Inspraakverordening gemeente Noordenveld 2012De Raad van de gemeente Noordenveld, gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 28 maart 2012; gelet op de bepalingen van artikel 150 van de Gemeentewet; B E S L U I T Vast te stellen de Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening gemeente Noordenveld 2012) met de toelichting daarop. Artikel1Begripsomschrijvingen De verordening verstaat onder: beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld; inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid; inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven; interactief beleid: het zo vroeg mogelijk betrekken van maatschappelijke organisaties, bedrijven, instellingen, belanghebbenden of bewoners bij het voorbereiden of bepalen van het beleid in een open en evenwichtige samenwerking; raad: de raad van de gemeente Noordenveld. Artikel2Onderwerp van inspraak 1.Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht. 2.Inspraak kan worden verleend ten aanzien van beleidsvoornemens waarbij dat niet wettelijk verplicht is. 3.Op basis van deze verordening wordt in ieder geval geen inspraak verleend: ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van eerder vastgesteld beleid; indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, dan wel indien en voor zover bij of krachtens wettelijk voorschrift andere vormen van inspraak zijn voorgeschreven; indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; indien de uitvoering van een beleidsvoornemen zo spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving; over een beleidsvoornemen dat hoofdzakelijk betrekking heeft op interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente; over een besluit dat rechtstreeks voortvloeit uit een beleidsvoornemen waarover inspraak heeft plaatsgevonden; indien bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op (de voorbereiding van) het besluit of beleidsvoornemen van toepassing is; inzake verlengingsbesluiten als bedoeld in artikel 3.1, derde lid van de Wet ruimtelijke ordening; inzake voorbereidingsbesluiten als bedoeld in artikel 3.7 Wet ruimtelijke ordening; inzake beheersverordeningen als bedoeld in artikel 3.38 Wet ruimtelijke ordening. 4.Op basis van deze verordening kan er van worden afgezien om inspraak te verlenen indien het beleidsvoornemen is voorbereid met toepassing van een procedure voor interactief beleid. Artikel3Inspraakgerechtigden Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden. Artikel4Wie besluit tot inspraak 1.Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. 2.Indien de raad op grond van het eerste lid bevoegd is te besluiten tot inspraak is de uitvoering daarvan opgedragen aan het college. Tot de hier bedoelde uitvoering behoren in ieder geval het houden van eventuele hoorzittingen, het vastleggen van kenbaar gemaakte mondelinge zienswijzen en het opmaken en vaststellen van een eindverslag als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. De raad betrekt het eindverslag bij de besluitvorming ten aanzien van het beleidsvoornemen. 3.In voorkomend geval kan de raad besluiten de in lid 2 bedoelde uitvoering van de inspraak aan zichzelf te houden. Artikel5Inspraakprocedure 1.Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 2.Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen of een lopende inspraakprocedure wijzigen. Artikel6Eindverslag 1.Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op. Deze verplichting geldt niet indien niet of niet tijdig zienswijzen kenbaar worden gemaakt. 2.Het eindverslag bevat in elk geval: een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure; een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; een reactie op de zienswijzen, waarbij ten aanzien van de tijdig naar voren gebrachte zienswijzen met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan; indien de raad bevoegd is bevat het eindverslag, als dit door het college is opgemaakt, een reactie op de zienswijzen, waarbij ten aanzien van de tijdig naar voren gebrachte zienswijzen met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten door de raad al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen zou kunnen worden overgegaan. 3.Degenen die een zienswijze kenbaar hebben gemaakt ontvangen na de vaststelling van het eindverslag de standpuntbepaling ten aanzien van hun zienswijze. Artikel7Overgangsrecht en intrekking oude inspraakverordening 1.De Inspraakverordening gemeente Noordenveld blijft van toepassing op inspraakprocedures die vóór de inwerkingtreding van de Inspraakverordening gemeente Noordenveld 2012 zijn aangevangen. 2.Voor het overige wordt de Inspraakverordening gemeente Noordenveld ingetrokken. Artikel8Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking. Artikel9Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente Noordenveld 2012. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Noordenveld op 30mei 2012. De Raad van de gemeente Noordenveld, Voorzitter, griffier, Bijlage met wetteksten A.De tekst van artikel 150 Gemeentewet luidt als volgt: Artikel 150De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken. De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover in de verordening niet anders is bepaald. B. De tekst van de nieuwe afdeling 3.4 Awb luidt als volgt:AFDELING 3.4 UNIFORME OPENBARE VOORBEREIDINGSPROCEDUREArtikel 3:10Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan anders is bepaald, is deze afdeling niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit inhoudende de afwijzing van een aanvraag tot intrekking of wijziging van een besluit. Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze afdeling. Indien deze afdeling van toepassing is op de voorbereiding van een besluit is paragraaf 4.1.3.3. niet van toepassing. Artikel 3:11Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter inzage gelegde stukken. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn. Artikel 3:12Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud. Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In de kennisgeving wordt vermeld: waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen; wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen; op welke wijze dit kan geschieden; indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. Artikel 3:13Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:14Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens. Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing. Artikel 3:15Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen. Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen. Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen. Artikel 3:16De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald. De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd. Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9 en 6:10 van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:17Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt. Artikel 3:18Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien het een besluit betreft: inzake intrekking van een besluit; inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht. 4.Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld in artikel 3:12, eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep Afdeling 6.1. Inleidende bepalingen Artikel 6:9Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Artikel 6:10Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening: wel reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. 2.De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn. Toelichting inspraakverordening Algemene toelichtingArtikel 150 van de GemeentewetSinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft daarvoor een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten, waaronder Noordenveld, hebben dit model overgenomen. De VNG heeft de modelverordening in de loop der tijd grondig herzien. Zo is de Modelinspraakverordening aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal niveau. Als voorbeelden worden genoemd de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure, de aanpassing aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten (zie de toelichting ten aanzien van artikel 2, eerste lid). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. In de hiervoor geldende Inspraakverordening gemeente Noordenveld werd aangegeven in welke gevallen inspraak voorgeschreven was. Zo was in de verordening bepaald dat inspraak in elk geval werd verleend op beleidsvoornemens betreffende de voorbereiding of de herziening van ruimtelijke plannen en de stads- en dorpsvernieuwing. Langs deze weg werd inspraak voorgeschreven voor structuurplannen, bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen. Anders dan in de oude modelinspraakverordening, die de basis vormde voor de voorheen geldende inspraakverordening, geeft de VNG in de nieuwe modelinspraakverordening geen opsomming meer in welke gevallen inspraak is voorgeschreven. Op grond van de nieuwe modelverordening is vereist dat het bevoegde bestuursorgaan per beleidsvoornemen zelf het besluit neemt dat daarop inspraak wordt verleend. In principe geldt de mogelijkheid van inspraak voor alle gemeentelijke beleidsterreinen voor zover niet in de verordening uitgezonderd. Artikel 150 van de Gemeentewet spreekt over de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In deze inspraakverordening wordt bepaald dat inspraak wordt verleend ten aanzien van beleidsvoornemens. Beleidsvoornemens betreffen het voornemen om beleid vast te stellen of te wijzigen. Relevant is de vraag wat in dit verband moet worden verstaan onder ‘beleid’. Aan het begrip ‘beleid’ kunnen verschillende betekenissen worden toegekend. Een veel gebruikte definitie is die van Hoogerwerf (‘Beleid, processen en effecten’ in A. Hoogerwerf en M. Herweijer ‘Overheidsbeleid’, Alphen aan de Rijn, Kluwer 2003, blz. 17-35), die beleid definieert als ‘het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen en bepaalde tijdskeuzes’. Deze definitie maakt duidelijk dat beleid een kwestie is van keuzen, van doelen en van middelen. Tegenover deze ruime definitie staat de beperktere juridische omschrijving zoals die in artikel 1:3, vierde lid Awb is opgenomen. Hier wordt een beleidsregel gedefinieerd als ‘een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.’ Beleid in juridische zin is slechts relevant voor zover uit het beleid kan of moet worden afgeleid wat in een concreet geval rechtens is. Met de ruime definitie kan men ten aanzien van het verschijnsel inspraak beter uit de voeten. In de inspraakverordening wordt daarom aansluiting gezocht bij het ruime beleidsbegrip en wordt beleid opgevat als de verzameling keuzes die het bestuursorgaan maakt of heeft gemaakt bij de uitoefening van een bestuursbevoegdheid. Voor inspraak is immers van fundamenteel belang dat er wat te kiezen valt. Zonder keuzemogelijkheid (beleidsvrijheid) heeft inspraak weinig zin. Afdeling 3.4 AwbMet name de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb heeft de VNG aanleiding gegeven de Modelinspraakverordening aan te passen. In deze wet werden afdeling 3.4 van de Awb en artikel 150 van de Gemeentewet grondig herzien. De tekst van afdeling 3.4 Awb en van artikel 150 Gemeentewet, beide zoals die gelden ten tijde van het opstellen van het preadvies, zijn als bijlage achter deze toelichting gevoegd. Afdeling 3.4 heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en het standaardiseren en vereenvoudigen van wetgeving. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is bedoeld om de juridisering van het openbaar bestuur terug te dringen. Doel is dat procedures worden vereenvoudigd en versneld door de verschillende in de Awb en elders opgenomen voorbereidingsprocedures te vervangen door één enkele, niet gedetailleerde, procedure in de Awb. Bedoeling is dat van deze procedure zo min mogelijk wordt afgeweken in bijzondere wetten. Op deze wijze moet een vereenvoudiging en versnelling worden bereikt van procedures die leiden tot het nemen van zgn. primaire besluiten, zoals vergunningen, ontheffingen en andere besluiten, die zowel op aanvraag als ambtshalve kunnen worden genomen. Verder wordt met een eenduidige, vaste voorbereidingsprocedure bereikt dat verschillende vergunningen, ontheffingen en andere besluiten die gelijktijdig voor een bepaalde activiteit moeten worden vastgesteld, gezamenlijk in eenzelfde procedure aan de orde kunnen worden gesteld, in gevallen waarin een dergelijke coördinatie door de wetgever is voorgeschreven of door bestuursorganen wenselijk wordt geacht. Het voorgaande heeft ook consequenties voor de gemeentelijke inspraakverordening. Met het oog op de hiervoor genoemde doelstellingen is het volgens de wetgever van belang dat de in de inspraakverordening vastgelegde procedureregels zoveel mogelijk het stramien volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb. Aan de wens van de wetgever wordt expliciet voldaan nu in artikel 5 van de inspraakverordening afdeling 3.4 Awb van toepassing wordt verklaard op de inspraak. Overigens wordt in de Memorie van Toelichting van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb uitdrukkelijk aangegeven dat het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk niet wanneer inspraak is vereist, maar slechts hoe deze inspraak er uit dient te zien. Hoewel de uniforme voorbereidingsprocedure niet regelt wanneer inspraak moet worden geboden heeft deze procedure wel effect op de keuze om al dan niet de mogelijkheid van inspraak te bieden. Het voorgaande hangt direct samen met het feit dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb door de wetgever in verschillende bijzondere wetten van toepassing wordt verklaard op de voorbereiding van besluiten, waaronder beleidsvoornemens. Doublures in de procedureDoordat afdeling 3.4 Awb in diverse wetten van toepassing verklaard wordt op de voorbereiding van besluiten ontstaan dubbelingen in de procedure als daaraan voorafgaand de mogelijkheid van inspraak op basis van de gemeentelijke inspraakverordening wordt geboden. Het meest sprekende voorbeeld ter verduidelijking: het bestemmingsplan. Op grond van de oude Inspraakverordening gemeente Noordenveld moest inspraak worden verleend op de voorbereiding of de herziening van bestemmingsplannen. Op grond van artikel 4 van deze inspraakverordening werd als inspraakprocedure de procedure van afdeling 3.4 Awb voorgeschreven, waarbij iedereen in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Vervolgens werd na deze inspraakfase het ontwerp-bestemmingsplan in procedure gebracht. Op grond van artikel 3.8, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan eveneens afdeling 3.4 Awb van toepassing en kan wederom een ieder zienswijzen naar voren brengen. In de praktijk betekende het voorgaande dan ook dat twee keer achter elkaar exact dezelfde procedure werd gevolgd. We hebben het feitelijk over het stapelen van inspraak op inspraak. De bedoeling van inspraak is om ingezetenen en belanghebbenden de mogelijkheid te bieden om te reageren voordat het bestuursorgaan een besluit neemt. Als de bijzondere wet bij de voorbereiding van een besluit de toepassing van afdeling 3.4 Awb voorschrijft wordt aan de bedoeling van inspraak voldaan: immers ook in dat geval kan men reageren voordat het bestuursorgaan een besluit neemt. Het vóór de wettelijke voorbereidingsprocedure blijven toepassen van dezelfde inspraakprocedure op grond van de gemeentelijke inspraakverordening voegt niets toe en wordt gezien als een doublure. Een doublure die extra tijd, middelen en administratieve lasten met zich meebrengt en niet doelmatig is. Ter illustratie: we hebben het over een extra doorlooptijd van gemiddeld achttien weken (drie weken voor het inspraakbesluit en de publicatie, zes weken terinzageligging, gemiddeld vier weken voor het ambtelijk verwerken van de kenbaar gemaakte zienswijzen en gemiddeld vijf weken voordat een en ander kan worden behandeld door college, commissie en de raad). Qua urenbesteding gaat het gemiddeld genomen om circa 40 mensuren van de medewerkers van de afdeling Ruimte en Samenleving. Dit is exclusief de uren van het bestuurssecretariaat, het college, de griffie en de raad. Overigens zitten ingezetenen en belanghebbenden naar onze ervaring ook niet te wachten op een herhaling van zetten. Dat het belang van eventuele aanvragers hiermee niet is gediend lijkt ons evident. Met het oog op het voorgaande wil de gemeente een effectievere en duidelijkere regeling van de inspraak waarbij doublures, die extra tijd, middelen en administratieve lasten met zich meebrengen, waar mogelijk worden voorkomen. Uitgangspunt daarbij is niet dat minder inspraak moeten worden geboden, maar dat de inspraak effectiever wordt geregeld. Daarom is in artikel 2, derde lid, onder i. bepaald dat geen inspraak op basis van de inspraakverordening wordt geboden indien bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb op (de voorbereiding van) het besluit van toepassing is. De wetgever heeft het voorgaande onderkend. Om bij het voorbeeld van het bestemmingsplan te blijven. Bij de aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is de wettelijke inspraakverplichting van artikel 6a WRO namelijk juist om die reden geschrapt. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 421, nr. 3, blz. 79) wordt opgemerkt: ‘De inspraak over de totstandbrenging van ruimtelijke plannen en vrijstellingsbesluiten is uitputtend geregeld in de op deze beslissingen van toepassing verklaarde u.o.v. (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Gelet op de uitgangspunten van de u.o.v. ligt het niet in de rede in aanvulling hierop te voorzien in een tweede, daaraan voorafgaande wettelijke inspraakvoorziening. In dit verband verwijzen wij voorts naar de hierover gegeven uiteenzetting in paragraaf 3.7.2, onder a, van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Kamerstukken II 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 28). Ook in dat wetsvoorstel keert artikel 6a niet terug. Zoals aldaar uiteengezet, zou handhaving van artikel 6a er immers toe leiden dat de gemeente verplicht zou zijn om bij de voorbereiding van een plan(wijziging) twee procedureel identieke inspraakrondes te houden, hetgeen uit het oogpunt van deregulering niet in de rede ligt. ’In het kader van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening is de wetgever nog verder gegaan en is de inspraakverplichting zelfs komen te vervallen. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 916, nr. 3, blz. 26 respectievelijk blz. 28) wordt opgemerkt: ‘3.7 De nieuwe bestemmingsplanprocedure3.7.1 AlgemeenBij de totstandkoming van het wetsvoorstel heeft de regering bijzondere aandacht gegeven aan de snelheid en effectiviteit van besluitvormingsprocedures en toereikende transparante rechtsbescherming. In het onderhavige wetsvoorstel is geanticipeerd op de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb.De regering heeft ervoor gekozen om de bestemmingsplanprocedure zoveel mogelijk te bekorten.’(…)‘3.7.2. Belangrijkste vernieuwingenDe belangrijkste vernieuwingen ten opzichte van de huidige procedure worden hierna beschreven.a. Het vervallen van de inspraakverplichting in het wetsvoorstelZoals gesteld wordt ingevolge het wetsvoorstel een bestemmingsplan voorbereid met toepassing van de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. In dat verband bevat het wetsvoorstel de mogelijkheid voor een ieder tot het inbrengen van zienswijzen over het ontwerp-plan. Zienswijzen behoeven niet noodzakelijkerwijs bezwaren te zijn. Met de indiening van zienswijzen kunnen bezwaren of bedenkingen tegen het ontwerp worden aangevoerd, maar kunnen ook ideeën ter verbetering worden aangedragen. Door te reageren op het ontwerp kan de uiteindelijke planinhoud worden beïnvloed. In de memorie van toelichting bij de nieuwe Awb-procedure is uitdrukkelijk gesteld dat deze voorbereidingsprocedure een inspraakkarakter heeft (Kamerstukken II 1999/2000, 27 023, nr. 3, blz. 19).(…)‘Mede uit een oogpunt van deregulering is de regering van mening dat het aan gemeenten zelf is om te beslissen of de noodzaak daartoe (Noot gemeente: tot het bieden van inspraak op basis van de inspraakverordening) aanwezig is en dat het dus niet in de rede ligt om in de nieuwe Wro toepassing van de inspraakverordening verplicht te stellen.’ Het voorgaande hangt samen met de scheiding tussen ruimtelijk beleid enerzijds en normstelling en uitvoering anderzijds, zoals die in het kader van de Wro is aangebracht. De Wro gaat uit van een systeem waarbij de strategische (ruimtelijke) visie moet worden vastgelegd in een beleidsdocument: de structuurvisie. Juridisch bindende normen ter uitvoering van het beleid worden vastgelegd in bestemmingsplannen. Dit sluit aan bij een ander uitgangspunt van de Wro: de nadruk op uitvoering. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de Crisis- en herstelwet eveneens uitgaat van een transparante en zorgvuldige procedure met één keer inspraak en één keer beroep bij de rechter. De hiervoor geschetste doublureproblematiek en de daaraan klevende nadelen zijn voor de gemeente aanleiding geweest om de mogelijkheid van inspraak te concentreren. Daarom is in artikel 2, derde lid, onder i. bepaald dat geen inspraak op basis van de inspraakverordening wordt geboden indien bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb al op (de voorbereiding van) het besluit van toepassing is. Op deze wijze wordt voorzien in één inspraakmogelijkheid per beleidsvoornemen en wordt de stapeling van inspraak op inspraak voorkomen. Inspraakprocedure/dereguleringAan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren vorm worden gegeven. De gemeente kiest voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar ondersteunde dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen van overbodige bepalingen is de verordening nog verder gedereguleerd. Nu resteert een bondige en goed leesbare verordening van negen artikelen. Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient noch de belangen van insprekers, noch de belangen van aanvragers, noch het belang van de gemeente. Alternatieven voor inspraakInspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces. Het betreft een naar tijd en strekking begrensde fase in dit proces. Het moet naar onze mening onderscheiden worden van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en commissievergaderingen. Andere mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en beroep. Interactieve beleidsvormingInspraak dient tot slot ook te worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming. Interactieve beleidsvorming is een werkwijze die met name is bedoeld voor complexe beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn. Bij interactieve beleidsvorming betrekt de gemeente in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven, andere overheden en andere belanghebbenden bij het beleid om zo in een open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding, bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij beleidsproblemen waarvan de gemeente op voorhand niet weet - of nog niet wil bepalen - hoe deze opgelost zullen worden. Anders dan bij inspraak is er bij interactieve beleidsvorming geen sprake van een vooraf door de gemeente opgesteld ontwerp waarop wordt gereageerd. Integendeel; kern van interactieve beleidsvorming is juist dat dit ontwerp in gezamenlijkheid wordt opgesteld door alle deelnemers aan het proces. Naar onze mening voegt inspraak na een proces van interactieve beleidsvorming niets toe, sterker nog is dit zelfs ongewenst. Gedachte bij interactieve beleidsvorming is het samen met alle actoren en belanghebbenden ontwikkelen van beleid. In dat geval heeft inspraak geen meerwaarde immers alle betrokkenen hebben hun inbreng al tijdens het proces kunnen leveren. Om die reden is in de inspraakverordening bepaald dat er van kan worden afgezien om inspraak te verlenen als een beleidsvoornemen tot stand is gekomen met een procedure voor interactief beleid (artikel 2, lid 4). Bij het voorgaande gaat de gemeente ervan uit dat alle actoren en belanghebbenden in het proces zijn betrokken. Als niet alle actoren en belanghebbenden zijn uitgenodigd om te participeren in het proces van interactieve beleidsvorming kan er aanleiding bestaan om juist wel aanvullend de mogelijkheid van inspraak te bieden. Kortheidshalve wordt hier verder verwezen naar de toelichting op artikel 2, vierde lid waar verder op deze materie wordt ingegaan. De nieuwe inspraakverordening De Inspraakverordening gemeente Noordenveld 2012 is gebaseerd op de op dit moment geldende wet- en regelgeving en daarnaast dusdanig opgesteld dat deze aansluit bij de behoefte ten aanzien van het verlenen van effectieve inspraak. Zoals hiervoor al aangegeven is bij de actualisering van de inspraakverordening getracht voor ingezetenen en belanghebbenden in deze gemeente te komen tot een effectievere en duidelijkere regeling van de inspraak waarbij doublures worden voorkomen die extra tijd, middelen en administratieve lasten met zich meebrengen. Uitgangspunt daarbij is niet minder inspraak, maar een effectievere regeling van de inspraak. RechtsbeschermingDe Afdeling bestuursrechtspraak heeft in een aantal uitspraken aangegeven hoe zij het stelsel van rechtsbescherming bij de toepassing van inspraakverordeningen ziet. Beslissingen waarbij het bestuursorgaan bepaalt waarover inspraak wordt verleend, alsmede beslissingen waarbij wordt uitgemaakt aan wie inspraak wordt verleend worden aangemerkt als voor bezwaar en beroep vatbare besluiten. Andere beslissingen ter uitvoering van de inspraakverordening zijn niet vatbaar voor bezwaar en beroep. De beslissing op een klacht op grond van de inspraakverordening of -procedure deelt in het rechtskarakter van het besluit, dan wel handelen of nalaten, waartegen de klacht is gericht. Als de klacht uitsluitend betrekking heeft op de vraag of het bestuursorgaan een besluit heeft kunnen nemen zonder dat toepassing is gegeven aan de inspraakverordening, moet het op die klacht genomen besluit van het bestuursorgaan worden opgevat als een voor bezwaar en beroep vatbaar rechtsoordeel omtrent de door betrokkene opgeworpen rechtsvraag. Als niet blijkt dat de indiener met de klacht een andere bedoeling heeft gehad, moet worden aangenomen dat hij heeft beoogd de procedure van bezwaar en beroep te willen volgen. Hierbij moet tevens in aanmerking worden genomen dat in de memorie van toelichting bij hoofdstuk 9 van de Awb over de verhouding tussen de klachtprocedure en de bezwaarschriftprocedure is opgemerkt dat indien een belanghebbende bij een bestuursorgaan een geschrift indient waarbij hij opkomt tegen een gedraging waartegen bezwaar openstaat, dit, mits het voldoet aan de wettelijke eisen, in het algemeen als een bezwaarschrift zal moeten worden opgevat (Tweede Kamer, 1997-1998, 25 837, nr. 3, p. 17). Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1 Begripsomschrijvingena.Beleidsvoornemen: Het begrip ‘beleidsvoornemen’ is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. De afbakening van de begrippen ‘beleid’ en ‘besluit’ is niet in alle gevallen gemakkelijk aan te geven. Ook aan verschillende concrete besluiten en beslissingen kunnen immers beleids- of beleidsmatige aspecten zitten. In de verordening wordt het onderscheid ‘beleid’ en ‘besluit’ daarom niet scherp doorgevoerd. Om dezelfde reden is ervan afgezien om de term ‘beleid’ nader te omschrijven in de begripsbepaling. Overigens is het niet de bedoeling dat de inspraakverordening van toepassing is op (de aanvragen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.