Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente dongen 2012Burgemeester en wethouders van Dongen maken bekend dat zij in hun vergadering van 6 maart 2012 hebben vastgesteld: Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente dongen 2012 behorende bij de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Dongen 2012, welke door de gemeenteraad op 12 april is vastgesteld. ALGEMEEN Begripsomschrijving In deze Beleidsregels wordt verstaan onder verordening: de Verordening leerlingenvervoer van de gemeente Dongen
(15)minuten voor het aanvangtijdstip respectievelijk na het eindtijdstip van de school. Hetophaaltijdstip aan het einde van de lessen is nooit eerder dan het tijdstip waarop de laatste les eindigt. Nb. Voor de Mytylschool geldt in verband met de tijd die leerlingen nodig hebben om na aflevering in het leslokaal te komen, dat de leerlingen uiterlijk 10 minuten voor de formele aanvangstijd van de school afgeleverd moeten worden. Dit betekent dat de leerling wordt afgeleverd tussen 25 en 10 minuten voor de aanvang van de lessen. Wanneer een aanpassing in de tijdsmarge kan leiden tot een kostenbesparing voor de gemeente is de vervoerder verplicht dit te melden aan de gemeente. De gemeente beslist vervolgens of hij hier gebruik van wenst te maken. Een voorbeeld is wanneer door het uitbreiden van de tijdsmarge het vervoer naar twee scholen gecombineerd kan worden omdat deze dicht bij elkaar liggen maar nagenoeg dezelfde begin- en eindtijden hebben zodat ze niet binnen de marge van vijftien minuten gecombineerd kunnen worden. 5.11 Vaste zitplaatsEen leerling dient zoveel mogelijk een vaste zitplaats te hebben in het voertuig. 5.12 Extreme weersomstandighedenBij extreme weersomstandigheden beslist de gemeente of het vervoer al dan niet op een latertijdstip plaats moet vinden. Indien dit van toepassing is, treedt vervoerder in overleg met degemeente. De vervoerder dient verder zorg te dragen voor veilig vervoer en dient desnelheid en rijstijl aan te passen aan de geldende weersomstandigheden. 5.13 Aanmeldingen, afmeldingen en mutatiesa. Nieuwe aanmelding, mutaties in adressen van schoollocatie of woonadres Nieuwe aanmeldingen van leerlingen, mutaties in adressen van schoollocatie of woonadres worden uiterlijk 5 werkdagen (behoudens uitzonderingen) voor datum ingang vervoer door of namens de gemeente doorgegeven. De ouder moet rekening houden met deze verwerkingstijd. b. Wel/niet gebruik maken van het vervoer Mutaties die betrekking hebben op wel of niet gebruik maken van het vervoer of extra ritten worden zoveel mogelijk ruim tevoren doorgegeven aan de gemeente. De gemeente zorgt d er dan voor dat deze informatie uiterlijk vóór 17:00 uur op de dag ervoor aan de vervoerder wordt verstrekt. De ouder moet rekening houden met deze verwerkingstijd als zich een mutatie voordoet. c. Ziekmelding / betermelding Het vervallen van vervoer i.v.m. ziekte moet de gemeente uiterlijk een uur tevoren melden bij de vervoerder. Zo gauw een ouder vaststelt dat een leerling als gevolg van ziekte niet vervoerd hoeft te worden, moet hij/zij dit melden bij de gemeente, zodat de gemeente dit tijdig kan melden aan de vervoerder. Betermeldingen (na ziekte) moet de gemeente doorgeven aan de vervoerder voor 17.00 uur daags voorafgaand aan de (her)start van een geplande rit. Voor betermeldingen die na 17.00 uur worden gemeld, geldt dat deze niet de volgende werkdag uitgevoerd worden maar de werkdag erna, tenzij de gemeente een aparte opdracht verstrekt. d. Duur mutatie Een mutatie/afmelding geldt tot wederbericht. e. Gewijzigde eindtijd Bij een gewijzigde eindtijd door o.a. lesuitval is de school of de ouder/verzorger verantwoordelijk voor opvang van de leerlingen. Indien een leerling tijdens het onderwijs/de lessen bijvoorbeeld ziek wordt of naar tandarts of huisarts moet, zijn de ouders verantwoordelijk voor het vervoer. De leerlingen worden alleen op de normale begin- en eindtijd volgens de schoolgids gebracht dan wel opgehaald. 6.BEGELEIDING 6.1 Begeleiding De verordening hanteert in titel 2 en 3 als afstandscriteria 4 en 6 kilometer. Beleidsregel De afstand van de woning naar de school moet meer zijn dan de in titel 2 en 3 gehanteerde afstanden (vier en zes kilometer) om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een begeleider in aanmerking te komen. Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor begeleiding zorg te dragen, ook indien de af te leggen route onveilig is (Raad van State 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Overstappen tijdens de reis Het gemeentelijk beleid ten aanzien van "overstappen" houdt in dat van een leerling van 10 of 11 jaar verwacht mag worden dat hij 1 maal per enkele reis kan overstappen. Van kinderen van 12 jaar en ouder wordt verwacht dat zij 2 maal over kunnen stappen per enkele reis. Het komt voor dat ouders van mening zijn dat 1 resp. 2 maal overstappen per enkele reis van hun kind niet verwacht kan worden en dat het kind begeleiding nodig heeft c.q. in aanmerking zou moeten komen voor aangepast vervoer. Beleidsregel In die gevallen moeten de ouders genoegzaam aantonen dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. Hiervan kan onder andere sprake zijn indien: de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd, te jong hiervoor is; de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers niet mogelijk is). Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer, psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van de leerling al dan niet mogelijk is. Indien uit het onderzoek blijkt dat begeleiding nodig is c.q. dat aangepast vervoer noodzakelijk is, kan daar een termijn aan worden verbonden en kan aan de toekenning een voorwaarde worden verbonden die gericht is op het leren om zelfstandig te reizen. 6.2 Begeleiding door oudersArtikel 2, lid 4 van de Verordening: De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. Beleidsregel Begeleiding is primair een taak van de ouders/verzorgers. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Ingeval de leerling in een instelling woont blijven ouders, verzorgers als ook de instelling verantwoordelijk voor de zorg en de daarmee samenhangende begeleiding van de leerling naar school en terug. Als ouders, verzorgers en van de instelling er zelf niet in slagende begeleiding te leveren, kunnen zij daarvoor bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of vrijwilligers inschakelen. Alleen in uitzonderlijke situaties waarin men er niet in slaagt om begeleiding in het leerlingenvervoer te organiseren, kan de gemeente in laatste instantie met een (tijdelijke) oplossing komen. Dit wordt altijd op individueel niveau besloten (Verordening leerlingenvervoer artikel 33). 6.3 Medische begeleidingBeleidsregel De gemeente is niet verantwoordelijk voor medische begeleiding in het leerlingenvervoer. 6.4 Eigen vervoerArtikel 14 van de verordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging van het eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer. Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Ook kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het vervoer per fiets. De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in aanmerking komen: voor openbaar vervoer; voor aangepast vervoer. a. Vergoeding tussen de middag Er wordt maximaal twee enkele reizen per dag vergoed: aan het begin en aan het einde van de schooldag. Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd. b. Twee of meer leerlingen Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven, wordt uitgegaan van de rijafstand uitgaande van de woning van de te vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.
- HANDICAP 7.1 Structurele en tijdelijke handicapEr is onderscheid te maken in structurele en tijdelijke handicaps. De gemeente is alleen verantwoordelijk voor vervoer van structureel gehandicapte leerlingen. Beleidsregel Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een structurele handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen tijdelijke handicap. De gemeente verzorgt geen vervoer om tijdelijke medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft. Ouders hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In sommige gevallen vergoedt de ziektekostenverzekeraar een gedeelte. Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van artikel 20, c.q. Titel 6 van de verordening. Daarbij hanteert de gemeente de volgende regel: bij een tijdelijke handicap tot drie maanden bestaat geen aanspraak op leerlingenvervoer; bij een tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden bekijkt de gemeente of de leerling in aanmerking komt voor vervoer op basis van artikel 20, c.q. Titel 6 van de verordening. De gemeente geeft een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op vervoer. 8.DREMPELBEDRAG en DRAAGKRACHT 8.1 Drempelbedrag Met name wanneer meerdere kinderen uit één gezin gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het inkomen van de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig grote financiële belasting ontstaan. Beleidsregel In deze situatie kan met toepassing van artikel 33 besloten worden het verschuldigde drempelbedrag niet geheel in rekening te brengen. a. Fietsvergoeding Ten aanzien van het heffen van een drempelbedrag voor leerlingen die in aanmerking komen voor een fietsvergoeding het volgende. De fietsvergoeding is in een aantal gevallen lager dan het door de ouders verschuldigde drempelbedrag. Onderstaande beleidsregel is opgenomen om te voorkomen dat leerlingen die zouden kunnen fietsen daarvan om deze reden van afzien. Beleidsregel Als de fietsvergoeding lager is dan of gelijk is aan het door de ouders verschuldigde drempelbedrag, wordt geen drempelbedrag in rekening gebracht. b. Terugval in inkomen Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 33 van de verordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen. Beleidsregel Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, is aangesloten bij artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF). Dit artikel is niet in de verordening opgenomen maar is hieronder als beleidsregel opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 33 van de verordening om een beleidsbevoegdheid van het college. Onderstaand artikel vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het betreffende artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te kiezen. De toe te passen regel luidt: Op aanvraag van de ouder wordt bij de toepassing van artikel 26 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, indien: sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld, of sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de ouder van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld. c. Pleegouders Beleidsregel Aan pleegouders wordt geen eigen bijdrage in rekening gebracht. d. Voogdij-instellingen Voogdij-instellingen worden ook als "ouder" aangemerkt. Zij kunnen tevens een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden vastgesteld, omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. (Deze wet ziet op natuurlijke personen.) 8.2 Financiële draagkrachtIndien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 33 van de verordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen. Beleidsregel Zie 8.1, onder b "Terugval in inkomen" c. Pleegouders Beleidsregel Bij pleegouders wordt geen rekening gehouden met financiële draagkracht. d. Voogdij-instellingen Voogdij-instellingen worden ook als "ouder" aangemerkt. Zij kunnen tevens een aanvraag indienen. Bij voogdij-instellingen wordt geen rekening gehouden met financiële draagkracht. Zij hebben geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. Deze wet ziet op natuurlijke personen.
- WIJZIGINGEN en TERUGVORDERING 9.1 Doorgeven van wijzigingenArtikel 6, eerste lid, van de verordening regelt dat ouders verplicht zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college. Beleidsregel Ouders moeten in ieder geval de volgende wijzigingen doorgeven: wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld het openbaar vervoer; wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing; wijziging van de gezinssamenstelling; wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet begeleiden van leerlingen bijv. ontslag van één van de ouders); wijziging van het adres van de school; wijziging van de schooltijden van de school; toekenning van bekostiging op grond van de Wet WIA , of op grond van andere wet en regelgeving. 9.2 TerugvorderingArtikel 6, vierde lid, van de verordening biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. De beslissing dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41 Awb). Beleidsregel Het college hanteert het uitgangspunt dat ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen voor leerlingenvervoer altijd van de ouders worden terug gevorderd, tenzij er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
- ADVISERING 10.1 Advisering bij negatieve beschikkingVolgens de verordening wint het college in ieder geval advies in als het overweegt een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening af te geven in de volgende situaties: over de vraag of een leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets; over de vraag of een leerling, die een school voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding noodzakelijk is; over de vraag of een leerling gelet op zijn verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is; over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de woning van de leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de in de verordening aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke handicap, die school zonder aangepast vervoer te bereiken; over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt; Er hoeft geen advies ingewonnen te worden als het gaat om: de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of minder (artikel 18, onder b, van de modelverordening); de vraag of openbaar vervoer ontbreekt. 10.2 Adviezen van Commissies uit het onderwijsAls een verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, moet het college het advies van de aangewezen commissie bij haar besluit betrekken. Dit is geregeld de artikel 10, lid 2, artikel 16 en artikel 26, lid 2 van de Verordening leerlingenvervoer. Beleidsregel Meestal zal het advies duidelijk zijn over de school waar een leerling naar vervoerd moet worden. Dat advies zal de gemeente moeten volgen. Als de gemeente wil afwijken dan zal zij die afwijking moeten motiveren. De adviezen gaan meestal niet in op het vervoer. Als er wel een advies over is opgenomen, zal dit advies moeten worden gevolgd of moet gemotiveerd worden afgeweken. Er dient dan altijd een onderzoek door een derde gedaan te worden.
- ONTZEGGING TOEGANG VERVOER Ontzeggen van de toegang tot het vervoer door de gemeente Basis tot ontzegging van de toegang tot het vervoer is gelegen in artikel 28 van de Verordening leerlingenvervoer. Beleid Melding Meldingen door de reiziger Van een melding door de reiziger is sprake wanneer de reiziger de opdrachtnemer laat weten dat de beloofde dienstverlening niet volgens verwachting wordt uitgevoerd en de reiziger wenst dat alsnog tot uitvoering wordt overgegaan. Voorbeeld: taxi is te laat, ontbreken van een geschikt vastzetsysteem. Een melding kan worden gedaan via het telefoonnummer bij de vervoerder. De vervoerder is verantwoordelijk voor het oplossen van de melding. Incidenten Een incident is een ernstig voorval tijdens het vervoer dat niet hersteld kan worden. Voorbeelden zijn: een aanrijding waarbij persoonlijke ongevallen plaatsvonden, een leerling/begeleider die tijdens het vervoer gewond is geraakt of overleden, wanordelijkheden bij de uitvoering van het vervoer, verstoringen van het vervoer door conflicten, agressie of verstorende verkeerssituaties. Incidenten tijdens het vervoer worden binnen twee uur na het incident per telefoon en e-mail aan het betreffende gemeente gemeld en beschreven. De vervoerder biedt reizigers een soepele en voortvarende afwikkeling van de gevolgen van een incident. Meldt de vervoerder of de ouder een incident (lees hier ongewenst gedrag van chauffeur, leerling of ouder) dat mogelijk gevolgen kan hebben voor het vervoer van een leerling of voor de chauffeur, dan start een ambtenaar van de gemeente (Team leerlingenvervoer) een onderzoek. De ambtenaar deelt ouders en vervoerder mee dat een onderzoek wordt opgestart. De ambtenaar bespreekt het incident eerst met de vervoerder. Hij informeert bij de vervoerder wat deze zelf al hebben ondernomen en vraagt een eventueel rapport van de chauffeur op. De ambtenaar hoort telefonisch ouders en/of school. Als de conclusie van het ambtelijk onderzoek is dat het voorval is terug te voeren op de ernstige verstandelijke handicap van de leerling en dus aan de leerling niet kan worden toegerekend dan wordt met vervoerder, ouders en eventueel school een passende oplossing gezocht (bijv. begeleiding in het aangepast vervoer, eigen vervoer). Als de conclusie van het ambtelijk onderzoek is dat het voorval niet is terug te voeren op de ernstige verstandelijke handicap van de leerling, wordt het ongewenste gedrag aan de leerling toegerekend. De ouders ontvangen een eerste waarschuwingsbrief. In deze brief wordt in ieder geval meegedeeld dat: bij herhaling van ongewenste gedrag de leerling voor een termijn van 4 weken wordt uitgesloten van enige vorm van leerlingenvervoer; de leerling van enige vorm van leerlingenvervoer wordt uitgesloten tot het einde van het schooljaar met een minimum van 3 maanden excl. vakanties, als hij zich na de schorsing opnieuw schuldig maakt aan ongewenste gedrag. De vervoerder wordt op de hoogte gesteld dat aan de ouders van leerling een waarschuwingsbrief is verstuurd. Als de conclusie van het ambtelijk onderzoek is dat het ongewenste gedrag moet worden toegerekend aan de ouders, dan ontvangen de ouders een eerste waarschuwingsbrief. In deze brief wordt in ieder geval meegedeeld dat: bij herhaling van ongewenste gedrag de leerling voor een termijn van 4 weken wordt uitgesloten van enige vorm van leerlingenvervoer; de leerling van enige vorm van leerlingenvervoer wordt uitgesloten tot het einde van het schooljaar met een minimum van 3 maanden excl. vakanties, als de ouders zich na de schorsing opnieuw schuldig maken aan ongewenste gedrag. De vervoerder wordt op de hoogte gesteld dat aan de ouders van leerling een waarschuwingsbrief is verstuurd. Vindt opnieuw ongewenst gedrag plaats binnen een periode van 12 maanden na de datum van de eerste waarschuwingsbrief, dan vindt een onderzoek plaats als onder 4 beschreven met dien verstande dat het telefonisch horen wordt vervangen door een gesprek. Gaan ouders niet in op de uitnodiging voor een gesprek over het gedrag of is de conclusie van het onderzoek dat het ongewenste gedrag is toe te rekenen aan de leerling en/of ouders, dan ontvangen de ouders onder verwijzing naar de eerste waarschuwingsbrief een tweede (waarschuwings)brief waarin hen wordt meegedeeld, dat: vanwege de herhaling van ongewenste gedrag de leerling voor een termijn van 4 weken wordt uitgesloten van enig vorm van leerlingenvervoer. Als de leerling en/of ouders zich na de schorsing opnieuw schuldig maakt/maken aan ongewenste gedrag wordt de leerling uitgesloten van enige vorm van leerlingenvervoer tot het einde van het schooljaar met een minimum van 3 maanden excl. vakanties. De vervoerder wordt op de hoogte gesteld dat aan de ouders van leerling een (waarschuwings)brief is verstuurd met daarin een schorsing van 4 weken. Vindt opnieuw ongewenst gedrag plaats binnen een periode van 12 maanden na de datum van de eerste waarschuwingsbrief, dan vindt een onderzoek plaats als onder 4 beschreven met dien verstande dat het telefonisch horen wordt vervangen door een gesprek Gaan ouders niet in op de uitnodiging voor een gesprek over het gedrag of is de conclusie van het onderzoek dat het ongewenste gedrag is toe te rekenen aan de leerling en/of ouders, dan ontvangen de ouders onder verwijzing naar de eerste en de tweede (waarschuwings)brief een derde brief waarin hen wordt meegedeeld, dat: vanwege de herhaling van ongewenste gedrag de leerling maand wordt uitgesloten van enig vorm van leerlingenvervoer tot het eind van het schooljaar met een minimum van 3 maanden excl. vakanties. De vervoerder wordt op de hoogte gesteld dat aan de ouders van leerling een (waarschuwings)brief is verstuurd met daarin een schorsing tot het eind van het schooljaar. Opmerking 1 Vindt het ongewenst gedrag plaats tegen het eind van het schooljaar dan geldt de uitsluiting voor een periode van 3 maanden exclusief de zomervakantie. Dit betekent dat de uitsluiting ook in het begin van een nieuw schooljaar kan vallen. Opmerking 2 Als ouders na de schorsing opnieuw van leerlingenvervoer gebruik willen maken dan moeten ze aan het eind van de schorsingsperiode een nieuwe aanvraag indienen. .Als de conclusie van het ambtelijk onderzoek is dat het voorval moet worden toegerekend aan de chauffeur, vindt overleg plaats met de vervoerder over een gepaste maatregel/oplossing van het probleem. De ouders worden schriftelijk op de hoogte gesteld van het resultaat van het overleg.