Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2012De raad van de gemeente Oud-Beijerland; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van .. november 2011, nr Z-11.05897; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de: Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2012 Artikel1Begripsomschrijving Deze verordening verstaat onder: perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; onder voorziening of combinatie van voorzieningen wordt mede verstaan een open water; onder gemeentelijke riolering wordt mede de in het kader van het Gemeentelijk Rioleringsplan door of vanwege de gemeente geplaatste individuele afvalwaterbehandeling (IBA) begrepen water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater; niet-woning: een niet-woning in de zin van artikel 220a, tweede lid, Gemeentewet en een garagebox, voor zover deze niet op de voet van artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ, een samenstel vormt met een woning; gemeentelijke zorgplichten: de zorg voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater zoals aan de gemeente opgedragen in artikel 3.5 en 3.6 van de Waterwet. Artikel2Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voorde gemeente verbonden zijn aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel3Belastbaar feit en belastingplicht 1De belasting wordt geheven: van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, dan wel dat belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten, verder te noemen: eigenarendeel, en van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, dan wel dat belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten, verder te noemen: gebruikersdeel. 2Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebuikt; ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 –voor gebruik is afgestaan, degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan. Artikel4Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 1 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel5Maatstaf van heffing 1Het eigenarendeel van woningen wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. 2Het gebruikersdeel van woningen wordt geheven naar het aantal gebruikers. 3Het eigenarendeel en het gebruikersdeel van niet-woningen wordt geheven naar de waarde in het ` economische verkeer van het perceel. 4Ingeval het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt 5Ingeval voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel6Belastingtarieven 1Het eigenarendeel bedraagt per woning: € 78,00 2Het gebruikersdeel bedraagt per woning: indien de woning op 1 januari van het belastingjaar, of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door één persoon € 23,15 indien de woning op 1 januari van het belastingjaar, of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door meerdere personen € 69,35 3Het eigenarendeel van niet-woningen bedraagt 0,0632% van de waarde in het economische verkeer. 4Het gebruikersdeel van niet-woningen bedraagt 0,0512% van de waarde in het economische verkeer. Artikel7Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel8Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel9Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1Het eigenarendeel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar. 2Het gebruikersdeel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 3Indien de belastingplicht met betrekking tot het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4Indien de belastingplicht met betrekking tot het gebruikersdeel in de loop van het jaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 9,--. 5Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. 6Belastingbedragen van minder dan € 9,-- worden niet geheven. 7Voor de toepassing van de bepalingen in het vierde en zesde lid, wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel10Termijnen van betaling 1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 90,-- en minder dan € 2.500,--, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Artikel11Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing. Artikel12Inwerkingtreding en citeerartikel 1De ‘Verordening rioolheffing 2011’ van 30 november 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012. 4Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2012'. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Oud-Beijerland op 6 december 2011.De griffier, De voorzitter, E.G. Bunt K. Tigeaar Toelichting1Toelichting Verordening rioolheffing 2012 Met ingang van 1 januari 2010 wordt ‘rioolheffing’ geheven in plaats ‘rioolrecht’. Dit was vereist vanwege de gewijzigde regelgeving (artikel 228a Gemeentewet). Het verschil tussen deze heffingen lijkt subtiel, maar is formeel cruciaal. Materieel hangen de verschillen tussen deze twee heffingen af van de wijze waarop gemeenten de nieuwe zorgplicht uitvoeren. Als een gemeente de nieuwe zorgplicht voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater (nog) niet uitvoert, hoeft er behalve de andere naam van de heffing niets te veranderen. De gemeente heft dan in feite een “smalle” rioolheffing. De enige verandering betreft het feit dat ook de zogenoemde IBA-panden in de heffing kunnen worden betrokken, omdat ook de rioleringszorg voor de gemeente wordt verbreed. Met de vaststelling van het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan op 22 november 2011 is vastgelegd hoe de gemeente de nieuwe zorgplichten voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater en de al bestaande rioolzorgplicht gaat uitvoeren met ingang van 2012. De gemeente staat daarna voor enkele keuzes. De kosten voor de oude en nieuwe zorgplicht kunnen worden verhaald met één rioolheffing of met twee afzonderlijke rioolheffingen. De kosten voor de nieuwe zorgplichten zijn (zeker de eerstkomende jaren) marginaal in vergelijking met de kosten voor de oude zorgplicht. Wettelijk is bepaald dat gemeenten niet meer kosten kunnen verhalen dan de werkelijke kosten die men maakt. De invoering van twee afzonderlijke heffingen heeft (op hoofdlijnen) tot gevolg dat voor de nieuwe heffing de opbrengst marginaal is en de kosten als aparte extra belastingsoort nagenoeg gelijk zijn aan de kosten van de “oude heffing”. Indien wordt gekozen voor twee heffingen, moeten er immers twee afzonderlijke “rioolbestanden” worden ingericht, waarbij de afbakening voor de ene heffing anders is dan de afbakening voor de andere heffing. Het SVHW ontraadt over te gaan tot twee afzonderlijke heffingen. Daarnaast geven twee heffingen ook onduidelijkheid voor de burger. Het merendeel van de burgers krijgt dan nl. twee aanslagregels rioolheffing op het aanslagbiljet, met daarbij twee verschillende tarieven. Daarnaast is het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan zodanig ingericht dat geen onderscheid in kosten is gemaakt, waardoor er 1 soort heffing wordt gehanteerd. Nu de gemeente de nieuwe zorgplichten gaat uitvoeren kunnen de daaraan verbonden kosten zoals gezegd worden verhaald met één (de nieuwe) rioolheffing. Bij deze brede rioolheffing is er niet alleen een relatie met de kosten voor de gemeentelijke riolering, maar ook een relatie met de kosten voor de zorg van hemel- en grondwater. Deze laatste kosten staan los van het feit of een object wel of niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Dit heeft tot gevolg dat de fiscale regelgeving met zich mee brengt dat in de brede rioolheffing ook de niet op het riool aangesloten objecten (bijv. garageboxen en loodsen) in de nieuwe heffing moeten worden betrokken. Dit is een bewuste keus van de wetgever en er ontstaat aldus geen situatie waarbij sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing. Bij het voorkomen van een onredelijke en willekeurige belastingheffing is ook de keus van de heffingsmaatstaf van belang. Op dit moment
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.