Verordening langdurigheidstoeslag WWB ISD Bollenstreek 2012Verordening langdurigheidstoeslag WWB ISD Bollenstreek 2012 De raad van de gemeente Teylingen; gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek van d.d. 19 maart 2012 gelet op de Gemeenschappelijke Regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Hillegom, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen; gelet op artikel 147 Gemeentewet en artikel 8 lid 1 aanhef en onderdeel d en artikel 36 van de Wet werk en bijstand; besluit vast te stellen de volgende verordening langdurigheidstoeslag WWWB ISD Bollenstreek 2012. Artikel 1 Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht. In deze verordening wordt verstaan onder: WWB: Wet werk en bijstand; WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; WSF 2000: Wet Studiefinanciering 2000; peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de langdurigheidstoeslag ontstaat. In deze verordening wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin. Artikel 2 Voorwaarden Onverlet het bepaalde in artikel 36 WWB komt in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende die gedurende een onafgebroken periode van 36 maanden aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 WWB. Geen recht op langdurigheidstoeslag heeft de belanghebbende die een opleiding of studie als bedoeld in de WTOS dan wel WSF 2000 volgt. Geen recht op langdurigheidstoeslag heeft de belanghebbende aan wie in de periode van twaalf maanden voor de peildatum een maatregel is opgelegd op grond van artikel 18 lid 2 WWB of artikel 20 lid 1 en 2 IOAW, dan wel artikel 20 lid 1 en 2 IOAZ en de daar genoemde verordeningen voor een gedraging waarvoor een maatregel van 20% of hoger kan worden opgelegd wegens het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB, artikel 37 IOAW, dan wel artikel 37 IOAZ. Indien één van de gezinsleden is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13 lid 1 WWB, waardoor slechts één van de gezinsleden recht op langdurigheidstoeslag heeft, komt dit gezinslid in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Artikel 3 Hoogte van de toeslag De langdurigheidstoeslag bedraagt: voor een gezin: 40% van de norm als bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB; voor alleenstaande ouders: 40% van de norm als bedoeld in artikel 20 lid 2 sub b WWB verhoogd met de maximale toeslag als bedoeld in artikel 25 lid 2 WWB; voor alleenstaanden: 40% van de norm als bedoeld in artikel 20 lid 1 sub b WWB verhoogd met de maximale toeslag als bedoeld in artikel 25 lid 2 WWB; In afwijking van het voorgaande lid bedraagt het percentage voor personen die in een inrichting verblijven steeds 20% van de in het voorgaande lid bedoelde norm en toeslag. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid wordt uitgegaan van de norm en (indien van toepassing) de toeslag exclusief vakantietoeslag geldend per 1 januari van het jaar waarbinnen de peildatum ligt. Artikel 4 Uitvoering Het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Duin- en Bollenstreek is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. Artikel 5 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op de bekendmaking vam deze verordening. Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de ‘Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren ISD Bollenstreek 2009’ zoals gewijzigd bij ‘Raadsbesluit tijdelijke regels Aanscherping Wet werk en bijstand’ ingetrokken. Artikel 6 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening langdurigheidstoeslag WWB ISD Bollenstreek 2012. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 juni 2012.De voorzitter, De griffier,Drs. S.W.J.G. Schelberg R. van DijkTOELICHTING ALGEMEEN Decentralisatie langdurigheidstoeslag Op 1 januari 2009 is wetsvoorstel 31 559 inwerking getreden. Daarmee is de langdurigheidstoeslag beleidsmatig en financieel is gedecentraliseerd naar gemeenten. De gedachte achter de toeslag is, dat mensen die langdurig een inkomen op het sociaal minimum hebben en weinig financiële ruimte hebben om te reserveren voor onverwachte uitgaven, extra ondersteuning nodig hebben. Door inwerkingtreding van genoemd wetsvoorstel is artikel 36 WWB ingrijpend gewijzigd. In dat artikel is omschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden mensen met een laag in komen en vermogen en zonder uitzicht op inkomensverbetering, in aanmerking komen voor de langdurigheidstoeslag. Bevoegdheid gemeenten In het nieuwe artikel 36 lid 1 WWB is de basis voor de langdurigheidstoeslag opgenomen: Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. In artikel 8 WWB is bepaald dat de gemeenteraad middels een verordening regels stelt die in in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen. Het is een verplichting om een verordening vast te stellen, geen bevoegdheid. Langdurig De vroegere referteperiode (in de wet) was vijf jaar maar het staat de gemeenteraad vrij om een andere referteperiode te benoemen. In de verordening is de referteperiode op 36 maanden vastgesteld. Dit sluit aan bij de veelal gehanteerde stelregel, dat bij een inkomen op bijstandsniveau na drie jaar de capaciteit om te reserveren voor vervangingsuitgaven niet langer aanwezig is. Vanaf dat moment is extra inkomensondersteuning derhalve gewenst. Ook voor de klant en voor de uitvoeringsorganisatie is een termijn van 36 maanden eenvoudiger dan een termijn van 5 jaar. De klant moet immers aantonen dat hij ‘langdurig’ een laag inkomen heeft en de ISD zal dit vervolgens moeten controleren. Hoe langer de referteperiode, hoe lastiger dit kan zijn. Laag inkomen Gemeenten hebben evenzeer de vrijheid om zelf een inkomensgrens te kiezen. In de verordening is gekozen voor een inkomensgrens die 110% van de maximale bijstandsnorm bedraagt. Deze grens wordt ook gehanteerd voor het overige gemeentelijke armoedebeleid binnen de ISD Bollenstreek. Hoogte van de toeslag Ten slotte bestaat vrijheid om keuzes te maken ten aanzien van de hoogte van de toeslag. Uit het oogpunt van uitvoerbaarheid wordt een vast percentage van de bijstandsnorm gehanteerd. Hierdoor hoeft de verordening (het bedrag van de toeslag) niet jaarlijks aangepast te worden aan de wijziging in de normbedragen van de WWB. Alle meerderjarige gezinsleden moeten aan voorwaarden voldoen De meerderjarige gezinsleden dienen aan de voorwaarden voor langdurigheidstoeslag te voldoen. Hoewel de tekst van artikel 36 lid 1 WWB suggereert dat het recht persoonsgebonden is, d.w.z. dat de toeslag ook ‘een persoon’, dus een individuele belanghebbende kan worden toegekend, blijkt uit de jurisprudentie dat het begrip ‘persoon’ moet worden gelezen in relatie tot de bepalingen over de hoogte van de toeslag. Omdat daar een normbedrag voor gehuwden werd genoemd, nam de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan dat het recht slechts aan beide gehuwden gezamenlijk kon worden toegekend (zie CRvB 8 augustus 2006, LJN: AY8382). Door inwerkingtreding van de WWB 2012 geldt sinds 1 januari 2012 de ‘gezinsnorm’. Voldoet één van de meerderjarige gezinsleden op de peildatum niet aan de voorwaarden, dan kan daarom ook geen langdurigheidstoeslag worden verstrekt. Dat ligt echter anders voor voorwaarden die elders in de WWB zijn gesteld. Zo kan (op grond van artikel 24 WWB) een gehuwde met een laag inkomen en een niet-rechthebbende partner (bijvoorbeeld omdat deze gedetineerd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.