← Nederland

Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Nunspeet 2009 (Nunspeet)

Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Nunspeet 2009De raad van de gemeente Nunspeet; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet d.d. ……, nr. …; gelet op de artikelen 8, lid 1, sub d en artikel 36 van de Wet werk en bijstand; gezien het advies van …; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Nunspeet 2009 Hoofdstuk1Nieuw Hoofdstuk Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. college: het college van burgemeester en wethouders; b. wet: de Wet werk en bijstand; c. bijstandsnorm: de norm bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de wet; d. peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de langdurigheidstoeslag ontstaat; e. belanghebbende: persoon als bedoeld in artikel 36 van de wet. Artikel2Voorwaarden 1Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet komt in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende die op de peildatum gedurende een onafgebroken periode van 36 maanden aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de voor belangheb-bende geldende bijstandsnorm, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. 2Het college geeft in beleidsregels invulling aan de voorwaarde ‘geen uitzicht op inkomensver-betering’. Artikel3Hoogte van de toeslag 1De langdurigheidstoeslag bedraagt: a. voor gehuwden: 40% van de bijstandsnorm voor gehuwden; b. voor alleenstaande ouders: 40% van de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders inclusief de maximale toeslag; c. voor alleenstaanden: 40% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden inclusief de maximale toeslag. 2Het college geeft in beleidsregels invulling aan de voorwaarde ‘geen uitzicht op inkomensver-betering’. Artikel3Hoogte van de toeslag 1De langdurigheidstoeslag bedraagt: a. voor gehuwden: 40% van de bijstandsnorm voor gehuwden; b. voor alleenstaande ouders: 40% van de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders inclusief de maximale toeslag; c. voor alleenstaanden: 40% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden inclusief de maximale toeslag. 2In afwijking van het eerste lid bestaat de langdurigheidstoeslag voor belanghebbenden met een inkomen tussen 105 en 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm 50% van de in het eerste lid genoemde percentages. Artikel4Onvoorziene gevallen In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college. Artikel5Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari

  1. Artikel6Citeertitel Deze verordening kan aangehaald worden als: Verordening Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand gemeente Nunspeet
  2. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van
  3. De voorzitter, De griffier, Toelichting1Toelichting De langdurigheidstoeslag bestaat sinds 2004 als een uitwerking van de wens om te komen tot een aanvulling op het inkomen voor personen die langdurig van een laag inkomen afhankelijk zijn en geen financiële reserve hebben om te reserveren voor onverwachte uitgaven. Vanaf 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd naar gemeenten. Op grond van artikel 8, lid 1, onderdeel d van de wet moet de gemeenteraad bij verordening regels vastleggen voor het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel
  4. De verordening moet in ieder geval betrekking moet hebben op de hoogte van de toeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen lang-durig en laag inkomen. Artikel 2 - Voorwaarden De raad moet bepalen wat verstaan wordt onder het begrip langdurig een laag inkomen. In de oude regeling was de referteperiode op zestig maanden gesteld. Deze periode wordt door veel ge-meenten als te lang ervaren. Een belanghebbende die in de bijstand komt, heeft een beperkte reserve-ringsruimte en zestig maanden wachten op een toeslag om meer bestedingsruimte te krijgen, is dan erg lang. Door het Nibud wordt een periode van 36 maanden redelijk geacht. In de oude regeling mochten de inkomsten niet of zeer gering uit of in verband met arbeid zijn ontvangen. Dit betekende dat iemand die ging werken, maar nog steeds een inkomen ontving op bijstands-norm, geen recht had op de langdurigheidstoeslag. Behalve dat het werken zo niet loonde kon men er zelfs door te werken in inkomen op achteruitgaan, omdat er geen recht meer was op allerlei mi-nimaregelingen. Om werken op een minimumniveau weer lonend en aantrekkelijk te maken, is de eis dat er geen inkomsten uit of in verband met arbeid mogen zijn, losgelaten. De gemeente moet zelf bepalen wat een laag inkomen is, dit kan bijvoorbeeld de bijstandsnorm zijn, maar ook 110% hiervan. De gemeente kent meerdere minimaregelingen. Deze moeten in sa-menhang met elkaar een goed minimabeleid vormen. In de programmabegroting 2009-2012 is de doelstel-ling opgenomen een hogere participatiegraad te bereiken door verruiming van het gemeentelijk mini-mabeleid en een gerichtere aanpak en voorlichting. Om een hogere participatiegraad te bereiken, moeten de voorlichting en de aanvraagprocedure van de verschillende minimaregelingen zo eenvoudig mogelijk worden uitgevoerd. De inkomensgrens voor alle minimaregelingen wordt op 110% van de bij-standsnorm gesteld. Hierin wordt een eenvoudige staffel opgenomen om de armoedeval te beperken. Tot een inkomen op 105% van de bijstandsnorm ontvangt men de volledige toeslag of bijdrage en bij een inkomen tussen 105% en 110% van de bijstandsnorm 50%. Door de zinsnede “geen uitzicht heeft op inkomensverbetering” in artikel 36, lid 1 van de WWB wordt gewaarborgd dat bepaalde groepen met een goed arbeidsmarktperspectief niet in aanmerking komen voor de langdurigheidstoeslag. Bij de totstandkoming van de wet heeft de wetgever gesteld dat studenten zicht hebben op inkomensverbetering en hierdoor in principe niet in aanmerking komen voor de langdurigheidstoeslag (zie TK 2008-2009, 31 441, nr. 12). Het college werkt in beleidsregels verder uit wat bedoeld wordt met “geen inzicht op inkomensverbetering”. Artikel 3 - Hoogte van de toeslag De gemeenteraad moet zelf de hoogte van de langdurigheidstoeslag bepalen. In 2009 mag deze echter niet lager zijn dan voorheen wettelijk was vastgesteld; dit is nu bijna 39% van de bijstandsnorm inclusief maximale toeslag. Een te laag bedrag doet geen recht aan het karakter van de langdu-righeidstoeslag. Een te hoog bedrag werkt niet re-integratiebevorderend en kan leiden tot het optreden van de armoedeval. Voor een eenvoudige en duidelijke uitvoering wordt de hoogte vastgesteld op 40% van de bijstandsnorm, inclusief de maximale toeslag die op 1 januari van het jaar van de peildatum geldt. Om de armoedeval te beperken, ontvangen belanghebbenden met een inkomen tussen 105% en 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm 50% van de in het eerste lid genoemde percentages. Artikel 4 - Onvoorziene gevallen In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college Artikel 5 - Inwerkingtreding In het wetsontwerp is een bepaling over overgangsrecht opgenomen, zodat dit niet in de verorde-ning geregeld hoeft te worden

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.