1.Bij ieder gedeelte van een bouwwerk waar een persoon die werkt of erlangs loopt, mogelijk geraakt kan worden door materiaal, gereedschappen of andere voorwerpen, vallende van meer dan 3,5 m, dienen voorzieningen te worden getroffen om deze personen te beschermen, tenzij andere doelmatige stappen worden ondernomen om het vallen van voorwerpen van zulke hoogten te voorkomen. 2.Steigermateriaal, gereedschappen of andere voorwerpen mogen niet naar beneden geworpen worden maar moeten behoorlijk worden neergelaten. 3.Veilige toegangen moeten beschikbaar zijn naar alle werkvloeren en andere plaatsen waar gearbeid wordt. 4.Alle plaatsen waar wordt gearbeid en iedere toegang tot deze plaatsen moeten voldoende verlicht zijn. 5.Wanneer nodig moet extra verlichting aangebracht worden op alle gedeelten van de steigers en bouwsels waar materiaal naar boven wordt gehesen. 6.Gedurende het bouwen, herstellen en verbouwen, onderhouden of slopen van gebouwen, moeten al de nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen om te voorkomen dat arbeiders in aanraking komen met onbeschermde electriciteitsdraden of electrisch gereedschap, inbegrepen onbeschermde laagspanningsdraden of gereedschap. 7.Uitstekende draadnagels moeten worden ingeslagen of worden verwijderd uit al het materiaal dat wordt gebruikt bij het opstellen van steigers of bekistingen. 8.Op de bouwplaats mag geen materiaal zodanig worden opgestapeld of neergelegd dat het gevaar voor enigerlei persoon kan veroorzaken. 9.Onder elke werkvloer, uitgezonderd beweegbare werkvloeren, waarop wordt gewerkt of waarop materialen worden of zijn geplaatst of worden vervoerd, moet, indien deze meer dan 3.50 m boven de begane grond is gelegen, op ten hoogste 2 m afstand een andere, geheel dichtgelegde vloer van dezelfde breedte en constructie als de werkvloer, een zogenaamde schriksteiger, aanwezig zijn. 10.Wanneer zich boven ingangen van bouwwerken en boven plaatsen waar bij de steiger wordt gewerkt of langs de steiger regelmatig verkeer plaats vindt, een steigervloer op meer dan 3.50 m hoogte bevindt en daar het gevaar bestaat dat men wordt getroffen door vallende voorwerpen, dan moet onder een hoek van 45 een doelmatig valscherm zijn aangebracht. Het valscherm moet zich op ten hoogste 3 m bevinden boven de plaatsen, waar het genoemde gevaar bestaat, tenminste 0.75 m of zoveel breder als in verband met de plaatselijke omstandigheden nodig is buiten de vloer, vanwaar de voorwerpen kunnen afvallen, uitsteken, samengesteld zijn uit planken van tenminste 2 cm dikte en goed bevestigd en ondersteund zijn. Boven ingangen en op andere plaatsen, waar het nodig is, moet in aansluiting aan het valscherm, een doelmatige afdekking zijn aangebracht. Langs een steiger, waar regelmatig verkeer is, moet in aansluiting aan het valscherm een dichte schutting zijn geplaatst. 11.Aarding. Indien steigers zodanig zijn opgesteld, dat zich op, langs, aan of boven deze steigers kabels of leidingen bevinden, welke zijn aangesloten aan een onder spanning staand net, moeten maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de op deze steigers aanwezige personen of de steigers zelf in aanraking kunnen komen met deze kabels of leidingen. Dit dient te geschieden door afscherming van de kabels of leidingen met isolerend materiaal, zoals b.v. plastic omhullingen of rubbermatten, welke zodanig om of over de kabels of leidingen moeten worden aangebracht, dat onopzettelijke verwijdering van deze isolatie uitgesloten moet zijn. Indien de steigers zijn samengesteld uit electrische stroom geleidend metaal, dienen ze bovendien nog van één of meerdere deugdelijke aardleidingen te worden voorzien. De doorsnede van deze aardleiding, indien deze door middel van koperen leidingen wordt uitgevoerd, moet minimaal 25 mm2 bedragen. Indien bandstaal wordt toegepast, moeten de afmetingen minimaal 25 x 2 mm bedragen. Elke ontwikkelde lengte van de steiger van 15 m of minder moet van tenminste één aardleiding worden voorzien. Voor de aarding mag gebruik gemaakt worden van een eventueel aanwezig drinkwaternet van voldoende omvang, behoudens toestemming van het Hoofd van de Watervoorzieningsdienst. Indien dit niet mogelijk is, moet een oplossing hiervoor worden gezocht in overleg met en ten genoegen van de Arbeidsinspecteur. De verbinding van de aardleiding met een stalen onderdeel van de steiger en met een waterleidingbuis moet tot stand zijn gebracht door een deugdelijke klemverbinding of een stevige metalen beugel met schroefbouten, waarbij de aanrakingsplaatsen tussen leiding en buis blank moeten zijn. De aardleiding moet zodanig zijn aangelegd, dat de leiding tegen mechanische beschadiging zoveel mogelijk is beschermd. HOOFDSTUKIIHijs- en hefwerktuigen Algemeen Artikel27 1.Elk deel van de constructie, de aandrijving en de verankerings- en bevestigingsinrichtingen van elke kraan, bok, loopkat en lier en van alle andere hijsmachines en hijsgerei moeten: van goede constructie en degelijk materiaal zijn, en vrij zijn van gebreken; goed worden onderhouden en voor gebruik geschikt worden gehouden; voor zover de constructie het toelaat, tenminste eenmaal per week ter plaatse worden nagezien door de persoon die deze bedient of een andere bevoegde persoon. 2.De nodige maatregelen moeten genomen worden om de maximaal toelaatbare belasting van elke hijsinrichting vast te stellen. 3.De maximaal toelaatbare belasting moet duidelijk aangegeven zijn op: iedere bok, loopkat, lier en takel die gebruikt wordt om een last op te hijsen of neer te laten; iedere hijsmast die gebruikt wordt om een last op te hijsen of neer te laten; iedere kraan. 4.Wanneer een kraan voorzien is van een beweegbare arm, moet de maximaal toelaatbare belasting bij de verschillende standen van de kraanarm, duidelijk daarop worden aangegeven in tonnen van 1000 kg. 5.Een kraan, bok, loopkat, lier of elk ander hijswerktuig of enig deel van zulk een hijswerktuig, mag niet belast worden boven de maximaal toelaatbare belasting. 6.In afwijking van het bovenstaande mag de maximaal toelaatbare belasting in verband met het beproeven van een kraan of een ander hijswerktuig worden overschreden, met inachtneming van de voorschriften die voor deze beproeving worden gegeven. 7.Gedurende het hijsen moeten doelmatige voorzorgsmaatregelen worden genomen om te voorkomen dat een persoon zich onder de last bevindt. 8.Een last mag niet blijven hangen aan een hijsinrichting, tenzij een bevoegd persoon de leiding heeft terwijl de last hangt. 9.Elke kraandrijver of elke persoon die hijsgereedschap bedient moet daartoe bevoegd zijn. 10.Een persoon beneden de leeftijd van 18 jaar mag geen hijstoestel, steigerhijswerktuigen inbegrepen, bedienen of tekens geven aan de persoon die het hijswerktuig bedient. 11.Onder normale werkomstandigheden mag slechts één persoon verantwoordelijk zijn voor het geven van tekens aan de kraandrijver. 12.Wanneer het hijsen of neerlaten gebeurt door middel van een kraan en de kraandrijver of de persoon die de kraan bedient niet in staat is de last geheel te volgen, moeten een of meer personen zodanig worden geplaatst dat zij daartoe wel in staat zijn en zij dienen de nodige tekens te geven aan de kraandrijver of aan de persoon die de kraan bedient. 13Voor elke handeling die verricht moet worden, moet er een duidelijk teken bestaan zodanig, dat de persoon aan wie het gegeven wordt, het gemakkelijk kan horen of zien. Waar een geluids-, kleur-, of lichtteken gebruikt wordt, moet het voortgebracht worden door een daartoe geschikt toestel. Elke draad, gebruikt voor het overbrengen van tekens, dient doelmatig beschermd te zijn tegen toevallige storing. 14.Motoren, tandwielen, drijfwerk, electriciteitsdraden en andere gevaarlijke delen van hijswerktuigen moeten voorzien zijn van doelmatige afschermingen, welke niet verwijderd mogen worden wanneer de machine of het toestel in gebruik is. Wanneer de beveiligingen verwijderd moeten worden, moeten zij zo spoedig mogelijk weer aangebracht worden en in ieder geval voordat de machines en de toestellen weer in gebruik worden genomen. 15.De persoon die een kraan of een soortgelijk hijswerktuig bedient moet, waar nodig, voldoende worden beschermd door een overdekte standplaats of een cabine. Lieren, loopkatten en takels Artikel28 1.Elk gedeelte van de constructie van elke loopkat of lier moet van metaal zijn. 2.Bij het gebruik van staaldraadkabels mag voor handbedrijf de doorsnede van de snaarschijven of de trommels niet minder zijn dan 400 maal de doorsnede van de draden in de kabel, de kern van de kabel uitgezonderd. Deze verhouding wordt voor rustig motorisch bedrijf gesteld op 500 en voor snelhijsend motorisch bedrijf op 600. 3.Wanneer de liertrommel van groeven is voorzien moet, indien r de straal van de groef, d de diameter van de kabel en s de spoed van de groeven is: r = d + 3 mm minimaal zijn; 2 s = d + (1 tot 3) mm minimaal zijn. 4.Liertrommels moeten zijn voorzien van flenzen die de kabel moeten verhinderen van de trommel af te lopen en die tenminste 2½ x d moeten bedragen. 5.Elke kraan, bok, loopkat of lier moet zijn voorzien van een doelmatige reminrichting en van andere veiligheidsvoorzieningen die vereist zijn om het vallen van de opgehangen last te voorkomen. 6.Op elke bok, loopkat of lier moet de bedieningshefboom zijn voorzien van een degelijke grendelinrichting. Ophanging en bevestiging Artikel29 1.Alle kabels of touwen die gebruikt worden op hijsinrichtingen voor het hijsen of het neerlaten van materialen moeten lang genoeg zijn om tenminste twee windingen op de trommel te laten bij iedere werkstand van het werktuig. 2.Staaldraadkabels dienen bij maximum belasting een veiligheidsfactor van tenminste 6 te hebben. Bij het berekenen van de afmetingen van staaldraadkabels mag aangenomen worden dat de kabels slechts onder trekspanning staan. 3.Een ketting of een staaldraadkabel waarin een knoop zit mag niet gebruikt worden voor het ophalen of het neerlaten van een last. 4.Alle hijskabels en kettingen moeten zorgvuldig vastgemaakt worden aan de trommel van de kraan, bok, loopkat of lier waarop zij gebruikt worden. 5.Iedere tijdelijke bevestiging of verbinding aan een kabel, ketting en dergelijke, die gebruikt wordt bij het opstellen of het demonteren van een kraan, moet doelmatig en stevig zijn. 6.Alle kabels die gebruikt worden bij het hijsen of het neerlaten of om een voorwerp te laten hangen, moeten van geschikte kwaliteit en van voldoende sterkte zijn en in goede toestand verkeren. 7.Kettingen, ringen, haken, sluitingen, wartels en takelblokken, die gebruikt worden voor het ophalen of het neerlaten van een last of om een last te laten hangen, moeten beproefd zijn en de maximaal toelaatbare belasting en een aanduidingsmerk moeten in duidelijke cijfers en letters daarop zijn aangebracht. 8.Materiaal dat gebruikt wordt voor verbindingen of om iets te dragen mag niet boven de maximaal toelaatbare belasting worden belast, tenzij voor het doen van proefbelastingen. 9.Kettingen, ringen, haken, sluitingen en wartels die gebruikt worden voor het ophalen of het neerlaten of het dragen, moeten, indien de doorsnede met 15% is verminderd, worden afgekeurd. Dit dient eveneens te gebeuren bij staaldraadkabel waarvan over een lengte van 10 x pd, meer dan 10% van de draden is gebroken. Hierbij stelt d de diameter van de kabel voor. 10.Een haak die gebruikt wordt voor het ophalen of het neerlaten moet: of voorzien zijn van een doelmatige pal om te voorkomen dat de leng of de last van de haak glijdt (z.g. veiligheidshaak), of van een zodanige vorm zijn dat de risico van een dergelijke afglijding zoveel mogelijk wordt verminderd. 11.De delen van haken die mogelijk in aanraking kunnen komen met kabels of kettingen gedurende het ophalen of het neerlaten van lasten moeten afgerond zijn. 12.Waar dubbele of meervoudige lengen worden gebruikt voor het ophalen of het neerlaten, moeten de boveneinden verbonden zijn door middel van een sluiting of een ring; zij mogen niet afzonderlijk worden aangebracht aan een hijshaak. Dit voorschrift geldt niet, wanneer een andere deugdelijke wijze van verbinding wordt gebruikt waardoor voorkomen wordt dat de haak overbelast wordt. 13.Wanneer grote voorwerpen worden opgehaald of neergelaten moet de maximaal toelaatbare belasting van de lengen niet slechts bepaald worden, rekening houdende met hun sterkte, maar ook met de hoek waaronder de lengen zullen staan. 14.Scherpe randen van een last mogen niet in aanraking komen met lengen, kabels of kettingen. 15.Alle kettingen, kabels of lengen en dergelijke, welke gebruikt worden voor het ophalen of het neerlaten of om te dragen moeten regelmatig worden nagezien door een bevoegd persoon, wiens bevindingen opgetekend moeten worden op een certificaat of in een register. Kranen Artikel30 1.Het platform van iedere kraan moet gebouwd zijn van degelijk materiaal en van goede constructie zijn, waarbij rekening moet worden gehouden met de hoogte, de plaatsing en het hijs- en reikvermogen van de kraan. 2.De bedieningsruimte van iedere kraan moet: dichtbeplankt of beplaat zijn; zorgvuldig afgeschermd zijn volgens de voorschriften van dit landsbesluit; voorzien zijn van een veilige toegang; genoeg ruimte bieden aan: in ieder geval de drijver of de persoon die de kraan bedient en indien het een getuide mast met beweegbare arm betreft, ook aan de bediener van de zwenkrichting. 3.Een vaste kraan moet of zorgvuldig verankerd zijn of voldoende verzwaard zijn door ballast om de stabiliteit te verzekeren. Een verplaatsbare kraan moet voorzien zijn van een inrichting om haar te verankeren aan de rails en van wielbreuksteunen. 4.Op ieder platform, iedere rijbrug of andere plaats, waarop een kraan beweegt, moet er, voor zover mogelijk, een vrije ruimte zijn met een wijdte van tenminste 60 cm tussen de bewegende delen van de kraan en vaste delen of de rand van het platform, de rijbrug of de plaats. 5.Indien het tijdelijk onmogelijk is om ergens een vrije ruimte te houden met een wijdte van tenminste 60 cm, moeten de nodige stappen genomen worden om te voorkomen dat personen toegang hebben tot een zodanige plaats, plek, gedurende de tijd dat de kraan daar in gebruik is. 6.De rails waarop een kraan beweegt moeten een voldoende doorsnede en een effen oppervlak hebben en moeten voorzien zijn van buffers of stootblokken. 7.Het in de volgende leden van dit artikel bepaalde is van toepassing op alle loopbanen van beweegbare kranen, welke of op de grond rusten of op een verhoging. 8.Alle rails, waarop beweegbare kranen rijden, moeten, tenzij andere doelmatige voorzorgen zijn genomen om de juiste verbinding te verzekeren en een wezenlijke verandering in de spoorbreedte te voorkomen: verbonden zijn door lasplaten of dubbele stoelplaten; zorgvuldig vastgemaakt zijn op de dwarsliggers. 9.De loopbaan en de draaischijf van een beweegbare kraan moeten worden aangelegd met de grootste zorg en in overeenstemming met degelijke technische beginselen. 10.Verplaatsbare kranen die niet op rails lopen moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat bij normaal gebruik de stabiliteit steeds is gewaarborgd. Onderzoek van kraan-certificaten Artikel31 1.Een kraan mag niet gebruikt worden tenzij zij namens de Arbeidsinspecteur is beproefd en nagezien door een bevoegd persoon en door die persoon een certificaat is afgegeven, waarin staat aangegeven: de naam van de fabrikant; een algemene overzichtstekening op schaal, van de hoofdafmetingen van het hefwerktuig; bovendien voor electrische kranen, een schakelschema; het fabrieksnummer en het jaar van vervaardiging; de maximaal toelaatbare belasting in tonnen van 1000 kg, zonodig onder opgave van de daarbij behorende vlucht; de snelheden van de verschillende bewegingen van de kraan; de proefbelasting en de data van beproevingen; de gegevens betreffende de stabiliteit; bijzondere aanwijzingen voor het gebruik; b.v. de maatregelen te treffen met het oog op storm; de stroomsoort en de spanning van electrische inrichtingen; het al of niet geschikt zijn voor grijperbedrijf en, in eerstgenoemd geval, de aard van het te behandelen materiaal; volledige gegevens betreffende de staaldraadkabels (o.a. slag van de kabel, aantal strengen, dikten van de draden, enz.); bijzondere vermeldingen; regelmaat van beproevingen. 2.Het onderzoek en de beproeving zoals voorgeschreven bij dit landsbesluit moeten worden herhaald: om de zoveel tijd, als in het certificaat is vastgesteld; na alle belangrijke veranderingen of herstelwerkzaamheden aan de kraan. 3.De beproeving van de kranen geschiedt door bij de verschillende afstanden van de boom de maximaal toelaatbare belasting tot 20 ton te overschrijden met 25%, van 20 tot 50 ton te overschrijden met 5 ton, boven 50 ton te overschrijden met 10%. 4.Bij eigendomsoverdracht van kranen moet het certificaat mede worden overgedragen. Dirkkranen Artikel32 1.De maximum-last, waarbij met de uiterste stand van de giek mag worden gewerkt, moet zijn vastgelegd. 2.Wanneer de giek op haar uiterste stand is moeten er tenminste twee kabelwindingen op de trommel van de lier aanwezig zijn. 3.De giek van een dirkkraan met vaste schoren mag niet aangebracht worden tussen de schoren. 4.Iedere kraan met een beweegbare giek moet voorzien zijn van een doelmatig sluitingsmechanisme tussen de koppeling van de giek en de pal op de giektrommel tenzij: de hijstrommel en de giektrommel onafhankelijk van elkaar aangedreven worden; het mechanisme dat de giektrommel aandrijft zelfsluitend is. 5.Waar de tuien van een getuide dirkkraan niet op ongeveer gelijke afstanden bevestigd kunnen worden moeten zodanige maatregelen genomen worden dat de veiligheid van de dirkkraan verzekerd is. 6.Het opstellen van een kraan moet geschieden onder toezicht van een bevoegd persoon. 7.Iedere kraan moet na opstelling en voordat zij in gebruik wordt genomen ter plaatse op de verankering worden beproefd door een bevoegd persoon. 8.Dirkkranen moeten beproefd worden op hun verankering door het belasten van elke verankering met een maximum trekkracht van een last van 25% boven het maximaal toelaatbare, tot 20 ton; een last van 5 ton boven het maximaal toelaatbare, tussen 20 en 50 ton; een last van 10% boven het maximaal toelaatbare, boven 50 ton. Het bedienen van een kraan Artikel33 1.Een kraan mag slechts gebruikt worden voor het loodrecht hijsen of neerlaten van een last, mits de stabiliteit niet in gevaar wordt gebracht. 2.Waar meer dan een kraan of lier noodzakelijk is voor het hijsen of het neerlaten van een last moeten maatregelen worden getroffen dat de kranen of de takels niet worden belast boven hun maximaal toelaatbare belasting of onstabiel worden bij het hijsen of neerlaten van de last en moet een persoon aangewezen worden om toezicht te houden bij het hijsen. Hijstoestellen Artikel34 1.Onder hijstoestellen wordt verstaan: hijsgereedschap voorzien van een platform, dat in geleiders loopt, hetwelk gebruikt wordt voor het hijsen of neerlaten van materiaal. 2.Waar het in gebruik zijnde hijstoestel enigerlei gevaar kan opleveren, dienen hiertegen doeltreffende voorzorgsmaatregelen te worden genomen. 3.De geleiders van hijstoestellen moeten voldoende weerstand kunnen bieden tegen buiging en in het geval van het vastgrijpen van de veiligheidsklemmen, tegen knik. 4.Het platform moet zodanig zijn samengesteld dat veilig vervoer verzekerd is. 5.Op platformen, ingericht voor het vervoer van kruiwagens, moet gezorgd worden dat deze in een veilige stand kunnen worden vastgezet. 6.Indien tegenwichten bestaan uit een verzameling van verscheidene onderdelen moeten deze zodanig zijn gemaakt dat de onderdelen hecht kunnen worden verbonden. 7.Het tegenwicht moet in geleiders lopen. 8.Wanneer twee of meer kabels worden gebruikt, moet de last gelijkelijk over hen verdeeld worden, door middel van een evenaar. 9.Iedere hijskabel moet uit één stuk bestaan. 10.De kabeleinden moeten vastgemaakt worden aan het platform door splitsen en stevig binden met staaldraad, door ingieten of klemmen met gebruikmaking van kabelklemmen; waar mogelijk moeten metalen ogen gebruikt worden. 11.Kabels moeten lang genoeg zijn om tenminste twee windingen op de trommel te laten, wanneer de kooi of het platform in de laagste stand is, en moeten van zodanige doorsnede zijn dat zij een veiligheidsfactor van tenminste 12 hebben bij maximum belasting. 12.Wanneer staaldraadkabels worden gebruikt, mag de diameter van de schijven of trommels niet minder zijn dan 500 x de doorsnede van de staaldraad. 13.Wanneer de trommels van de takels van groeven zijn voorzien moet, indien r de straal van de groef, d de diameter van de kabel en s de spoed van de groeven is: r = d + 3 mm minimaal zijn; 2 s = d + (1 tot 3) mm minimaal zijn. 14.Trommels van lieren moeten voorzien zijn van flenzen die voorkomen dat de kabel van de trommel afglijdt. Deze flenzen moeten tenminste 2½ x d bedragen. 15.Het is niet toelaatbaar de beweging van de last om te keren zonder de last geheel tot rust te brengen. 16.Het mag niet mogelijk zijn de last in beweging te brengen vanaf het platform. 17.Bij het ophijsen moet door pal en palrad of op andere doelmatige wijze het onverhoeds neerdalen worden voorkomen. Bij het neerlaten van lasten moet door een doelmatige, goedwerkende rem of andere inrichting de snelheid kunnen worden geregeld en moet onmiddellijk stilzetten steeds mogelijk zijn, terwijl de zwengel niet mede mag ronddraaien, doch moet zijn afgenomen of ontkoppeld. 18.Wanneer de persoon die het hijstoestel bedient niet elke stand van het platform kan volgen, moeten voorzorgsmaatregelen genomen worden dat een verantwoordelijk persoon, die het platform in iedere stand kan volgen, doeltreffende tekens geeft aan de bediener van het hijstoestel. 19.Gedurende het laden of het lossen moet het platform bovendien verzekerd zijn door middel van klemmen of andere voorzieningen. 20.Boven de hoogste losplaats moet genoeg vrije ruimte aanwezig zijn, voor het geval dat het platform niet bijtijds stilstaat. 21Bovenstaande voorschriften gelden uitsluitend voor hijstoestellen die gebruikt worden voor het hijsen of neerlaten van materiaal. Een hijstoestel mag niet gebruikt worden voor het vervoer van personen tenzij het toegestaan is door de Arbeidsinspecteur. 22.Hijstoestellen dienen voorzien te zijn van een duidelijk leesbaar opschrift waarop staat aangegeven: de maximaal toelaatbare belasting in kilogrammen; eventueel het aantal personen, dat tegelijk vervoerd mag worden; "Verboden voor Personen" op hijstoestellen, uitsluitend voor goederen bestemd.
1.Voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden dat de arbeiders die een kraan of hijstoestel nazien of smeren, voldoende beschermd zijn. 2.Personen mogen niet door een kraan vervoerd worden. 3.Een last dient doelmatig opgehangen of ondersteund te zijn om zo min mogelijk gevaar te veroorzaken. 4.Wanneer los materiaal e.d. vervoerd wordt moet dat zodanig geschieden, dat het vallen van het materiaal wordt voorkomen. Wanneer los materiaal of kruiwagens op een platform worden vervoerd moet het platform van opstaande kanten van voldoende hoogte zijn voorzien. Materialen mogen niet zodanig gehesen of neergelaten worden, dat schokken worden veroorzaakt. 5.Wanneer een laadmast gebruikt wordt, moet deze zodanig door tuien zijn verzekerd, dat deze niet tegen de steigers slaat. 6.Staanders en oplangers van steigerwerk mogen niet als mast voor bevestiging van een draaiarm worden gebruikt. 7.Wanneer geen draaiarm, maar een katrol gebruikt wordt mag deze bevestigd zijn aan een dwarsbalk wanneer deze: voldoende sterk is en bevestigd is aan tenminste twee staanders of oplangers op dezelfde wijze als voorgeschreven voor kortelingen. niet tegelijkertijd dienst doet als een korteling. HOOFDSTUKIIIAlgemeen Hygiënische faciliteiten Artikel36 1.Het bepaalde ten aanzien van was- en badgelegenheden in de artikelen 15, 16, 17 en 18 van het Veiligheidsbesluit I (P.B. 1955, no. 102) is niet van toepassing op bouwwerken. 2.De toepasselijkheid van de artikelen 20 tot en met 37 van het Veiligheidsbesluit I op bouwwerken is ter beoordeling van de Arbeidsinspecteur. Sloopwerk Artikel37 1.Wanneer het te slopen gebouw twee verdiepingen of meer hoog is en de horizontale afstand van de binnenkant van het trottoir tot aan het gebouw 4.50 m of minder is, moet, indien het personenverkeer dit noodzakelijk maakt, het trottoir over de gehele lengte van het gebouw doelmatig worden overdekt. 2.Wanneer de horizontale afstand van de binnenkant van het trottoir tot aan het gebouw meer dan 4.50 m doch minder dan 7.50 m is, kan volstaan worden met een schutting en een valscherm zoals omschreven in artikel 26 sub 10. 3.Een omschrijving van de werkwijze, de volgorde van slopen en de te treffen voorzieningen dienen ter goedkeuring bij de Arbeidsinspecteur ingediend te worden, voordat met het slopen van een verdiepingsgebouw een aanvang wordt gemaakt. Hiervan mag zonder toestemming niet worden afgeweken. 4.Stortkokers moeten worden gebruikt voor de afvoer van stenen e.d. Materiaal dat niet door de kokers kan, moet neergelaten worden. 5.Stortkokers moeten om de twee verdiepingen van richting veranderen. De afvoeropening moet gesloten kunnen worden. 6.Alle openingen in vloeren moeten overdekt zijn, tenzij in gebruik voor het neerlaten van materiaal. Indien dit niet mogelijk is moeten deze openingen voorzien worden van kantplanken en leuningen. 7.Grote stukken muur mogen niet omgetrokken worden op vloeren. Voor de begane-grondmuren is dit slechts toegestaan indien in overleg met de Arbeidsinspecteur de nodige voorzorgsmaatregelen zijn genomen. 8.Wanneer de muren zo dun of zo zwak zijn dat de arbeiders er niet op kunnen staan, moeten dubbele steigers of schragen worden gebruikt. 9.Vloeren mogen niet overbelast worden, materiaal, puin en andere belasting moeten zo spoedig mogelijk worden afgevoerd. 10.Trappen en trapleuningen moeten zo lang mogelijk op hun plaats gelaten worden. 11.Water moet gebruikt worden om stofontwikkeling tegen te gaan, wanneer muren gesloopt worden. Indien water onpraktisch is, moeten de arbeiders de beschikking hebben over respiratoren. 12.Tevens dienen de arbeiders bij het slopen de beschikking te hebben over handschoenen en veiligheidshelmen. Grondwerk Artikel38 1.Grondwerk moet verricht worden met gebruikmaking van alle noodzakelijke voorzieningen, in overeenstemming met degelijke technische principes en rekening houdende met de bodemgesteldheid, de belendende percelen en de eventueel aanwezige kabels, leidingen e.d. 2.Waar arbeiders grondwerken verrichten in sleuven dieper dan 1.80 m, dienen zij de beschikking te hebben over veiligheidshelmen welke zij verplicht zijn te dragen.
Tijdens werkzaamheden bij de bouw, de aanleg, de verbouwing, de herstelling, het onderhoud of de sloping van gebouwen moeten: alle arbeiders veiligheidsschoenen dragen; indien het betreft een verdiepingsgebouw, de arbeiders de beschikking hebben over veiligheidshelmen, welke zij verplicht zijn te dragen. HOOFDSTUKIVSlotbepalingen Artikel40 1.Door of namens de Minister van Sociale Zaken kan van de bepalingen van dit landsbesluit vrijstelling worden verleend. Aan deze vrijstelling kunnen voorwaarden worden verbonden. 2.Zodanige vrijstelling kan te allen tijde worden ingetrokken. Artikel41 1.Dit landsbesluit kan worden aangehaald als "Veiligheidsbesluit II". 2.Het treedt in werking met ingang van de zesde kalendermaand na de datum van zijn afkondiging.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.