MINISTERIËLE BESCHIKKING MET ALGEMENE WERKING van de 23ste juli 2001, regelende de ambtsinstructie voor de ambtenaren van het Korps politie Nederlandse Antillen, belast met de uitvoering van de politietaak, alsmede de instructie betreffende het gebruik van geweld en (vuur)wapens voor de ambtenaren van het Korps Politie Nederlandse Antillen, belast met de uitvoering van de politietaak, en andere functionarissen die betrokken zijn bij de uitvoering van de politietaak (Regeling ambts- en geweldinstructie KPNA) HOOFDSTUK1 §1Algemene bepalingen Artikel1 In deze beschikking wordt verstaan onder: ambtenaar: de ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 4, onder a, van de Politieregeling 1999; en degene die is benoemd tot aspirant of hulpagent in opleiding, voor de duur dat hij de praktijkstage volgt. meerdere: de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens aanwijzing met de leiding is belast of bet [lees: het] bevel heeft over de taakuitvoering; of indien geen meerdere kan worden aangewezen, wordt de ambtenaar die een hogere rang heeft, of, bij gelijkheid in rang, de ambtenaar met de meeste dienstjaren met meerdere gelijkgesteld; of ingeval van samenwerking met anderen dan genoemd in het eerste lid, worden personen krachtens aanwijzing door het plaatselijk hoofd van politie, op voordracht van de korpschef, als meerdere aangemerkt politiecellen: een in een gebouw, beheerd door of ten behoeve van het Korps Politie Nederlandse Antillen, te onderscheiden ruimte waarin 1 of meer gangen met daaraan grenzend 1 of meer ruimten liggen, die worden gebruikt voor het opsluiten van personen, anders dan bedoeld in de Aanwijzingsbeschikking Gestichten 1999 (P.B. 1999, no.118). Deze beschikking is mede van toepassing op: douanepersoneel dat wordt ingezet ten behoeve van de uitvoering van politietaken, waaronder begrepen de maritieme rechtshandhaving; en de buitengewoon agent, met dien verstande dat op buitengewone agenten, die uitsluitend behoren tot dan wel werkzaam zijn ten behoeve van de maritieme rechtshandhaving, alleen Hoofdstuk III van toepassing is; en de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder g en h, van het Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 27ste januari 1978 (P.B.1978, no.23) ter uitvoering van artikel 2 ten 1ste van de Wapenverordening 1931 (P.B.1967, no.168); en een lid van het Vrijwilligers Korps Nederlandse Antillen, voor zover in de uitvoering van politietaken. §2Ambtsuitvoering Artikel2 De ambtenaar verricht zijn dienst met inachtneming van deze regeling en voorts op de wijze, voorgeschreven door of namens de autoriteit, onder wiens bevelen hij werkzaam is. Artikel3 De ambtenaar zal zich bij de uitoefening van zijn taken onthouden van gedragingen, waardoor aan de goede naam van het Korps Politie Nederlandse Antillen afbreuk gedaan kan worden. Artikel4 1.Behoudens bij nadere ambtelijke instructie vast te stellen bijzondere voorschriften, brengt de ambtenaar bij officiële gelegenheden -in uniform gekleed- op militaire wijze de groet: voor leden van het Koninklijk Huis en de Gouverneur van de Nederlandse Antillen, waarbij halt en front wordt gemaakt, tenzij anders is voorgeschreven; en tijdens het ten gehore brengen van volksliederen bij officiële gelegenheden, tenzij de dienstverrichting het brengen van de groet niet toelaat; en voor ontplooide, door of vanwege Hare Majesteit de Koningin uitgereikte of met Koninklijke overstemming gevoerde vaandels en standaarden, waarbij halt en front wordt gemaakt; en voor ministers, staatssecretarissen en gezaghebbers. 2.De groet wordt niet gebracht door de ambtenaar die optreedt als bestuurder van een in beweging zijnd vervoermiddel, of die actief bezig is met de regeling van het verkeer. 3.In burgerkleding groet de ambtenaar en brengt hij eerbewijzen met inachtneming van de gebruikelijke beleefdheidsvormen. Artikel5 1.De ambtenaar zorgt voor een correct voorkomen. 2.Hij verricht zijn taken in uniform, tenzij hij is aangewezen om in burgerkleding dienst te doen. 3.In uniform of burgerkleding gekleed, draagt hij de wapens als voor de dienst voorgeschreven. Bij burgerkleding worden de wapens als regel onzichtbaar gedragen. 4.Hij draagt er zorg voor dat zijn uniformkleding en uitrustingsstukken en de hem verstrekte wapens steeds in goed onderhouden en zindelijke staat verkeren. 5.Het is de ambtenaar verboden dienstkleding, -auto's, en -gebouwen voor een ander doel te gebruiken, dan waarvoor zij zijn verstrekt respectievelijk beschikbaar gesteld. Artikel6 De ambtenaar legitimeert zich met het legitimatiebewijs, dat hem door de dienstleiding is verstrekt: ongevraagd bij optreden in burgerkleding, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken; en op verzoek daartoe bij optreden in uniform. Artikel7 1.De ambtenaar bekwaamt zich voortdurend in de kennis van zijn plichten, bevoegdheden en alle andere zaken met betrekking tot zijn taken. 2.Hij stelt zich voortdurend op de hoogte van de in de Nederlandse Antillen en het eiland van zijn plaats van tewerkstelling geldende wettelijke regelingen, die voor de politie van belang zijn, en van de voor hem geldende reglementen, dienstvoorschriften en ambtelijke instructies. Artikel8 De ambtenaar is verplicht van een dagvaarding of oproeping om voor enig rechterlijk of ander college te verschijnen onverwijld kennis te geven aan zijn meerdere, die hem in de gelegenheid zal stellen aan die dagvaarding of oproeping gevolg te geven. Artikel9 1.De ambtenaar is verplicht ten spoedigste bij verhuizing, verandering van burgerlijke staat of wijziging van zijn gezinssamenstelling daarvan kennis te geven aan het hoofd van dienst ter plaatse. Desgevraagd wordt daarbij het trouwboekje overgelegd. 2.Met verlof, vrijstelling van dienst of anderszins langer dan twee maal vierentwintig uur buiten het eiland van tewerkstelling vertoevend, draagt de ambtenaar er zorg voor dat zijn adres en zo mogelijk bereikbaarheid via enig communicatiemiddel bekend is bij het hoofd van dienst van het eiland van tewerkstelling of, indien hij daaronder ressorteert, het hoofd van de Centrale Politie Dienst. Artikel10 Indien tegen een verdachte van een strafbaar feit proces verbaal zal worden opgemaakt, wordt dit zo mogelijk aan hem meegedeeld met inachtneming van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. Artikel11 1.Ingeval van buitengewone omstandigheden treedt de ambtenaar met inachtneming van de door of namens het Plaatselijk Hoofd van Politie verstrekte en te verstrekken instructies onverwijld op en wel op de bij deze instructie bepaalde of nader te bepalen plaatsen. 2.De ambtenaar, die buiten dienst een rustig voorval waarneemt, hetwelk binnen de bevoegdheidssfeer van de politie ligt, of die buiten dienst op andere wijze van een zodanig ernstig voorval mededeling ontvangt, is verplicht naar bevind van zaken hulp te bieden en voorlopige maatregelen te nemen ter voorkoming van verder onheil dan wel ter verzekering van de mogelijkheid tot opsporing van een strafbaar feit. Een en ander in afwachting van het overnemen van de behandeling van de zaak door een dienstdoend functionaris, die bij of krachtens lands- of eilandsverordening belast is met toezichthoudende of opsporingstaken. 3.Bij dringende noodzaak verleent de ambtenaar die buiten dienst is, hulp bij de uitoefening van politietaken aan een dienstdoend functionaris, die bij of krachtens lands- of eilandsverordening belast is met toezichthoudende of opsporingsbevoegdheden §3Maatregelen jegens arrestanten Artikel12 1.Voor zover het bij of krachtens het Wetboek van Strafvordering bepaalde zich daartegen niet verzet, stelt de ambtenaar zo spoedig mogelijk een familielid of huisgenoot van de arrestant in kennis van de insluiting. Indien de arrestant minderjarig is, doet hij dit uit eigen beweging. Indien de arrestant meerderjarig is, doet hij dit slechts op verzoek van de arrestant. 2.Indien de omstandigheden uitvoering van het eerste lid niet mogelijk maken bij een arrestant die geen ingezetene is, wordt het consulaat van het land waarvan de arrestant ingezetene is, zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de insluiting. 3.De ambtenaar stelt, met in achtneming van artikel 48 van het Wetboek van Strafvordering, de raadsman van de arrestant in kennis van de insluiting. 4.Ten behoeve van de registratie van ingesloten arrestanten wordt door de Minister van Justitie een model arrestanten-register vastgesteld. 5.Het verblijf in een politiecel mag de termijn van achttien aaneensluitende dagen niet overschrijden. Artikel13 1.De ambtenaar onderzoekt de arrestant direct voorafgaand aan de insluiting in een politiecel aan zijn kleding en handbagage op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de arrestant of aanwezige derden kunnen vormen. 2.Bij het aantreffen van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, neemt de ambtenaar deze onverwijld in bewaring. 3.Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen. Artikel14 1.De ambtenaar kan slechts van de arrestant verlangen dat deze zich ontkleedt, indien: de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of aanwezige derden kan vormen en de hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven; of de kleding tijdens de insluiting naar het oordeel van de politiearts een gevaar voor de gezondheid van betrokkene of aanwezige derden kan vormen. 2.De ambtenaar neemt de kleding, bedoeld in het eerste lid, onverwijld in bewaring en draagt zorg voor vervangende kleding. Artikel15 1.De ambtenaar, die een onderzoek, bedoeld in artikel 14, heeft uitgevoerd, maakt hiervan onverwijld schriftelijk rapport op ten behoeve van zijn meerdere. 2.De ambtenaar noteert nauwkeurig alle voorwerpen en kledingstukken die hij in bewaring heeft genomen. Bij voorwerpen van geringe omvang of waarde kan worden volstaan met een globale aanduiding. 3.Een afschrift van de aantekening, bedoeld in het tweede lid, wordt door de arrestant en de ambtenaar ondertekend, en aan de arrestant overhandigd. Artikel16 1.De ambtenaar kan de arrestant, na toestemming van de hulpofficier van justitie, aan permanente camera-observatie onderwerpen. 2.De maatregel, bedoeld in het eerste lid, is slechts geoorloofd in die gevallen waarin sprake is van een zodanige dreiging van gevaar voor het leven of de veiligheid van betrokkene of aanwezige derden, dat doorlopende controle ter afwending van dit gevaar noodzakelijk is. 3.De ambtenaar doet de arrestant onverwijld mededeling van de permanente camera-observatie en maakt aantekening van de permanente camera-observatie en de reden daarvoor. Artikel17 1.Indien er aanwijzingen zijn dat een arrestant medische bijstand behoeft dan wel dat er bij hem medicijnen zijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar onverwijld met de politie-arts. De ambtenaar overlegt eveneens onverwijld met de politie-arts, indien de arrestant zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt. 2.Indien de arrestant vraagt om medische bijstand van zijn eigen arts, stelt de ambtenaar die arts daarvan onverwijld in kennis. 3.Indien de arrestant te kennen geeft geen medische hulp te willen hebben, terwijl er aanwijzingen zijn dat medische bijstand gewenst is, waarschuwt de ambtenaar onverwijld de politiearts en deelt hij deze de houding van de arrestant mee. Artikel18 De ambtenaar mag de politiearts bij het onderzoek en de behandeling geen beperkingen opleggen. Hij volgt de aanwijzingen die de politiearts ten behoeve van de gezondheid van de arrestant geeft, onverwijld op en maakt aantekening van de door die arts gegeven aanwijzingen. Artikel19 1.De ambtenaar controleert de arrestant regelmatig met dien verstande dat: in het geval de politiearts is gewaarschuwd, de arrestant ten minste elk kwartier in de cel wordt gade geslagen; in het geval medische hulp is verstrekt, de arrestant zo vaak wordt geobserveerd als de politiearts heeft voorgeschreven; in het geval geen medische hulp noodzakelijk wordt geacht, de arrestant eenmaal per twee uur wordt gadegeslagen. 2.In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, observeert de ambtenaar zo nodig in de cel, waarbij hij met name acht slaat op de mate waarin de arrestant aanspreekbaar is. Personen die in een toestand geraken waarin zij niet aanspreekbaar zijn, worden onverwijld per ambulance naar een polikliniek vervoerd. 3.De ambtenaar maakt aantekening van de observaties, bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel20 Bij de overplaatsing van de arrestant geeft de ambtenaar de geneesmiddelen, de notities, bedoeld in de artikelen 18 en 19, voor zover die van belang kunnen zijn en de rapportage van de politie-arts die bestemd is voor de arts die de behandeling zal overnemen, mee. Artikel21 1.Bij de invrijheidstelling dan wel overbrenging naar een gesticht, bedoeld in de Aanwijzingsbeschikking Gestichten 1999, wordt daarvan en de reden daartoe aangetekend in het register als bedoeld in artikel 12. 2.De ambtenaar zorgt ervoor dat bij de invrijheidstelling van een arrestant die zichzelf niet kan verplaatsen, vervoer en begeleiding voor die persoon beschikbaar is. HOOFDSTUKIIGebruik van geweld §1Algemeen Artikel22 Het gebruik van geweldsmiddelen als omschreven in de paragrafen 3, 4, 5 en 6 van dit hoofdstuk, is uitsluitend toegestaan aan de ambtenaar: aan wie die geweldsmiddelen rechtens zijn toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop de geweldsmiddelen hem zijn toegekend; en die in het gebruik van die geweldsmiddelen is geoefend. Artikel23 1.Indien de ambtenaar, al of niet in gesloten verband, onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, gebruikt hij geen geweld dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan van welke geweldsmiddelen gebruik gemaakt kan worden. 2.Het eerste lid is niet van toepassing: in het geval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald; of in een situatie, waarin op grond van artikel 43 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, een beroep gedaan kan worden op noodweer. Artikel24 De mate van het aan te wenden geweld bij het gebruik van een (vuur)wapen of bij het inzetten van een politiehond dan wel de noodzaak handboeien te gebruiken, moet worden afgewogen tegen de inbreuk die op de rechtsorde werd gemaakt. Daarbij streeft de ambtenaar naar evenredigheid tussen het beoogde doel en het geweldsmiddel en hanteert het minst ingrijpende geweldsmiddel dat nog aanvaarbare resultaten oplevert. Artikel25 Het gebruik van een (vuur)wapen of het aanwenden van (lichaams)geweld door een ambtenaar als middel van verhoor van een persoon die verdacht wordt van een strafbaar feit, is nimmer toegestaan. §2Meldingsprocedure Artikel26 1.De ambtenaar die met een door de dienstleiding verstrekt vuurwapen heeft geschoten -het geven van een waarschuwingsschot daaronder begrepen- of van een wapen als bedoeld in artikel 30, gebruik heeft gemaakt of anderszins geweld heeft aangewend, meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld aan zijn meerdere of een door de Korpschef aangewezen functionaris. 2.De mondelinge melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de meerdere of de door de Korpschef aangewezen functionaris onverwijld vastgelegd in een meldingsformulier, volgens een door de Minister van Justitie vastgesteld model, en ingeleverd bij de Korpschef. 3.De Korpschef wijst in elk bureau een functionaris aan die het opmaken van het in het eerste en tweede lid bedoelde melding coördineert en begeleidt. 4.Het meldingsformulier bedoeld in het tweede lid, wordt door de Korpschef binnen vierentwintig uur na ontvangst ter kennis gebracht van de officier van justitie ter standplaats waarbinnen het geweld is aangewend, indien: de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het oordeel van de Korpschef aanleiding geven; of het aanwenden van geweld, lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis dan wel de dood heeft veroorzaakt; of gebruik is gemaakt van het vuurwapen en daarmee een of meer schoten zijn gelost. 5.In geval van bijzondere eenheden die als collectief optreden, berust de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schriftelijke vastlegging en inlevering op degene die belast is met de leiding van de betrokken eenheid. 6.De betrokken ambtenaar of de leidinggevende, bedoeld in het vijfde lid, wordt door de meerdere regelmatig op de hoogte gehouden van de afhandeling van de mondelinge melding en de schriftelijke vastlegging. §3.Vuurwapens Artikel27 Het gebruik van een handvuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstands-precisievuur kan worden afgegeven, tegen personen, vervoermiddelen, vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden, is slechts geoorloofd: in een situatie, waarin op grond van artikel 43 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen een beroep gedaan kan worden op noodweer; of om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuur- of steekwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; of om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming onttrekt of heeft onttrokken en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een rustig misdrijf, poging daartoe of de deelnemingsvormen, bedoeld in artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, dat tevens moet worden aangemerkt als een grove aantasting van de rechtsorde; of in geval van een opdracht vanwege het bevoegde gezag of een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere ter beteugeling van een volksoploop. Een volksoploop doet zich voor de toepassing van dit onderdeel slechts voor, indien sprake is van een groep of groepen mensen, die een ernstig en onmiddellijke bedreiging vormt of vormen voor het leven van anderen en de openbare orde. Artikel28 Het gebruik van een handvuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstands-precisievuur kan worden afgegeven, tegen personen, vervoermiddelen, vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden, is niet geoorloofd: indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt; en indien een aanmerkelijke kans bestaat dat onschuldige derden, zoals omstanders of passanten, door de afgevuurde kogel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.