Beleidsregels individuele verstrekkingen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2010Hoofdstuk1Nieuw Hoofdstuk Hoofdstuk2Inhoud Inleiding 4 1. Vorm van de te verstrekken voorzieningen........................................................... 6 1.1. Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken ............................................. 6 1.2. Het persoonsgebonden budget.................................................................................. 6 1.3. Algemeen gebruikelijk……………………………………………………………………... 7 2. Woonvoorzieningen................................................................................................. 10 2.1 Uitsluitingen................................................................................................................ 10 2.2 Vormen van woonvoorzieningen................................................................................ 10 2.3 Beperkingen ............................................................................................................... 15 2.4 Overige woonvoorzieningen ...................................................................................... 17 2.4.1 Woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard........................ 21 2.5 Procedure bij bouwkundige aanpassing .................................................................... 26 2.6 Voorwaarden voor verstrekking PGB en uitbetaling financiële tegemoetkoming...... 27 2.7 Kosten van woningaanpassingen .............................................................................. 28 2.8 Opstalverzekering ...................................................................................................... 28 2.9 Kosten in verband met woonruimteaanpassing......................................................... 28 3. Hulp bij het huishouden .......................................................................................... 30 3.1. Mogelijke voorzieningen............................................................................................. 30 3.2. Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden ............................................. 31 3.3. Voorliggende voorzieningen ...................................................................................... 33 I Bijlage hoofdstuk 3 ‘Handreiking normering hulp bij het huishouden’ ....................... 34 4. Lokaal verplaatsen per vervoermiddel .................................................................. 36 4.1. Vormen van vervoersvoorzieningen .......................................................................... 36 4.2. Doel van het vervoer .................................................................................................. 38 4.3. Vormen van vervoersvoorzieningen .......................................................................... 41 4.3.1. Een persoonsgebonden budget ................................................................................. 41 4.3.2. Een financiële tegemoetkoming................................................................................. 42 4.3.3. Een voorziening in natura .......................................................................................... 44 I Bijlage hoofdstuk 4 ‘Lijst algemeen gebruikelijke autoaanpassingen’ ....................... 48 5. Verplaatsen in en rond de woning: de rolstoel ..................................................... 49 5.1. Verplaatsen in en rond de woning ............................................................................. 49 5.2. Vormen van rolstoelvoorzieningen............................................................................. 49 5.2.1. Handbewogen rolstoelen ........................................................................................... 51 5.2.2. Elektrische rolstoelen................................................................................................. 52 5.2.3. Kinderrolstoelen ......................................................................................................... 52 5.2.4. Diversen ..................................................................................................................... 53 6. Het medisch advies.................................................................................................. 54 7. Verkrijgen van voorzieningen en motiveren van besluiten ................................. 58 7.1. Aanvraag.................................................................................................................... 58 7.2. Onderzoek – Doelgroep............................................................................................. 58 7.3. Motiveren van besluiten ............................................................................................. 63 Lijst met afkortingen................................................................................................... 65 Hoofdstuk3Inleiding Voor u liggen de beleidsregels individuele verstrekkingen Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) van de gemeente Nunspeet. Samen met de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2010 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet vormen de beleidsregels een sluitend geheel aan regelgeving voor de WMO. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht: “1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.” Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen eenvoudig naar worden verwezen. Uiteraard is het wel zo dat besluiten volgens de beleidsregels moeten worden genomen. Dit sluit uiteraard niet uit om bij gewijzigd beleid de beleidsregels aan te passen. De Verordening is door de gemeenteraad vastgesteld. Het Besluit en de Beleidsregels worden door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. het Besluit en de Beleidsregels mogen dus niet in strijd mogen komen met de Verordening. De beleidsregels volgen in principe de opbouw van de verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop individuele voorzieningen worden verstrekt: woonvoorzieningen, hulp bij het huishouden, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoersvoorzieningen) en verplaatsen in en rond de woning (rolstoelen). De beleidsregels beginnen met een hoofdstuk over de vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen (hoofdstuk 2 van de verordening). Het eerste hoofdstuk van de verordening (algemene bepalingen en met name het onderdeel beperkingen) is opgenomen in hoofdstuk 7, het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten. Tot slot een hoofdstuk dat handelt over het medische advies. In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op het ICF. De verschillende hoofdstukken zijn aangevuld met het verstrekkingenbeleid. Artikel 4 van de WMO, het artikel dat gemeenten de opdracht geeft tot het verstrekken van individuele voorzieningen, luidt: 1. “Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: a. een huishouden te voeren; b. zich te verplaatsen in en om de woning; c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. 2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.” Net als in de verordening is er in deze beleidsregels van uitgegaan dat onder het voeren van een huishouden zowel de woonvoorzieningen als de hulp bij het huishouden moeten worden verstaan. Onder het zich verplaatsen in en om de woning is de rolstoelvoorziening gerekend. Onder het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel zijn de vervoersvoorzieningen begrepen. Bij de uitwerking van lid 2 van artikel 4 van de WMO moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan het tweede deel van deze bepaling, dat luidt: “houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.” Het is deze bepaling die het college in staat stelt inkomensgrenzen te stellen voor bepaalde voorzieningen bij een bepaald inkomen. Bij een bepaald (verzamel)inkomen wordt bijvoorbeeld verondersteld dat een aanvrager een auto (of een daarmee vergelijkbare voorziening) zelf kan bekostigen. Een dergelijke inkomensgrens bestond in de WVG ook al, maar was daar gebaseerd op het begrip ‘algemeen gebruikelijk’. Dit was een begrip dat vooral in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep was uitgewerkt, en met name leidde tot een inkomensgrens voor vervoersvoorzieningen. De formulering van artikel 4 lid 2 van de WMO is echter veel algemener. Er kan zelfs gedacht worden aan een toepassing waarbij alle individuele voorzieningen boven een bepaald (verzamel)inkomen niet meer verstrekt hoeven te worden. Het is duidelijk dat dit een belangrijk sturings- of besparingselement is. Probleem is evenwel op welke plaats, bij welk inkomen, deze inkomensgrens gelegd moet worden. De grens te laag bepalen kan aanvragers benadelen. Het bepalen van een goede inkomensgrens waarbij sommige voorzieningen of alle voorzieningen niet meer onder de werking van de WMO vallen is ingrijpend en vergt zorgvuldig onderzoek. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning zijn de grenzen vastgelegd. Hoofdstuk1Vorm van de te verstrekken voorzieningen Paragraaf1.1Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken Artikel 6 van de WMO bepaalt het volgende: “ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Gevolg van deze regel is dat drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant-en-klaar krijgt. Artikel 6 van de WMO bepaalt dat een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een Persoonsgebonden budget (PGB). Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 van de WMO: “Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.” In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen PGB genoemd worden. Ook wordt soms een financiële tegemoetkoming verstrekt als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding die op declaratiebasis wordt verstrekt. Paragraaf1.2Het persoonsgebonden budget Artikel 3 van de verordening bepaalt: “Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet neergelegde criteria.” Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 van de WMO. In de parlementaire behandeling van de WMO is aangegeven dat uitzonderingen mogelijk zijn, onder andere als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. In een Algemeen Overleg over een aan de WMO verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals collectieve vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een PGB zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor degenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een naturavoorziening wegvallen. Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een PGB van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel wordt in het hoofdstuk vervoer nader uitgewerkt. In artikel 1.2 van het Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Nunspeet is bepaald dat de verstrekking in de vorm van een PGB niet plaatsvindt als het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een PGB. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de aanvrager in een schuldsaneringstraject zit. Verder is bepaald dat de verstrekking in de vorm van een PGB bij roerende woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen niet plaats vindt als duidelijk is geworden dat sprake is van een progressief ziektebeeld of wanneer het een kind in de groei betreft. Om kapitaalvernietiging te voorkomen is deze beperking opgenomen. De achtergrond hiervan is dat dergelijke hulpmiddelen (en de aanpassingen daarvan) vaak verstrekt, vervangen en aangepast moeten worden waardoor een reguliere afschrijvingstermijn van het hulpmiddel doorgaans niet haalbaar is. In de uitvoering wordt duidelijk in welke situaties een weigering op zijn plaats is. Als het nodig is, zullen deze nieuwe situaties later aan het besluit worden toegevoegd. Artikel 6 van de verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het PGB. De eerste voorwaarde daarbij is dat een PGB alleen verstrekt wordt voor individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen PGB verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren, worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: als de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een PGB verstrekt moet worden, kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: - Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft. - Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg. - Of het gaat om een voorziening voor een incidentele zorgbehoefte. Omvang van het PGB De omvang van het PGB moet bepaald worden. Volgens artikel 6 van de verordening is de omvang van het PGB afgeleid van de tegenwaarde van de in de desbetrefende situatie goedkoopst adequate te verstrekking voorziening in natura, als nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet. Hierbij worden twee mogelijkheden onderscheiden. Enerzijds het PGB voor hulp bij het huishouden, anderzijds het PGB voor voorzieningen afkomstig uit de WVG, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. PGB hulp bij het huishouden De hoogte van het PGB voor hulp bij het huishouden is afhankelijk van: - het aantal uren huishoudelijke hulp; - de categorie hulp (1 of 2). Hoe de omvang van het aantal uren hulp bij het huishouden wordt bepaald staat verder beschreven in hoofdstuk 3. Het uurtarief voor categorie 1 of 2 is afgeleid van de kosten van de voorziening in natura. Bij de bepaling van het PGB uurtarief is aangesloten bij de loonschalen zoals deze ook gehanteerd worden door aanbieders van hulp bij de huishouden in natura. PGB individuele hulpmiddelen Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de WVG moet per toekenning een berekening gemaakt worden omdat bijvoorbeeld elke rolstoel die enige aanpassing behoeft, uit zal komen op een ander bedrag. De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt, zijn daarbij uitgangspunt. Dat wordt bij onroerende woonvoorzieningen vaak afgeleid van een offerte. Bij rolstoelen en vervoersvoorzieningen als een scootmobiel is het bedrag gelijk aan het bedrag wat de gemeente zou moeten betalen aan de leverancier. In het besluit zijn deze criteria vastgelegd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt dus uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal vaak sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het PGB. Het is immers niet de bedoeling dat een PGB meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen kan ervan uitgegaan worden dat ook met een PGB een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. De voordelen van het PGB zijn duidelijk: zelf het heft in handen nemen, zelf de eigen zorg organiseren en zelf bepalen wie (wanneer) komt helpen. De keuze voor een PGB leidt echter ook tot verplichtingen en verantwoordelijkheden. Als de aanvrager kiest voor een PGB is men zelf verantwoordelijk voor zaken als een juiste besteding, het hebben van de juiste verzekeringen, het voeren van een (salaris)administratie, een correcte verantwoording et cetera. Wanneer de PGBhouder daar ondersteuning bij wenst, dan kan men kosteloos gebruik maken van de ondersteuningsdiensten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Zo zijn er zaken die voor een PGBhouder soms moeilijk zelf te regelen zijn. Denk hierbij aan een verzekering voor loondoorbetaling bij ziekte, het afsluiten van een contract met een Arbodienst of de afdracht aan de belastingdienst. Al deze zaken zitten in het ondersteuningspakket van de SVB. Beschikking uitbetaling PGB Als het PGB berekend is, wordt het bij beschikking aan de aanvrager bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang en duur van het PGB is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het PGB moet worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening moet voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven Programma van eisen (PvE) bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid over de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, wat op zich weer aanleiding kan zijn voor nieuwe aanvragen. Dit is uitsluitend te voorkomen door een PvE onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat PvE voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. In de beschikking moet ook opgenomen worden dat een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd wordt door het Centraal Administratie Kantoor (CAK), kan in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen worden. Wordt de eigen bijdrage/eigen aandeel niet geïnd door het CAK dan wordt het eigen aandeel door de gemeente in mindering gebracht op het PGB. Is de beschikking verzonden, dan kan het PGB beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, als daar aanleiding voor is, maar dat kan ook in termijnen, bijvoorbeeld bij een PGB voor hulp bij het huishouden en bij de verstrekking van een PGB voor een hulpmiddel in de vorm van een huurbedrag. Om de betaling overzichtelijk en efficiënt te houden wordt een budget dat betrekking heeft op periodieke kosten naar evenredigheid vooraf per kwartaal beschikbaar gesteld. Het budget voor een eenmalige verstrekking wordt ook vooraf beschikbaar gesteld, echter nadat de budgethouder een opdrachtbevestiging heeft verstrekt. De controle van het PGB vindt als volgt plaats: Iedere budgethouder moet de volgende stukken bewaren: - de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; - een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening; - of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen. Steekproefsgewijs bepaalt het college bij welke budgethouders deze stukken worden opgevraagd om te controleren of het PGB besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het PGB anders besteed dan bedoeld, dan zal het college het PGB geheel of gedeeltelijk herzien en terugvorderen. Eigen bijdrage/eigen aandeel Artikel 7 van de verordening bepaalt dat bij een te verstrekken individuele voorziening, waaronder een PGB, een eigen bijdrage/aandeel verschuldigd is. De eigen bijdrage wordt berekend door het CAK. Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2010 doet men aangifte over 2009, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2008 in 2010 gebruikt wordt. Dit betekent dat soms een voorlopige vaststelling plaatsvindt en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel is daardoor niet altijd mogelijk. Wordt een voorziening niet als PGB verstrekt maar in natura, dan vindt toekenning ook bij beschikking plaats. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. De te betalen eigen bijdrage wordt door de gemeente alleen aangekondigd aangezien de berekening en de inning plaatsvindt via het CAK. Paragraaf1.3Algemeen gebruikelijk In artikel 2 lid 1 onder a van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2010 is geregeld dat geen voorziening wordt toegekend voor zover de voorziening algemeen gebruikelijk is voor een persoon als de aanvrager. Gedurende de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten en de eerste jaren van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft zich op dit terrein jurisprudentie ontwikkeld. Uit die jurisprudentie kunnen enkele algemeen geldende regels worden afgeleid, die nu zijn opgenomen deze beleidsregels Het gaat dan met name om: • de criteria aan de hand waarvan kan worden afgeleid of een bepaalde voorziening al of niet algemeen gebruikelijk is; • in welke gevallen een uitzondering moet worden gemaakt op het principe, dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn vallen buiten de reikwijdte van het verstrekkingenbeleid. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden namelijk als algemeen gebruikelijk beschouwd. De algemene criteria die de Centrale Raad van Beroep hanteert bij het beoordelen of een zaak (product) als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, zijn de volgende: • de voorziening is normaal in de handel verkrijgbaar; • de voorziening is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking; • de voorziening is niet duurder dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel; • de voorziening kan voor een niet-gehandicapte in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend. Individuele toets: bij de beoordeling of sprake is van een voorziening die algemeen gebruikelijk is voor de persoon als aanvrager, moeten altijd de omstandigheden van de aanvrager betrokken worden. Hierna treft u een lijst aan met voorbeelden van voorzieningen die in ieder geval als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Het gaat hier echter niet om een limitatieve opsomming. Een limitatieve opsomming is niet te geven omdat niet voorzienbaar is welke voorziening beoordeeld moet worden. Voorbeelden: • (mobiele) telefoon/abonnement; • centrale verwarming en/of hogere huurkosten i.v.m. c.v.; • wasdroger; • keramische/inductie kookplaat; • luchtzuiveringsapparaten, airco’s in auto’s en luchtbevochtigers; • automatische transmissie; • stuurbekrachtiging; • een zogeheten 'Click 'n Go' -systeem. Dit is een automatische koppeling die zowel in personen- als in bestelwagens is in te bouwen. Dit systeem is vergelijkbaar met een automatische transmissie en bij de gewone autodealer verkrijgbaar; • bromfiets, snorfiets, bromfietsscooter; • fiets met hulpmotor zoals Spartamet en of een fiets met (elektrische) trapondersteuning; • fiets met lage-instap; • fiets met lage instap + hulpmotor; • alle typen kranen zoals hendelmengkraan en/of thermosstatische mengkraan; • woningsanering bij verhuizing naar nieuwe woning zonder acute noodzaak; • waterbed; • verhoogde toiletpot tot 9+ en toiletverhogers; • korfladen in de keuken; • douchekop op glijstangcombinatie; • ligbad; • tandemmet/tandem voor volwassenen, m.u.v. bepaalde gevallen bv. personen met een beperkte visus; • verhuizing, die in relatie tot de leeftijd van de cliënt voorzienbaar en algemeen gebruikelijk is; • een woningaanpassing of andere voorziening aan/in de woning, die in relatie tot de leeftijd, de gezinssituatie of de woonsituatie van de cliënt voorzienbaar was; • eenvoudige handgrepen tot 30 cm. • (geaard) stopcontact in schuur en/of berging Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen is op het gebied van de hulp bij het huishouden: • boodschappendienst; • crèche; • kinderopvang; • gastouder; • alarmering; • maaltijdservice; • financiële administratieve ondersteuning; • hondenuitlaatdienst. Zie paragraaf 3.2 voor een uitgebreide toelichting op gebruikelijke zorg bij hulp bij het huishouden. Algemeen gebruikelijk in een wooncomplex voor ouderen De reeds genoemde voorbeelden zijn algemeen gebruikelijk voor ‘iedere Nederlander’. Daarnaast bestaan er voorzieningen die niet voor iedere Nederlander algemeen gebruikelijk zijn, maar dat wel zijn binnen hun specifieke woonvorm. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een serviceflat, of bij een ouderencomplex. Rechtspraak stelt dat een bewoner van een serviceflat mag verwachten dat deze flat de mogelijkheid biedt om daar als oudere op adequate wijze te kunnen wonen. Het mag dan ook als algemeen gebruikelijk worden beschouwd dat bewoners van een serviceflat in gemeenschappelijke ruimten beschikken over de nodige voorzieningen (zoals een elektrische deuropener). Ook als het voorzieningenniveau in zijn algemeenheid stijgt, mag daarvan nog uitgegaan worden. In een dergelijk geval is niet de gemeente op grond van de WMO, maar de woningeigenaar gehouden deze voorzieningen te bieden. Ook bij de nieuwbouw (of renovatie) van een complex dat specifiek is bedoeld voor bewoning door ouderen en/of gehandicapten of in complexen waar - als gevolg van de vergrijzing - steeds meer ouderen wonen, mag dan worden verwacht dat de woningeigenaar voorzieningen aanbrengt die op die doelgroep zijn gericht. Zo kan bij een dergelijk complex een elektrische deuropener op een gemeenschappelijke toe- of doorgangsdeur als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Uitzondering Bij wijze van uitzondering worden soms toch voorzieningen op grond van de Wmo verstrekt die algemeen gebruikelijk zijn. Die uitzondering doet zich voor als ten gevolge van een plotseling optredende beperking algemeen gebruikelijke zaken moeten worden vervangen die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die beperking immers ook niet gebeuren. Hoofdstuk2Woonvoorzieningen Artikel 4 van de WMO spreekt van: “a. een huishouden te voeren;”, onder welke regel in de verordening zowel wordt verstaan de woonvoorziening als de hulp bij het huishouden. Hulp bij het huishouden zal in hoofdstuk 3 besproken worden. Paragraaf2.1Uitsluitingen Voor alles moet bepaald worden of een van de uitsluitingen van artikel 18 van de verordening van toepassing is: “De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen (hadden) kunnen worden.” Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten de situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is sprake van een van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. Paragraaf2.2Vormen van woonvoorzieningen Artikel 13 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken, als: a. algemene woonvoorziening; b. woonvoorziening in natura; c. PGB; d. financiële tegemoetkoming. Artikel 14 van de verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan de criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op kan lossen. Algemene woonvoorzieningen De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de verordening bedoeld voor situaties betreffende oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg/voorzieningen of betrekking hebben op incidentele (zorg)behoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. In de gemeente Nunspeet zijn (nog) geen algemene woonvoorzieningen aanwezig. Daarom komen de onder b, c en d van artikel 13 van de verordening genoemde verstrekkingsmogelijkheden in aanmerking. Onder deze verstrekkingsmogelijkheden vallen de volgende concrete voorzieningen, een: a. tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; b. bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; c. niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; d. uitraasruimte. Primaat verhuizing Artikel 16 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vaststaat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een al geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. In de WVG-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de WMO wordt dan ook van deze mogelijkheid gebruik gemaakt ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen wordt een goed gemotiveerd besluit genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. - De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost, speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de WVG-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatieadvies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. - Rekening houden met sociale factoren Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt, zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatieonderzoek zo veel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dichtbij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk ‘aan huis’ heeft (eigen bedrijf), moeten de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. - Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapte Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op dit gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, brengt een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich mee dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning kan soms meer financiële consequenties hebben dan de verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook als de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. - Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: - Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al bewoonde woonruimte; a. de kosten van het PGB voor verhuiskosten; b. de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; c. kosten van het eventueel vrijmaken van de woning; d. een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. - De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. - Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder eenvoudig kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen. - Een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen. - De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen. - Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. De kosten zijn het uitgangspunt bij de afweging van het primaat van een verhuizing naar een adequate woning. Maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. In verband met de verhuiskosten en dergelijke wordt het zogenoemde ‘primaat van de verhuizing’ doorgaans pas gehanteerd, als de kosten van de woonruimteaanpassing meer dan € 7.500,-- bedragen. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Als vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing of aanpassen. Soms zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld omdat men graag wil blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of ervan uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een verhuiskostenvergoeding wordt vaak in de vorm van een PGB toegekend. Dit is in drie situaties mogelijk aan de orde: 1. De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning. 2. De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de desbetreffende woning niet kan worden aangepast. 3. Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Een PGB in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren (artikel 20 van de verordening). Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen verhuiskostenvergoeding verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 20, aanhef en onder e van de verordening wordt bepaald. Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld wanneer een persoon buiten de WMO-doelgroep een aangepaste woning vrijmaakt. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is aanspraak op een PGB voor verhuisen herinrichtingskosten Het college verstrekt in beginsel geen PGB voor verhuizing en herinrichting, als de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing. De hoogte van het persoongebonden budget voor verhuizing en inrichting is opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Primaat losse woonunit Is een verhuizing niet aan de orde, dan moet beoordeeld worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 17): “Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan.” Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het PvE zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld moet worden. De gemeente kan er dan voor zorgdragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. Aanpassen. Overige (bouwkundige) voorzieningen De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen de woonruimte. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Er wordt ook geen rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook voor het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt – volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de WVG – beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. Paragraaf2.3Beperkingen Hoofdverblijf Artikel 19 van de verordening bepaalt in lid 1: “Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.” Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de WMO-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. In uitzonderingssituaties is sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de desbetreffende ouder is gelegen. Artikel 19 biedt in lid 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: 2. “In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. 3. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. 4. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen maximumbedrag. 5. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.” Deze afwijking is optioneel, overgenomen uit de WVG, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de WMO is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de verordening opgenomen. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend de in artikel 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat niet om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, wat niet past bij een bovenwettelijke taak. Omdat het gaat om een bovenwettelijke voorziening geldt geen resultaatsverplichting. Daardoor kan de gemeente grenzen leggen zonder dat de gemeente gedwongen kan worden meer te doen. Gekozen is voor een beperkte benadering, om te voorkomen dat in deze – bovenwettelijke – situatie meer gedaan zou moeten worden dan in situaties waarin wel sprake is van een compensatieplicht. Bovendien kan er van uitgegaan worden dat ouders als zij gaan verhuizen vaneen een voor hun kind in het verleden geschikt gemaakte woning, rekening houden met het kunnen bezoeken van hun kind, ook in de nieuwe woning. Overige beperkingen woonvoorzieningen Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals in de verordening vastgelegd in artikel 20: “De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd als: a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; d. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; e. de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft; f. de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; g. de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; h. er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden; i. De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. De onder a. genoemde beperking ziet vooral toe op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enzovoort. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager van tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Onder b. wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen moet worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan is dat aanleiding tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of van tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening worden gehouden met de kennis die een gemeente heeft van op dat moment beschikbare geschikte woningen. Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder punt c. vastgelegd. Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. De keuze voor de limitatieve lijst moet natuurlijk wel gemotiveerd worden. Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen vijf jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Ten slotte onder e tot en met i. dat is bij de verhuiskostenvergoeding al besproken. Paragraaf2.4Overige woonvoorzieningen Uitbreiding van ruimten Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima in vierkante meters aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard moet dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven worden: Soort vertrek Bij aanbouw Bij uitbreiding woonkamer 30 6 keuken 10 4 eenpersoonsslaapkamer 10 4 tweepersoonsslaapkamer 18 4 toiletruimte 2 1 badkamer - wastafelruimte 2 1 - doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 berging 6 4 Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk wordt uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld is, gaat het hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal is de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief voor een vaste voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook wordt bij voorkeur met losse voorzieningen gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet-efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook als mensen in een slooppand wonen. Bijzonderheden Voor een aantal bijzondere omstandigheden wordt hierna de specifieke bepaling vastgelegd. Deze bepalingen zijn tot stand gekomen op basis van ontwikkelde WVG jurisprudentie. Zelfwerkzaamheid Als een voorziening (geheel of gedeeltelijk) in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, worden alleen de materiaalkosten aangemerkt en vervalt de post loonkosten. Kosten voor het inschakelen van een architect kunnen alleen worden vergoed als hiertoe een noodzaak is vastgesteld. Dit is alleen het geval bij ingrijpende aanpassingen. Ingeval van zelfwerkzaamheid aanvaardt de gemeente geen aansprakelijkheid voor de gevolgen van ondeugdelijk, dan wel ondeskundig aangebrachte voorzieningen. Zelfwerkzaamheid wordt alleen toegestaan als de totale kosten beneden een bedrag van € 7.500,-- blijven. Uitbetaling vindt eerst na indiening van gespecificeerde facturen plaats. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van aanwijzingen duidelijk is geworden dat de aanvrager (technische) problemen heeft bij zelfwerkzaamheid. Trapliften Een traplift is een woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij het traplopen op te heffen (verticaal verplaatsen). Afhankelijk van de situatie in de desbetreffende woning en/of de handicap zijn de volgende trapliften mogelijk: - stoeltraplift; - plateaulift; - stalift. Een plateaulift of stalift wordt alleen in bijzondere situaties verstrekt. Beoordelingscriteria De gehandicapte moet belemmeringen ondervinden bij het traplopen en traplopen is medisch gezien niet meer mogelijk of medisch gezien niet meer verantwoord. Er moet altijd een afweging gemaakt worden of goedkopere, adequate voorzieningen mogelijk zijn om de belemmeringen die de aanvrager ondervindt bij het traplopen te verminderen en/of te heffen. Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld een extra trapleuning en dergelijke. De voorziening wordt alleen geplaatst als de primaire woonfuncties van de belanghebbenden op meerdere woonlagen gelegen zijn. Sinds een aantal jaren zijn trapliften of delen van trapliften herbruikbaar. Hierdoor is hergebruik mogelijk. Gezien het vaak relatief kortdurend gebruik van een traplift, de mogelijkheden tot hergebruik en het feit dat het gaat om een kostbare voorziening, wordt een traplift alleen in bruikleen verstrekt. Zie ook artikel 1.3 lid b van het besluit. Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen Voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, komen niet voor verstrekking in aanmerking. In hoofdstuk 7.2 wordt het begrip algemeen gebruikelijk nader gedefinieerd. Hierna (2.4 en 2.4.1) staan een aantal voorbeelden van woonvoorzienignen waarbij het begrip algemeen gebruikelijk van toepassing is. Eenhendelmeng- en thermosstatische kranen Omdat een eenhendelmengkraan als algemeen gebruikelijk geacht wordt, is geen sprake van een voorziening in de zin van de WMO. Daarom kan voor deze voorziening geen vergoeding worden verstrekt. Antislipmat Omdat een antislipmat als algemeen gebruikelijk geacht wordt, is geen sprake van een voorziening in de zin van de WMO. Daarom kan voor deze voorziening geen vergoeding worden verstrekt. Aanbrengen en bedienen zonwering aanbrengen: Zonneschermen worden niet aangebracht voor het zelfstandig functioneren in de woning en zijn daarom niet noodzakelijk voor het wegnemen of verminderen van beperkingen in de dagelijkse woonfuncties; daarom geen vergoeding. bedienen: Bij het bedienen van een zonnescherm kunnen ten gevolge van medische redenen beperkingen worden ondervonden (bijvoorbeeld omdat men de kracht er niet meer voor heeft). Het elektrisch bedienbaar maken van de zonwering zou deze belemmering op kunnen heffen. Omdat deze algemeen in de handel verkrijgbaar zijn, valt een dergelijke voorziening in principe niet onder de WMO. De bediening van een zonnescherm is geen activiteit, zonder welke zelfstandig functioneren onmogelijk is. Bovendien is geen sprake van een elementaire woonfunctie. Speel-/hobbykamer Het gebruiken van een hobby-, werk- of recreatieruimte valt niet onder het begrip woonvoorziening. De reden hiervoor is dat geen sprake is van het opheffen van (ergonomische) beperkingen die het normale gebruik van de woning omvatten. Een uitzondering kan worden gemaakt als de belanghebbende bijvoorbeeld alleen via de hobbyruimte toegang tot de woning kan verkrijgen, deze kan dan worden aangepast uit een oogpunt van toegankelijkheid. Een uitzondering kan ook worden gemaakt met betrekking tot een kind. Voor een kind wordt tot de elementaire woonfuncties gerekend dat het kind binnenshuis kan spelen zonder gevaar voor de eigen gezondheid. Als voorwaarde geldt dat dit gevaar niet kan worden beheerst door in redelijkheid te vergen oppas of andere maatregelen. Keukenaanpassingen Omschrijving: Een voorziening in de vorm van een aanpassing aan en/of verbouwing van de keuken. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld: - verhoging/verlaging van het aanrecht; - het ophangen van keukenkastjes op een andere hoogte; - het plaatsen van apparatuur op een sokkel; - het adequaat maken van de keukenkraan; - het gedeeltelijk onderrijdbaar maken van het aanrecht; - het in hoogte verstelbaar maken van het aanrecht; - en als van toepassing het creëren van vervangende kastruimte; - verrijdbare kasten, korven et cetera. De aanpassing/verbouwing van een keuken valt onder een onroerende woonvoorziening. Belanghebbende ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen in het gebruik van de keuken en zonder aanpassingen is gebruik van de keuken niet mogelijk. Aanpassingen aan of verbouwing van een keuken worden verstrekt in eigendom aan de eigenaar van de woning. Bepalingen voor de verstrekking: - Als gebruik wordt gemaakt van een trippelstoel (hoog/laag verstelbaar), is een in hoogte verstelbare keuken niet noodzakelijk, maar kan volstaan worden met het (gedeeltelijk) onderrijdbaar maken van het aanrecht. Vaak kan volstaan worden met het verwijderen van een kastdeurtje. Eventueel kan aan de voorkant van het aanrecht een beugel aangebracht worden, als aanvrager niet met de voeten bij de grond kan komen om zich voort te bewegen. - Als belanghebbende rolstoelafhankelijk is en er is een partner die dezelfde keuken gebruikt, dan kan een hoog/laag verstelbare keuken eventueel noodzakelijk zijn. Afhankelijk van de taakverdeling tussen de partners/huisgenoten kan de goedkoopst/adequate voorziening ook een op twee verschillende hoogten geplaatst werkblad zijn. - Een elektrische hoog/laag keuken wordt alleen dan verstrekt, als de werkhoogten van beide partners verschillend zijn en beide partners dusdanige belemmeringen ondervinden in de handfunctie, dat voor beiden een handmatige verstelling niet te bedienen is. - In een keuken zitten standaard drie kastjes onder het aanrecht en twee kastjes boven het aanrecht, meer kastruimte wordt door de WMO niet vergoed. - Als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt: magnetron, oven, vaatwasser, kookvoorziening, afzuiging, verlichting en dergelijke. Toilet op etage Een woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij het traplopen en de toiletgang te verminderen of op te heffen. Dit kan een vaste voorziening zijn of als goedkoopst adequaat een toilet met vermaler. Bij het verstrekken van een toilet op de etage, moet zorgvuldig de goedkoopst/adequate voorziening afgewogen worden, zowel bouwtechnisch als ook de afweging tot verstrekking van een toiletstoel. Bepalingen voor de verstrekking: 1. belanghebbende ondervindt belemmeringen bij het traplopen en 2. belanghebbende maakt 's nachts regelmatig gebruik van het toilet en de afstand naar het toilet beneden is niet of slechts met grote moeite overbrugbaar en 3. belanghebbende woont zelfstandig en er is geen ander persoon aanwezig, die ondersteuning kan bieden bij het legen van een toiletstoel en belanghebbende ondervindt zelf dusdanige belemmeringen bij het traplopen dat het zelfstandig legen van een po niet mogelijk is en/of 4. gebruik van een toiletstoel is niet mogelijk, omdat met name sprake is van toiletgebruik niet alleen voor urine, maar ook voor ontlasting en 5. geen traplift aanwezig is; 6. als de langdurige noodzaak van de voorziening een punt van discussie is, kan een losse voorziening de meest economische keus zijn; 7. voor vaststelling van een indicatie voor een toilet op de etage zal bij de meeste aanvragen extern medisch advies worden aangevraagd om de goedkoopst/adequate voorziening te beoordelen. Vaak is een toiletstoel een adequate voorziening. Automatische deuropener Een middel waarmee de deur van een woning op afstand geopend kan worden. Een automatische deuropener kan verstrekt worden als aanpassing aan een individuele woning, maar ook als aanpassing aan een gemeenschappelijke ruimte (bijvoorbeeld de ingang van een complex). Betrokkene moet zelfstandig wonen en kan zonder hulp van derden de voordeur van de woning niet openen en/of bereiken. Tijdelijke aanpassingen (huidige) niet adequate woning bij indicatie verhuizing Nadat de noodzaak van een verhuizing is vastgesteld, kan het nog enige tijd duren voordat een adequate woning vrijkomt. Een vergoeding op grond van de WMO voor eenvoudige, tijdelijke aanpassingen (zoals een douchestoel in bruikleen) is mogelijk als de situatie in de huidige woning zodanig is, dat per direct enige aanpassingen noodzakelijk zijn. Het betreft in dit geval kleine, marginale aanpassingen. Als direct grote aanpassingen nodig zijn en de verwachting is dat een nieuwe woning niet direct beschikbaar komt, dan moet opnieuw een afweging tussen aanpassen en verhuizen plaatsvinden. Er bestaat een uitzondering op dit uitgangspunt wanneer een of meerdere adequate woningen zijn geweigerd en daarom langer in de oude, inadequate woning moet worden verbleven. Door het aanbieden van (of wijzen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.