← Nederland

Subsidieverordening instandhouding gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen 2012 (Harlingen)

Subsidieverordening instandhouding gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen 2012 De raad van de gemeente Harlingen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 maart 2012; gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet; de Monumentenwet 1988, de Erfgoedverordening Harlingen 2010 en de Algemene subsidieverordening gemeente Harlingen 2006; b e s l u i t : vast te stellen de Subsidieverordening instandhouding gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen 2012 HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder:

  1. a)College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen;
  2. b)Gemeentelijke monumentenlijst: de gemeentelijke monumentenlijst zoals bedoeld in artikel 1, lid c van de Erfgoedverordening Harlingen 2010;
  3. c)Gemeentelijke monumenten: beschermde gemeentelijke monumenten zoals bedoeld is artikel 1, lid b van de Erfgoedverordening Harlingen 2010;
  4. d)Beeldbepalende panden: panden die niet als monument zijn beschermd, maar die naar het oordeel van het college een kenmerkend onderdeel vormen van een stads- of dorpsgezicht dat krachtens artikel 35 van de Monumentenwet in de gemeente is aangewezen en die in de gemeentelijke lijst van beeldbepalende panden zijn opgenomen;
  5. e)Eigenaar: degene die het recht van eigendom, erfpacht of opstal heeft van een gemeentelijk monument of beeldbepalend pand waarvoor in het kader van deze verordening subsidie wordt aangevraagd;
  6. f)Bouwkundige opname: omschrijving die de technische of fysieke staat van een het gemeentelijk monument of beeldbepalend pand weergeeft, de oorzaak van eventueel genoemde gebreken duidt en een hersteladvies bevat, en die is opgesteld door een naar oordeel van het college ter zake kundige persoon of instantie;
  7. g)Instandhouding: het verrichten van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument of beeldbepalend pand, die noodzakelijk zijn voor het herstellen en/of behouden van de cultuurhistorische waarden van het pand;
  8. h)Subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:21 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, d.w.z. de aanspraak op financiële middelen, door burgemeester en wethouders verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten;
  9. i)Subsidieplafond: het maximale bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak door de raad beschikbaar wordt gesteld voor de verstrekking van subsidies;
  10. j)Subsidiabele kosten: kosten die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het in stand houden van een gemeentelijk monument of beeldbepalend pand en zijn cultuurhistorische waarden;
  11. k)Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden: overzicht van criteria, maxima, normbedragen en -percentages voor subsidiabele kosten en een limitatief overzicht van werkzaamheden die het college vaststelt als subsidiabele werkzaamheden in het kader van deze verordening. Artikel 1.2 Reikwijdte Deze verordening is van toepassing op subsidiëring van instandhouding van beschermde gemeentelijke monumenten aangewezen op grond van de Monumentenverordening Harlingen en beeldbepalende panden, zoals opgenomen in de gemeentelijke monumentenlijst en lijst van beeldbepalende panden. Artikel 1.3 Toepassing Algemene Subsidieverordening Harlingen In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, is de Algemene Subsidieverordening Harlingen 2006 van toepassing. Artikel 1.4 Bevoegdheden 1. Het college is bevoegd tot het verlenen, vaststellen en uitbetalen van subsidie zoals bedoeld in deze verordening. 2. Het college is bevoegd tot het intrekken of wijzigen van subsidieverlening- of subsidievaststellingsbesluiten en tot het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van subsidiegelden. 3. Het college stelt een ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’ vast ter uitvoering van deze verordening. 4. Het college is bevoegd de in lid 3 genoemde ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’ te wijzigen. HOOFDSTUK II SUBSIDIEAANVRAAG Artikel 2.1 Indiening 1. De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend bij het college met behulp van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 2. Een aanvraag wordt ingediend voordat overgegaan wordt tot uitvoering van de mogelijke subsidiabele werkzaamheden. 3. Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van de aanvraag. 4. Aanvragen worden behandeld in de volgorde van binnenkomst, met dien verstande dat onder aanvragen volledige aanvragen worden bedoeld. 5. Bij een aanvraag om subsidie zijn in elk geval de volgende bijlagen verplicht: a. een gespecificeerde begroting van de kosten, uitgesplitst naar manuren en materialen, die niet ouder is dan twee jaar; b. een omschrijving waaruit blijkt welke werkzaamheden zullen worden verricht; c. een bouwkundige opname of inspectierapport, dat niet ouder is dan twee jaar en waarin ten minste de technische staat wordt beschreven van de onderdelen van het pand waarvoor subsidie wordt aangevraagd; d. 1. een omgevingsvergunning, indien de werkzaamheden als vergunningsplichtig zijn aangemerkt; 2. tekeningen van de bestaande en toekomstige situatie (minimaal schaal 1:100), indien er wijzigingen plaats zullen vinden die niet als vergunningsplichtig zijn aangemerkt. 6. Het college kan nadere eisen stellen aan de wijze waarop een aanvraag moet worden ingediend. 7. Het college kan voor de beoordeling van de aanvraag om nadere gegevens en stukken verzoeken. Artikel 2.2 Subsidieomschrijving, percentages en maxima 1. Aan de eigenaar van een gemeentelijk monument of beeldbepalend pand kan op aanvraag een subsidie worden verleend ter tegemoetkoming in de kosten van: a. het uitvoeren van werkzaamheden of het treffen van voorzieningen met als doel het opheffen van bouwtechnische gebreken; b. het uitvoeren van overige werkzaamheden of het treffen van voorzieningen, die voor de instandhouding van het pand noodzakelijk zijn. 2. De subsidie bedraagt voor een gemeentelijk monument 35% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 20.000,--. 3. De subsidie bedraagt voor een beeldbepalend pand 25% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 10.000,--. 4. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de door het college subsidiabel geachte kosten het bedrag van € 5.000,-- te boven gaan. 5. Bij de vaststelling van de subsidiabele kosten houdt het college rekening met opgevoerde kosten waarvoor op grond van enige andere regeling, subsidies of bijdragen zijn of kunnen worden verleend, alsmede kosten die uit hoofde van een regeling zijn of kunnen worden gefinancierd. Artikel 2.3 Subsidiabele kosten 1. De subsidiabele kosten worden vastgesteld door het college. 2. Onder de in artikel 2.2 bedoelde kosten van de werkzaamheden en voorzieningen worden in elk geval begrepen de begrote en door of namens het college goedgekeurde bedragen van: a. directe kosten (materiaalkosten, ook steigerwerk, loonkosten, behalve werkzaamheden in eigen beheer); b. indirecte kosten (algemene bouwplaatskosten, algemene bedrijfskosten, winst en risico); c. directiekosten (honorarium); d. onvoorziene kosten, CAR-verzekering en BTW. 3. De kosten genoemd in lid 1 worden vastgesteld aan de hand van criteria voor maximale bedragen en percentages, zoals vermeld in de door het college vast te stellen ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’. 4. Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, voor zover de werkzaamheden: a. strekken tot instandhouding van het beschermde gemeentelijk monument of beeldbepalend pand; b. sober en doelmatig zijn; c. technisch noodzakelijk zijn; d. gericht zijn op maximaal behoud van aanwezig historische materialen en constructies. 5. Subsidiabel zijn de kosten die gericht zijn op het voorkomen van verval of het voorkomen van vervolgschade. 6. Subsidiabel zijn de kosten voor werkzaamheden die gericht zijn op vervanging van materialen die hun functie niet meer kunnen vervullen. 7. Niet subsidiabel zijn de kosten voor werkzaamheden die: a. gericht zijn op reconstructie, tenzij deze in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van het college ter versterking van de cultuurhistorische waarden gewenst zijn; b. voortvloeien uit veranderd gebruik; c. gericht zijn op comfortverbetering. HOOFDSTUK III SUBSIDIEVERLENING Artikel 3.1 Voorwaarden 1. Subsidie kan slechts worden verleend voor de kosten en werkzaamheden zoals die genoemd zijn in de door het college vast te stellen ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’. 2. Het college kan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot: a. de aard en omvang van de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt verleend; b. de voor het vaststellen van de subsidie te verstrekken gegevens en bescheiden; c. het beperken of wegnemen van eventuele nadelige gevolgen van de subsidie voor derden; d. een verzekeringsplicht; e. het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten; f. het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte werkzaamheden en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. 3. De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat de aanvrager schriftelijk verklaart dat hij het beschermde gemeentelijke monument of beeldbepalende pand na het treffen van de voorzieningen behoorlijk zal onderhouden. Artikel 3.2 Weigeringsgronden 1. Het college weigert een subsidie geheel of gedeeltelijk voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond wordt overschreden. 2. Voor zover door verstrekking van subsidie voor de aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van de aanvragen vastgesteld door middel van loting. 3. Een ingediende aanvraag om subsidie waardoor het subsidieplafond wordt overschreden, kan deels worden gehonoreerd, dat wil zeggen voor het resterende budget. 4. Het college weigert de subsidieverlening in ieder geval indien: a. de aanvraag betrekking heeft op een soort pand dat niet in deze verordening wordt genoemd; b. een omgevingsvergunning voor de werkzaamheden vereist is en deze nog niet is verleend; c. reeds een begin is gemaakt met de werkzaamheden; d. indien dezelfde werkzaamheden binnen een periode van vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend al voor subsidie in aanmerking zijn gekomen. 5. Het college weigert de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk indien binnen een periode van vijf kalenderjaren voor indiening van de aanvraag reeds een subsidie voor instandhouding van het gemeentelijke monument of beeldbepalende pand is verleend en door het verlenen het maximum subsidiebedrag wordt overschreden. 6. Het college kan de subsidieverlening weigeren indien gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat: a. de werkzaamheden niet of niet geheel zullen plaatsvinden; b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte werkzaamheden en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn; d. het pand waaraan de subsidiabele werkzaamheden worden uitgevoerd, binnen een periode van tien jaar bestemd is om te worden afgebroken. 7. Het college kan de subsidieverlening weigeren indien de aanvrager: a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of: b. failliet is of in surseance van betaling verkeert, of een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. Artikel 3.3 Beslistermijn 1. Het college beslist omtrent een aanvraag om een subsidie binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het college kan de in lid 1 genoemde termijn eenmalig met acht weken verlengen. Een dergelijke verlenging wordt door het college schriftelijk meegedeeld aan de aanvrager. Artikel 3.4 Termijnen aanvang en voltooiing werkzaamheden 1. De subsidieontvanger meldt de datum van de aanvang van de werkzaamheden vooraf bij het college. 2. De melding van de aanvang van de werkzaamheden zoals bedoeld in lid 1 wordt schriftelijk gedaan door middel van een door het college vastgesteld, ingevuld, formulier ‘Melding aanvang werk’. 3. Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van de ‘Melding aanvang werk’. 4. Uiterlijk binnen zes maanden na datum van verzending van de beschikking tot subsidieverlening moet met de uitvoering van de werkzaamheden zijn begonnen. 5. Uiterlijk binnen twee jaar na datum van verzending van de beschikking tot subsidieverlening moeten de werkzaamheden gereed zijn. 6. Het college kan de in het vijfde lid genoemde termijn met maximaal een jaar verlengen. 7. De subsidieontvanger meldt voltooiing van de werkzaamheden zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen twaalf weken, bij het college. De gereedmelding is tevens een aanvraag om vaststelling van de subsidie en geschiedt op een door het college vastgesteld, ingevuld, formulier ‘Gereedmelding’. 8. De gereedmelding als bedoeld in het zevende lid gaat vergezeld van: a. een verklaring van de subsidieontvanger dat bij het realiseren van de werkzaamheden is voldaan aan de opgelegde verplichtingen; b. een gespecificeerde opgave van de gesubsidieerde kosten van de werkzaamheden met daarop betrekking hebbende originele rekeningen en originele betaalbewijzen; c. een opgave van de datum waarop de werkzaamheden zijn gereedgekomen; d. een verklaring van de subsidieontvanger dat hij het gemeentelijke monument of beeldbepalende pand na het treffen van de voorzieningen behoorlijk zal onderhouden. 9. Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van de gereedmelding. 10. Bij onvoorziene omstandigheden, die buiten de directe invloedssfeer van de aanvrager liggen, kan het college de in het vierde en vijfde lid genoemde termijnen schriftelijk verlengen op verzoek van de aanvrager. HOOFDSTUK IV SUBSIDIEVASTSTELLING EN BETALING Artikel 4.1 Subsidievaststelling 1. De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag. 2. Binnen acht weken na ontvangst van de gereedmelding als bedoeld in artikel 3.4.7 neemt het college, nadat de bedoelde werkzaamheden door of namens het college zijn gecontroleerd en akkoord bevonden, een besluit tot vaststelling en uitbetaling van de subsidie. 3. Indien bij controle blijkt dat de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan de begrote kosten, dan leidt dit gegeven niet tot verhoging van subsidie. 4. Indien bij controle blijkt dat de werkelijke gemaakte kosten lager zijn dan de begrote kosten, dan wordt de subsidie dienovereenkomstig verlaagd. 5. Het college stelt de definitieve subsidie betaalbaar krachtens deze verordening. 6. Het college kan de beschikking tot subsidieverlening intrekken of de subsidie lager vaststellen dan het bedrag uit de beschikking tot subsidieverlening als de aanvrager het krachtens deze verordening gestelde niet heeft nageleefd. 7. Het college kan de in het tweede lid genoemde termijn eenmalig met acht weken verlengen. Een dergelijke verlenging wordt door het college schriftelijk meegedeeld aan de subsidieontvanger. Artikel 4.2 Intrekking, wijziging en beëindiging Voor wat betreft de mogelijkheden om een beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in te trekken of te wijzigen is Afdeling 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht onverkort van toepassing. Artikel 4.3 Betaling 1. De subsidie wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald. 2. De subsidie wordt door het college aan de subsidieontvanger uitbetaald als bijdrage ineens binnen vier weken na de subsidievaststelling. Artikel 4.4 Voorschotten 1. Het college kan de subsidieontvanger voorschotten verlenen. 2. Bij de uitbetaling worden betaalde voorschotten verrekend met het subsidiebedrag. Artikel 4.5 Opschorting 1. Zodra het college het ernstige vermoeden heeft dat er reden is om toepassing te geven aan artikel 4.2, intrekking of wijziging van de subsidie, meldt het college dit schriftelijk aan de subsidieontvanger. 2. De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort vanaf de dag waarop het college dit meldt tot en met de dag waarop de beschikking over de intrekking of wijziging is bekendgemaakt, of de dag waarop vanaf de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken. Artikel 4.6 Terugvordering Een onverschuldigd betaald subsidiebedrag of voorschot kan worden teruggevorderd tot vijf jaar na de subsidievaststelling, de intrekking of wijziging daarvan. HOOFDSTUK V SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 5.1 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen. Artikel 5.2 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 5.3 Overgangsbepaling Deze verordening is niet van toepassing op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld of verleend. Artikel 5.4 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking zes weken na de dag waarop deze is bekendgemaakt. Artikel 5.5 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Subsidieverordening instandhouding gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen 2012’. Vastgesteld in de openbare vergadering van 11 april 2012 , de voorzitter. , de raadsgriffier. Nota-toelichting Inleiding De algemene bepalingen van hoofdstuk 1 gelden voor alle onderdelen. Specifieke bepalingen over de aanvraag van subsidie, de subsidieverlening en voorwaarden, de subsidievaststelling en betaling staan in respectievelijk hoofdstuk 2, 3 en 4. In hoofdstuk 5 staan enkele overkoepelende en afsluitende bepalingen genoemd, die op de gehele verordening van toepassing zijn. HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit artikel worden de begrippen uitgelegd die bij de verlening en vaststelling van de subsidie een rol spelen. Artikel 1.2 Reikwijdte Deze verordening geldt alleen voor subsidieaanvragen voor instandhouding van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen en is een aanvulling op de Algemene Subsidieverordening Harlingen 2006. Artikel 1.3 Toepassing Algemene Subsidieverordening Harlingen Het is van belang te verwijzen naar het algemene gemeentelijke subsidiebeleid, voor eventuele gevallen waarin deze specifieke subsidieverordening niet voorziet. Artikel 1.4 Bevoegdheden Na de vaststelling van de verordening en de vaststelling van een subsidieplafond door de gemeenteraad, is het college bevoegd tot het verlenen, vaststellen en uitbetalen van de subsidie. Het college is ook bevoegd tot het intrekken of wijzigen van subsidieverlening- of subsidievaststellingsbesluiten en tot het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van subsidiegelden. Verder is het college bevoegd de ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’ vast te stellen en naar bevind van zaken te wijzigen. Deze lijst wordt als bijlage bij de verordening gevoegd. HOOFDSTUK II SUBSIDIEAANVRAAG Artikel 2.1 Indiening In dit artikel is geregeld welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag om subsidie moeten worden ingediend. Overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (Awb) 4:4 wordt een standaardformulier gehanteerd voor de stroomlijning van de aanvragen. In artikel 4:5 Awb wordt een eenvoudige wijze van afdoening geregeld voor het geval dat de benodigde stukken ontbreken. Het bestuursorgaan moet immers kunnen beschikken over alle relevante stukken alvorens een besluit te kunnen nemen op de subsidieaanvraag. Als de aanvrager verzuimt alsnog ontbrekende stukken toe te voegen, kan besloten worden de aanvraag niet verder te behandelen. Er is geen uiterste indieningdatum ingevoerd aangezien de plannen zich het hele jaar kunnen aandienen. Wel is bepaald dat een aanvraag alleen ingediend kan worden voordat begonnen is met de werkzaamheden. Aanvragen worden behandeld in de volgorde van binnenkomst. In de verordening is gekozen voor de volgorde van binnenkomst als bepalend criterium. Dit criterium zet niet in op een optimale kwaliteit van het plan, maar op rechtszekerheid en overzichtelijkheid. Artikel 2.2 Subsidieomschrijving, percentages en maxima In dit artikel wordt aangegeven welke panden in principe in aanmerking komen voor een subsidie. De subsidie verschilt voor de categorieën panden. Dit is een keuze vanwege het belang dat vanuit cultuurhistorisch opzicht gehecht kan worden aan deze verschillende categorieën (waardevol pand of alleen beeldwaarde). Gemeentelijke monumenten bezitten in het algemeen meer (cultuurhistorische) waarden die bijdragen aan de kenmerkende authenticiteit van de stad dan beeldbepalende panden. Het subsidiepercentage en het maximale subsidiebedrag is dan ook hoger vastgesteld voor gemeentelijke monumenten dan voor beeldbepalende panden. Voor gemeentelijke monumenten is de subsidie gemaximaliseerd op 35% van de kosten van subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden tot een maximum van € 20.000,--. Voor beeldbepalende panden is de subsidie gemaximaliseerd op 25% van de kosten van subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden tot een maximum van € 10.000,--. Er is voor alle subsidies een maximum gesteld om te voorkomen dat het beschikbare geld naar slechts één of enkele restauraties gaat. Verzoeken voor een bijdrage voor werkzaamheden waarvan de subsidiabele kosten € 5.000,-- of minder bedragen, worden niet gehonoreerd. Hier is een bedrag gekozen dat tot een redelijke verhouding leidt tussen de lasten en de baten van een aanvraag om subsidie, voor zowel de aanvrager als de gemeente. Artikel 2.3 Subsidiabele kosten In dit artikel wordt aangegeven welke kosten van werkzaamheden subsidiabel zijn en welke kosten van werkzaamheden niet subsidiabel zijn. Het college stelt de subsidiabele kosten vast. Deze kosten worden bepaald aan de hand van de opsomming van werkzaamheden zoals die genoemd zijn in de door het college vast te stellen ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’. De werkzaamheden moeten strekken tot instandhouding van het gemeentelijke monument of beeldbepalende pand, ze moeten sober, doelmatig en technisch noodzakelijk zijn en gericht op maximaal behoud van cultuurhistorische waarden. Het is uiteindelijk ter beoordeling van het college of aan deze uitgangspunten wordt voldaan. Sober en doelmatig houdt in dit verband in dat de werkzaamheden gericht moeten zijn op maximaal behoud van cultuurhistorische waarden, dat ze op een vakkundige wijze worden uitgevoerd en dat met de werkzaamheden verval en vervolgschade worden voorkomen. Behoud gaat hierbij vóór herstel, herstel vóór vervanging en vervanging vóór reconstructie. Het reconstrueren van onderdelen is in beginsel niet subsidiabel, tenzij dit in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van het college ter versterking van de cultuurhistorische waarden gewenst is. Ook wordt benadrukt dat verbetering van wooncomfort niet onder de doelstelling van deze verordening valt. Voor een transparante manier van vaststellen van de subsidiabele kosten is gekozen voor het gebruik van een door het college vast te stellen ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’. Hierin staan criteria, maxima, normbedragen en -percentages die gelden voor de kosten van de subsidiabele werkzaamheden. HOOFDSTUK III SUBSIDIEVERLENING Artikel 3.1 Voorwaarden In dit artikel worden voorwaarden genoemd en verplichtingen die het college kan verbinden aan een subsidiebeschikking. Er wordt verwezen naar de criteria die gelden volgens de ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’. Dit artikel is van belang om te waarborgen dat de subsidie wordt besteed aan werkzaamheden die passen in de doelstelling van de subsidieverordening. Er wordt bovendien in gesteld dat het college kan waarborgen dat de aanvrager eventuele nadelige gevolgen voor anderen dient te voorkomen. Artikel 3.2 Weigeringsgronden Artikel 3.2 lid 1 bevat de basis van het subsidieplafond dat de gemeenteraad dient vast te stellen. Daarin wordt het bedrag aangegeven dat beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies. Met het aangeven van een volume van subsidiëring wordt bereikt, dat een subsidie wordt geweigerd (artikel 4:25 Awb) of een aanvraag niet wordt behandeld als de middelen zijn uitgeput die in de begroting beschikbaar zijn gesteld. Binnen het kader van het door de raad vastgestelde subsidieplafond is de subsidiëring van instandhouding overgelaten aan het college. De Awb verplicht bij de subsidieplafonds verdeelregels op te stellen. In de verordening wordt als verdeelsleutel het systeem gehanteerd van: ‘wie het eerst komt, het eerst maalt'. Er worden enige weigeringsgronden opgenomen, die het het college mogelijk maken om uit beleidsmatige overwegingen een aanvraag niet te honoreren. Hieronder vallen subjectieve weigeringsgronden: zij geven het college de gelegenheid te toetsen of er gegronde redenen bestaan om aan te nemen of de werkzaamheden niet of niet geheel zullen plaatsvinden, de aanvrager niet zal voldoen aan de opgelegde verplichtingen of de aanvrager niet op behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen. Daarnaast zijn er enkele objectieve weigeringsgronden: indien de aanvraag betrekking heeft op een soort pand dat niet in deze verordening wordt genoemd, de benodigde omgevingsvergunning is geweigerd, al een begin is gemaakt met de werkzaamheden of al eerder een subsidie voor dezelfde werkzaamheden of instandhouding van het pand is verleend. Artikel 3.3 Beslistermijn Het college beslist over een aanvraag om subsidie binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Hierbij wordt wel uitgegaan van de voorwaarde zoals genoemd in artikel 2.1.4 van deze verordening, namelijk dat onder aanvragen volledige aanvragen worden bedoeld. Een onvolledige aanvraag zal na indiening van aanvullende stukken in behandeling worden genomen of alsnog worden geweigerd indien dit noodzakelijkerwijs volgt uit de voorwaarden en weigeringsgronden van de verordening. Het college kan deze beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Een afschrift van het besluit tot verdaging wordt aan de aanvrager toegezonden. Artikel 3.4 Termijnen aanvang en voltooiing werkzaamheden Het stellen van een termijn voor aanvang van de werkzaamheden stimuleert voortgang van de werkzaamheden. Om hierop zicht te houden, wordt verplicht gesteld dat de datum van de start van de werkzaamheden gemeld wordt via het indienen van een formulier. Zodra de werkzaamheden zijn voltooid, vindt de gereedmelding plaats door de subsidieaanvrager. Een gereedmeldingstermijn is gewenst om de voortgang van de plannen te garanderen en om te voorkomen dat onnodig lang een verplichting tot betaling van subsidie blijft bestaan. Het is uiteraard van belang de uiterlijke termijn voor de gereedmelding af te stemmen met het moment waarop moet zijn begonnen met de activiteit of waarop deze moet zijn afgerond. De gereedmelding vormt tegelijkertijd de aanvraag tot vaststelling van de subsidie en moet worden ingevuld op een door het college vastgesteld gereedmeldingsformulier. De aanvrager toont aan dat de subsidiabele werkzaamheden hebben plaatsgevonden en legt rekening en verantwoording af. De gemeente controleert achteraf of aan de verplichtingen bij het verlenen van de subsidie is voldaan. Om te voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk moet worden gecontroleerd, is ervoor gekozen om een verklaring te vragen. Indien later blijkt dat bij de uitvoering van de werkzaamheden is afgeweken van het goedgekeurde plan, kan de subsidie alsnog worden ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd. HOOFDSTUK IV SUBSIDIEVASTSTELLING EN BETALING Artikel 4.1 Subsidievaststelling De vaststelling dient om de hoogte van de subsidie definitief te bepalen op basis van de uitvoering van de werkzaamheden. Indien het college instemt met de aanvraag tot vaststelling en uitbetaling, stelt het de subsidie vast overeenkomstig artikel 4:46 van de Awb. Artikel 4:46 van de Awb noemt in lid 2 de gronden om de subsidie lager vast te stellen. Dit artikel voegt daar een uitdrukkelijke grond aan toe: het niet naleven van het bij of krachtens de verordening gestelde. Lager vaststellen houdt ook de mogelijkheid in om, indien de gereedmelding daartoe aanleiding geeft, de subsidie vast te stellen op nul. Artikel 4.2 Intrekking, wijziging en beëindiging Op de mogelijkheden om een beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in te trekken of te wijzigen is afdeling 4.2.6. van de Awb onverkort van toepassing. Artikel 4.3 Betaling In artikel 4:52 en verder van de Awb worden regels gegeven voor uitbetaling en bevoorschotting van subsidiebedragen. De subsidie wordt volgens de standaardregeling uit de Awb, artikel 4:52, betaald als bijdrage ineens, binnen 4 weken na de subsidievaststelling. Artikel 4.4 Voorschotten Het eerste lid onder artikel 4.4 maakt het geven van voorschotten mogelijk. Het ligt voor de hand om bij grote aantallen subsidieaanvragen een algemene beleidslijn te ontwikkelen voor bevoorschotting. Overige bepalingen over voorschotten staan in artikel 4:54 e.v. van de Awb. Artikel 4.5 Opschorting De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot moet worden gestopt vanaf de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidieontvanger schriftelijk te kennen geeft dat er een ernstig vermoeden is dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 of 4:49 Awb (intrekking of wijziging van de subsidie ten nadele van de aanvrager). De verplichting van betaling wordt opgeschort tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop vanaf de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken. Artikel 4.6 Terugvordering Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c van de Awb heeft plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken. HOOFDSTUK V SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 5.1 Toezicht Met het toezicht op de naleving van deze verordening zijn de bij besluit van het college aan te wijzen personen belast. Deze bepaling is opgenomen om het college betere mogelijkheden te geven om anders dan aan de hand van de gereedmelding vast te stellen of de gesubsidieerde werkzaamheden daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en of het krachtens de verordening gestelde is nageleefd. De bevoegdheden van de aan te wijzen ambtenaren zijn te vinden in afdeling 5.2 van de Awb. Artikel 5.2 Hardheidsclausule Dit artikel bepaald dat het college in bijzondere gevallen kan afwijken van wat in deze verordening is bepaald. Het betreft hier onvoorziene omstandigheden, waarin de tekst van de verordening niet bij voorbaat voorziet. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering. Artikel 5.3 Overgangsbepaling Deze verordening is niet van toepassing op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld of verleend. Artikel 5.4 Inwerkingtreding Dit artikel geeft aan wanneer de verordening in werking treedt. Artikel 5.5 Citeertitel Dit artikel noemt de naam van de verordening. Bijlage 1 Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden A. SUBSIDIABELE KOSTEN: Subsidiabele kosten zijn kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden. De subsidiabele kosten bestaan veelal uit diverse kostensoorten. Er worden zes kostensoorten subsidiabel gesteld (zie hieronder 1 t/m 6). In deze lijst worden aan de kostensoorten normbedragen en –percentages, maxima en criteria verbonden ten behoeve van de berekening van de subsidiabele kosten. 1. Directe kosten
  12. a)loonkosten, met een maximum verbonden van € 37,00 per uur (prijspeil 2012, exclusief algemene kosten, winst en risico en BTW). Werkzaamheden uitgevoerd in eigen beheer worden niet vergoed.
  13. b)materiaalkosten zijn subsidiabel voor zover zij conform gangbare marktprijzen worden gedeclareerd. Indien hierover tussen de aanvrager en het college verschil van mening bestaat, worden de landelijk gehanteerde richtprijzen voor bouwmaterialen gehanteerd. Hieronder vallen ook kosten voor steigerwerk. 2. Indirecte kosten Hieronder worden verstaan:
  14. a)algemene bouwplaatskosten (o.a. toiletvoorziening, aannemerskeet en nutsvoorzieningen), maximaal 8% van de directe kosten

(1);
  1. b)algemene bedrijfskosten (deze hangen samen met algemene leiding van het bedrijf en administratieve diensten), maximaal 6% van de som van de directe kosten en de algemene bouwplaatskosten (1 + 2a);
  2. c)winst en risico, maximaal 3% van de som van de directe kosten en de algemene bouwplaatskosten (1+ 2a + 2b);
  3. d)de onderdelen a, b en c bij elkaar vormen een opslag van maximaal 17% van de directe kosten. 3. Directiekosten Honorarium (o.a. opstellen bouwkundige opname, tekenwerk en begeleiding tijdens werkzaamheden), maximaal 15% van de som van de directe kosten en de indirecte kosten (1 + 2). 4. Onvoorziene kosten Deze zijn subsidiabel tot een bedrag van ten hoogste 5% van de som van bovenstaande kosten (1 t/m 3). 5. CAR-verzekering De kosten van een Casco All Risk-verzekering zijn subsidiabel tot een maximum van 0,4% van de bovenstaande kosten (1 t/m 4). 6. BTW Alleen het niet-terugvorderbare gedeelte van de BTW is subsidiabel tot de hoogte van het wettelijk vastgestelde percentage, te berekenen over de som van bovenstaande kosten (1 t/m 5). B. SUBSIDIABELE INSTANDHOUDINGWERKZAAMHEDEN: Subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden zijn maatregelen en voorzieningen aan een gemeentelijk monument of beeldbepalend pand, die noodzakelijk zijn voor het herstellen en/of behouden van de cultuurhistorische waarden van het pand. Hieronder staan de subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden per bouwkundig onderdeel genoemd. Het betreft nadrukkelijk onderhoud en herstel voor zover van belang voor de cultuurhistorische waarde van het pand. 1. Voor gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden; onderhoud en herstel van exterieuronderdelen, voor zover van belang voor de cultuurhistorische waarde van het pand
  4. a)de kap (constructie, tengels, panlatten, dakbeschot, dakbedekking, boeidelen, goten, hemelwaterafvoeren, schoorstenen, authentieke dakkapellen);
  5. b)fundering en dragende constructies;
  6. c)kozijnen, ramen, roeden, glas, luiken, buitendeuren, ornamenten;
  7. d)muurwerk (metselwerk, voegwerk, pleisterwerk, muurankers, sierlijsten, natuursteen);
  8. e)behandelen van muur- of houtwerk ter bestrijding van zwamaantasting of houtaantasters. 2. Voor gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden; reconstructie Het terugbrengen van verdwenen elementen (bijvoorbeeld het terugbrengen van een schoorsteen (- bord) of ramen in kozijnen), alleen als de reconstructie naar het oordeel van het college bijdraagt aan de cultuurhistorische waarde van het pand. Waarbij voor beeldbepalende panden uitsluitend reconstructie van exterieurelementen subsidiabel kan worden gesteld. 3. Voor gemeentelijke monumenten, onderhoud en herstel van interieuronderdelen, voor zover van belang voor de cultuurhistorische waarde van het pand
  9. a)monumentale (interieur-)onderdelen, uitsluitend zoals die omschreven zijn in de redengevende beschrijving van het betreffende gemeentelijke monument;
  10. b)onderhoud of herstel van overige bouwelementen van grote zeldzaamheid of met grote historische waarde, naar het oordeel van het college.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.