afstemming in deze verordening wordt beoogd rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te bevorderen, zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tot individualisering, door altijd te kijken of de situatie van de uitkeringsgerechtigde aanleiding kan geven om af te wijken van de standaard verlaging. Wijze van toepassing van de verlaging De verlaging van de uitkering zal naar rato op de samengestelde bijstandsuitkering (algemene norm en gemeentelijke toeslag) worden toegepast. In het geval van een jongmeerderjarige, die naast de algemene bijstand bijzondere bijstand ontvangt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zal de verlaging op de algemene bijstand en de bijzondere bijstand worden toegepast. Hierdoor worden de consequenties van verwijtbaar gedrag over de hele toegekende bijstand geëffectueerd. Heroverweging Het college kan de verlaging voor een bepaalde periode opleggen of totdat de uitkeringsgerechtigde de tekortkomingen heeft hersteld. Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van de uitkeringsgerechtigde aanleiding geven de beslissing te herzien. Langdurigheidstoeslag en afstemming De wet biedt uitdrukkelijk de keuze om of de bijstand of de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de wet, te verlagen. In deze verordening is er voor gekozen om alleen de verlaging van de bijstand te regelen. Verlaging van de langdurigheidstoeslag stuit namelijk op een aantal bezwaren. Deze toeslag wordt eenmaal per jaar op aanvraag toegekend. Het tijdstip van uitbetaling varieert dus per geval, wat een eventuele verlaging technisch lastig uitvoerbaar maakt (verlaging gedurende meer dan één maand is per definitie onmogelijk). Bovendien heeft het niet nakomen van de arbeidsverplichting consequenties voor het recht op de langdurigheidstoeslag en zou dus in beginsel moeten leiden tot weigering of tot terugvordering als de toeslag reeds is uitbetaald. Verlaging is dan niet aan de orde. Dit brengt het bezwaar met zich mee dat bij de uitvoering telkens de keuze zou moeten worden gemaakt tussen verlaging van de bijstand of de langdurigheidstoeslag. Het buiten bereik van de verordening laten van de langdurigheidstoeslag waarborgt een gelijke behandeling. Dit staat overigens een verlaging rechtstreeks op grond van artikel 18 van de wet niet in de weg wanneer de situatie zich voordoet dat verlaging van de bijstand niet mogelijk is. Artikelsgewijze toelichting Artikel 2 A. Categorie 1 Deze bepaling doelt op relatief lichte schendingen van de algemene, uit de wet voortvloeiende inlichtingen- en medewerkingsplicht, zoals het niet tijdig inleveren van de inkomstenverklaring, het niet tijdig ondertekenen van het trajectplan of het niet naar behoren verstrekken van inlichtingen die van belang kunnen zijn bij de arbeidsinschakeling. Essentieel is dat het moet gaan om inlichtingen die, als ze wel tijdig zouden zijn verstrekt, geen consequenties hebben voor (de hoogte van) het recht op bijstand. Overigens kan het niet verstrekken van bepaalde inlichtingen er natuurlijk wel toe leiden dat het recht niet kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld in de situatie waarin de belanghebbende ook na het verstrijken van de hersteltermijn geen inkomstenverklaring inlevert of niet verschijnt op een oproep voor een periodiek heronderzoek. Voor een doelmatige controle op het recht op uitkering is het van belang dat de uitkeringsgerechtigde tijdig meldt dat hij of zij Nederland verlaat en niet langer dan de gehanteerde grens voor vakantieduur in het buitenland verblijft. Hierbij valt te denken aan het tijdig kunnen uitvoeren van (tussentijdse) heronderzoeken, teneinde na te gaan of de uitkeringsgerechtigde nog recht heeft op een uitkering, dan wel of de vrijstelling van de arbeidsverplichtingen gehandhaafd dienen te blijven. Tevens wordt van de uitkeringsgerechtigde verwacht dat hij tijdig terugkeert uit het buitenland, zodat er een doelmatige controle van de uitkering plaats kan vinden en uitkeringsgerechtigde ook beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en/of een (activerings)traject. De aanvullende verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij aanvang van de bijstand als in een later stadium, zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om de aanvullende verplichtingen genoemd in de artikelen 55 tot en met 57 WWB, die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of verband houden met aard en doel van de bijstand. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de verplichting mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject of de verplichting een medische behandeling te ondergaan. B. Categorie 2 De WWB hecht een groot belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB). Om voor actieve bemiddeling door het Centrum voor Werk en Inkomen (UWV WERKBEDRIJF) in aanmerking te komen is registratie onontbeerlijk. Het is bovendien een eerste, betrekkelijk eenvoudige stap op weg naar re-integratie in het arbeidsproces. Het niet ingeschreven staan bij het UWV WERKBEDRIJF betekent onvermijdelijk een vertraging van de re-integratie, in het bijzonder voor de doelgroep die geacht wordt op eigen kracht naar reguliere arbeid uit te stromen. Juist omdat registratie bij het UWV WERKBEDRIJF veelal onmisbaar is voor een succesvolle re-integratie, is deze gedraging in de tweede categorie geplaatst. De hier genoemde gedragingen zijn vergelijkbaar met die van de eerste categorie onder a, maar met dit verschil dat het in deze categorie gaat om inlichtingen die direct van invloed zijn op het recht op bijstand. Men moet hierbij met name denken aan gegevens over de woonsituatie of over de hoogte van genoten inkomsten of middelen die tot het vermogen worden gerekend, waarvan de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat deze van invloed zijn op het recht op bijstand. Er kan in deze situaties sprake zijn van fraude als de belanghebbende de bedoelde inlichtingen bewust heeft verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager vaststellen van het recht op bijstand of tot beëindiging van de bijstand. Door de indeling van de verlagingen te koppelen aan het benadelingsbedrag wordt beoogd een proportionele verlaging toe te passen. Wanneer de bruto-benadeling minder bedraagt dan € 3.000 wordt dit gerangschikt in de tweede categorie. C. Categorie 3 Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld sprake ingeval ontvangen middelen op onverantwoorde wijze zijn besteed. Deze gedraging heeft betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De belanghebbende is verplicht sollicitaties te verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het minimum aantal verplichte sollicitaties zal onder andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde re-integratie-instrumenten of om deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie. De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen gevolgen kan hebben voor de duur van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking aan een traject zal immers leiden tot vertraging van dat traject. De gedragingen in deze categorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject (definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij het re-integratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien van een diagnostisch onderzoek. Verwezen wordt naar de toelichting bij cat. 2 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.