De Hoofdstukken II en III van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (P.B. 1964, no. 159) en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie, met dien verstande, dat de in artikel 13, eerste en tweede lid, van voornoemde landsverordening bedoelde regelen en regelingen inzake bevordering wel van toepassing blijven op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: §2.Rangen Artikel3 1.Voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar, bedoeld in artikel 5, eerste lid, gelden de volgende rangen: commissaris; hoofdinspecteur; inspecteur; hoofdagent; brigadier; agent; aspirant; hulpagent; 2.Een in het eerste lid eerder genoemde rang is hoger dan een later genoemde rang. 3.De volgende rangen zijn verbonden aan de volgende functies: hulpagent, voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 1, 2 en 3; aspirant voor degene die is aangesteld om de opleiding tot agent of inspecteur te volgen, bezoldigingsschaal 4; agent voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 5; brigadier voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 6 en 7; hoofdagent voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 8; inspecteur voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 9, 10 en 11; hoofdinspecteur voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 12, 13 en 14; commissaris voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 15, 16 en 17; 4.Hij die is aangesteld als aspirant, heeft voor de duur dat hij praktijkstage volgt de rang die verbonden is aan de functie die hij tijdens die stage uitoefent. 5.De Minister kan om redenen van dienstbelang functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 12, 13 of 14, aanwijzen waaraan, in afwijking van het bepaalde in het derde lid, onder g en h, de rang van commissaris is verbonden. §3.Aanstellingseisen Artikel4 1.Aanstelling geschiedt in tijdelijke of vaste dienst. 2.Aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd. Artikel5 1.De aanstelling van de aspirant geschiedt in tijdelijke dienst voor de duur dat de basisopleiding wordt gevolgd. De aanstelling van de hulpagent geschiedt in tijdelijke dienst voor de duur dat de opleiding tot hulpagent wordt gevolgd. 2.Na het voltooien van de basisopleiding respectievelijk de opleiding tot hulpagent vindt aanstelling in tijdelijke dienst plaats als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: voor een proeftijd van ten minste twee en ten hoogste zes maanden indien het een hulpagent betreft voor wie de duur van de aanstelling door het bevoegd gezag is bepaald op een periode van minimaal twee en maximaal vijf jaren; in de overige gevallen voor een proeftijd van zes maanden, zonodig in bijzondere gevallen op verzoek van betrokkene met zes maanden te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met het deel van de proeftijd dat hij niet in actieve dienst was. 3.Na afloop van de in het tweede lid, onder a, bedoelde proeftijd vindt aanstelling in tijdelijke dienst plaats voor de krachtens dat onderdeel bepaalde periode, verminderd met de duur van de opleiding tot hulpagent en de proeftijd. 4.Nadat de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het derde lid, is geëindigd vindt geen aanstelling in vaste dienst plaats, tenzij daartegen geen bedenkingen bestaan bij het bevoegd gezag. 5.De ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, onder b, die de proeftijd volgens het bevoegd gezag zonder bedenkingen heeft voltooid, wordt in vaste dienst aangesteld. 6.In afwijking van het vijfde lid kan de aanstelling van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de proeftijd zonder bedenkingen heeft voltooid, in tijdelijke dienst plaatsvinden: ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar van politie; ter uitvoering van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter. 7.Zodra de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het zesde lid, zich niet meer voordoet vindt zo mogelijk aanstelling in vaste dienst plaats. 8.De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het zesde lid, onder a, kan niet langer duren dan vijf jaren. 9.In het geval, bedoeld in het zesde lid, onder b, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet wanneer betrokkene twee jaar, zonder onderbreking van langer dan een maand, in politiedienst werkzaam is, waarvan laatstelijk ten minste één jaar in zijn huidige functie. 10.Het negende lid geldt niet in die gevallen waarin vaststaat dat de werkzaamheden in de door betrokkene uitgeoefende functie binnen een jaar worden beëindigd. Artikel6 1.De aanstelling van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, kan in tijdelijke dienst voor bepaalde duur plaatsvinden: voor een proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere gevallen op verzoek van betrokkene met één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met het deel van de proeftijd dat hij niet in actieve dienst was; ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar van politie; ter uitvoering van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter; indien betrokkene in dienst wordt genomen als leerling ter opleiding tot een functie binnen de politiedienst dan wel in verband met zijn verdere praktische opleiding of vorming; indien een wijziging in de taak van betrokkene of het politiedienst-onderdeel is voorgenomen. 2.Zodra de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, zich niet meer voordoet vindt zo mogelijk aanstelling in vaste dienst plaats. 3.De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan niet langer duren dan vijf jaren. 4.In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder c en e, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet wanneer betrokkene twee jaar zonder onderbreking van langer dan een maand in politiedienst werkzaam is, waarvan laatstelijk ten minste één jaar in zijn huidige functie. 5.Het vierde lid geldt niet in die gevallen waarin vaststaat dat de werkzaamheden in de door betrokkene uitgeoefende functie binnen een jaar worden beëindigd. Artikel7 Aanstelling of plaatsing in een functie vindt niet plaats van personen die op het tijdstip waarop de door de minister voor die functie vastgestelde leeftijdsgrens, anders dan die genoemd in artikel 118, wordt bereikt, niet ten minste een ononderbroken diensttijd van drie jaren doorgebracht kunnen hebben in een dergelijke functie. Artikel8 1.Voor een aanstelling als aspirant of hulpagent komt uitsluitend in aanmerking degene die: de Nederlandse nationaliteit bezit; van onbesproken levensgedrag is; een lengte van tenminste 170 centimeter heeft. Voor vrouwen geldt een minimum-lengte van 168 centimeter; een leeftijd van tenminste 17 jaar en van ten hoogste 34 jaar heeft; voldoet aan de door de minister te stellen eisen betreffende het geneeskundig en psychologisch onderzoek; voldoet aan de bij het geschiktheidsonderzoek te stellen eisen en voldoet aan de door de minister te stellen eisen met betrekking tot het opleidingsniveau. 2.Voor een aanstelling als ambtenaar van politie, anders dan als aspirant of hulpagent, komt in aanmerking degene die voldoet aan de door de bij landsbesluit vastgestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid voor de uit te oefenen functie, en de eisen, genoemd in het eerste lid, onder a, b, e en g. 3.Betrokkene kan bij een negatieve uitslag van het geneeskundig onderzoek het bevoegd gezag binnen een week na ontvangst van de schriftelijke uitslag schriftelijk en gemotiveerd vragen een nieuw geneeskundig onderzoek te laten instellen. Een dergelijk verzoek kan éénmaal worden gedaan. Het nieuwe geneeskundig onderzoek geschiedt zo spoedig mogelijk. 4.Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het eerste lid, behoeft in spoedeisende gevallen niet vooraf te worden ingesteld, indien betrokkene in tijdelijke dienst wordt aangesteld en zijn dienstverrichting naar verwachting niet langer dan zes maanden zal duren. 5.Bij plaatsing in een andere functie wordt de ambtenaar van politie niet opnieuw onderworpen aan een geneeskundig onderzoek, tenzij voor die functie medische eisen zijn vastgesteld. 6.In zeer bijzondere gevallen, in overeenstemming met de minister, kan degene die niet voldoet aan de in dit artikel genoemde eisen met betrekking tot leeftijd of opleidingsniveau, toch in aanmerking komen voor een aanstelling als ambtenaar van politie. Artikel9 1.Voor aanstelling, plaatsing of detachering in een functie die door de minister is aangewezen als vertrouwensfunctie, komt alleen in aanmerking degene ten aanzien van wie een veiligheids-onderzoek is ingesteld door de daartoe door de minister aangewezen instantie. 2.Er kan slechts tot aanstelling, plaatsing of detachering worden overgaan als op grond van het veiligheidsonderzoek tegen de functievervulling door betrokkene geen bedenkingen zijn gerezen. 3.Indien het veiligheidsonderzoek wel bedenkingen oplevert wordt betrokkene schriftelijk in kennis gesteld van de aard daarvan. Betrokkene kan het bevoegd gezag binnen een week na ontvangst van de bedenkingen schriftelijk en gemotiveerd verzoeken de bedenkingen te heroverwegen. Een dergelijk verzoek kan eenmaal worden gedaan. De heroverweging geschiedt zo spoedig mogelijk. Artikel10 1.Bij de aanvaarding van zijn ambt legt de ambtenaar van politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af: "Ik zweer (verklaar) dat ik onmiddellijk of middellijk, in welke vorm of onder welk voorwendsel ook, tot het verkrijgen van mijn ambt aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd dan wel zal geven of beloven. Ik zweer (beloof) dat ik, om iets hoegenaamd in mijn ambt te doen of te laten van niemand hoegenaamd, onmiddellijk of middellijk, beloften of geschenken zal aannemen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik!)". Daarna legt de ambtenaar van politie de volgende eed of belofte af: "Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en de wettelijke regelingen die in de Nederlandse Antillen gelden, alsmede gehoorzaamheid aan de Gouverneur. Ik zweer (beloof) dat ik mij in de dienst getrouw en ijverig zal betonen, dat ik de mij verstrekte opdrachten met ijver zal volbrengen, dat ik aan niemand anders dan aan hen aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben, zal openbaren zaken die geheim gehouden behoren te worden, en dat ik in het
alles zal doen en laten wat een goed ambtenaar van politie doet en laat. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!" 2.De ambtenaar van politie legt de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van het bevoegd gezag of de door deze daartoe aangewezen persoon. Artikel11 1.Aan de ambtenaar van politie wordt, zo mogelijk voor de aanvaarding van zijn ambt, maar in ieder geval binnen een maand na aanvang van zijn werkzaamheden, door het bevoegd gezag een akte van aanstelling uitgereikt waarin in elk geval worden vermeld: de naam, voornamen en geboortedatum; of de aanstelling geschiedt in tijdelijke of vaste dienst al dan niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij, indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt vermeld of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en zoja voor hoe lang, dan wel voor onbepaalde tijd en de toepasselijke aanstellingsgrond; de functie waarin hij wordt geplaatst; de plaats van tewerkstelling; de datum van ingang van de aanstelling; de bezoldigingsschaal en de bezoldigingstrede die zijn toegekend. 2.Wijziging van de gegevens, genoemd in het eerste lid, wordt de ambtenaar van politie binnen twee maanden schriftelijk door het bevoegd gezag meegedeeld, behoudens wijziging van een regeling waarnaar is verwezen. Artikel12 1.De ambtenaar van politie wordt bij zijn aanstelling schriftelijk door het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie. 2.Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, en andere voor hem geldende regelingen en schriftelijke instructies die hij bij de uitoefening van zijn functie moet naleven, worden op een voor de ambtenaar van politie gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. 3.Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar van politie zo spoedig mogelijk schriftelijk door het bevoegd gezag op de hoogte gesteld. §4.Bezoldiging, vergoedingen en toelagen Artikel13 1.Hoofdstuk IV, behoudens de artikelen 29 en 32, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aspirant en hulpagent die in opleiding is. 2.Op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant en de hulpagent die in opleiding is, zijn uitsluitend de artikelen 14 tot en met 23 van toepassing. Artikel14 1.De bezoldiging en een met die bezoldiging verbonden vergoeding of toelage worden maandelijks of tegen het einde van de kalendermaand waarop de betaling betrekking heeft, betaald door het Land. 2.Wanneer de bezoldiging en een met die bezoldiging verbonden vergoeding of toelage moet worden uitbetaald over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het te betalen bedrag berekend door het voor een maand vastgestelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal dagen gedurende welke de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant en de hulpagent die in opleiding is, in dienst zijn geweest en het product te delen door dertig. 3.Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken, indien daartoe naar het oordeel van de minister op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat. 4.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant of de hulpagent die in opleiding is, betaalt de minister aan de weduwe of weduwnaar een som uit gelijk aan driemaal het bedrag van de inkomsten per maand, op het tijdstip van het overlijden van betrokkene. 5.Indien de overleden ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aspirant of hulpagent die in opleiding is, niet in actieve dienst is, wordt een som uitbetaald gelijk aan driemaal hetgeen hij als inkomsten per maand zou hebben ontvangen, indien hij op de eerste van maand van het overlijden in actieve dienst was geweest. 6.Indien de overleden ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aspirant of hulpagent die in opleiding is, geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan. Ontbreken zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling ten behoeve van zijn ouders, zusters, broers, meerderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan wel stief- of pleegkinderen, indien de overledene in overwegende mate in het levensonderhoud van voornoemde betrekkingen voorzag. 7.Laat de overleden ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aspirant of hulpagent die in opleiding is, ook geen betrekkingen na als genoemd in het zesde lid, dan wordt het bedrag aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. Artikel15 1.Bij de indiensttreding of de overgang naar een andere functie wordt de bezoldigingsschaal bepaald met inachtneming van de aard en het niveau van de functie waarmede de betrokken ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant of de hulpagent die in opleiding is, wordt belast. 2.Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien het niet voldoen aan de opleidingseisen of gebrek aan ervaring met betrekking tot de arbeid die betrokkene in de functie moet verrichten, de verwachting aannemelijk maakt dat zijn wijze van functioneren zich tegen de toepassing van dat artikellid vooralsnog verzet. In dat geval kan de bezoldigingsschaal bepaald worden en gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaren bepaald blijven op ten hoogste twee volgnummers beneden de schaal die met toepassing van het eerste lid in aanmerking zou komen. Indien het functioneren van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aan het einde van het genoemde tijdvak de toepassing van het eerste lid nog niet toelaat, wordt hij geplaatst in een functie waarvan de aard en het niveau in overeenstemming is met de schaal volgens welke hij bezoldigd wordt, of wordt hem ontslag aangezegd. 3.Aard en niveau van de functie worden bepaald aan de hand van functiebeschrijvingen en functieniveau-karakteristieken, welke deel uitmaken van een als bijlage A bij dit landsbesluit gevoegd functiewaarderingssysteem. 4.Anders dan bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in hoofdstuk IX, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, geen bezoldigingsschaal worden vastgesteld die een lagere maximum-bezoldiging bevat dan die welke in de voordien voor hem geldende bezoldigingsschaal aangegeven is. 5.De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die vijf jaren is bekleed met rang van agent, wordt bevorderd tot de rang van brigadier, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25. Artikel16 1.De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant en de hulpagent die in opleiding is, die, anders dan bij wijze van overwerk bedoeld in artikel 23, dienst verrichten tussen 18.00 uur en 6.00 uur ontvangen voor elk door hen binnen de genoemde tijd gewerkt vol uur een toelage van f [lees: Naf] 0,40. Het bedrag van deze toelage kan door de minister in overeenstemming met de Minister van Algemene Zaken bij beschikking worden gewijzigd, indien het feit, dat een voor ambtenaren
geldende wijziging in de bezoldiging is aangebracht, daartoe aanleiding geeft. 2.Een gewerkte tijd van vijftien minuten of meer, doch korter dan één uur, wordt voor de toepassing van het eerste lid als een vol uur aangemerkt. 3.In afwijking van het eerste lid ontvangen de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant en de hulpagent die in opleiding is, die ingevolge het voor hen geldende werkrooster avond of nachtdienst, dienst op zon- en feestdagen of een combinatie van deze vormen van dienst moeten verrichten en die niet in het genot zijn van enige andere ingevolge dit landsbesluit aan hen daarvoor toegekende vergoeding of toelage, de in dat lid bedoelde vergoeding ook in geval van overwerk, verricht tussen 18.00 uur en 6.00 uur. Artikel17 Indien de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, anders dan bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in hoofdstuk IX, wordt belast met een andere functie, als gevolg waarvan zijn bezoldiging op grond van de overige bepalingen van dit landsbesluit een verlaging zou moeten ondergaan, zonder dat de bekleding met die andere functie bij wijze van waarneming, bedoeld in artikel 22, geschiedt of zonder dat ontslag voorafgegaan is, blijft deze verlaging achterwege. Artikel18 1.De bezoldiging van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak wordt verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de naasthogere bezoldigingstrede in de schaal, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag, dat is neergelegd in een formele beoordeling, bedoeld in artikel 25, zijn functie naar behoren vervult. Deze beoordeling vindt voor iedere ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, niet later dan één jaar na zijn indiensttreding of na zijn overgang naar een andere functie en vervolgens ten minste aan het einde van elk jaar plaats. 2.De bezoldiging van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, kan worden verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de eerste bezoldigingstrede volgend op de naasthogere bezoldigingstrede in de schaal, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag, dat is neergelegd in een formele beoordeling, bedoeld in artikel 25, zijn functie zeer goed of uitstekend verricht. 3.Vervult de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, zijn functie naar het oordeel van het bevoegd gezag niet naar behoren, dan blijft verhoging van de bezoldiging achterwege. 4.De in het eerste en het tweede lid bedoelde verhogingen van de bezoldiging worden met ingang van 1 januari van een jaar toegekend, zolang de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de maximum-bezoldiging van de voor hem geldende bezoldigingsschaal nog niet heeft bereikt, doch voor de eerste maal niet eerder dan nadat sinds zijn aanstelling als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, ten minste zes maanden zijn verstreken. Artikel19 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de aspirant en hulpagent die in opleiding is, met dien verstande dat aan een verhoging, bedoeld in het eerste of derde lid, geen formele beoordeling als bedoeld in artikel 25, ten grondslag behoeft te liggen. Artikel20 De bezoldiging van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een deelbetrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van de bezoldiging bij een volledige betrekking. Artikel21 Ingeval de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevorderd wordt naar een functie waaraan een bezoldigingsschaal is verbonden die een hogere maximum-bezoldiging bevat dan die welke voorkomt in de schaal volgens welke hij tot dusver is bezoldigd, wordt hem de bezoldigingstrede in de nieuwe schaal toegekend waarvan het bedrag minstens even hoog is als het procentuele verschil tussen twee bezoldigingstreden in de oude schaal. Artikel22 1.Indien de taakuitvoering continuïteit in de uitoefening van een functie veronderstelt en geen andere ambtenaar van politie voor de uitvoering van die taak is aangesteld, die deze geheel of gedeeltelijk kan waarnemen, dan wel indien het dienstbelang zulks vordert, wordt de daarvoor in aanmerking komende ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door het bevoegd gezag met de tijdelijke waarneming van die functie belast, al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke functie. 2.De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die overeenkomstig het eerste lid is belast met de tijdelijke waarneming van een functie, die in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven de eigenlijke functie van deze ambtenaar, heeft over de tijd van de waarneming aanspraak op toekenning door de minister van een toelage boven zijn eigen bezoldiging ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in de functie die hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, indien de waarneming: 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd; in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd; in een tijdvak van twaalf maanden in totaal 60 dagen of langer heeft geduurd. 3.Tijdens de waarneming worden de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de hem in zijn eigenlijke functie toekomende bezoldigingstreden toegekend, onder verrekening van de in het tweede lid bedoelde toelage, terwijl deze toelage opnieuw wordt bepaald, telkens wanneer hij in de functie die hij waarneemt, aanspraak zou hebben verkregen op een verhoging van bezoldiging, ware hij definitief in dat ambt aangesteld. 4.Indien uit de waarneming, bedoeld in het eerste lid, voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, als zodanig direct aanwijsbare en op geld waardeerbare schade voortvloeit, wordt hem de geleden schade door de minister vergoed. Artikel23 1.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid opgedragen wordt buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster gedurende ten minste 8 uren en ten hoogste 12 uren per maand, wordt een vergoeding toegekend van NAf. 300,-- per maand. 2.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid opgedragen wordt buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster gedurende langer dan 12 uren en ten hoogste 32 uren per maand, wordt een vergoeding toegekend van NAf. 750,-- per maand. 3.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid opgedragen wordt buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster gedurende meer dan 32 uren per maand, wordt een vergoeding toegekend van NAf. 1.000,-- per maand. 4.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid opgedragen wordt buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster, anders dan bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, in verband met calamiteiten of buitengewone omstandigheden, gedurende ten minste 8 uren per dag wordt een vergoeding toegekend van NAf. 125,-- per dag. 5.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid opgedragen wordt ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster op een feestdag, gedurende ten minste 4 uren, wordt een vergoeding toegekend van NAf. 125,-- per feestdag. 6.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die uit hoofde van zijn functie opgedragen wordt zich buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster gedurende ten minste 8 uren per dag ter beschikking van de politiedienst te houden in zijn woning of op zijn plaats van tewerkstelling, dan wel voor de dienst bereikbaar te zijn gedurende ten minste 8 uren per dag, wordt een vergoeding toegekend van NAf. 75,-- per dag. 7.Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die een functie bekleed in de rang van inspecteur of hoger. 8.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die een functie bekleedt in de rang van inspecteur of hoger en de uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid verricht buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster, wordt een vergoeding in vrije tijd toegekend berekend naar de gemaakte overuren en bepaald op: honderd procent, indien het een dienstuitoefening betreft wegens verschuiving van dienst binnen 2x24 uur van de oorspronkelijk voorgeschreven dienst; honderd vijftig procent, indien het een dienstuitoefening betreft op werkdagen; twee honderd procent, indien het een dienstuitoefening betreft op zater-, zon- en feestdagen. 9.Het eerste tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aspirant en hulpagent die in opleiding is. §5.Functioneringsgesprek en beoordeling Artikel24 De Beschikking functioneringsgesprekken (P.B. 1999, no. 75) is op de ambtenaar van politie van overeenkomstige toepassing. Artikel25 1.Met inachtneming van de door de minister vastgestelde regels wordt de ambtenaar van politie die een verzoek daartoe indient dan wel ten aanzien van wie dit door het bevoegd gezag nodig wordt geoordeeld, beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie uitoefent en over zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie. 2.Aan het verzoek van de ambtenaar van politie om overeenkomstig het eerste lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van zes maanden sedert de vaststelling van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling. 3.Er worden toekomstverwachtingen gemaakt over de ambtenaar van politie die in beschouwing wordt genomen voor een naar verwachting binnen afzienbare tijd vrijkomende hogere functie bij het korps of een landelijke politiedienst, bedoeld in artikel 3 van de Politieregeling 1999, waar hij is geplaatst. 4.Ook kunnen toekomstverwachtingen worden opgemaakt over een ambtenaar van politie die in de nabije toekomst om plaatsing op een andere niet hogere functie binnen het korps of een landelijke politiedienst, bedoeld in artikel 3 van de Politieregeling 1999, waar hij is geplaatst, vraagt, mits de mogelijkheid tot een dergelijke plaatsing reëel aanwezig is en het hoofd van dienst instemt met de wens van betrokkene, of ten aanzien van wie een dergelijke plaatsing door het bevoegd gezag wenselijk wordt geacht. 5.Onder toekomstverwachtingen wordt in dit artikel verstaan: een systematische bezinning op de behoefte en potentiële capaciteiten van de ambtenaar van politie, bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het korps of de landelijke politiedienst, bedoeld in artikel 3 van de Politieregeling 1999, waar hij is geplaatst, welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede in het daarop tijdig ondernemen van actie. 6.De ambtenaar van politie wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte beoordeling, bedoeld in het derde lid, en van de over hem opgemaakte toekomstverwachtingen, bedoeld in de vierde en vijfde lid, zo spoedig mogelijk in kennis gesteld nadat deze door het bevoegd gezag bekrachtigd zijn. Hij ontvangt een afschrift daarvan. Hij ondertekent het document voor kennisgeving van de inhoud en ontvangst ervan. 7.De ambtenaar van politie kan binnen zes weken na ontvangst van het document bij de minister een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen tegen een voor hem opgemaakte beoordeling of toekomstverwachtingen en vragen om een heroverweging. De heroverweging geschiedt zo spoedig mogelijk. 8.Dit artikel is niet van toepassing op de aspirant en de hulpagent die in opleiding is. 9.De minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen. HOOFDSTUKIIIArbeids- en rusttijden Artikel26 1.Hoofdstuk V van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. 2.Het bevoegd gezag stelt de arbeids- en rusttijden van de ambtenaar van politie vast middels een maand- dan wel kwartaal-dienstrooster, tenzij de minister anders heeft bepaald. 3.Het dienstrooster moet voldoen aan de volgende voorwaarden: de arbeidsuren bedragen gemiddeld 40 uren per week; per periode van vier weken worden acht roostervrije dagen aangegeven; bij de vaststelling van een roostervrije dag wordt zorggedragen dat tenminste 18 uren van een zelfde kalenderdag deel uitmaken van een onafgebroken rusttijd van tenminste 30 uren; bij de vaststelling van twee of meer opeenvolgende roostervrije dagen wordt zorggedragen dat daarop aansluitend tenminste 6 uren volgen gedurende welke geen dienst behoeft te worden gedaan; de tijdstippen van het begin en het einde van de dienst worden vermeld. 4.De gezamenlijke dienstroosters geven in een kalenderjaar in totaal tenminste 22 vrije weekenden aan dan wel tenminste 22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen waarbij de aaneengesloten periode een zaterdag of zondag omvat 5.Bij de vaststelling van de diensttijd moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: de dagelijkse dienst is in verband met de aard van de werkzaamheden niet overmatig en wordt, behoudens zo mogelijk een onderbreking voor het nuttigen van de maaltijd, zoveel mogelijk aaneengesloten verricht; opeenvolgende diensten worden behoorlijk door rusttijd onderbroken; op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen wordt de ambtenaar van politie zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld zijn kerk te bezoeken. op zaterdag en zondag wordt een diensttijd aangegeven van ten hoogste 12 uur; op de overige dagen wordt per etmaal een diensttijd aangegeven van ten hoogste 14 uur; per periode van vier weken worden niet meer diensturen aangegeven voor dienst op zondag en in het tijdvak tussen 22.00 en 6.00 uur dan een door de minister vastgesteld aantal uren; in 12 periodes van vier weken in een kalenderjaar geven de gezamenlijke dienstroosters per periode van vier weken ten hoogste 160 diensturen en in de dertiende periode van vier weken ten hoogste 168 diensturen aan. 6.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden op zondag is bepaald, geldt ook voor het verrichten van werkzaamheden op Nieuwjaarsdag, de dag volgend op de dag waarop de grote carnavalsoptocht wordt gehouden, Goede Vrijdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, de Dag van de Arbeid, de Koninkrijksdag, dan wel Dia di Reino, dan wel Kingdom Day, beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd. 7.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden op zondag is bepaald, is voor de ambtenaar van politie, die tot een geloofsgemeenschap behoort die de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag houdt, van overeenkomstige toepassing op die dag, indien hij daartoe de wens te kennen geeft. 8.Het dienstrooster wordt de ambtenaar van politie uiterlijk een week voor aanvang van de periode waarop het betrekking heeft, bekend gemaakt. 9.De minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen. Artikel27 De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant of hulpagent die in opleiding is, die daartoe de wens te kennen geeft, kan in deeltijd gaan werken tenzij daar naar het oordeel van het bevoegd gezag ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering uit voortvloeien. HOOFDSTUKIVVakantie §1.
Artikel 43 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, Hoofdstuk II van de Landsverordening van 24 april 1969, houdende regeling van de aanspraken van ambtenaren in dienst van de Nederlandse Antillen en van de ambtenaren in dienst der eilandgebieden op vakantie, vakantie-uitkering en vrijstelling van dienst [lees: De Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren] (P.B. 1969, nr. 44), en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. §2.De aspirant Artikel29 1.Aan de aspirant wordt door het bevoegd gezag vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van deze paragraaf. 2.De vakantie wordt als volgt verleend: vier aaneengesloten werkdagen onmiddellijk aansluitend aan de tweede Paasdag; een aaneengesloten periode vallend in het tijdvak waarin voor inrichtingen waar van overheidswege openbaar onderwijs wordt gegeven, de zomervakantie is of zal worden vastgesteld; vijf werkdagen rond Kerstmis en Nieuwjaarsdag. 3.Door het bevoegd gezag worden elk jaar in de maand januari de vakantieperiodes vastgesteld met inachtneming van het tweede lid. 4.Wegens dringende reden van dienstbelang kan door het bevoegd gezag worden bepaald dat de vakantie over een of meer periodes bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk niet wordt genoten dan wel wordt ingetrokken. 5.Een vakantie die of een gedeelte van een vakantie dat ingevolge het vierde lid niet is genoten dan wel is ingetrokken, wordt zo spoedig mogelijk alsnog verleend nadat de reden die daartoe heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan. Artikel30 1.Indien de aspirant tijdens een verleende vakantie blijkens een geneeskundige verklaring gedurende een of meer werkuren arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal vakantieuren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt is geweest, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten en wordt hem vrijstelling van dienst, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder b, verleend. 2.De aspirant kan de niet genoten vakantieuren bedoeld in het eerste lid, niet opnemen zolang hij geplaatst is op het opleidingsinstituut. De artikelen 41 en 42 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel31 1.De aspirant die onmiddellijk voorafgaand aan zijn aanstelling als aspirant in dienst van de Nederlandse Antillen of een eilandgebeid werkzaam was, anders dan als ambtenaar behorende tot het onderwijzend personeel of als personeelslid van het gesubsidieerde onderwijs, of die op dat moment bij een publiekrechtelijke instelling dan wel bij een door de Nederlandse Antillen of een eilandgebied in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon werkzaam was, behoudt bij zijn aanstelling aanspraak op de door hem niet-genoten vakantie-uren waarop hij tot en met december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin zijn aanstelling plaatsvindt, aanspraak had overeenkomstig de voorafgaand aan de aanstelling voor hem geldende voorschriften, met dien verstande dat hij de niet-genoten vakantie-uren niet kan opnemen zolang hij geplaatst is op het opleidingsinstituut. 2.Aan de aspirant kan, ter vervanging van de door hem in zijn vorige overheidsbetrekking niet-genoten vakantie-uren, door het bevoegd gezag een geldelijke vergoeding worden toegekend gelijk aan het bedrag dat hem aan bezoldiging zou zijn uitgekeerd tijdens de vakantie-uren indien deze genoten zouden zijn. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de nagelaten betrekkingen van een overleden aspirant. §3.Overige ambtenaren van politie Artikel32 1.Aan de ambtenaar van politie, niet zijnde een aspirant, wordt, al dan niet op zijn verzoek, in elk kalenderjaar door het bevoegd gezag vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van deze paragraaf. 2.Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag voor de ambtenaar van politie geldige redenen van verhindering bestaan, wordt de vakantie niet ongevraagd verleend. 3.Vakantie kan wegens dringende redenen van dienstbelang geheel of gedeeltelijk door het bevoegd gezag worden geweigerd of ingetrokken. Artikel33 1.Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie aanspraak heeft, bedraagt: 152 vakantie-uren voor de bezoldigingsschalen 1, 2, 3, 4 en 5; 176 vakantie-uren voor de bezoldigingsschalen 6, 7, 8 en 9; 200 vakantie-uren voor de bezoldigingsschalen 10, 11, 12 en 13; 224 vakantie-uren voor de bezoldigingsschalen 14, 15, 16 en 17. 2.Aan de ambtenaar van politie die ingevolge het voor hem geldende dienstrooster avond- en/of nachtdienst en/of dienst op zon- en feestdagen moet verrichten, wordt in afwijking van het eerste lid, het aantal vakantie-uren toegekend, dat is vastgesteld voor de bezoldigingsschaal onmiddellijk volgend op die waartoe deze behoort. 3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid geldt de bezoldigingsschaal waartoe de ambtenaar van politie op 1 januari van het kalenderjaar behoort, of, in geval van aanstelling of bevordering in de loop van een kalenderjaar, de bezoldigingsschaal waartoe hij op dat tijdstip behoort. 4.Bij de ambtenaar van politie die in onregelmatige ploegendienst werkzaam is, en de ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, worden voor elk tijdvak van een week waarin zij vakantie genieten, evenveel vakantie-uren op het hen jaarlijks toekomend aantal vakantie-uren in mindering gebracht als bij de ambtenaar van politie voor wie de werkweek uit vijf werkdagen bestaat. 5.De ambtenaar van politie die onmiddellijk voorafgaand aan zijn aanstelling als ambtenaar van politie in dienst van de Nederlandse Antillen of een eilandgebied werkzaam was, anders dan als ambtenaar behorende tot het onderwijzend personeel of als personeelslid van het gesubsidieerde onderwijs, of die op dat moment bij een publiekrechtelijke instelling dan wel bij een door de Nederlandse Antillen of een eilandgebied in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon werkzaam was, behoudt bij zijn aanstelling aanspraak op de door hem niet-genoten vakantieuren waarop hij tot en met december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin zijn aanstelling plaatsvindt, aanspraak had overeenkomstig de voorafgaand aan de aanstelling voor hem geldende voorschriften. Artikel34 1.Bij beëindiging of aanvang van de aanstelling in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie-uren op grond van artikel 33 vastgesteld naar evenredigheid van de tijd dat de ambtenaar van politie in dat kalenderjaar werkzaamheden heeft verricht of zal verrichten. 2.Voor de ambtenaar van politie voor wie de geldende werktijd korter is dan de gebruikelijke volledige werktijd, wordt het ingevolge artikel 33, eerste tot en met derde lid, van toepassing zijnde aantal vakantie-uren vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor hem geldende werktijd, en de noemer uit het aantal uren van de voor zijn functie gebruikelijke volledige werktijd. 3.Indien in de loop van een kalenderjaar wijziging optreedt in de omvang van de voor de ambtenaar van politie geldende werktijd, wordt het aantal vakantie-uren waarop hij gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar aanspraak heeft, opnieuw bepaald door het aantal vakantie-uren voor elk tijdvak van het kalenderjaar waarin de voor hem geldende werktijd gelijk is, afzonderlijk vast te stellen en hiervan de som te berekenen. Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie gedurende elk tijdvak van het kalenderjaar aanspraak heeft, wordt berekend door het aantal maanden dat dat tijdvak heeft geduurd, te delen door 12 en het quotiënt te vermenigvuldigen met het aantal vakantie-uren waarop hij aanspraak zou hebben, indien het een volledig kalenderjaar betroffen zou hebben. 4.Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren. Artikel35 1.Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar van politie in het geheel geen werkzaamheden verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij geen aanspraak op vakantie-uren. 2.Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar van politie gedeeltelijk werkzaamheden verricht, heeft hij aanspraak op vakantie-uren naar evenredigheid van het gedeelte van de kalendermaand dat hij werkzaamheden verricht. 3.Vermindering, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats bij: verleende vakantie-uren; niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar van politie te wijten ziekte of ongeval, voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt dan 26 weken dan wel 52 weken in geval van verhindering tot dienstverrichting wegens een dienstongeval; zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 72; verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefening; vrijstelling op grond van artikel 45; buitengewoon verlof van korte duur op grond van de artikelen 48, 50, 51, 52 of 53; andere redenen op grond waarvan het bevoegd gezag daartoe redenen aanwezig acht. 4.Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren. Artikel36 1.Gedurende de eerste zes maanden na de datum van aanstelling heeft de ambtenaar van politie aanspraak op vakantie-uren naar rato van 1/12 gedeelte van het conform de artikelen 33 en 34 berekende aantal vakantie-uren voor iedere volle kalendermaand dat hij zijn functie heeft uitgeoefend, tenzij hij onmiddellijk voorafgaand aan de aanstelling, een onderbreking van veertien dagen of minder buiten beschouwing gelaten, reeds ten minste zes maanden onafgebroken in dienst van de Nederlandse Antillen of een eilandgebied werkzaam was. 2.Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar beneden afgerond op hele uren. Artikel37 1.Over de tijdstippen waarop de vakantie-uren worden genoten, alsmede over de wijze waarop en de mate waarin deze gesplitst opgenomen kunnen worden, wordt door het bevoegd gezag beslist met inachtneming van dit artikel. 2.Bij het nemen van de beslissing wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar van politie. 3.Indien de ambtenaar van politie daarom vraagt en de dienst dat toelaat, kan in een kalenderjaar maximaal de helft van het aantal vakantie-uren waarop hij per kalenderjaar aanspraak heeft, gesplitst worden verleend. 4.Door de minister kan een, zonodig per politiedienstonderdeel verschillend, minimum aantal aaneengesloten vakantie-uren worden vastgesteld dat op een zelfde dag als vakantie-uren toe gekend kan worden. Dit aantal kan niet hoger worden gesteld dan het voor de ambtenaar van politie volgens de voor hem geldende werktijd op een dag vastgestelde aantal werkuren. Artikel38 1.Indien de ambtenaar van politie tijdens een verleende vakantie blijkens een geneeskundige verklaring gedurende een of meer werkuren arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal vakantie-uren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt is geweest, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten, en wordt hem vrijstelling, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder b, verleend. 2.De niet-genoten vakantie-uren, bedoeld in het eerste lid, worden opnieuw verleend met in achtneming van deze paragraaf. Artikel39 1.Indien de ambtenaar van politie in een kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel is verleend, worden hem de niet-genoten vakantie-uren in het volgende kalenderjaar aaneengesloten verleend. De vakantie-uren van het voorgaande jaar en de vakantie-uren van het lopende jaar worden aaneengesloten genoten tenzij de ambtenaar van politie te kennen geeft laatstbedoelde vakantie-uren in het daarop volgende kalenderjaar te willen opnemen. Vakantie-uren over meer dan twee kalenderjaren kunnen niet aaneengesloten worden verleend. Artikel 37, derde en vierde lid, is onverkort van toepassing. 2.Behoudens in het in het derde lid genoemde geval, verliest de ambtenaar van politie zijn aanspraak op de door hem niet-genoten vakantie-uren die betrekking hebben op het kalenderjaar voorafgaand aan het afgelopen kalenderjaar. 3.Indien de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren geheel of gedeeltelijk is geweigerd of ingetrokken, behoudt de ambtenaar van politie zijn aanspraak op de niet-genoten vakantie-uren. Weigering of intrekking van de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren kan tot maximaal 12 maanden uitstel daarvan leiden. 4.Behalve in het geval dat de aanstelling wegens ontslag eindigt, kan de ambtenaar van politie in een kalenderjaar nooit meer vakantie worden verleend dan tweemaal het hem ingevolge artikel 33 toekomende aantal vakantie-uren. 5.In geval van intrekking van de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren worden de vakantie-uren op een dag waarop de ambtenaar van politie deze uren als gevolg van de intrekking slechts gedeeltelijk heeft genoten, niet als vakantie-uren aangemerkt. 6.Indien de ambtenaar van politie als gevolg van een intrekking geldelijke schade lijdt, wordt die schade hem vergoed uit ‘s Lands kas. Artikel40 1.Indien de ambtenaar van politie in een kalenderjaar meer vakantie-uren heeft genoten dan hem ingevolge deze paragraaf toekomen, wordt het meerdere verrekend met de hem over één of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie-uren, met dien verstande dat in een kalenderjaar de vakantie-uren verminderd mogen worden met maximaal een derde gedeelte van het aantal vakantie-uren, waarop de ambtenaar van politie ingevolge artikel 33 aanspraak heeft. 2.Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren. Artikel41 1.Indien de ambtenaar van politie bij zijn overlijden nog aanspraak had op vakantie-uren wordt aan zijn weduwe of weduwnaar zo spoedig mogelijk door de minister een bedrag uitbetaald gelijk aan het bedrag aan bezoldiging dat hem zou zijn uitgekeerd gedurende de vakantie-uren, indien deze zouden zijn genoten. Bij de vaststelling van het aantal uren vindt artikel 35 geen toepassing. 2.Indien de overleden ambtenaar van politie geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan. Ontbreken zodanige kinderen dan geschiedt de uitbetaling ten behoeve van zijn ouders, zusters, broers, meerderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan wel stief- of pleegkinderen, indien de overledene in overwegende mate in het levensonderhoud van voornoemde betrekkingen voorzag. 3.Laat de overleden ambtenaar van politie ook geen betrekkingen na als genoemd in het tweede lid, dan wordt het bedrag aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. Artikel42 1.Aanspraken op nietgenoten vakantie-uren vervallen op de datum van ingang van ontslag van de ambtenaar van politie. Indien de ambtenaar van politie uiterlijk veertien dagen daarna weer in dienst treedt, kan hij alsnog aanspraak maken op de niet-genoten vakantie-uren van het lopende kalenderjaar. 2.Indien op de dag van ontslag blijkt, dat de ambtenaar van politie teveel vakantie-uren heeft genoten, is hij voor ieder te veel genoten vakantie-uur schuldig een bedrag gelijk aan de bezoldiging die hij genoot per werkuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag. 3.Verrekening van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats conform Hoofdstuk XI van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht. HOOFDSTUKVVrijstelling van dienst Artikel43 1.Hoofdstuk III van de Landsverordening van 24 april 1969, houdende regeling van de aanspraken van ambtenaren in dienst van de Nederlandse Antillen en van de ambtenaren in dienst der eilandgebieden op vakantie, vakantie-uitkering en vrijstelling van dienst [lees: De Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren], en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. 2.Tenzij anders is bepaald bij dit besluit of bij of krachtens enige landsverordening, anders dan die genoemd in het eerste lid, wordt de vrijstelling van dienst verleend met behoud van volle bezoldiging. Artikel44 1.Vrijstelling van dienst, te verlenen door het bevoegd gezag, geniet de ambtenaar van politie die: als militair in werkelijke dienst is voor herhalingsoefening; uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is zijn functie uit te oefenen. 2.Aan de ambtenaar van politie wordt door het bevoegd gezag vrijstelling van dienst verleend, voor zover hij op één van de in artikel 26, vijfde lid, genoemde dagen, tenzij het een zaterdag of een zondag betreft: werkzaamheden heeft verricht; een roostervrije dag heeft genoten als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder b; verlof heeft genoten als vergoeding voor verricht overwerk. 3.De dag waarop vrijstelling van dienst, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend, wordt vastgesteld door het bevoegd gezag. Bij de vaststelling wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar van politie. 4.Voor de toepassing van het tweede lid wordt het verrichten van werkzaamheden gedurende ten hoogste de helft van de voor de ambtenaar van politie geldende gemiddelde dagelijkse diensttijd gelijkgesteld met dienst gedurende een halve dag en wordt het verrichten van werkzaamheden gedurende meer dan de helft van de voor de ambtenaar van politie geldende gemiddelde dagelijkse diensttijd gelijkgesteld met dienst gedurende een hele dag. Artikel45 1.De ambtenaar van politie, geniet, voor zover het dienstbelang dat toelaat, vrijstelling van dienst, te verlenen door het bevoegd gezag, indien het politiedienstonderdeel op een daartoe aangewezen kerkelijke, landelijke of eilandelijke feest- of gedenkdag gesloten is. 2.Aan de ambtenaar van politie wordt door het bevoegd gezag vrijstelling van dienst verleend op een andere werkdag, voor zover hij op één van de in het eerste lid bedoelde dagen: werkzaamheden heeft verricht; een roostervrije dag als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b, heeft genoten; verlof heeft genoten als vergoeding voor verricht overwerk. 3.Artikel 44, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUKVI.Buitengewoon verlof §1.
Hoofdstuk III van de Landsverordening van 24 april 1969, houdende regeling van de aanspraken van ambtenaren in dienst van de Nederlandse Antillen en van de ambtenaren in dienst der eilandgebieden op vakantie, vakantie-uitkering en vrijstelling van dienst [lees: De Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren], en de daarop gebaseerde regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. Artikel47 1.Aan de ambtenaar van politie wordt in de gevallen en onder de voorwaarden genoemd in dit hoofdstuk, buitengewoon verlof van korte duur verleend door het bevoegd gezag en buitengewoon verlof van lange duur door de minister. 2.Door de verlof verlenende instantie kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het aanvragen en verlenen van buitengewoon verlof. §2.Buitengewoon verlof van korte duur Artikel48 Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie, voor zover dat niet in zijn vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst niet mogelijk is, buitengewoon verlof verleend voor de uitoefening van het kiesrecht en voor het voldoen aan een wettelijke verplichting. Artikel49 1.Aan de ambtenaar van politie die tot lid van een vertegenwoordigend lichaam in de Nederlandse Antillen is verkozen, wordt op zijn verzoek buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van dat lichaam of voor het maken van reizen in of buiten de Nederlandse Antillen in zijn hoedanigheid van lid van dat lichaam. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar van politie op wie de Non-activiteits-landsverordening van toepassing zijn [lees: is]. 3.Aan de ambtenaar van politie wordt op zijn verzoek buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke college’s of commissies in de Nederlandse Antillen waarin hij is benoemd of waarvoor hij is aangewezen, voor zover dat niet in zijn vrije tijd kan geschieden. 4.Dit artikel laat onverlet de mogelijkheid voor de ambtenaar van politie om de Gouverneur te vragen toepassing te geven aan de Tijdelijke regeling vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers (P.B. 1997, no. 328). Artikel50 1.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt jaarlijks tot ten hoogste 120 werkuren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij die verenigingen zijn aangesloten, of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar van politie hieraan deelneemt: indien het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren, als bestuurslid van die vereniging; indien het betreft vergaderingen van centrale organisaties waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die centrale organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren; indien het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie, als bestuurslid van die organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren. 2.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 werkuren per kalenderjaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar van politie die door een vereniging, bedoeld in het eerste lid, is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn vereniging of binnen de politiedienst, die ertoe strekken om de doelstellingen van zijn vereniging te ondersteunen. 3.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een vereniging, bedoeld in het eerste lid, of van een centrale organisatie waarbij die vereniging is aangesloten, met dien verstande dat dit verlof maximaal 48 werkuren per twee jaar bedraagt. 4.Het aantal werkuren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan een ambtenaar van politie verleend kan worden, bedraagt tezamen ten hoogste 240 werkuren per kalenderjaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 werkuren per kalenderjaar worden verleend aan leden van het bestuur van een vereniging, bedoeld in het eerste lid, of van een centrale organisatie waarbij die vereniging is aangesloten. 5.Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren van politie die lid zijn van een vereniging van ambtenaren die vertegenwoordigd is in de Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken. 6.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen als lid van vergaderingen van de Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken. Artikel51 Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend: voor het zoeken van een woning indien het dienstbelang de verhuizing vordert: ten hoogste twee werkdagen; voor verhuizing uit hoofde van het dienstbelang: twee werkdagen, zonodig, indien betrokkene een eigen huishouding voert en het een verhuizing naar een ander eilandgebied betreft, te verlengen met twee werkdagen; voor verhuizing, anders dan uit hoofde van dienstbelang, indien betrokkene een eigen huishouding voert: éénmaal per kalenderjaar ten hoogste twee werkdagen. Artikel52 Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend: bij zijn ondertrouw: op de dag zelf; bij zijn huwelijk: vier werkdagen; tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: op de dag zelf; bij ernstige ziekte van zijn echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: ten hoogste vijftien werkdagen. Indien dit aantal in bepaalde omstandigheden niet toereikend is, kan artikel 55 toepassing vinden; bij het overlijden van: de onder d genoemde personen: twee werkdagen; bloed of aanverwanten tot en met de derde graad: een werkdag; indien betrokkene, in het geval bedoeld onder e, is belast met de regeling van de lijkbezorging of de nalatenschap dan wel met beide: ten hoogste vier werkdagen; bij de bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste twee werkdagen; bij zijn 25, 30, 35 en 40-jarig ambtsjubileum: op de dag zelf; bij zijn 25 of 40jarig huwelijksjubileum en bij het 25, 40, 50 of 60jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders of grootouders: op de dag zelf; bij de doop, besnijdenis, kerkelijke bevestiging en Eerste Heilige Communie van betrokkene of zijn echtgeno(o)t(e), kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aanbehuwdkinderen: op de dag zelf. Artikel53 Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend: voor het afleggen van een examen voor het behalen van een diploma dat voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht; voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied: voor ten hoogste tien werkdagen per kalenderjaar. Artikel54 1.De ambtenaar van politie die zorg draagt voor een persoon genoemd in het vierde lid, heeft aanspraak op buitengewoon verlof wegens calamiteiten met behoud van volle bezoldiging. 2.Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een in het vierde lid genoemde persoon. 3.Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt maximaal 8 werkuren per calamiteit voor maximaal 3 calamiteiten per kalenderjaar. 4.De personen voor wier verzorging het buitengewoon verlof kan worden verleend zijn: de echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen en aanbehuwdkinderen van de ambtenaar van politie. 5.De ambtenaar van politie informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder opgave van de reden. 6.Het bevoegd gezag kan verlangen dat de ambtenaar van politie achteraf aannemelijk maakt dat sprake was van een noodsituatie. Indien betrokkene daar naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in slaagt, worden de opgenomen uren in mindering gebracht op zijn vakantie-uren. Artikel55 1.Buitengewoon verlof van korte duur kan verder voor ten hoogste 522 werkuren per kalenderjaar worden verleend, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat. 2.Tijdens dit buitengewoon verlof heeft de ambtenaar van politie aanspraak op volle bezoldiging gedurende de eerste 174 werkuren en op vijftig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de overige werkuren. 3.Het buitengewoon verlof kan voor zover dat is verleend voor meer dan 174 werkuren, indien dringende redenen van dienstbelang dat vorderen, door het bevoegd gezag worden ingekort tot minimaal 174 werkuren. 4.Indien de ambtenaar van politie schade lijdt door de inkorting wordt de geldelijke schade hem uit ‘s Lands kas vergoed. 5.De minister kan nadere regels stellen omtrent de gevallen waarin het eerste lid toegepast kan worden. §3.Buitengewoon verlof van lange duur Artikel56 De ambtenaar van politie die als militair in werkelijke dienst is, anders dan voor herhalingsoefening, is van rechtswege met buitengewoon verlof van lange duur zonder behoud van bezoldiging, tenzij de minister anders bepaalt. Artikel57 1.Aan de ambtenaar van politie, anders dan de aspirant of hulpagent die in opleiding is, kan op zijn verzoek, met inachtneming van deze paragraaf, al dan niet onder bepaalde voorwaarden buitengewoon verlof van lange duur worden verleend. 2.Het buitengewoon verlof gaat niet in dan nadat betrokkene het verlof met de daaraan verbonden voorwaarden heeft aanvaard. 3.Het buitengewoon verlof kan voor zover dat is verleend voor meer dan 522 werkuren, indien dringende redenen van dienstbelang dat vorderen, door de minister worden ingekort tot minimaal 552 werkuren. 4.Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, schade lijdt door de inkorting wordt de geldelijke schade hem uit ‘s Lands kas vergoed. Artikel58 1.Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, uitsluitend strekt tot het persoonlijk belang van de ambtenaar van politie, kan dit slechts worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden. 2.Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen een andere functie buiten de politiedienst te gaan vervullen en met de verlofverlening niet alleen het persoonlijk belang van betrokkene maar ook het
belang wordt gediend, kan dit worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar. Artikel59 Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen op te treden als bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in artikel 50, vijfde lid, dan wel van een centrale organisatie of internationale ambtenarenorganisatie waarbij die vereniging is aangesloten, wordt dit verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaar. Artikel60 1.Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen, anders dan in vaste dienst, hetzij een functie bij een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij als deskundige tijdelijk ten behoeve van Nederland, Aruba of een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met de verlofverlening het
belang in overwegende mate wordt gediend, kan dit voor ten hoogste drie jaar, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, worden verleend. 2.In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar van politie die wenst te worden uitgezonden om in burgerlijke landsdienst van Nederland of Aruba tijdelijk een functie te vervullen, buitengewoon verlof worden verleend op basis van het West-Indisch Detacheringsbesluit 1930. Artikel61 1.De ambtenaar van politie die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn werkzaamheden niet hervat, wordt gelijk behandeld als een ambtenaar van politie die een aanvraag tot ontslag heeft ingediend. 2.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar van politie binnen een termijn van drie maanden ten genoege van de minister aannemelijk maakt, dat hij een geldige reden had om zijn werkzaamheden niet te hervatten. Alsdan wordt het verlof verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde reden heeft opgehouden te bestaan. HOOFDSTUKVIIVoorzieningen in verband met ziekte, ongeval, zwangerschap en bevalling §1.Ziekte en ongeval Artikel62 De artikelen 44 en 45 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, Hoofdstuk VI van de Landsverordening van 24 april 1969, houdende regeling van de aanspraken van de ambtenaren in dienst van de Nederlandse Antillen en van de ambtenaren in dienst van de eilandgebieden op vakantie, vakantie-uitkering en vrijstelling van dienst [lees: De Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren], en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. Artikel63 1.De ambtenaar van politie die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft daarvan onverwijld kennis aan het hoofd van dienst. 2.Het hoofd van dienst kan van de ambtenaar van politie overlegging vragen van een geneeskundige verklaring. Ter verkrijging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan drie achtereenvolgende dagen is overlegging van een geneeskundige verklaring verplicht. Artikel64 1.De ambtenaar van politie die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt vrijstelling van dienst wegens ziekte, bedoeld in artikel 44, verleend. 2.De aanvankelijke duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte is ten hoogste zes maanden. Deze termijn kan telkens met ten hoogste zes maanden worden verlengd. 3.De duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte, inbegrepen de verlenging daarvan, is ten hoogste vier jaren voor de ambtenaar van politie in vaste dienst en ten hoogste een jaar voor de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst. 4.Gedurende de vrijstelling van dienst wegens ziekte heeft de ambtenaar van politie aanspraak op een bezoldiging naar reden van: voor de ambtenaar van politie in vaste dienst: zijn volle bezoldiging gedurende de eerste vierentwintig maanden; negentig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de daaropvolgende twaalf maanden; tachtig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de resterende maanden. voor de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst: zijn volle bezoldiging 5.Tijdens de vrijstelling van dienst wegens ziekte ondergaat de bezoldiging van de ambtenaar van politie dezelfde wijzigingen, welke deze zou ondergaan indien hij niet verhinderd zou zijn om zijn werkzaamheden te verrichten. 6.Een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval wordt voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijn als een voortzetting van de vorige verhindering aangemerkt, tenzij die verhindering zich voordoet nadat dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de ambtenaar van politie zijn werkzaamheden volledig heeft hervat. Artikel65 1.De ambtenaar van politie heeft geen aanspraak op doorbetaling van inkomsten: indien de ziekte of het ongeval is voorgewend, althans zodanig overdreven is voorgesteld dat verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval redelijkerwijs niet kan worden aangenomen; indien de ambtenaar van politie de verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt of verergerd, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand redelijkerwijs geen verwijt gemaakt kan worden; indien de ziekte of het ongeval is veroorzaakt door of het gevolg is van een kwaal of lichaamsgebrek waarover de ambtenaar van politie voor of bij zijn aanstelling opzettelijk heeft gezwegen of waaromtrent hij toen opzettelijk valse inlichtingen heeft verstrekt; indien hij tijdens de verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de geneeskundige, genoemd in artikel 66, de bezwaarcommissie, genoemd in artikel 67, de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, of de herkeuringscommissie, genoemd in artikel 70, wenselijk wordt geacht in het belang van het genezingsproces. 2.De betaling van de inkomsten wordt gestopt vanaf de dag waarop en zolang de ambtenaar van politie: weigert zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek vanwege de dienst of, na voor een dergelijk onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; zonder voldoende grond nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door zijn behandelend geneeskundige gegeven, uitgezonderd voorschriften inhoudende het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard; zich zodanig gedraagt dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; in gebreke blijft op het door de geneeskundige genoemd in artikel 66, de bezwaarcommissie, genoemd in artikel 67, de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, of de herkeuringscommissie, genoemd in artikel 70, bepaalde tijdstip en in de door hen bepaalde mate zijn dienstverrichting te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen door evengenoemde geneeskundige(
De Hoofdstukken IX en XI, behoudens de artikelen 99 en 100, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop gebaseerde regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. §2.Schorsing Artikel108 1.De ambtenaar is van politie [lees: de ambtenaar van politie] is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Krankzinnigenlandsverordening [lees: Verordening van den 21sten October 1921, tot regeling van het toezicht op krankzinnigen (P.B. 1922, no. 14)], genomen in het belang van de volksgezondheid. 2.Indien de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel op grond van de Krankzinnigenlandsverordening [lees: Verordening van den 21sten October 1921, tot regeling van het toezicht op krankzinnigen (P.B. 1922, no. 14)] wordt de ambtenaar van politie, onverminderd het eerste lid, behandeld als ware hem vrijstelling van dienst wegens ziekte als bedoeld in hoofdstuk VII, verleend. Artikel109 1.Onverminderd artikel 102, eerste lid, onderdeel h, kan de ambtenaar van politie bij landsbesluit in zijn ambt worden geschorst: indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen hem is ingesteld; wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel wanneer hem die straf is opgelegd; wanneer naar het oordeel van de minister het dienstbelang dit bepaaldelijk vereist. 2.In afwachting van de schorsing kan de ambtenaar van politie buiten functie worden gesteld door het bevoegd gezag. 3.De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden. In zeer bijzondere gevallen kan deze termijn eenmaal met drie maanden worden verlengd bij landsbesluit. Artikel110 1.Tijdens de schorsing worden de inkomsten voor een derde gedeelte ingehouden. Na verloop van zes weken kan verdere inhouding, ook van het volle bedrag der inkomsten, plaatsvinden. Indien het een schorsing betreft als bedoeld in artikel 109, lid 1, onder b, kan de minister bepalen dat met onmiddellijke ingang meer dan een derde gedeelte of het volle bedrag der inkomsten wordt ingehouden 2.Geen inhouding vindt plaats ingeval van een schorsing in het belang van de dienst, bedoeld in artikel 109, eerste lid, onder c, van een maatregel op grond van de Krankzinnigenlandsverordening [lees: Verordening van den 21sten October 1921, tot regeling van het toezicht op krankzinnigen (P.B. 1922, no. 14)], of van een ophouding voor verhoor of een inverzekeringstelling, bedoeld in de titels V en VII van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door voorlopige hechtenis. 3.De ingehouden inkomsten worden alsnog aan de ambtenaar van politie uitbetaald als de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf. Op de uit te betalen inkomsten worden in mindering gebracht de inkomsten die de ambtenaar van politie sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dit naar het oordeel van de minister onredelijk is. 4.Het niet ingehouden gedeelte van de inkomsten van de geschorste ambtenaar van politie kan door de minister in bijzondere gevallen worden uitbetaald aan de betrekkingen van de ambtenaar van politie, genoemd in artikel 54. §3.Ontslag Artikel111 1.Ontslag wordt gegeven bij landsbesluit, dat de datum van ingang van het ontslag dan wel een aanduiding van die dag bevat. 2.Bij ongevraagd ontslag wordt, behalve in de in artikelen 113, en 114, eerste lid, genoemde gevallen, de reden van ontslag meegedeeld. Artikel112 1.De ambtenaar van politie wordt op zijn aanvraag ontslag verleend. 2.Behoudens in het geval, genoemd in artikel 61, wordt het ontslag niet verleend met ingang van een dag die vroeger dan een maand of later dan drie maanden ligt na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen door het bevoegd gezag. 3.Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen de ambtenaar van politie is ingesteld of indien wordt overwogen hem de straf van ontslag op te leggen. 4.Van het tweede lid kan worden afgeweken: indien wordt overwogen de ambtenaar van politie een straf, bedoeld in artikel 102, op te leggen; indien het dienstbelang dit bepaaldelijk vereist, met dien verstande dat de termijn van drie maanden tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met de belangen van de ambtenaar van politie rekening wordt gehouden; op aanvraag van de ambtenaar van politie. 5.Indien een ontslag op aanvraag wordt verleend aan een aspirant of hulpagent die in opleiding is, gaat het ontslag, in afwijking van het tweede lid, onmiddellijk in. 6.Het ontslag op aanvraag wordt eervol verleend. Artikel113 1.Aan de aspirant of de hulpagent die tegen het einde van de basisopleiding respectievelijk de opleiding tot hulpagent niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend met ingang van de dag volgend op die waarop de basisopleiding respectievelijk de opleiding tot hulpagent is voltooid. 2.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 5, tweede lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt geacht eervol
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.