Beleidsregels_Wmo Gemeente Oisterwijk 2012 (juli)Hoofdstuk1.Beoordeling van de te bereiken resultaten Resultaat 1: wonen in een schoon en leefbaar huis Inleiding Tot een schoon en leefbaar huis behoort het zwaar en licht huishoudelijk werk. Het gaat daarbij concreet om het stofzuigen van de woning, het soppen van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het schoonhouden van de in gebruik zijnde ruimten die onder de compensatieplicht vallen. Deze ruimten zijn die ruimten die voor belanghebbende - op het niveau sociale woningbouw - voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Niveau sociale woningbouw betekent dat dit niveau als uitgangspunt wordt genomen. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken. Afwegingskader Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, inclusief in gebruik zijnde berging, exclusief de tuin, schoon en leefbaar te houden. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld het gebruik van de glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant. Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de handicap, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen compensatie nodig is, omdat het probleem al opgelost is. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er zodanige wijzigingen zijn dat het niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen. Is sprake van een latrelatie, dan zal de gemeente nagaan of en in hoeverre de partner bij kan dragen aan het huishouden. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het college compenseren. Bij dit compenseren wordt de systematiek die bestaat uit normen uitgedrukt in uren en minuten aangehouden. Indicatiestelling vindt plaats conform de ‘Richtlijn indicatieadvisering hulp bij het huishouden’ januari 2011 van MO zaak. Als afwegingskader bij het opstellen van het advies en het bepalen van de normtijden wordt deze richtlijn gehanteerd. Indien een mantelzorger beperkingen ervaart bij het voor zichzelf of zijn/haar gezin wonen in een schoon en leefbaar huis kan hij/zij in aanmerking komen voor een voorziening. Resultaat 2: wonen in een geschikt huis Inleiding Daarbij is er één belangrijke voorwaarde voordat er gecompenseerd kan worden: er moet een woning zijn. Iedere Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keuze van een woning wordt uiteraard rekening gehouden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende komende beperkingen rekening wordt gehouden. Als de woning dan nog niet geschikt is kan het college compenseren. Afwegingskader Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. Vakantiewoningen die rechtmatig en permanent bewoond worden kunnen mogelijk aangepast worden wanneer hiertoe noodzaak is. Voorwaarden zijn hierbij dat de aanvrager in bezit is van een gedoogvergunning van de gemeente (rechtmatig verblijf), op het adres van de vakantiewoning ingeschreven staat in het GBA (permanent) en niet over een andere woning beschikt of kan beschikken (hoofdverblijf). Het college beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige frequente mantelzorg of sociaal netwerk. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. ·Binnen 6 maanden moet concreet uitzicht zijn op een bepaalde woning die binnen een afzienbare termijn beschikbaar is (of zal zijn). Dit laatste ter beoordeling van het college met inachtneming van de beperkingen van de aanvrager. · Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de RO-vergunning. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het college allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien. ·Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een hypotheek op de woning te vestigen waarvan niet wordt afgelost, zodat de kosten beperkt blijven tot de rentekosten, waarop bij belastingaangifte renteaftrek mogelijk is, zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken worden. Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt. Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten (portieken en entrees) zal het college ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen als trapliften op een voor eenieder bereikbare plaats in te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen. Bij het bepalen van bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. ŸBij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was omdat deze past bij een normale wooncarrière. ŸWoonvoorzieningen zelf realiseerbaar Het college gaat er in ieder geval van uit dat er sprake is van een onredelijk resultaat in de zin van artikel 4.8 Besluit Wmo gemeente Oisterwijk 2012 indien het inkomen van aanvrager minder bedraagt dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Resultaat 3: beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften Inleiding In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De compensatieplicht is beperkt tot de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Niet hieronder vallen de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. Omdat het mogelijk is om geclusterd (1 keer per week) boodschappen te doen kan de Wmo hierop aansluiten. Indien mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van boodschappendiensten. Soms hebben supermarkten een dergelijke service. Het is ook mogelijk dat vanuit de gemeente een boodschappendienst wordt opgezet. Een boodschappendienst wordt volgens de jurisprudentie aanvaardbaar geacht als er niet al te hoge kosten aan verbonden zijn. Ook het bereiden van maaltijden valt onder dit resultaat. In sommige situaties kan van een maaltijdservice gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant- en klaar maaltijden te koop in de supermarkt die soms (tijdelijk) een oplossing kunnen bieden. Afwegingskader Onder dit resultaat worden gerekend de boodschappen inzake levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo nodig de bereiding van maaltijden. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een boodschappenservice, zowel die beschikbaar gesteld zijn door supermarkten, als die zijn opgezet door de gemeente of door vrijwilligersorganisaties. Als het gaat om het bereiden van maaltijden kan bekeken worden of vormen van maaltijdvoorziening of het gebruik maken van kant en klare maaltijden mogelijk en bruikbaar zijn. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat in de omgeving wonende bekenden en/of kinderen gewend of bereid zijn deze boodschappen te doen. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele voorziening. Bij boodschappen is het uitgangspunt: één keer in de week (geclusterd) boodschappen doen. Een uitzondering wordt door het college alleen gemaakt als volstrekt helder is dat dit niet in één keer per week mogelijk is. De normtijden hiervoor zijn de normen zoals in de Richtlijn indicatieadvisering van MO zaak gehanteerd. Deze normen worden uitgedrukt in uren en minuten. Het resultaat: beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, als individuele voorziening, kan door het college in natura of via een persoonsgebonden budget bereikt worden. ŸIndien een mantelzorger beperkingen ervaart bij het voor zichzelf of zijn/haar gezin beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften kan hij/zij in aanmerking komen voor een voorziening. Resultaat 4: beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding Inleiding Het gaat om het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken of verstellen van alledaagse kleding. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Voor het wassen en drogen van kleding wordt gebruik gemaakt van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een was- en strijkservice. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden. Hierbij kan gedacht worden aan de aanschaf door betrokkene van een wasmachine en/of droger. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding zal het over het algemeen gaan om uitstelbare taken. Alleen als de was niet kan blijven liggen zal dat direct moeten gebeuren. Hier kan dan ondanks de gedeeltelijke gebruikelijke zorg voor geïndiceerd worden. ŸDe normtijden hiervoor zijn de normen zoals in de Richtlijn indicatieadvisering van MO zaak gehanteerd. Deze normen worden uitgedrukt in uren en minuten. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele voorziening. De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding bestaat uit het wassen en drogen daarvan en eventueel licht verstelwerk, zoals het vastzetten van een naadje of het aanzetten van een knoop. Wat betreft het strijken van kleding wordt geen beddengoed, theedoeken, zakdoeken, ondergoed etc. gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken (). Indien een mantelzorger beperkingen ervaart bij het voor zichzelf of zijn/haar gezin beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding kan hij/zij in aanmerking komen voor een voorziening. Resultaat 5: thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Inleiding De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen, bijvoorbeeld een oppasgrootouder, kinderopvang, maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Het gaat hierbij niet om volledige overname maar om tijdelijke ondersteuning tot een andere oplossing is gevonden (zoals voorliggende voorzieningen als bijv. kinderopvang). Dat neemt niet weg dat ook bij het vinden van een structurele oplossing een vanuit de Wmo te verstrekken voorziening aan de orde kan zijn. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang, kinderopvang, opvang door grootouders enz. Ook beoordeelt het college de mogelijkheden van ouderschaps-, zorg-, calamiteitenverlof etc. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele voorziening. Bij tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Dat kan dus gaan om maximaal 40 uur, bij een 40-urige werkweek, plus de noodzakelijke reistijden. Bij de toekenning stelt door het college bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze dient te worden gezocht naar een definitieve oplossing. ŸIndien een mantelzorger beperkingen ervaart in het zorgen voor kinderen binnen zijn/haar gezin kan hij/zij in aanmerking komen voor een voorziening. Resultaat 6: het verplaatsen in en om de woning Inleiding Verplaatsing in en om de woning werd onder de Wvg aangeduid als: de rolstoel. Onder de Wvg werd met de rolstoel aanvankelijk bedoeld: de rolstoel die iemand nodig heeft voor dagelijks zittend gebruik. Zo was het ook in de gemeentelijke verordeningen geformuleerd. Daarnaast werd een sportrolstoel als - bovenwettelijke - voorziening verstrekt, over het algemeen in de vorm van een bedrag ineens. De rolstoel voor incidenteel gebruik, uiteindelijk onder de Wvg de meest verstrekte rolstoel, had eigenlijk geen plaats. Onder de Wmo is er een andere omschrijving. Het gaat dan om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat sluit op zich de rolstoel voor incidenteel gebruik bijna altijd uit, omdat die nu juist daar niet voor bedoeld is, maar voor verplaatsingen over langere afstanden elders, tijdens uitstapjes. Deze rolstoel past daarmee meer onder resultaat 8 en kan ook als algemene voorziening verstrekt worden. Afwegingskader ŸHet gaat om langdurig noodzakelijk gebruik. Als een rolstoel voor een periode van maximaal 6 maanden noodzakelijk is, wordt er geen rolstoel vanuit de Wmo verstrekt. Er bestaat dan geen compensatieplicht voor de gemeente. Er kan voor het compenseren van de verplaatsingsbehoefte een beroep worden gedaan op een rolstoelvoorziening vanuit de hulpmiddelenuitleen van de thuiszorgorganisatie. Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het frequent zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Rolstoelen voor het ‘incidenteel’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken resultaat en zullen dan ook ter beschikking kunnen komen via een algemene voorziening in de vorm van een rolstoelpool of de hulpmiddelenuitleen van de thuiszorgorganisatie. ŸAccessoires die geen onderdeel uitmaken van de rolstoel zelf, zoals bijvoorbeeld schootskleden en regenkleding worden niet verstrekt vanuit de Wmo. ŸBewoners van erkende AWBZ instellingen komen niet in aanmerking voor een rolstoel vanuit de Wmo als zij verblijf en behandeling van de AWBZ instelling ontvangen. Deze behandeling moet plaatsvinden binnen de instelling van verblijf. Als men niet aan deze voorwaarde voldoet, dan komt men in aanmerking voor een rolstoel vanuit de Wmo. Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor frequent zittend gebruik, zal via een medisch (al dan niet) ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verschaft kan worden. Resultaat 7: het lokaal verplaatsen per vervoermiddel Inleiding Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het boven-regionale vervoer. Er wordt geen onbeperkte kostenloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als voor personen zonder beperkingen geldt, dient men voor het vervoer een bijdrage te betalen al dan niet in de vorm van een tarief. Afwegingskader Om voor een individuele voorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Dat kunnen ook fietsen in bijzondere uitvoering zijn, zoals fietsen met trapondersteuning en dergelijke. Als het college dient te compenseren zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de aanvrager/betrokkene uit bestaat. ŸAan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een persoon kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager/betrokkene. Het college beoordeelt of bij personen naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Aan aanvragers jonger dan 5 jaar wordt geen collectief vervoer toegekend. Indien collectief vervoer op medische gronden niet mogelijk is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming eigen auto verstrekken. Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het college of het hebben van beperkingen meerkosten oplevert ten opzichte van de periode voordat er beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een individuele voorziening. Resultaat 8: het hebben van contacten en deelname aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten Inleiding Het laatste op grond van artikel 4 lid 1 van de wet genoemde resultaat is heel algemeen. Het gaat daarbij om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Afwegingskader Het college beoordeelt altijd eerst of andere, algemeen gebruikelijke, voorliggende en andere gemakkelijk zelf te realiseren voorzieningen mogelijk zijn. Als het gaat om een vervoerprobleem zal het college eerst beoordelen of dit via het zevende resultaat opgelost kan worden. ·Als aantoonbare beperkingen van belanghebbende het sporten zonder sporthulpmiddel of sportrolstoel onmogelijk maken. Hoofdstuk2.Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming. Eigen bijdrage en eigen aandeel. Inleiding Artikel 6 van de wet bepaalt in lid 1 het volgende: “Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Door deze bepaling zijn er in de Wmo drie vormen van verstrekking mogelijk om het resultaat dat bereikt moet worden: het compenseren van problemen die een aanvrager ondervindt, te bereiken. De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat het college de aanvrager een voorziening verstrekt, die hij of zij kant en klaar krijgt. Met de voorziening die belanghebbende in natura krijgt moet het probleem voldoende gecompenseerd zijn. De tweede mogelijkheid is de in artikel 6 van de wet verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Als het gaat om hulp bij het huishouden zijn er twee mogelijkheden: een Pgb en een financiële vergoeding voor alfahulp (alleen Hbh 1). De derde mogelijkheid van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.