Uitvoeringsrichtlijnen Monumentenzorg Leeuwarden (UML)Bevat de richtlijnen zoals bedoeld in: de Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden en de Verordening Leeuwarder Restauratiefonds
(1991)zijn. Het gebruik van steenkalk is niet toegestaan. • Wanneer het bestaand metselwerk erg droog is, moet dit vooraf worden besproeid. Afwerking Uitgangspunten • Op gevels mogen alleen pleisterlagen worden aangebracht als deze al aanwezig zijn of als dit historisch verantwoord is. • Hoekbeschermers zijn niet toegestaan. • Alleen gevels die geolied zijn mogen opnieuw geolied worden. De kleur dient ter goedkeuring aan de gemeente (monumentenzorg) te worden voorgelegd. Oorspronkelijk komt het oliën van gevels niet voor. • Gevels mogen niet geschilderd of geteerd worden, tenzij dit historisch verantwoord is. • Natuursteen mag alleen geschilderd worden als dit historisch verantwoord is. • Tegeltableaus moeten gehandhaafd blijven en mogen niet worden overgeschilderd of anderzijds weggewerkt worden op een wijze die schade aan het tableau veroorzaakt. • Het met veel kleuren beschilderen (polychromeren) van gevelstenen en reliëfs is alleen toegestaan, indien ze dateren uit een tijd dat polychromeren gebruikelijk was en het aannemelijk is dat de steen ooit gepolychromeerd was. o Bij polychromeren dient men zich te laten leiden door de voorstelling, het onderschrift of de historische huisnaam. o Het aanbrengen van extra ornamenten of kleur, zonder dat daar, bijvoorbeeld in het reliëf of het onderschrift, aanwijzing voor is, is niet toegestaan, tenzij historisch- of kleuronderzoek kan aantonen dat daarvan wel sprake was. o Waar geen reliëf aanwezig is, moet gekozen worden voor een natuursteenkleur. Vergunningplichtig • het veranderen van de gevels of onderdelen daarvan door het aanbrengen van een nieuwe laag over het bestaande met welk materiaal dan ook. Vergunningvrij • het herstellen van bestaande afwerklagen. Uitvoeringsrichtlijnen • Voor de gevelafwerking moet een damp-open product worden gebruikt. Toevoegingen aan de gevel Uitgangspunten • Toevoegingen aan gevels dienen steeds tot een minimum te worden beperkt. Monumentale bijzondere onderdelen mogen niet aan het oog worden onttrokken. Vergunningplichtig • Het aanbrengen van toevoegingen aan de gevel in de vorm van reclames en zonweringen. Vergunningvrij • Het aanbrengen van kleine toevoegingen zoals lampen, camera’s en losse brievenkasten. Uitvoeringsrichtlijnen • Aan te brengen reclames moeten voldoen aan de gemeentelijke beleidsnota 'Oog voor reclame'. • Voorzieningen die een reversibele toevoeging zijn, zoals lampen, camera’s, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc. mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd. Een uitzondering vormen natuurstenen elementen waarin een speciale voorziening is aangebracht voor het ophangen van buitenlampen. • Alle voorzieningen dienen te worden bevestigd met RVS bevestigingsmateriaal en kunststof pluggen, waarbij de gaten in de voegen worden geboord, zodat beschadiging van het metselwerk als geheel zo veel mogelijk wordt vermeden. Na het t.z.t. verwijderen van de voorziening kunnen de gaten met op kleur gebrachte compound worden hersteld. • De voedingskabel (
- s)van elektra dienen direct achter de voorziening door de gevel te worden gebracht, waarbij het doorvoergat eveneens door de steen zelf moet worden gemaakt. • Voor de bevestiging van elementen aan de gevel en voor kabeldoorvoeren dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van reeds bestaande gaten of doorvoeren. • Bestaande niet meer in gebruik zijnde bekabeling dient te worden verwijderd, waarbij de bevestigingsgaten en eventuele schade zorgvuldig worden weggewerkt. 8. VERBINDEN VAN PANDEN EN MAKEN VAN DOORBRAKEN Uitgangspunten • Aanpassingen in een monument mogen bij voorkeur geen wijziging of aantasting van de hoofddraagconstructie tot gevolg hebben. Indien de bestaande constructie niet toereikend is, dienen noodzakelijke versterkingen of stabiliteitsvoorzieningen een reversibele toevoeging te zijn. Overbodig geraakte constructieve elementen moeten bij voorkeur gehandhaafd blijven. • Vooraf dient de noodzaak van het verbinden van panden te worden aangetoond. • De openingen dienen in grootte en aantal beperkt te blijven. • Het moet aan de buitenkant duidelijk blijven dat het om afzonderlijke panden gaat. Elk pand behoudt zijn eigen ingang aan de voorzijde. • Het moet ook aan de binnenkant duidelijk blijven dat het om fysiek afzonderlijke panden gaat. Dat houdt in dat een doorbraak of doorbraken in een muur tussen panden beperkt van hoogte en breedte moet/moeten zijn. • De plaats van de doorbraak moet passen in het interieur en bouwhistorisch waardevolle elementen, zoals binnenwanden, schouwen en lambriseringen, mogen niet worden beschadigd of verwijderd. • Bij verticale doorbraken dienen bij voorkeur reeds bestaande trapgaten c.q. ravelingen te worden (her)gebruikt. Vergunningplichtig • Het verbinden van panden. • Het maken van doorbraken in muren en vloeren. • Het wijzigen van constructieve onderdelen. Uitvoeringsrichtlijnen • Bij het maken van openingen breder dan 1,0 meter in muren is ten minste een latei nodig, in sommige gevallen is een portaal nodig. • Een opening dient niet te worden gemaakt onder een zware puntlast, bijvoorbeeld niet onder de oplegging van een moerbalk. • Voor het maken van openingen in muren moeten worden ingediend: o constructieberekening voor de toe te passen latei of het portaal; o berekening funderingsbelasting in de oude en de nieuwe situatie (bij dragende muren). Hoofddraagconstructies Uitgangspunten • Aanpassingen in een monument mogen bij voorkeur geen wijziging of aantasting van de hoofddraagconstructie tot gevolg hebben. Behoud en zonodig herstel van de bestaande constructie is het uitgangspunt. Indien de bestaande constructie niet toereikend is, dienen noodzakelijke versterkingen of stabiliteitsvoorzieningen in beginsel een reversibele toevoeging te zijn. Overbodig geraakte constructieve elementen moeten bij voorkeur gehandhaafd blijven. • Er mag niet meer worden vervangen dan noodzakelijk. Nieuw aan te brengen elementen dienen overeen te komen met de oorspronkelijke elementen voor wat betreft materiaal, vormgeving en afmetingen. Uitvoeringsrichtlijnen • Bij het maken van openingen, breder dan 1 meter in muren is ten minste een latei nodig, in sommige gevallen is een portaal nodig. • Wanneer men constructieonderdelen wil vervangen moet rekentechnisch worden aangetoond dat een constructie niet toereikend is. Indien herstel geen optie is kan het constructieve element of onderdeel vervangen worden door een bij de constructie van het object passend element of onderdeel. 9. RUWBOUWTIMMERWERK Algemene uitvoeringsrichtlijnen • De te vervangen houten onderdelen dienen op historisch verantwoorde wijze te worden uitgevoerd, waarbij de bestaande detaillering en vormgeving, indien juist, als uitgangspunt dient. • De te vervangen houten onderdelen moeten dezelfde zwaarte en profilering krijgen als de bestaande. • Het houtwerk dat in aanraking komt met metselwerk dient tweemaal in de lijvige menie of grondverf te worden gezet. • De toe te passen houtsoorten dienen overeenkomstig het bestaande werk te zijn. Wanneer voor de restauratie een gemeentelijke subsidie wordt ontvangen mogen hardhout-soorten - met uitzondering van de Europese hardhoutsoorten - in principe niet worden toegepast. Indien de toepassing dit toch vereist moeten de tropische houtsoorten zijn voorzien van een FSC-keurmerk. • Voor het herstel van houten elementen zoals dakgoten, windveren, dekplanken, gevel- en dakbeschoeiing, dient massief hout te worden gebruikt. Toepassing van multiplex, kunststof, kunststof-verlijmde vezelplaten, mdf en hiermee vergelijkbare plaatmaterialen is niet toegestaan. • Gaten in houten gootbodems ten behoeve van zinken of koperen gootbekleding dienen 5 millimeter wijder dan de betreffende tapeinden te zijn. • Houtaantasting o Bij toepassing van injectoren ter bestrijding van houtaantasters dient vooraf op het kapplan of op de spanttekeningen het aantal en de plaats van de injectoren te worden aangegeven. Dit kapplan de of eventuele tekeningen dienen vooraf ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de gemeente (monumentenzorg). o De houtaantasterbestrijding dient met een middel op basis van permethroïden en conform de norm NEN 3252 te worden uitgevoerd. Voordat tot bestrijding wordt overgegaan moeten eerst de ruimte en de constructies goed stofvrij worden gemaakt. • Het uitvoerend bedrijf moet na uitvoering van de bestrijding een schriftelijke garantie van tenminste vijf jaar afgeven, dit in verband met de cyclustijd van de larven. • Het uitvoerend bedrijf dient bij de toegang tot de behandelde ruimten of kappen een plaat te bevestigen met daarop de datum van de bespuiting, het toegepaste middel, de garantietermijn en de naam van het bedrijf dat de bestrijding heeft uitgevoerd. o Preventief injecteren is niet toegestaan. Gebleken is dat dit geen zin heeft. Houten kappen en balklagen Uitvoeringsrichtlijnen • Onderdelen die zijn aangetast door insecten mogen pas vervangen worden als de onderdelen onvoldoende draagvermogen hebben en/of bestrijding niet mogelijk is. Dit dient in overleg met de gemeente (monumentenzorg) te worden vastgesteld. • Door schimmel en zwam aangetaste onderdelen mogen geheel worden vervangen. • Waar mogelijk moeten aangetaste balken worden hersteld en behouden: o slechte onderdelen vervangen tot voorbij het aangetaste hout en aangelast (schuine lip- of haaklas; L-las = 2-2,5 x hoogte balk) in dezelfde houtsoort van hetzelfde formaat; o indien meer dan 50% van een onderdeel is aangetast is volledig vervangen toegestaan; dit ter beoordeling aan de gemeente (monumentenzorg); o het gebruik van epoxyharsen met fiberstaven ter vervanging van balkkoppen en dergelijke is toegestaan tot maximaal 1/5e van de overspanning tot een maximum van 1,20 meter. Rekentechnisch moet worden aangetoond dat de gerepareerde balk voldoende draagvermogen heeft. • Staalconstructies of stalen hulpconstructies mogen niet worden toegepast ter vervanging van houten constructies of constructiedelen. Indien nodig, zijn verstijvingen in overleg met de gemeente (monumentenzorg) en een constructeur toegestaan. Staal heeft een andere uitzettingscoëfficient dan hout waardoor spanningen kunnen ontstaan. Daarnaast passen stalen (hulp)constructies niet bij het oorspronkelijke monumentale beeld. • Nieuw aan te brengen dakvensters, dakkapellen en trappen tussen de bestaande balken plaatsen. Bij trappen bij voorkeur de oude trapgaten gebruiken. • Het verwijderen van balken is niet toegestaan. Ogenschijnlijk overbodige balken blijken na jaren vaak toch een constructieve functie te hebben (gehad). Deze balken hebben tevens een cultuurhistorische c.q. bouwhistorische waarde. • Het verlagen of verhogen van een historische balklaag is niet toegestaan. • Kapspanten mogen niet worden verwijderd of verzaagd. • Het verdient de voorkeur om de bovenzijde van horizontale delen, waarin kops hout en/of verticale verbindingsnaden aanwezig zijn, zoals bij vensterblinden, luiken en opgeklampte deuren, af te dekken met lood van minimaal 16 kg/m2 (NHL 16). • Ravelingen: Het (her)gebruik van de bestaande ravelingen heeft de voorkeur boven het maken van nieuwe ravelingen. Wanneer een nieuwe raveling noodzakelijk is, dient deze tussen de bestaande balken te worden gemaakt. Aanwijzingen • De aanwezigheid van insecten maakt niet altijd dat het ‘aangetaste’ hout moet worden vervangen. In voorkomende gevallen kan bij een beperkte aantasting met het verlagen van het vochtgehalte in het hout en/of het toepassen van een bestrijdingsmiddel worden volstaan. Schimmels en zwam zijn moeilijker te bestrijden. Vergunningplichtig • Het aanbrengen van dakvensters, dakkapellen en trappen. • Het maken of het wijzigen van een raveling. • Het vervangen van balken. Dakbeschot Uitvoeringsrichtlijnen • Het bestaande dakbeschot handhaven, tenzij dit asbesthoudende beplating betreft. • Onbeschoten kappen mogen worden beschoten. • Indien het bestaande dakbeschot aantoonbaar slecht is en vervangen moet worden, dienen de herstellingen te worden uitgevoerd in hout van dezelfde soort, profilering en afmetingen als in de bestaande toestand. • Isolatie aan de buitenzijde van de kap, om zodoende een warm-dak constructie te creëren, mag alleen worden toegepast indien de daklijn niet voorbij de gevellijn komt en de dakbedekking nog voldoende af kan wateren in de dakgoot. Ook mag er geen verandering optreden bij aansluitingen bij schoorstenen, gevels, daklijsten en dakkapellen. • In alle andere gevallen dient binnenisolatie te worden toegepast (koud-dak constructie), waarbij een goede ventilatie tussen isolatie en dakbeschot moet worden gewaarborgd en aan de warme zijde een dampremmende folie wordt toegepast. • Afdichtingsmiddelen als kit en PUR-schuim zijn niet toegestaan. • Historische kappen dienen voldoende te worden geventileerd. Vergunningplichtig • Het aanbrengen van dakvensters, dakkapellen. • Het vervangen van dakbeschot. • Het wijzigen van bestaande balklagen en het toevoegen van constructiedelen. • Het wijzigen van historisch beschilderde balken en balken met historische verfrestanten. • Het gebruik van epoxyhars en fiberstaven. • Het dakbeschot voorzien van isolatie aan de buitenzijde. • Isolatie aanbrengen aan de binnenzijde tegen het dak. • Onbeschoten kappen voorzien van dakbeschot. Vergunningvrij • De onderhoudswerkzaamheden aan de kappen en balklagen mits uitgevoerd conform deze UML. • Het vervangen van alleen de slechte stukken van het dakbeschot tot een maximum van 25%. • Het herstellen van dakbeschot, zoals vervanging van panlatten, voor minder dan 50% van het dakvlak. 10. METAALCONSTRUCTIEWERK Liggers, gevelankers, enz. Uitvoeringsrichtlijnen • Constructieve ijzeren of stalen onderdelen dienen te worden gehandhaafd en indien nodig hersteld, tenzij aantoonbaar is dat herstel niet mogelijk is. Bij twijfel moet rekentechnisch worden aangetoond dat een onderdeel of element niet meer voldoet. • In geval van vervanging of toevoeging van nieuwe stalen constructieve onderdelen moet men rekening houden met de mogelijke legeringsverschillen tussen de oude en nieuwe onderdelen in verband met contactcorrosie. • Aan een historische ijzer- of staalconstructie mag soms gelast worden. Lassen is niet reversibel en historische ijzer- of staalconstructies bevatten overwegend een te hoog koolstofgehalte. Lassen is alleen mogelijk, indien door onderzoek blijkt dat er geen monumentale waarden in het geding zijn en de ijzer- of staalconstructie een koolstofgehalte bevat lager dan 5%. Vergunningplichtig • Alle werkzaamheden die veranderingen aan het monument met zich meebrengen. Vergunningvrij • Onderhouds- en restauratiewerkzaamheden. 11. BOUWKUNDIGE KANAALELEMENTEN Schoorstenen en ventilatiekanalen Uitgangspunten • Bestaande schoorstenen, schoorsteenkappen en schoorsteenkanalen moeten worden gehandhaafd. • Gebruik de bestaande rookgasafvoer- en ventilatiekanalen. • Een gemetselde schoorsteen heeft de voorkeur boven een andere schoorsteen. • Bestaande gemetselde historische schoorstenen mogen niet worden gesloopt. In zeer slechte staat verkerende schoorstenen dienen te worden vervangen. • Schoorsteenkappen dienen te worden gehandaafd. Vergunningplichtig • Het plaatsen van nieuwe schoorstenen, ventilatie-uitmondingen en het aanbrengen van nieuwe rookgaskanalen. Vergunningvrij • Onderhouds- en restauratiewerkzaamheden. Uitvoeringsrichtlijnen • Ten behoeve van nieuwe schoorstenen, rookgas- en ventilatiekanalen mogen geen monumentale waarden worden aangetast. De volgende wijzigingen zijn niet toegestaan: o balken doorzagen; o het doorbreken van historische plafonds, decoratief beschilderde plafonds, stucplafonds, vloerafwerkingen, wandafwerkingen en –bekledingen. • Bij hergebruik van een bestaand kanaal moet de luchtdichtheid worden gecontroleerd. • Nieuw aan te brengen rookgas- en ventilatiekanalen dienen van onbrandbaar materiaal te zijn gemaakt. Aanwijzingen • Bestaande rookkanalen en schoorstenen kunnen vaak gebruikt worden voor het wegwerken van moderne rookgasafvoeren, beluchtingskanalen etc. 12. KOZIJNEN, RAMEN EN DEUREN Uitgangspunten • Bestaande vensters, deurpartijen en winkelpuien dienen zo veel mogelijk te worden gehandhaafd. • Indien in het verleden vensters en deurpartijen zijn vervangen in een materiaal dat historisch gezien niet toegepast had mogen worden, dienen deze bij een vernieuwing te worden vervangen door een historisch verantwoorde indeling, materiaaltoepassing en detaillering. • Nieuwe dakkapellen, dakramen en doorbraken zijn alleen toegestaan indien er geen monumentale onderdelen van de kap worden aangetast. • De doorbraken moeten worden geminimaliseerd in grootte en aantal. Echter, de grootte is mede afhankelijk van de architectuur van de aangrenzende gevel. Ook moet dit in goede verhouding zijn met het dakvlak en mogen ze niet te dicht bij de dakvoet, de nok, bij hoek- en kilkepers en de topgevels geplaatst worden. • De vormgeving kan zowel historiserend als eigentijds zijn, in overleg met monumentenzorg en welstand. • Glazen dakpannen worden gezien als dakramen. Vergunningplichtig • Het aanbrengen van een doorvalbeveiliging. • Het volledig vervangen van een raam, kozijn of deur. • Het veranderen van de kozijn- of raamindeling. Vergunningvrij • Het herstellen van houtrot. • Het vervangen van houten onderdelen welke door houtrot onherstelbaar zijn beschadigd. Vensters, deurpartijen en winkelpuien Uitvoeringsrichtlijnen • Het volledig vervangen van historische vensters, deurpartijen en winkelpuien die nog hersteld kunnen worden of nog in goede staat verkeren, is niet toegestaan. Zijn onderdelen van een historisch venster, winkelpui of deurpartij slecht, dan wordt niet het gehele element maar alleen de slechte onderdelen vervangen. Een onderdeel is slecht als meer dan 50% is aangetast. De detaillering en de afmetingen van de nieuwe onderdelen van historische vensters of deurpartijen moet worden aangepast aan de bestaande detaillering en afmetingen en uitgevoerd in dezelfde houtsoort. • Stalen vensters en deurpartijen mogen alleen worden vervangen indien herstel niet mogelijk is. • Voor de reparatie van historische vensters, deurpartijen en winkelpuien moeten oude, beproefde verbindingstechnieken worden toegepast. Het handhaven van een demontabele constructie heeft het voordeel dat de constructie voor reparatie altijd weer uit elkaar kan worden genomen. • In geval van herstel of vervanging van stalen elementen, zijn bouwtechnische verbeteringen toegestaan mits het oorspronkelijke uiterlijk gehandhaafd blijft. Detaillering en uitvoering moeten in overleg met de gemeente (monumentenzorg) geschieden. • De reconstructie van een oudere roedenverdeling is toegestaan indien: o voor de vroegere aanwezigheid sporen of historische bewijzen aanwezig zijn; o de overige architectuur van het pand en de omgeving daarmee niet conflicteert; o geen authentieke, waardevolle, bij een latere fase behorende ramen daarvoor moeten verdwijnen. • Reparatie van gedeelten van een historische houten winkelpui, venster- of deurpartij moet gebeuren door uitstukken of aanlassen door middel van een schuine liplas (L-las 2-2,5 x houtzwaarte) met dezelfde houtsoort als het bestaande venster of de deurpartij. • Reparatiemortels op kunststofbasis kunnen alleen voor gaten kleiner dan 100 cm³ worden toegepast. • Het is niet toegestaan om openingen tussen kozijn en muur met kit af te dichten. De naden tussen kozijn en gevel moeten met een damp-open voeg van kalkspecie worden afgedicht. Door kit als materiaal te gebruiken op oude houten constructies kan de mogelijkheid tot uittreding van vocht worden geblokkeerd. • Voor schilderwerk moet men damp-open verfsystemen gebruiken, waarvan de Sd-waarde kleiner is dan 30 cm (een Sd-waarde van 15 cm voor het verfsysteem wordt als damp-open beschouwd). Omdat oudere houtconstructies vanwege de aard van de omliggende constructie vaak meer vochtbelast zijn dan de tegenwoordige constructies is het beter een damp-open verfsysteem toe te passen. • Wanneer het noodzakelijk is oude verflagen te verwijderen, moet eerst ter plekke een kleuronderzoek worden uitgevoerd door een gespecialiseerd bedrijf. • De te vervangen houten onderdelen moeten dezelfde zwaarte en profilering krijgen als de bestaande. • Het houtwerk dat in aanraking komt met metselwerk dient tweemaal in de lijvige menie of grondverf te worden gezet. • De toe te passen houtsoorten dienen overeenkomstig het bestaande werk te zijn. Indien voor de restauratie een gemeentelijke bijdrage wordt verstrekt mogen hardhout-soorten - met uitzondering van de Europese hardhoutsoorten - in principe niet worden toegepast. Indien de toepassing dit toch vereist moeten de tropische houtsoorten zijn voorzien van een FSC-keurmerk. • Bij toepassing van injectoren ter bestrijding van houtaantasters dient vooraf op tekening de locatie te worden aangegeven. De tekeningen dienen vooraf ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de gemeente (monumentenzorg). • Het plaatsen van roosters en suskasten in glasvlakken, kozijnen en ramen is niet toegestaan. Doordat schuiframen op natuurlijke wijze ventileren door naden en kieren is het aanbrengen van ventilatievoorzieningen zelden nodig. • De bovenzijde van horizontale delen waarin kopshout en of verticale verbindingsnaden aanwezig zijn, o.a. bij vensterblinden, luiken, opgeklampte deuren, afdekken met lood minimaal 16 kg/m2 (NHL 16). Toelichting • De oorspronkelijke vensters en deurpartijen zijn mede bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Bestaande historische vensters en deurpartijen dienen daarom gehandhaafd te worden. • Historische venster- en deurpartijen behoren tot de monumentale waarden van een pand. Het streven om deze onderdelen zoveel mogelijk aan de huidige normen te laten voldoen, mag nooit leiden tot aantasting van de monumentale waarden of integraal vervangen van de onderdelen. Indien een kozijn vanuit monumentaal oogpunt niet is aan te passen moet naar andere oplossingen gezocht worden. De normen van de KeuringsVoorschriften voor Timmerwerk (KVT ’95) gelden niet voor historische vensters en deurpartijen. • Indien de technische staat van het venster (kozijnen, ramen, deuren en luiken) zo slecht is dat het volledig vervangen moet worden, geldt als regel dat het nieuwe onderdeel overeenkomstig het oorspronkelijke wordt gemaakt. Aan het vernieuwen van vensters en deurpartijen in oude vorm kleven in sommige situaties bezwaren. Niet alle oude constructies voldoen zonder meer aan de eisen die onder meer de KeuringsVoorschrifen voor Timmerwerken (KVT ’95) stelt. Er zijn gecertificeerde timmerfabrikanten die oude vensters kunnen namaken die tevens voldoen aan de kwaliteitseisen. Wanneer op een enkel detail na, niet aan die eisen kan worden voldaan, hoeft dat geen probleem te zijn. Indien wordt afgeweken van de huidige kwaliteitsnorm kan de fabrikant een verklaring ondertekenen op welke details is afgeweken. Bij vervanging in de oude vorm kan men via artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2003 ontheffing krijgen van de eisen waaraan een nieuw aan te brengen venster- of een deurpartij moet voldoen. • De oude verflagen bevatten veel informatie over de geschiedenis van het pand en het betreffende bouwdeel. Aanwijzing • Oude verflagen moeten niet volledig worden verwijderd maar overgeschilderd in verband met toekomstig kleuronderzoek, tenzij de diverse aanwezige verflagen gezamenlijk dermate dampdicht zijn dat in de aanwezige condities vochtproblemen te verwachten zijn. Nieuwe dakkapellen en dakramen Uitvoeringsrichtlijnen • De voorzieningen moeten tussen de spanten en gordingen worden aangebracht. Voor het aanbrengen van een daglichtopening in een sporenkap is geen richtlijn gegeven, dit moet apart worden beoordeeld. • Bij dakramen gaat de voorkeur uit naar ‘6-pans dakramen‘ (2 pannen breed, 3 pannen hoog). 13. TRAPPEN EN BALUSTRADEN Uitgangspunten • Historische stoepen, bordessen en trappen inclusief de leuningen en hekken mogen alleen worden vervangen met een Omgevingsvergunning. • Indien een natuurstenen trap slecht is moeten de natuurstenen elementen hergebruikt worden. Onderdelen mogen pas worden vervangen indien zij aantoonbaar slecht zijn en herstel niet mogelijk is. • Nieuw te vervaardigen onderdelen dienen op historisch verantwoorde wijze te worden uitgevoerd, waarbij de bestaande afwerking, detaillering en vormgeving, als uitgangspunt dienen. Vergunningplichtig • Veranderingen van de bestaande situatie. • Vervanging. Vergunningvrij • Onderhoudswerkzaamheden. Niet het vervangen van trapdelen zoals treden, stootboorden, enz. Natuurstenen buitentrappen en balustraden Uitvoeringsrichtlijnen • Indien mogelijk dienen de treden gelijmd te worden, bijvoorbeeld bij een klein aantal breuken. • De bevestiging van ijzeren onderdelen in natuursteen moet in lood gebeuren. Aan historische gietijzeren traphekken mag niet gelast worden. • Bij onderhoud of herstel van smeedijzeren onderdelen zoals tuinhekken, gevelankers en ander siersmeedwerk, dient al het ijzerwerk volledig van oude verflagen en roest te worden ontdaan. Houten trappen en balustraden Uitvoeringsrichtlijnen • Trappen die een monumentale waarde vertegenwoordigen, moeten zoveel mogelijk op de bestaande plek worden gehandhaafd. • Monumentale trappen mogen niet worden bekleed met brandwerende materialen. • Nieuw aan te brengen trappen moeten bij voorkeur tussen de bestaande balken worden geplaatst. Zo mogelijk dient het oude trapgat te worden gebruikt. • Onderdelen van historische trappen mogen pas worden vervangen, indien deze aantoonbaar slecht zijn en herstel niet meer mogelijk is. • Het houtwerk dat in aanraking komt met metselwerk, dient tweemaal in de lijvige menie of grondverf te worden gezet. • De toe te passen houtsoorten dienen overeenkomstig het bestaande werk te zijn. Wanneer voor de restauratie een gemeentelijke subsidie wordt ontvangen, mogen hardhout-soorten - met uitzondering van de Europese hardhoutsoorten - in principe niet worden toegepast. Indien de toepassing dit toch vereist, moeten de tropische houtsoorten zijn voorzien van een FSC-keurmerk. • Toepassing van multiplex, kunststof, kunststof-verlijmde vezelplaten, mdf en hiermee vergelijkbare plaatmaterialen is niet toegestaan. 14. DAKBEDEKKINGEN Uitgangspunten • De bestaande historische dakbedekking dient te worden gehandhaafd. • De oorspronkelijke dakbedekking is vaak in samenhang met de architectonische uitdrukkingsvorm gekozen. Wanneer de dakbedekking in het verleden is vervangen door een product dat historisch gezien niet bij de architectuur past, dient deze dakbedekking zo mogelijk bij een restauratie te worden vervangen door de oorspronkelijke dakbedekking. • Bij werkzaamheden aan het dak is het aan te raden om klimijzers en andere veiligheidsvoorzieningen aan te brengen. Voor inspecties op het dak zijn klimijzers noodzakelijk door de Arbo-wetgeving. Advies over ladder- en klimhaken en eventueel toe te voegen klimluiken wordt gegeven door de Monumentenwacht Fryslân. Vergunningplichtig • Het aanbrengen van een nieuwe dakbedekking die afwijkt van de bestaande dakbedekking. Let hierbij ook op kleur, type, fabrikant of natuursteengroeve. • Het aanbrengen van PV-panelen en zonnecollectoren. • Het aanbrengen van warmte-isolatie op een plat dak wanneer hierdoor de details van de randaansluitingen van het dak veranderd moeten worden. Vergunningvrij • Het vervangen van gebroken of zeer slechte pannen. • Het vervangen of bijsteken van riet. • Het vervangen van niet meer dan 10% van de leien. • Bitumineuze dakbedekking: het vervangen van de dakbedekking van een plat dak. Dakpannen Uitvoeringsrichtlijnen • Bij het afnemen van de pannen dienen deze gesorteerd te worden en de bruikbare exemplaren, dat wil zeggen pannen waarvan de levensverwachting nog 15 jaar of langer is, te worden hergebruikt. • Bij het indekken van het dak dienen de bestaande pannen en de nieuwe pannen in aparte vlakken te worden gelegd. Bij veel materiaalverlies is het raadzaam met de overgebleven goede pannen één dakvlak te dekken. • Indien mogelijk het voordakvlak dekken met oude pannen. • Bij inboeten en vernieuwen van panbedekking dienen nieuw aan te brengen pannen in vorm, type en kleur overeen te komen met de oorspronkelijke, historisch juiste pannen. • Betonpannen zijn niet toegestaan (tenzij ze al aanwezig zijn). • Onder Oudhollandse pannen dient een mandragende dampdoorlatende folie te worden aangebracht. De folie dient bij dakdoorbrekingen en opgaand muurwerk voldoende te worden opgezet. • Bij een dak met oud-hollandse pannen moet een ‘vlakke‘ nokvorst worden toegepast. • De nok- en hoekkepervorsten dienen met behulp van een gewapende kalkspecie te worden aangebracht. De kalkmortel kan, indien nodig, iets worden bijgekleurd. • Het toepassen van zogenaamde moderne ondervorsten is niet toegestaan. • De eventueel toe te passen panhaken en -klemmen dienen in roestvast staal te zijn uitgevoerd in de kleur van de dakbedekking. • Indien een dak gedekt is met een niet meer verkrijgbare pan, wordt in overleg met de gemeente (monumentenzorg) een oplossing gezocht. Meestal vergunningplichtig. Leien Uitvoeringsrichtlijnen • Bij subsidie/lening is keuring verplicht. Het keuren van leien op fysische, chemische en petrografische kenmerken van duurzaamheid en kwaliteit is van belang voor de instandhouding van daken. Bij vernieuwing is een keuring van elke voor één specifiek object bestemde partij leien verplicht. Deze keuring moet door een onafhankelijk onderzoeksinstituut worden verricht. De op basis van deze keuring te verwachten levensduur van een natuurlei dient ten minste 80 jaar te zijn. Keuring moet geschieden volgens de richtlijnen van de RCE, zoals beschreven in de brochure Restauratie en Beheer nr. 13 (oktober 1998). • De leien dienen te worden geleverd met een bewijs van herkomst en garantie van kwaliteit en dikte, af te geven door de groeve. • De toe te passen leien moeten vrij zijn van breuk, insluitingen, schadelijke verbindingen zoals kalk, ijzer, zwavel en bitumineuze verbindingen. • Kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien zijn niet toegestaan, tenzij dezen reeds aanwezig zijn op het dak. • Bij inboeten en vernieuwen van leibedekking dienen de nieuw aan te brengen leien in kleur, afmetingen en vorm, alsmede ten aanzien van de wijze waarop het dak wordt gedekt, overeen te komen met de bestaande leidekking. • De leien mogen uitsluitend met koper worden vernageld of met roestvrij stalen leihaken (type 316) bevestigd. • Bij partieel herstel dient de bestaande leidekkingswijze te worden aangehouden. Bij gehele vernieuwing dient zo mogelijk en bekend de oorspronkelijke leidekkingswijze te worden aangehouden. • Indien er twijfel bestaat omtrent de kwaliteit van bestaande leien, kunnen ook oude leien worden gekeurd. Riet Uitvoeringsrichtlijnen • De werkzaamheden dienen conform de richtlijnen van de Vakfederatie Rietdekkers te worden uitgevoerd en volgens de richtlijnen van de Rijksdienst RCE, zoals beschreven in de brochures Restauratie en Beheer nr. 10 en nr. 11. • Het rietdekkerswerk dient met inlands riet te worden uitgevoerd. • Het rietwerk dient met dun eenjarig riet met een frisgele kleur en een sterke, harde dikwandige stengel, behoudens een zeer dunne spreilaag van dikker en langer riet, te worden uitgevoerd. • Bij het dekken van het riet gebruik maken van spandraad nr. 6 in roestvrij staal of dubbel gegalvaniseerd. Binddraad nr. 18 in roestvrij staal; gegalvaniseerd binddraad is niet toegestaan. Traditionele bindmethoden met wilgentenen zijn tevens toegestaan. • Voor zover er herstelwerk aan de dakconstructie plaatsvindt, waar rondhout zit of heeft gezeten, moet ook weer rondhout worden toegepast. Doorsneden in het algemeen 100 millimeter, h.o.h. 750 millimeter. • Bij killen mogen geen zinken goten worden toegepast, doch het riet moet steeds in de killen worden doorgedekt. • Rietvorsten dienen in een met paarde- of varkenshaar gewapende kalkspecie te worden gelegd. De wijze van nokafwerking dient in materiaal, vorm en kleur overeen te komen met de oorspronkelijke en historisch juiste nokafwerking. Lood, koper en zink Uitgangspunten • Naast de bekende toepassingen dient extra aandacht te worden geschonken aan bijzondere elementen en decoraties in lood, koper of zink. • Koper, lood en zink moeten bij restauraties op dezelfde wijze worden toegepast als in de bestaande situatie (mits deze goed
- is)met gebruikmaking van traditionele bevestigingsmethoden. • Uit milieuoogpunt verdient het aanbeveling lood en zink te oliën. Vergunningplichtig • Het vervangen van bijzondere koper-, lood- en zinkelementen. Vergunningvrij • Het vervangen van koperen-, loden- en zinken goten, hemelwaterafvoeren, aansluitingen en afdekkingen. • Het plegen van onderhoud en herstel. Uitvoeringsrichtlijnen • Voor aanvang van de werkzaamheden moeten een inventarisatie en een beschrijving worden gemaakt van bijzondere elementen zoals: ornamenten, trotseerloodjes, pironen, gedecoreerde vergaarbakken, enz. • Het toe te passen zink is minimaal Zink 16 (1,1
- mm)en koper minimaal 0,8 mm. Lood moet volgens de richtlijnen van de Stichting Bouwlood worden aangebracht; op loden nokken moet minimaal 25 ponds lood worden toegepast. • Een platte kraal mag niet worden vervangen door een ronde kraal. • Metaalwerk mag niet worden gelijmd. • Toepassing van PVC is niet toegestaan. • Het zink in de kilgoten dient in meterstukken, aan de bovenzijde vernageld en aan de zijkanten voorzien van een felsnaad te worden uitgevoerd. • Het loodwerk dient in minimaal 20 kg/m2 (NHL 20), uitsluitend met koper vernageld te worden uitgevoerd. Het gebruik van gegalvaniseerde nagels is niet toegestaan. • Het loodwerk dient ter plaatse van muuraansluitingen door middel van loodproppen in voldoende diep uitgehakte of uitgeslepen voegen (30 millimeter diep) te worden vastgezet en daarna te worden afgevoegd. • Alle aansluitingen op schoorstenen e.d. dienen door middel van muurlood en loketten te worden uitgevoerd in lood zwaar 20 kg/m2 (NHL 20) en met loodproppen in voldoende diep uitgehakte of uitgeslepen voegen (30 millimeter) vastgezet en daarna te worden afgevoegd. • Het lood op hoekkepers en nokken dient in minimaal 25 kg/m2 (NHL 25), in meterstukken met gefelste naden te worden uitgevoerd. Op iedere felsnaad dient een klang ter bevestiging te worden aangebracht. Ieder stuk lood dient slechts in het midden te worden vernageld met koperen nagels. Eventueel zichtbare koperen nagels dienen met trotseerloodjes te worden afgedekt. • Bevestiging van lood- en zinkbekleding dient zodanig te geschieden dat het materiaal volledig vrij kan werken. Maximale gootlengte 12 meter. Langere goten moeten worden onderbroken door ‘broekstukken’. Waar een goot de hoek om gaat, wordt dit niet gezien als een onderbreking. Aanwijzingen • In overleg met de gemeente (monumentenzorg) kan zink eventueel door lood of koper worden vervangen. Het gebruik van koper is toelaatbaar voorzover het water dat van het koper afloopt niet in een zinken goot of buis terecht kan komen. 15. BEGLAZING Uitgangspunten • Onder isolerende beglazing wordt zowel dubbel glas als gelaagd glas met isolerende eigenschappen verstaan. • Historisch glas dient zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven. • De beglazing vormt vaak een belangrijk element van de architectuur en de monumentale waarde van een pand. • Isolerende beglazing, waaronder dubbel glas, wordt soms onder voorwaarden toegestaan. Hiervoor bestaat tegenwoordig speciale stopverf waardoor het aanzicht ‘traditioneler’ lijkt. • Dubbele beglazing is alleen toegestaan indien het geen onevenredige aantasting vormt van de monumentale waarden. Alleen dubbel glas met zwarte afstandprofielen ertussen is toegestaan. • In toenemende mate wordt isolerende beglazing ontwikkeld die in afmetingen en verschijningsvorm enkel glas benaderd. • Het plaatsen van roosters en suskasten in glasvlakken is niet toegestaan. Vergunningplichtig: • Het aanbrengen van een andere soort beglazing. • Het aanbrengen van dubbel glas, voorzetbeglazing (buitenzijde). • Het plaatsen van beschermende voorzetbeglazing bij glas-in-loodramen. • Het aanbrengen van plakroeden. • Het vervangen van stopverf door glaslatten. Vergunningvrij • Het vervangen van een kapotte ruit. • Het aanbrengen van achterzetbeglazing (binnenzijde), tenzij dit schade teweeg brengt aan bijzondere monumentale waarden van het venster en/of het interieur. • Werkzaamheden aan glas-in-loodramen zoals het herstel en plaatsen of vervangen van brugstaven. • Het aanbrengen van dun isolatieglas in de bestaande ramen, roeden en profilering, ter vervanging van niet-historisch glas. Uitvoeringsrichtlijnen • Het glas dient op de oorspronkelijke wijze te worden vast gezet. o in panden van voor de twintigste eeuw, dient het glaswerk in principe in enkel glas (in stopverf gezet) en zonder gebruikmaking van glaslatten te worden uitgevoerd. o Vanaf de twintigste eeuw is stopverf steeds minder toegepast en worden glaslatten of profielen steeds vaker toegepast. • Het gebruik van siliconenkit bij glas in lood is niet toegestaan. • Bij gebrandschilderd glas mogen alkalische of ionogene reinigingsmiddelen niet worden gebruikt. • Getrokken glas heeft de voorkeur ten opzichte van floatglas, vooral in kleine ruitjes. • Indien de afmetingen van het bestaande raam/deur voldoende zijn om verantwoord isolatieglas aan te brengen, dan is dit toegestaan. • Indien de afmetingen van het raam onvoldoende zijn voor het aanbrengen van dubbele beglazing, mogen de ramen worden vervangen indien: de bestaande ramen geen monumentale waarden vertegenwoordigen en/of in die mate in slechte technische staat verkeren dat ze niet zijn te handhaven. • Indien een bestaand raam geen monumentale waarden vertegenwoordigt moet het nieuwe raam in detaillering en materialisatie aansluiten bij het monument, indien het bestaande raam in het verleden al eens ter vervanging van een historisch raam is aangebracht. • Indien een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt maar onherstelbaar is aangetast, kan dubbele beglazing worden toegepast, mits het uiterlijk en de detaillering van het nieuwe raam zoveel mogelijk het oude raam benaderen. Hierbij moet het aanzicht vanaf de buitenzijde ongewijzigd blijven en de profilering aan de binnenzijde exact worden nagemaakt. • Bij het toepassen van dubbele beglazing dienen de afstandsprofielen te worden uitgevoerd in zwart. • Schijnroeden, kunststof roeden en roedeverzwaringen zijn niet toegestaan. • Indien een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt en niet om technische redenen vervangen hoeft te worden en/of de detaillering niet verenigbaar is met dubbele beglazing zal er voor een achterzetraam gekozen moeten worden. Met een achterzetraam wordt een raam aan de binnenzijde bedoeld. Isolerende voorzieningen aan de buitenzijde zijn niet toegestaan. • Indien een interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, is een achterzetraam soms ook niet toegestaan. • Een achterzetraam mag geen onderdeel uitmaken van een volledige achterzetwand. Kozijn en raam dienen van binnenuit als zodanig onbelemmerd zichtbaar te zijn. • De detaillering en de onderverdeling van het achterzetraam mag niet detoneren met het monumentale raam. • De ruimte tussen het raam en het achterzetraam dient heel licht met buitenlucht geventileerd te worden. • Het bestaande raamsysteem moet gehandhaafd worden. Draai-kiepramen zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij toegepast in een aan het monument toegevoegd nieuw kozijn in een nieuw gemaakte muuropening. • De bestaande kozijnen mogen niet ingrijpend worden aangepast of vervangen ten behoeve van tochtdichtingsvoorzieningen of geleidingssystemen. 16. SCHILDERWERK Uitgangspunten • Oude verflagen die goed vastzitten dienen te worden gehandhaafd. • Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van hetzelfde type verf als waar overheen geschilderd wordt. • Eigenaren kunnen de gemeentelijke Monumentenzorg vragen om een kleuradvies. Vergunningplichtig • Het overschilderen in een andere kleur. • Het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de oude, historisch waardevolle verflagen. Vergunningvrij • Het overschilderen in dezelfde verfsoort en kleur als bestaand. • Het overschilderen in een andere kleur conform het advies van Monumentenzorg. 17. NATUUR- EN KUNSTSTEEN Uitgangspunten • Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet mogelijk is. • Vrijkomend natuursteen bij voorkeur hergebruiken binnen het pand of anders in een ander monument. Bijvoorbeeld het natuursteen van stoepen of gangen. Vergunningplichtig • vervangen van natuurstenen onderdelen. • Afwijkingen van de bestaande situatie. Vergunningvrij • Herstel en reparatie van maximaal 15% zonder dat vervanging nodig is. Uitvoeringsrichtlijnen • Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet mogelijk is. Ernstig aangetaste natuurstenen elementen waarvan het materiaalverlies door verwering meer dan 50% is ten opzichte van het volume van het oorspronkelijke element, mogen vervangen worden door een kopie van dezelfde steensoort. Voor ornamenten kan, indien de expressie volledig verloren is gegaan, het element vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort. • Indien schade aan natuursteen verdere schade aan het monument tot gevolg kan hebben, dient de natuursteen gerepareerd te worden. Reparatie bij voorkeur met minerale mortel. • Wanneer minder dan 15% van het oppervlak gerepareerd moet worden, moet een daartoe geëigende reparatiemortel worden gebruikt. • Wanneer meer dan 15% van het oppervlak gerepareerd moet worden is inboeting van een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort, kleur en afwerking toegestaan. • De te vervangen natuursteen onderdelen of constructies dienen overeenkomstig de bestaande, historisch juiste soort en detaillering te worden uitgevoerd. Vervangen onderdelen dienen ter controle te worden bewaard. • Indien een natuursteensoort niet meer voorradig is kan in overleg met de gemeente (monumentenzorg) een alternatieve steensoort of reparatiemethode worden gezocht. • Nieuw aan te brengen natuursteen dient eenzelfde afwerking te krijgen als in de bestaande situatie. • Het toe te passen natuursteen dient op ambachtelijke wijze door middel van hakken, frijnen e.d. te zijn verwerkt. • Bij een beperkt aantal breuken dienen indien mogelijk traptreden en stoepen gelijmd te worden. • Reparatie van natuurstenen onderdelen met een acrylhars wordt zelden toegestaan, omdat de dampdichtheid van de behandelde onderdelen schade bij het monument kunnen veroorzaken. • Epoxyharslijmen zijn alleen voor kleine verticale scheuren (max. 1,2
- mm)toegestaan. Indien het bij horizontale scheuren toegepast zou worden vormt de reparatie een waterwerende laag wat kan leiden tot vorstschade of verwering. • Het toepassen van steenverstevigers is niet toegestaan. De laag is niet te verwijderen zonder schade en dient in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat. Indien de laag gaat verweren en er vocht achter de verstevigingslaag komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan. • De bevestiging van balusters van trapleuningen moet in lood gebeuren. 18. NA-ISOLATIE Uitgangspunten • Dit betreft wanden, vloeren, daken. • De aanwezige monumentale waarden zijn samen met de technische en fysische condities van het monument bepalend voor de mogelijk te nemen energiebesparende maatregelen. Indien een maatregel of voorziening de monumentale waarden aantast of de technische conditie van het monument ondermijnt moet van de maatregel of voorziening worden afgezien of met een minder niveau genoegen worden genomen. • Omdat een monument door warmte-isolatie op termijn beschadigd kan worden is de regel in de praktijk: bij twijfel geen warmte-isolatie aanbrengen. • Aantasting van de monumentale waarden door na-isolatie moet zoveel mogelijk worden voorkomen. • Soms kan een bouwfysisch rapport vereist zijn om aan te tonen dat na-isoleren niet schadelijk is voor het monument. Vergunningplicht • Aanbrengen van alle energiebesparende maatregelen, behalve op een plat dak wanneer hierdoor de details van de randaansluitingen van het dak niet veranderd behoeven te worden. • Het aanbrengen van zogenaamde 'groene daken'. Vergunningvrij • Het aanbrengen van warmte-isolatie op een plat dak, mits hierdoor de details van de randaansluitingen van het dak niet veranderd hoeven te worden. Uitvoeringsrichtlijnen • Het is van belang dat de te nemen maatregelen op elkaar zijn afgestemd. Er zijn maatregelen denkbaar waarvan het doorvoeren vanuit monumentaal oogpunt niet bezwaarlijk zou zijn, maar die in combinatie met elkaar de thermische of fysische balans verstoren. • Het aanbrengen van dampremmende folies is essentieel voor het monument. Dit om condensatie van vocht in de constructie te voorkomen. Er dient bij het aanbrengen van stopcontacten etc. op gelet te worden dat de dampremmende folie niet kapot gemaakt wordt. Toelichting • Het isoleren van monumenten leidt vaak tot problemen. Aangezien monumentale gebouwen thermisch lek zijn zullen koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, onvermijdelijk zijn. Hierdoor kan inwendige condensatie optreden vaak juist bij balkopleggingen en gevelankers wat tot ernstige schade leidt. • Een belangrijke combinatie is die van kierdichting en ventilatie. In oude gebouwen komen meer naden en kieren voor dan in nieuwe gebouwen. Hierdoor worden oude gebouwen van nature geventileerd en worden vochtproblemen voorkomen. Wanneer naden en kieren worden afgedicht middels strippen en kitten, vermindert de natuurlijke ventilatie. Het is tegenstrijdig, maar bij na-isolatie en kierdichting, moeten in alle kamers ventilatieroosters (ventilatietoevoer) worden aangebracht en is ook een goede afvoer noodzakelijk (via keuken, badkamer en toilet). • Naast de reguliere dubbele beglazing en isolatiematerialen komen steeds meer producten in de handel met redelijke of goede isolerende eigenschappen die, bijvoorbeeld door een geringere dikte, een oplossing kunnen bieden voor problemen die zich voordoen bij het na-isoleren van monumenten. Dubbele beglazing bijvoorbeeld is vaak te dik om in bestaande ramen aan te brengen en verstoord het uiterlijk van het monument. Sinds de opmars van isolerende beglazing in de jaren-1970 is Monumentenzorg zeer terughoudend geweest met het verstrekken van monumentenvergunningen voor dubbele beglazing. Inmiddels is isolerende beglazing verkrijgbaar met bijna dezelfde dikte als enkel glas.