Verordening betreffende de volgorde van afvloeiing van het onderwijzend personeel van de openbare scholen voor basis-, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.AFVLOEIINGSREGELING OPENBAAR BASIS-, SPECIAAL EN VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS De raad van de gemeente Almere, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders; gelezen het resultaat van het gevoerde overleg met de daarvoor in aanmerking komende organisaties van onderwijspersoneel; gelet op de bepalingen van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs alsmede het gestelde in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; B E S L U I T: in te trekken de bij besluit van 10 september 1985 vastgestelde "Afvloeiingsregeling openbaar basis, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs"; vast te stellen de navolgende "Verordening betreffende de volgorde van afvloeiing van het onderwijzend personeel van de openbare scholen voor basis, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs". Artikel1(Begripsbepalingen). Deze verordening verstaat onder: school: een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs; belanghebbende: het lid van het onderwijzend personeel, aangesteld aan een van de gemeentelijke scholen; diensttijd: uitsluitend de tijd, doorgebracht in een betrekking: aan een school of inrichting als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel de Overgangswet Wet voortgezet onderwijs (waaronder begrepen vormingsinstituten, de instituten waaraan het nieuw vervolg/beroepsonderwijs wordt gegeven, dan wel de instituten waaraan het deeltijd vervolg/beroepsonderwijs wordt gegeven) en in de wetten die geacht kunnen worden aan de Wet op het voortgezet onderwijs te zijn voorafgegaan; aan een school of inrichting waarop de Kleuteronderwijswet of de Lageronderwijswet 1920 van toepassing is c.q. de onderwijsvormen die in de plaats daarvan zijn of worden ingesteld, met dien verstande dat de tijd voor augustus 1956 doorgebracht aan een school voor kleuteronderwijs slechts meetelt, indien daaruit inkomsten werden genoten (=bewaarscholen); aan een school waarop de Wet op het basisonderwijs of de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs van toepassing is; aan een instelling voor MOopleidingen in de zin van de Wet op de MOopleidingen; aan een instelling waarop de Wet op het hoger beroepsonderwijs van toepassing is; aan een school of inrichting als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs; aan een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen dat gesubsidieerd wordt volgens de Rijksregeling subsidiëring vormingswerk leerplichtvrije jeugd 1964; aan een Nederlandse instelling voor wetenschappelijk onderwijs, de Politieacademie, de Rijksluchtvaartschool, alsmede het militair wetenschappelijk onderwijs aan het Koninklijk Instituut van de marine, de Koninklijke Militaire Academie, de Koninklijke Militaire School en de Hogere Krijgsschool, indien de personeelskosten van de instelling voor ten minste 51% door de overheid worden vergoed ingevolge enige wettelijke bepaling, alsmede de voormalige Mijnscholen in Limburg voorzover het rechtstreeks door de overheid beheerde mijnen betreft; aan een Nederlandse school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs, als bedoeld in artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs, die van overheidswege is aangewezen als bevoegd om aan de leerlingen op grond van met gunstig gevolg afgelegde examens dezelfde diploma's uit te reiken als die welke uitgereikt worden door overeenkomstige uit enig openbare kas bekostigde instelling, dan wel: aan centra voor vakopleiding aan volwassenen en jong volwassenen; aan gestichten, bedoeld in de Beginselenwet Gevangeniswezen en in Rijksinrichtingen als bedoeld in de Beginselenwet voor de kinderbescherming; aan hier te lande gevestigde instellingen die opleiden voor enig geestelijk ambt; aan door de Nederlandse overheid gesubsidieerde muziekscholen; bij een orgaan als bedoeld in de Wet op het leerlingwezen; bij een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel B3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, waarvan de aanwijzing als zodanig op voordracht van de minister van onderwijs en wetenschappen is geschied, dan wel de bekostiging geheel of gedeeltelijk door deze minister plaatsvindt, waarbij mede in aanmerking komt de tijd doorgebracht in een betrekking aan bovenbedoelde instelling die voorafgaat aan de aanwijzing als bedoeld in artikel B3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet; aan de door de minister van onderwijs en wetenschappen of de gemeente bekostigde schoolbegeleidingsdiensten; bij door het Rijk bekostigde Nederlandse scholen in het buitenland en bij door het Rijk erkende scholen in de huidige en voormalige overzeese gebiedsdelen; bij een instelling als bedoeld in de Rijksregeling Basiseducatie; bij een instelling als bedoeld in de Wet op de onderwijsverzorging; alsmede de tijd gedurende welke de belanghebbende als dienstplichtige in Nederlandse militaire dienst was dan wel vervangende dienst heeft vervuld als bedoeld in de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; de belanghebbende in het genot is geweest van een ontslaguitkering vanwege het ministerie van onderwijs en wetenschappen, het ministerie van landbouw en visserij of van de gemeente, voorzover deze ontslaguitkering werd toegekend in verband met ontslag uit een onderwijsbetrekking; de belanghebbende uitsluitend heeft gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van belanghebbende behorende 0 tot 4jarige eigen, stief of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren (verzorgingstijd); met dien verstande dat - een aanstelling voor een bepaald aantal uren per week gelijk wordt geacht aan een aanstelling in volledige dienst; - alleen die diensttijd in aanmerking wordt genomen welke bij het bevoegd gezag desgevraagd is opgegeven onder overlegging van de daarop betrekking hebbende bewijsstukken binnen 3 maanden na de datum waarop de aanstelling is ingegaan. Nadien opgegeven diensttijd wordt voor het vaststellen van de afvloeiingsvolgorde niet meer in aanmerking genomen, tenzij de belanghebbende door niet aan hem/haar te wijten omstandigheden de diensttijd niet eerder kan opgeven c.q. de vereiste bewijsstukken (nog) niet kan overleggen; - bij samenloop van bovengenoemde betrekkingen of situaties de daarin doorgebrachte diensttijd voor de toepassing van de afvloeiings-regeling slechts eenmaal meetelt. De diensttijd behoeft niet aaneengesloten te zijn. Is men in een betrekking als bedoeld onder 1 tot en met 15 aangesteld en heeft men gedurende die periode buitengewoon verlof genoten als bedoeld in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, dan telt die verloftijd als diensttijd mee. vaste aanstelling: aanstelling voor onbepaalde tijd; tijdelijke aanstelling: aanstelling voor bepaalde tijd; afvloeiing: tussentijds ontslag uit een tijdelijk dienstverband dan wel ontslag uit een vast dienstverband van belanghebbende op grond van opheffing van de school of van een betrekking aan de school of wegens zodanige veranderingen in de inrichting van het onderwijs, dat de werkzaamheden van een of meer belanghebbenden overbodig worden; OWBO/WBOprotocol: een voor de desbetreffende basisschool opgestelde lijst die de onderlinge afvloeiingsvolgorde aangeeft van de belang-hebbenden die op 1 augustus 1985 als groepsleerkracht, in vaste dienst, aan die basisschool zijn verbonden, en die op 31 juli 1985 aan een openbare kleuter of lagere school binnen de gemeente waren verbonden; fusieprotocol: een voor de desbetreffende basisschool opgestelde lijst die de onderlinge afvloeiingsvolgorde aangeeft van de belanghebbenden die de dag voorafgaande aan de fusie als lid van het onderwijzend personeel aan een van de bij de fusie betrokken basisscholen verbonden zijn en die op de dag waarop de fusie is gerealiseerd aan de gefuseerde school in vaste dienst zijn aangesteld; verzorgingsprotocol: een voor de desbetreffende school per afvloeiings-categorie opgestelde lijst die de onderlinge afvloeiingsvolgorde op 1 augustus 1991 aangeeft van de belanghebbenden die op 31 juli 1991 als lid van het onderwijzend personeel aan de betrokken school verbonden zijn en die op 1 augustus 1991 aan de betrokken school in vaste dienst zijn aangesteld. Artikel2(Afvloeiingsvolgorde). Met inachtneming van het in het derde en vierde lid bepaalde vindt aan de school afvloeiing plaats in de volgende volgorde: eerst de belanghebbende met een tijdelijke aanstelling, met uitzondering van de tijdelijk aangestelde ter vervanging; vervolgens de belanghebbende met een vaste aanstelling. Binnen elke groepering genoemd in het eerste lid wordt de hiernavolgende volgorde aangehouden: eerst degene die aan het bevoegd gezag schriftelijk te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen afvloeiing te hebben, waarbij de oudste in leeftijd het eerst in aanmerking komt; vervolgens degene die de minste diensttijd heeft, waarbij in geval van gelijke diensttijd de jongste in leeftijd het eerst in aanmerking komt. De directeur van een school voor basis, speciaal of voortgezet speciaal onderwijs vloeit slechts af bij de opheffing van de school. De belanghebbende die op grond van de eerste twee leden van dit artikel voor afvloeiing in aanmerking komt en die de laatste aan de basisschool verbonden groepsleerkracht is, in het bezit van de akte leidster of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs of een hiermee gelijkgestelde akte, wordt tot 31 juli 1992 voor ontslag overgeslagen. Artikel3(Categorieën). Afvloeiing vindt overeenkomstig de in artikel 2 genoemde volgorde voor de volgende categorieën afzonderlijk plaats: personeel aangesteld aan de school als groepsleerkracht; personeel aangesteld aan de school voor het geven van vakonderwijs per vakgebied, zoals aangegeven in het schoolwerkplan; personeel aangesteld aan de school voor het geven van onderwijs in eigen taal en cultuur per taalgroep, zoals aangegeven in het schoolwerkplan. Artikel4(OWBO/WBOprotocol). Burgemeester en wethouders stellen voor elke op 1 augustus 1985 gevormde basisschool een protocol vast met inachtneming van het in de leden 2 en 3 bepaalde. Voor elke basisschool wordt van de belanghebbenden die daar op 1 augustus 1985 als groepsleerkracht in vaste dienst zijn aangesteld en die op 31 juli 1985 aan een openbare kleuter of lagere school binnen de gemeente waren aangesteld. een lijst opgesteld die de afvloeiingsvolgorde aangeeft van degenen die op 31 juli 1985 aan een openbare kleuterschool binnen de gemeente waren verbonden (lijst I) en een lijst opgesteld die de afvloeiingsvolgorde aangeeft van degenen die op 31 juli 1985 aan een openbare lagere school binnen de gemeente waren verbonden (lijst II); de op de onder a respectievelijk b van dit lid bedoelde lijst neer te leggen volgorde van de in dit lid genoemde groepsleerkrachten wordt als volgt bepaald: bovenaan wordt de groepsleerkracht geplaatst die op 31 juli 1985 als hoofdleidster van een openbare kleuterschool respectievelijk hoofd van een openbare lagere school binnen de gemeente was aangesteld. Indien het om meer dan één exhoofdleidster respectievelijk exhoofd gaat, is hun diensttijd bepalend voor hun onderlinge volgorde en in geval van gelijke diensttijd wordt de jongste in leeftijd lager in volgorde geplaatst; voor de overige op de onder a respectievelijk b bedoelde lijst te vermelden groepsleerkrachten is per lijst voor de daarop te vermelden groepsleerkrachten de diensttijd bepalend voor hun onderlinge volgorde met dien verstande dat de groepsleerkracht met de meeste diensttijd direct na de exhoofdleidster(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.