Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting De raad van de gemeente Roosendaal; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 november 2009; gelet op artikel 224 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, in hoofdzaak bestemd voor en gebezigd als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden; b.mobiele kampeeronderkomens:tenten, vouwwagens, kampeerauto’s, toercaravans en soortgelijke onderkomens dan wel soortgelijke voertuigen welke bestemd zijn dan wel gebezigd worden als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden; c.niet-beroepsmatig verhuurde woningen en andere verblijven, of gedeelten daarvan, ruimten: niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, welke niet in hoofdzaak bestemd zijn als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden, doch wel in bepaalde perioden van het jaar voor die doeleinden worden verhuurd dan wel te huur aangeboden; d.vaste standplaats: een terrein of terreingedeelte dat bestemd is voor het gedurende een seizoen of een jaar plaatsen van een zelfde mobiel kampeeronderkomen of stacaravan. Artikel 2 Belastbaar feit Ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente in hotels, pensions,vakantieonderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten en op vaste standplaatsen tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn opgenomen, wordt onder de naam “toeristenbelasting” een directe belasting geheven. Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen; De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt; Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 verblijf houdt. Artikel 4 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf: 1.door degene, die als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of van ouden van dagen verblijft; 2.van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van de voornoemde wet, en voorzover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen. Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot: vakantieonderkomens en niet-beroepsmatig verhuurde ruimten bepaald op het aantal slaapplaatsen; mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen bepaald op: 2 personen indien het aantal slaapplaatsen drie of minder bedraagt; 3 personen indien het aantal slaapplaatsen meer dan drie bedraagt. mobiele kampeeronderkomens op niet- vaste standplaatsen bepaald op de som van het aantal kampeeronderkomens bestemd voor verblijf van maximaal drie personen, vermenigvuldigd met twee en het aantal kampeeronderkomens bestemd voor verblijf van meer dan drie personen , vermenigvuldigd met drie. Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht wordt: ingeval verblijf wordt gehouden in vakantie-onderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten dan wel op vaste standplaatsen, welke geschikt zijn voor gebruik of slechts gebruikt mogen worden gedurende een periode van : ten hoogste drie maanden bepaald op 55; meer dan drie doch ten hoogste zes maanden bepaald op 60; meer dan zes doch ten hoogste negen maanden bepaald op 65; meer dan negen doch ten hoogste twaalf maanden bepaald op 70; ingeval verblijf wordt gehouden in mobiele kampeeronderkomens op niet vaste standplaatsen bepaald op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.