← Nederland

Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Naarden 2012 (Naarden)

De raad van de gemeente Naarden; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Naarden nummer RV 12.032; gelet op artikel 8, eerste lid onderdeel a van de Wet werk en bijstand b e s l u i t : onder gelijktijdige intrekking van de ‘Re-integratieverordening 2010 Wet werk en bijstand’ en de ‘Re-integratieverordening Wet investeren in jongeren 2010’. vast te stellen de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Naarden 2012 Hoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Doel Deze verordening heeft betrekking op de arbeidsmarkt(re-)integratie van uitkeringsgerechtigden, nietuitkeringsgerechtigden zonder eigen inkomen en personen met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. De ingezette middelen hebben tot doel: a. het bevorderen van economische en maatschappelijke participatie; b. het bevorderen van integratie en emancipatie; c. het tegengaan van uitkeringsafhankelijkheid. Artikel2Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet werk en bijstand (Wwb); b. belanghebbenden: personen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie Naarden, die ingevolge het bepaalde in artikel 10 van de wet, aanspraak op ondersteuning of een voorziening hebben; c. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Naarden; d. de raad: de gemeenteraad van de gemeente Naarden; e. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; f. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; g. voorziening: elke vorm van ondersteuning die de gemeente biedt aan de belanghebbenden om (een grotere mate van) inschakeling in de reguliere arbeid te realiseren. Artikel3Aanspraak op ondersteuning Belanghebbenden als bedoeld in artikel 10 van de wet, hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Hoofdstuk2OPDRACHT AAN HET COLLEGE Artikel4Algemene opdracht

  1. Het college biedt de belanghebbende ondersteuning bij arbeidsinschakeling en/of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan.
  2. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.
  3. Het college neemt voor elke belanghebbende een besluit, waarin bepaald wordt of het aanbieden van ondersteuning en/of een voorziening, noodzakelijk is.
  4. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel5Sluitende aanpak
  5. Met elke uitkeringsgerechtigde wordt een trajectplan opgesteld en een aanbod gedaan voor een voorziening gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid.
  6. Met een niet-uitkeringsgerechtigde (nugger) of met een persoon met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) ) wordt na een verzoek om een voorziening een trajectplan opgesteld gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid.
  7. Er bestaat geen aanspraak op een ondersteuning of een voorziening indien er sprake is van een voorliggende voorziening welke naar mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de belanghebbende.
  8. In afwijking van het derde lid wordt met een uitkeringsgerechtigde, jonger dan 27 jaar, een plan van aanpak opgesteld en een aanbod gedaan. Artikel6Beleidsregels
  9. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels op.
  10. Bij de beleidsregels wordt het oordeel van de cliëntenraad gevoegd.
  11. Deze beleidsregels omvatten in elk geval: a. een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die groepen; b. de criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien van de arbeidsverplichting; c. het flankerend beleid ten aanzien van zorg, kinderopvang en hulpverlening; d. de wijze waarop de aanbesteding wordt vormgegeven; e. de wijze waarop aan de arbeids- en sollicitatieplicht vorm wordt gegeven; f. regels over toepassen van vrijlating van inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder n en r van de wet; g. regels over toepassen van premies en vergoedingen; h. regels voor het Persoonsgebonden re-integratie budget (PRB).
  12. De beleidsregels omvatten ook een omschrijving van de aangeboden voorzieningen. Tot de voorzieningen behoren in elk geval: a. medische- en arbeidskundige keuringen; b. (beroepsgerichte) scholing; c. gesubsidieerde arbeid, loonkostensubsidies en/of werkstages; d. sociale activering; e. maatschappelijke participatie.
  13. De beleidsregels kunnen een nadere invulling bevatten ten aanzien van vorm en inhoud van het plan van aanpak voor jongeren tot 27 jaar. Hoofdstuk3FINANCIEN Artikel7Verdeling Het college stelt jaarlijks een verdeling op van de beschikbare middelen zoals bedoeld in artikel 69, vierde lid van de wet, over de verschillende voorzieningen. Artikel8Wijze van ter beschikking stellen middelen
  14. Indien het trajectplan is vastgesteld draagt het college zorg voor inkoop, aanmelding en betaling.
  15. Aan de belanghebbende worden op voorhand geen geldelijke middelen ter beschikking gesteld. Hoofdstuk4VOORWAARDEN EN VERPLICHTINGEN Artikel9Verplichtingen van de cliënt
  16. Een uitkeringsgerechtigde aan wie door het college een voorziening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken.
  17. De belanghebbende die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.
  18. De belanghebbende heeft met de ondertekening van het trajectplan de verplichting op zich genomen de hierin gemaakt afspraken na te komen en zich in te zetten het traject succesvol af te ronden. Artikel10Inkomsten en criteria
  19. De nugger of Anw-er heeft aanspraak op een bijdrage in de kosten ingevolge deze verordening indien het gemiddelde netto gezinsmaandinkomen minder bedraagt dan 150% van de geldende bijstandsnorm.
  20. Onder inkomen wordt verstaan het inkomen als bedoeld in de wet.
  21. Indien het inkomen van belanghebbende boven het in het eerste lid genoemde bedrag ligt, wordt 100% van dit meerdere als draagkracht in aanmerking genomen.
  22. Indien het inkomen van belanghebbende meer is dan 200 % van het in het eerste lid genoemde bedrag, dan heeft deze geen recht op vergoeding van de kosten als genoemd in het eerste lid.
  23. Om het college in staat te stellen de hoogte van het inkomen te kunnen bepalen overlegt de belanghebbende bij het doen van de aanvraag alle relevante inkomensgegevens. Artikel11Vermogen
  24. De nugger of Anw-er heeft aanspraak op een bijdrage in de kosten ingevolge deze verordening indien het vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet en het gestelde in artikel 10 lid 1 van toepassing is.
  25. Indien het vermogen meer bedraagt dan het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt 100% van het meerdere als draagkracht in aanmerking genomen.
  26. Bij de bepaling van de draagkracht uit vermogen wordt uitgegaan van de stand van het vermogen ten tijde van het doen van de aanvraag.
  27. Voor zover vermogen bestaat uit overwaarde van een door de aanvrager bewoonde eigen woning telt deze niet mee voor de vermogensberekening.
  28. Om het college in staat te stellen de hoogte van het vermogen te kunnen bepalen overlegt de belanghebbende bij het doen van de aanvraag alle relevante vermogensgegevens met betrekking tot de in het derde lid genoemde tijdstip. Artikel12Inkomstenvrijlating
  29. De Wwb-uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of heeft aanvaard, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde bijstandsnorm + maximale toeslag, heeft recht op vrijlating van inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder n van de wet.
  30. Aan belanghebbenden tot 27 jaar kan op grond van artikel 35 lid 5 van de wet geen inkomstenvrijlating als bedoeld in lid 1 worden toegekend. Artikel13Verlengde inkomstenvrijlating alleenstaande ouders
  31. De alleenstaande ouder die arbeid in deeltijd heeft of heeft aanvaard, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de alleenstaande ouder van toepassing zijnde norm + maximale toeslag, heeft recht op een verlengde vrijlating van inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder r van de wet.
  32. Aan belanghebbenden tot 27 jaar kan op grond van artikel 35 lid 5 van de wet geen inkomstenvrijlating als bedoeld in lid 1 worden toegekend. Artikel14Premies
  33. Het college kan aan de belanghebbende een premie toekennen met in achtneming van het gestelde in artikel 31, tweede lid onder j van de wet.
  34. Aan belanghebbenden tot 27 jaar kan op grond van artikel 35 lid 5 van de wet geen premie als bedoeld in lid 1 worden toegekend. Artikel15Overige vergoedingen
  35. Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling.
  36. Het college kan nadere beleidsregels vaststellen ten aanzien van de in lid 1 genoemde vergoedingen. Artikel16Subsidie in loonkosten
  37. Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een uitkeringsgerechtigde uit Naarden een arbeidsovereenkomst met loon afsluiten.
  38. Het college stelt nadere beleidsregels vast ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.
  39. De loonkostensubsidie wordt verstrekt conform de voorwaarden genoemd in de ‘Beleidsaanbeveling inzake werkgelegenheidssteun’ zoals opgenomen in de bijlage bij deze verordening.
  40. De subsidie wordt alleen verstrekt indien hiervoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. Hoofdstuk5BEËINDIGING, TERUGVORDERING EN AFSTEMMING Artikel17Beëindigingsgronden Een traject kan door het college voortijdig worden beëindigd indien: a. de belanghebbende verhuist naar een andere gemeente buiten de samenwerkende regiogemeenten, of; b. de belanghebbende zich onvoldoende inspanningen getroost om tot een succesvolle afronding van (een deel) van het trajectplan te komen, of; c. de belanghebbende arbeid in loondienst aanvaardt dan wel als zelfstandige gaat werken, of; d. de belanghebbende zich in detentie bevindt, dan wel gaat bevinden, of; e. er zich naar de mening van het college omstandigheden voordoen die noodzakelijkerwijs tot beëindiging dienen te leiden. Artikel18Tekort schietend besef Constatering van een tekort schietend besef van verantwoordelijkheid is een grond waarop deelname aan een voorziening kan worden geweigerd. Artikel19Terugvordering
  41. Bij een voortijdige, aan de belanghebbende verwijtbare beëindiging van een voorziening, kunnen de gemaakte en nog door het college te maken kosten van de voorziening van de belanghebbende worden teruggevorderd.
  42. Indien de gemeente kosten ten behoeve van een voorziening heeft gemaakt en op enig moment blijkt dat de belanghebbende te laat of onjuiste of onvolledige gegevens heeft overgelegd, kan het college de volledige gemaakte en nog te maken kosten van de voorziening terugvorderen van de belanghebbende.
  43. Het college kan in beleidsregels nadere invulling geven aan de eerste twee leden van dit artikel.
  44. Indien een voorziening van een uitkeringsgerechtigde wordt beëindigd, is het gestelde in artikel 19 mede van toepassing. Artikel20Afstemming Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening niet of in onvoldoende mate voldoet aan de verplichtingen gesteld in artikel 9 van de wet, dan wel, indien van toepassing, artikel 37 lid 1 van de IOAW en IOAZ, kan het college de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Maatregelverordening, tenzij er sprake is van niet-verwijtbaar handelen. Hoofdstuk6SLOTBEPALINGEN Artikel21Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van zwaarwegende aard leidt. Artikel22Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Naarden
  45. Artikel23Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 juni
  46. Artikel24Overgangsrecht De belanghebbende die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening werk in deeltijd heeft aanvaard en op grond van de ‘Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2010’ recht had op een premie, behoudt dit recht. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering der gemeente Naarden, gehouden op woensdag 23 mei
  47. de voorzitter, de griffier, Toelichting1Toelichting In Naarden is de doelstelling dat inwoners zo actief mogelijk participeren en zo min mogelijk afhankelijk zijn van een uitkering. Gemeenten hebben de wettelijke plicht een re-integratieverordening vast te stellen. In deze verordening wordt de aanspraak op ondersteuning geregeld en is gericht op de inschakeling in de arbeid. Het college bepaalt welke vorm van ondersteuning het meest recht doet aan de mogelijkheden van de aanvrager ten einde de inschakeling in de arbeid binnen een redelijke termijn mogelijk te maken. Voor de re-integratieverordening geldt, ten opzichte van de huidige verordening, dat er door de gewijzigde WWB geen grote veranderingen aan verbonden zijn. Belangrijkste wijziging is dat de jongeren tot 27 jaar weer onder de WWB vallen. Voor deze jongeren zijn een aantal specifieke afwijkende wettelijke bepalingen opgenomen in de WWB die ook in de re-integratieverordening zijn opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vrijlating van bepaalde vergoedingen, het verstrekken van premies en participatiebanen. Voor jongeren tot 27 jaar bepaalt de wet dat deze regelingen voor hen niet gelden. Gelet op hun leeftijd zouden zij immers (relatief) eenvoudig een baan moeten kunnen vinden. Daarnaast is alleen voor jongeren vastgelegd dat een plan van aanpak wordt opgesteld en ondertekend waarbij jongeren aanspraak kunnen maken op een leerwerkaanbod. Het afdwingbaar recht op een leerwerkaanbod is vervallen met de aangescherpte WWB. Voor alleenstaande ouders is een verlengde inkomensvrijlating in het leven geroepen. Deze sluit aan op de reeds bestaande inkomensvrijlating en het college mag deze alleen toekennen indien dit in het belang van de arbeidsinschakeling is. Op grond van de wet kan het college in beleidsregels nadere eisen stellen aan de verlengde inkomensvrijlating. In de wet is geregeld dat deze verlengde inkomensvrijlating niet mogelijk is voor belanghebbenden onder de 27 jaar. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de raad in de re-integratieverordening de kaders vaststelt voor het reintegratiebeleid. Het college krijgt de bevoegdheid om in beleidsregels nadere invulling te geven aan dit beleid. Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel
  48. Doel In dit artikel wordt het doel van de verordening omschreven. De focus ligt op het voorkomen van inkomensafhankelijkheid. Indien dit niet gerealiseerd kan worden, is maatschappelijke participatie het doel. Dit past bij de doelstellingen van Naarden en het Rijk. Artikel
  49. Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt voor de betekenis van de gehanteerde begrippen in de verordening verwezen naar de Wet werk en bijstand. In de sub omschrijvingen worden slechts die begrippen gespecificeerd die een verduidelijking behoeven. Sub a. Dit is de Wet werk en bijstand. Sub b. In dit onderdeel wordt de doelgroep bepaald. Hierin is de leeftijdscategorie aangepast. De groep uit de Wet investeren in jongeren (WIJ), vanaf 18 jaar, is opgenomen. Sub c. Het college van Naarden is bevoegd. Sub d. Voor de raad geldt dat de raad van Naarden is bevoegd. Sub e. De IAOW betreft de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Sub f. De IAOZ betreft de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel
  50. Aanspraak op ondersteuning Belanghebbenden hebben aanspraak op ondersteuning. Er is dan ook geen sprake van een recht op ondersteuning. Tevens is hier geregeld dat het college bepaalt welke voorziening noodzakelijk wordt geacht en het meeste recht doet aan de mogelijkheden van de aanvrager. HOOFDSTUK 2 OPDRACHT AAN HET COLLEGE Artikel
  51. Algemene opdracht Het college heeft de wettelijke opdracht zorg te dragen voor het bieden van ondersteuning alsmede voldoende diversiteit van voorzieningen. Het college zal deze opdracht, zoals in artikel 6 lid 1 van deze verordening is bepaald, nader uitwerken in beleidsregels. Artikel
  52. Sluitende aanpak De leden 1 tot en met 3 zorgen er voor dat er sprake is van een sluitende aanpak. In lid 4 wordt een uitzondering gemaakt voor jongeren tot 27 jaar. Dit lid is een uitwerking van vierde lid van artikel 44 in de wet. Artikel
  53. Beleidsregels In lid 1 is vastgelegd dat het college nadere beleidsregels vaststelt om uitvoering aan deze verordening te geven. Deze beleidsregels zullen conform lid 2 worden voorgelegd aan de Cliëntenraad. In lid 3 zijn de onderwerpen geregeld die in ieder geval worden opgenomen in voornoemde beleidsregels. Deze lijst is niet limitatief. Waar nodig kan het college ook andere onderwerpen nader invullen in de beleidsregels. De kaders van deze verordening blijven hierbij leidend. HOOFDSTUK 3 FINANCIËN Artikel
  54. Verdeling Het college maakt jaarlijks een verdeling van de beschikbare middelen in het Participatiebudget dat door het Rijk ter beschikking wordt gesteld voor re-integratieactiviteiten. Uit eigen middelen heeft Naarden dit budget verhoogd om daarmee meer trajecten richting re-integratie en uitstroom mogelijk te maken. Artikel
  55. Wijze van het ter beschikking stellen van middelen De middelen worden niet rechtstreeks aan de belanghebbende ter beschikking gesteld. Het college draagt zorg voor de inkoop. Op deze wijze wordt de besteding van de middelen wat betreft rechtmatigheid zo goed mogelijk gestroomlijnd. HOOFDSTUK 4 VOORWAARDEN EN VERPLICHTINGEN Artikel
  56. Verplichtingen van de cliënt In dit artikel is geregeld aan welke verplichtingen de belanghebbende dient te voldoen. Artikel
  57. Inkomsten en criteria Dit artikel regelt wanneer niet uitkerings gerechtigden (nuggers) en mensen met een Anw-uitkering aanspraak kunnen maken op een voorziening. Lid 1 stelt een eerste inkomensgrens. Tot een gezinsinkomen van 150% van het wettelijk minimumloon (WML) per maand kan een voorziening worden toegekend. In lid 3 is bepaald dat het gedeelte van het gezinsinkomen dat de 150% te boven gaat, het meerdere geheel als eigen bijdrage in rekening wordt gebracht. In lid 4 is bepaald dat in het geval het gezinsinkomen de 200% WML overstijgt, er geen aanspraak op een voorziening is. Dit betreft dus een maximering. Ten slotte regelt lid 5 de verplichtingen voor belanghebbenden wat betreft het aanleveren van de benodigde inkomensgegevens. Logische conclusie is dat indien niet aan deze verlichting wordt voldaan, de aanspraak niet kan worden vastgesteld. De belanghebbende krijgt in dat geval niet de beschikking over de voorziening. Artikel
  58. Vermogen Dit artikel geeft de vermogensgrenzen aan waarbinnen de nuggers en Anw’ers dienen te blijven om aanspraak te kunnen maken op een voorziening. Voor deze vermogensgrenzen is aansluiting gezocht bij de vermogensgrenzen uit de wet. Het tweede lid bevat de regels voor het geval de van toepassing zijnde vermogensgrens wordt overschreden. In dat geval zal het meerdere als draagkracht in aanmerking worden gebruikt. In het derde lid wordt geregeld welk moment leidend is voor de bepaling van het vermogen. He vierde lid bepaalt dat de overwaarde van een eigen woning niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het vermogen. Nieuw is in lid 5 de verplichting opgenomen om de benodigde inkomensgegevens te overleggen. Verder volgt dit lid de systematiek uit artikel 10 lid 5 betreffende de inkomensgrenzen. Artikel
  59. Inkomstenvrijlating Het eerste lid bevat de vrijlating van inkomsten uit arbeid uit artikel 31 tweede lid onder n van de wet. Deze vrijlating is alleen mogelijk indien de arbeid naar de mening van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. In artikel 6 van deze verordening is opgenomen dat het college in de beleidsregels de wijze vaststelt waarop deze vrijlating wordt toegepast. Hierbij kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de verlengde inkomensvrijlating alleen voor bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden zal worden ingezet. Het tweede lid is opgenomen om te voldoen aan uitzondering, voor jongeren tot 27 jaar, die in de wet is opgenomen. Artikel
  60. Verlengde inkomstenvrijlating alleenstaande ouders Het eerste lid bevat de verlengde vrijlating van inkomsten uit arbeid voor alleenstaande ouders. Deze vrijlating is alleen mogelijk indien is voldaan aan de eisen uit artikel 31 tweede lid onder r van de wet. In artikel 6 van deze verordening is opgenomen dat het college in de beleidsregels de wijze vaststelt waarop de verlengde vrijlating wordt toegepast. Hierbij kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de verlengde inkomensvrijlating alleen voor bepaalde groepen alleenstaande ouders zal worden ingezet. Het tweede lid is opgenomen om te voldoen aan uitzondering, voor jongeren tot 27 jaar, die in de wet is opgenomen. Artikel
  61. Premies In lid 1 is bepaald dat premieverstrekking mogelijk is. Het college geeft hier nader invulling aan in de beleidsregels. Het tweede lid is opgenomen om te voldoen aan uitzondering, voor jongeren tot 27 jaar, die in de wet is opgenomen. Artikel
  62. Overige vergoedingen Het college kan in de beleidsregels ook opnemen welke nadere vergoedingen kunnen worden verleend bij gebruikmaking van een voorziening. Artikel
  63. Subsidie in loonkosten De invulling van de regeling voor loonkostensubsidie wordt door het college uitgewerkt in de beleidsregels. Hierbij houdt het college rekening met de in het tweede lid genoemde beleidsaanbeveling inzake werkgelegenheidssteun. Door deze beleidsaanbeveling te incorporeren in de verordening wordt voorkomen dat jaarlijks verslag moet worden gedaan aan de Europese Gemeenschap over de loonkostensubsidieregeling. De beleidsaanbeveling is in de bijlage toegevoegd aan de verordening. HOOFDSTUK 5 BEËINDIGING, TERUGVORDERING EN AFSTEMMING Artikel
  64. Beëindigingsgronden Dit artikel somt de redenen voor beëindiging van een traject op. Sub e is opgenomen om het college beoordelingsvrijheid te geven in situaties die niet in sub a tot en met d zijn geregeld, maar wel dusdanig ernstig van aard zijn dat beëindiging op zijn plaats is. Artikel
  65. Tekort schietend besef Het is aan het college om te bepalen wanneer sprake is van tekort schietend besef. Indien noodzakelijk kan het college in de beleidsregels hier nadere invulling aan geven. In ieder geval zal er van tekort schietend besef sprake zijn in de gevallen zoals die ook in de wet zijn omschreven. Artikel
  66. Terugvordering In artikel 19 wordt beschreven dat in geval van fraude wordt teruggevorderd. Artikel
  67. Afstemming In dit artikel wordt de link met de Maatregelverordening gelegd. Indien niet of onvoldoende aan de verplichtingen in verband met de arbeidsinschakeling wordt voldaan, kan een maatregel worden opgelegd. De regels hierover worden gesteld in de Maatregelenverordening Wwb
  68. HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN Artikel
  69. Hardheidsclausule Teneinde maatwerk te garanderen is dit artikel opgenomen. Het spreekt vanzelf dat het college de hardheidsclausule slechts na zorgvuldige afweging zal inzetten. Artikel
  70. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Naarden
  71. Artikel
  72. Inwerkintreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni 2012 Artikel
  73. Overgangsrecht Dit betreft een overgangregeling.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.