Beleidsregels wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Kapelle 2011Burgemeester en wethouders van de gemeente Kapelle; overwegende dat de gemeenteraad van Kapelle bij besluit van 27 september 2011, nummer 2011/43, heeft vastgesteld de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kapelle 2011; dat de raad in voornoemde verordening heeft bepaald dat het college ter uitwerking van die verordening nadere regels dient te stellen in een Besluit maatschappelijke ondersteuning; dat het wenselijk is ten behoeve van de uitvoering van vorenbedoelde verordening en besluit nadere beleidsregels te stellen; dat een concept van de Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning, met toepassing van de Inspraakverordening gemeente Kapelle, met ingang van 14 juli 2011 tot en met 24 augustus 2011 voor een ieder ter inzage heeft gelegen, waarbij gedurende deze periode een ieder in de gelegenheid is gesteld schriftelijk of mondeling zijn zienswijze kenbaar te maken; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning van 29 juni 2006, Staatsblad 2006, nummer 351, de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kapelle 2011 en het bij besluit van 2011 vastgestelde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Kapelle 2011; b e s lu i t e n : vast te stellen de navolgende BELEIDSREGELS WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE KAPELLE 2011 HOOFDSTUK1.INLEIDING. Deze nieuwe beleidsregels vormen met de nieuwe verordening een trendbreuk met de oude regels (ooit verstrekkingenboek geheten), zoals die gehanteerd werden onder de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en sinds 2007 onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Was onder de Wvg sprake van een zorgplicht en tamelijk nauwkeurig omschreven voorzieningen, de compensatieplicht van de Wmo vraagt om een andere aanpak. Die andere werkwijze heeft de VNG samen met CG-Raad en CSO ontwikkeld. Kernbegrippen zijn nu het leveren van maatwerk, uitgaan van te bereiken resultaten en eigen verantwoordelijkheid. Bij de beoordeling van een aanvraag, of al tijdens het gesprek voorafgaand aan de aanvraag, komt eerst het resultaat dat bereikt moet worden aan de orde, daarna passeren de verschillende oplossingen de revue, en niet alleen de individuele voorzieningen op indicatie. Omdat maatwerk nodig is, vindt een uitgebreid gesprek plaats ter verkenning van de mogelijkheden, ook de eigen. In de allereerste richtingbepalende uitspraak van 10 december 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep helder uiteengezet hoe hij aankijkt tegen de compensatieplicht en wat van de gemeente bij de uitvoering mag worden verwacht. Kenmerkend is daarbij de grote invloed van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager op het gemeentelijk onderzoek. De latere jurisprudentie laat voortdurend zien dat er door gemeenten te weinig onderzoek wordt gedaan, zodat zij geen of onvoldoende kennis hebben van de persoonskenmerken en behoeften en daar dan ook niet of te weinig rekening mee houden. Artikel 4 van de Wmo geeft allereerst aan op welke terreinen resultaten bereikt dienen te worden. Daarnaast geeft dit artikel aan dat het in de Wmo gaat om maatwerk. Daar was onder de Wvg veel minder sprake van. Het meest duidelijke voorbeeld is gelegen in het collectieve vraagafhankelijke vervoer (cvv). Onder de Wvg hadden verreweg de meeste gemeenten het primaat van het cvv in hun verordening opgenomen. Daar kon onder de Wvg redelijk consequent mee worden omgegaan, zo leerde de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Als er geen medische noodzaak bestond voor een andere vervoersvoorziening kon de gemeente dat cvv toekennen en werd het adequaat geacht, zelfs goedkoopst-adequaat. De Wmo-jurisprudentie van de Centrale Raad heeft inmiddels duidelijk gemaakt, dat het primaat van het collectief vervoer weliswaar gehanteerd mag worden, maar dat dit niet zo consequent meer kan als vroeger. Er moet altijd beoordeeld worden of er aanleiding is af te wijken. Allereerst kan dat het geval zijn als iemand een persoonsgebonden budget vraagt. Dat mag niet categorisch worden afgewezen: daar moet individueel onderzoek naar worden gedaan. En die afwijking van de hoofdregel moet in ieder geval als er sprake is van twee voorzieningen: een voor het vervoer over de korte afstand en een over de langere afstand. Maar ook als er sprake is van maar één voorziening moet die individuele beoordeling plaatsvinden. Gebeurt dat niet, zo leert de jurisprudentie, dan is de kans heel groot dat de rechter het besluit hierop zal vernietigen. De aanleiding kan ook zijn dat het cvv in het individuele geval niet als goedkoopst-compenserend betiteld kan worden. Bijvoorbeeld omdat het concreet in deze situatie onpraktisch is. Dit voorbeeld van het cvv maakt duidelijk dat de Wmo andere eisen stelt aan een besluit dan de Wvg deed. De nadruk zal nu veel meer moeten liggen op zorgvuldig onderzoek van het individuele geval. En ook al is het eindresultaat gelijk aan dat wat het onder de Wvg geweest zou zijn: de onderbouwing en motivering moeten er geheel anders uit zien. En aan die onderbouwing toetst de rechter het besluit. Eigen verantwoordelijkheid De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Ook die eigen verantwoordelijkheid komt tijdens het gesprek aan de orde. Een oplossing van problemen kan bijvoorbeeld al aanwezig zijn in die zin dat deze feitelijk al jaren behoort tot iemands normale levenspatroon. Bij problemen met het schoonhouden van het huis zijn er talloze mensen die gewend zijn daar iemand voor in te huren, zoals tweeverdieners of mensen met voldoende inkomen. In deze situatie hoeft niets te veranderen, als men op basis van leeftijd of een ongeval beperkingen krijgt. Door voort te zetten wat men had ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. Dat zou anders kunnen zijn als door het ontstaan van de beperking het inkomen daalt. Het kan dan zijn dat iemand de eerder ingehuurde schoonmaakhulp niet meer kan betalen. Dat zou aanleiding kunnen zijn wel te compenseren. Daarvoor zal een zorgvuldig onderzoek verricht moeten worden, met name naar de eerdere situatie, zowel wat betreft hulp als wat betreft inkomen, en de veranderde situatie. Het kan ook zijn dat er (veel) meer hulp in de huishouding nodig is. Dan zou het kunnen zijn dat er wel sprake is van meerkosten en dat er daardoor gecompenseerd moet worden. Eigen verantwoordelijkheid betekent daarnaast bijvoorbeeld ook de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op een hulp te voorkomen. Ook nieuwe technische mogelijkheden, zoals een robotstofzuiger, kunnen bekeken worden. Mogelijk is dat een hulpmiddel waardoor iemand meer zelf kan gaan doen in huis. Een ander voorbeeld is het vervoer. Heel veel mensen zijn op dit moment gewend al bijna hun hele leven gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Dat zou anders kunnen zijn als zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken, of als de auto voor hun handicap aangepast zou moeten worden. In het eerste geval kan onderzoek verricht worden naar de aard van de extra ritten en de kosten daarvan, in relatie tot het eerdere verplaatsingspatroon en zou compensatie mogelijk zijn als er blijkt dat er sprake is van meerkosten. In het tweede geval, waarin sprake is van noodzakelijke autoaanpassingen, is er sprake van meerkosten: zonder beperking waren de autoaanpassingen niet nodig geweest. Ook bij woonvoorzieningen speelt de eigen verantwoordelijkheid een grote rol. Als iemand 65 jaar is en zijn badkamer gaat renoveren mag een gemeente veronderstellen dat hij - ook al zijn er nog geen beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij een dagje ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie aan een douche moet denken in plaats van uitsluitend een bad. Daar spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee, zoals: is er plaats voor, wat is de rol van het bad voor therapie e.d. Er speelt ook nog iets anders mee: weten mensen wel dat van hen verwacht wordt dat ze via het denken aan dit soort dingen anticiperen op mogelijk komende problemen? Een gemeente zal ook daarover voorlichting moeten geven, duidelijk moeten maken waar verwachtingen mogen beginnen maar ook kunnen ophouden wat betreft de inzet van gemeenten in het geschikt maken van woningen. In artikel 4 lid 2 van de Wmo is bepaald dat gemeenten rekening houden met de mogelijkheden die iemand heeft om zelf in financiële zin kosten van een voorziening geheel of gedeeltelijk voor eigen rekening te nemen. Dat is wat anders dan de eigen bijdrage regeling. Die speelt een rol nadat een voorziening is verstrekt. Feitelijk zegt de gemeente bij toepassing van dit artikel: als gemeente hoeven we niets te doen want u kunt het zelf betalen, compensatieplicht is niet aan de orde. De discussie loopt of gemeenten op basis van dit artikel ook rekening mogen houden met het vermogen van iemand. Dus niet alleen met het inkomen uit vermogen. Mag je van iemand met een redelijk vermogen, met geld op de bank of aandelen of een eigen huis met overwaarde verlangen dat hij dat gebruikt om een noodzakelijke woningaanpassing te financieren? Mag je van iemand in dergelijke omstandigheden verlangen dat hij zelf zijn eigen vervoer bekostigt, en zijn eigen hulp in huis betaalt? En welke grenzen zouden dan gehanteerd kunnen worden? Juist omdat hierover geen jurisprudentie is, is het lastig hierin te adviseren. Veel gemeenten vinden het onbevredigend dat juist bij dure woningaanpassingen bij eigen woningen slechts drie jaar een eigen bijdrage gevraagd mag worden, die de kosten bij lange na niet dekt. Het wachten is op de eerste gemeente die dit gaat toepassen. Mantelzorgers en vrijwilligers Een bijzondere groep onder de Wmo vormen de mantelzorgers en vrijwilligers. Zij vallen onder de werking van prestatieveld 6. De vraag is of dat leidt tot ‘eigen’ aanspraken van mantelzorgers in het kader van dit prestatieveld, of dat het gaat om afgeleide aanspraken, omdat er een persoon is waarvoor de mantelzorger zorgt en ook de mantelzorger op naam van deze persoon aanspraak kan maken op individuele voorzieningen. Nadrukkelijk moet een gemeente immers rekening houden met de belangen van de mantelzorger en diens dreigende overbelasting. Bij de verschillende onderdelen komt dit aan de orde. Het gaat hierbij overigens om een principieel verschil van inzicht, waarover de jurisprudentie tot op heden nog geen uitsluitsel heeft gegeven. Tot dat gebeurt wordt er door de VNG voor gekozen, vooral uit uitvoeringstechnisch oogpunt, uit te gaan van een afgeleid recht op voorzieningen. Beschikkingen zullen dan ook op naam staan en gericht zijn tot degene die de mantelzorg ontvangt. Nieuwe wetgeving In deze beleidsregels laten we de nieuwe plannen rond de functie begeleiding uit de AWBZ, zoals aangekondigd in het regeerakkoord van VVD en CDA, buiten beschouwing. Ten geleide De beleidsregels volgen de verordening qua volgorde van de te behandelen onderdelen. Dat betekent dat de te bereiken resultaten uitgangspunt zijn. De omschrijving van deze resultaten komt overeen met de nieuwe verordening, die wat dit betreft weer geënt is op de zogenaamde “bouwstenen” van de VNG. De resultaten zijn afkomstig uit de eerste bouwsteen die het resultaat was van het VNG-project “De Kanteling”: “Het Gesprek: bouwsteen voor de nieuwe modelverordening Wmo”, die tot stand is gekomen na uitvoerig overleg en met instemming van de CG-Raad en de CSO. De VNG is echter teruggekomen op de oorspronkelijke tekst voor wat betreft de verslaglegging van het Gesprek. Zie hiervoor de verordening en de toelichting daarop. Gemeenten kunnen het afwegingskader, zoals hieronder per hoofdstuk uitgewerkt, in grote lijnen in hun eigen beleidsregels overnemen. Het gesprek is in feite een onderdeel van het onderzoek, maar het heeft de voorkeur dit gesprek naar voren en uit de aanvraagprocedure te halen. De verwachting is immers dat het gesprek, zeker als een gemeente werk maakt van het opzetten van meer algemene voorzieningen in een (groot) aantal gevallen niet meer hoeft te leiden tot een aanvraag. In een open gesprek komen alle mogelijkheden om een gewenst resultaat te bereiken, ook die van de persoon zelf en zijn omgeving, aan de orde. “De Kanteling” is geen statisch gebeuren. Onder invloed van de praktijk ontstaat er nieuwe jurisprudentie en die zal weer zijn plaats moeten krijgen in - met name - de beleidsregels. Daardoor winnen deze regels aan invloed. Beleidsregels vinden hun basis in de Algemene wet bestuursrecht en zijn voor gemeenten evenzeer bindend als de verordening. Bij de beoordeling van geschillen is het ook de rechter die toetst of de gemeente de eigen regels, zoals neergelegd in verordening en beleidsregels wel correct heeft gehanteerd. De beleidsregels die er nu liggen moeten bevorderen dat de doelstellingen van de compensatieplicht, zoals die door de wetgever in de Wmo geformuleerd zijn, te weten zelfredzaamheid en participatie door burgers met beperkingen, ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Een goed gesprek, heldere resultaten en oplossingen op maat zijn daartoe nodig. Achtereenvolgens komen aan bod: Hoofdstuk 2. Vormen van voorzieningen en verstrekkingen. Hoofdstuk 3. Het gesprek (onderzoek). Hoofdstuk 4. Het eerste domein. Een huishouden voeren. Hoofdstuk 5. Het tweede domein. Zich verplaatsen in en om de woning. Hoofdstuk 6. Het derde domein. Zich lokaal verplaatsen. Hoofdstuk 7. Het vierde domein. Medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan. HOOFDSTUK2.VORMEN VAN VOORZIENINGEN EN VERSTREKKINGEN. Verschillende manieren om voorzieningen te verstrekken Bij het behalen van het resultaat is niet meer een limitatief voorzieningenlijstje leidend, maar een oplossing op maat. Een burger doet zelf wat mogelijk is en de ondersteuning is gericht op zelfstandigheid en participatie voor zover dat redelijkerwijze van de gemeente verwacht kan worden. En de gehele situatie overziend wordt gezocht naar de oplossing die aangemerkt wordt als goedkoopst compenserend. Artikel 6 van de Wmo bepaalt in lid 1 het volgende: “Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Door deze bepaling zijn er in de Wmo drie vormen van individuele verstrekking mogelijk om het resultaat, het compenseren van problemen die een aanvrager ondervindt, te bereiken. De eerste vorm is de voorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant-en-klaar krijgt. En met de voorziening die betrokkene in natura krijgt moet het probleem voldoende gecompenseerd zijn. De tweede vorm is de in artikel 6 Wmo verplicht gestelde keuzemogelijkheid om een alternatief te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget, waarmee men de benodigde voorziening zelf kan inkopen. Na een wetswijziging die vanaf 1 januari 2010 van kracht is, zijn er voor het persoonsgebonden budget als het gaat om hulp bij het huishouden twee mogelijkheden om dit in te vullen. In hoofdstuk 4 zal hierop nader worden ingegaan. De derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo: “Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.” Als het gaat om bouwkundige woonvoorzieningen wordt de gemeente verplicht om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget zijn. Dat wordt aan de aanvrager uitbetaald. Ook kan soms een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding, die op declaratiebasis wordt verstrekt. 2.1Het persoonsgebonden budget Artikel 17 van de verordening bepaalt: “De te treffen voorzieningen kunnen als voorziening in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming worden verstrekt.” 2.1.1 Onderscheid financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget (pgb) Het onderscheid tussen de begrippen financiële tegemoetkoming en pgb, dat in de eerste zin van dit artikel worden gebruikt, is niet altijd even duidelijk. Dat wordt nog ingewikkelder gemaakt doordat soms een financiële tegemoetkoming als forfaitaire financiële tegemoetkoming verstrekt wordt, wat net weer iets anders is. De verschillen tussen een financiële tegemoetkoming, een forfaitaire financiële tegemoetkoming en een pgb zijn het beste als volgt aan te geven. Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de wet gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de aanvrager. De aanvrager betaalt dan mee en dat wordt een eigen aandeel genoemd. Het eigen aandeel wordt niet gelijk op de financiële tegemoetkoming in mindering gebracht, maar wordt in 39 termijnen van vier weken door het CAK geïnd. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële tegemoetkoming kostendekkend zijn, tenzij er nog een algemeen gebruikelijk deel in het bedrag zit. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten en los van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus niet per se een kostendekkend bedrag en zal niet op het inkomen van de aanvrager worden afgestemd. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel wel rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals bijvoorbeeld het tarief van het collectief vervoer. Een pgb is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op dit pgb kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht, tenzij het om een (sport)rolstoel gaat. Ook hier kan eventueel met een algemeen gebruikelijk deel rekening worden gehouden. Het verschil tussen een pgb en een financiële tegemoetkoming is, zoals wel blijkt, klein. Een pgb kan alleen aan de aanvrager (gebruiker van de voorziening) worden uitbetaald. Indien een bouwkundige woningaanpassing moet plaatsvinden, waarbij de aanvrager geen eigenaar is van de woning, dan ontvangt de eigenaar van de woning de geldelijke bijdrage van de gemeente. Omdat deze eigenaar geen aanvrager is, kan dat niet in de vorm van een pgb zijn. Daarom kan bij een bouwkundige woningaanpassing, waarbij aan de eigenaar, niet de bewoner (aanvrager), moet worden uitbetaald, dit alleen gebeuren in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Het eigen aandeel komt in dit geval uiteraard voor rekening van de aanvrager van de voorziening. 2.1.2 Uitzonderingen keuzevrijheid Artikel 19 van de verordening bepaalt: “Het college legt in het gemeentelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Kapelle vast in welke situaties sprake is van overwegende bezwaren zodat er geen voorziening in natura of persoonsgebonden budget wordt verstrekt.” Dit artikel 19 van de verordening is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Of als verwacht kan worden dat zij een bedreiging zijn voor de in natura geleverde diensten. Het is mogelijk om zorg in natura te weigeren als de veiligheid van de zorgverlener in het geding is of de arbowetgeving van toepassing is. Alternatieven zijn dan mogelijk het inschakelen van bemoeizorg of een andere vorm van begeleiding. Ook hier geldt dat er een goede onderbouwing nodig is. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wmo is gebleken dat overwegende bezwaren algemeen van aard kunnen zijn en kunnen berusten op doelmatigheids-overwegingen. Daaronder kan worden begrepen de overweging dat een veelvuldig beroep op persoonsgebonden budgetten het instandhouden van een systeem van collectief vervoer kan ondergraven. De gemeenten in de Oosterschelderegio stellen zich op het standpunt dat zij er aanzienlijk belang bij hebben dat er zoveel mogelijk belanghebbenden deelnemen aan het collectief vervoer teneinde het collectief vervoersysteem in stand te kunnen houden. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een pgb zou moeten worden verstrekt, zou dat de gemeente € 850,00 of € 1.100,00 per persoon per jaar kosten tegen de gemiddelde kosten van het collectief vervoer van € 435,00 per persoon per jaar. De keuze voor een persoonsgebonden budget zou derhalve behoorlijke financiële gevolgen voor de gemeenten hebben, waardoor het voortbestaan van het collectieve vervoerssysteem gevaar zou lopen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een goede natura voorziening wegvallen. Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een pgb van een aanvrager die aantoonbaar van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag als daarmee het resultaat van het compenseren van de beperking wordt bereikt, daarom in beginsel afgewezen worden. Dit onderdeel is in hoofdstuk 6 nader uitgewerkt. Naast de hiervoor genoemde redenen om geen pgb toe te kennen, kan het ook voorkomen dat bij een aanvrager met een zeer progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen korte tijd de te verstrekken voorziening vervangen zal moeten worden door een andere voorziening. En dat wellicht daarna weer. Het is dan ook de vraag of deze situatie zich wel leent voor een pgb, omdat al vaststaat dat de voorziening maar een beperkte tijd bruikbaar zal blijven. Mocht sprake zijn van dit probleem dan zal allereerst goed overleg met de aanvrager duidelijk moeten maken welke reden de aanvrager heeft voor de wens een pgb te ontvangen. Wellicht is dat doel ook op een andere manier te bereiken. Levert dit gesprek onvoldoende resultaat op, dan zal afgewogen moeten worden of een gemeente voldoende aan zijn resultaatsverplichting kan voldoen met een voorziening in natura en of er voldoende doorslaggevende argumenten zijn om te kunnen spreken van een “zwaarwegende reden” geen pgb te verstrekken. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wmo zijn als voorbeelden genoemd: het niet met geld kunnen omgaan, het hebben van een verslavingsprobleem of zwaarwegende efficiencyoverwegingen. 2.1.3 Voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 6 van de Wmo bepaalt welke voorwaarden van toepassing zijn op het pgb. De eerste voorwaarde daarbij is dat een pgb alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen pgb verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening zijn problemen niet voldoende compenseert en daarom een pgb verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld. In het laatste hoofdstuk zal hier meer uitgebreid op in worden gegaan. 2.1.4 Omvang van het persoonsgebonden budget De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Artikel 6 lid 1 Wmo zegt daarover: "(…) ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget (…)" Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: Het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen. Bij hulp bij het huishouden gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaatsvinden per uur of een gedeelte daarvan. Het uurbedrag wordt door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en elk jaar aangepast aan de economische ontwikkelingen. Het bedrag wordt vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Kapelle. Bepaald is in artikel 6 lid 1 Wmo dat het uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien toereikend. Dat betekent dat het bedrag ten minste het minimumloonbedrag zal moeten zijn. Vanaf 1 januari 2010 is op dit punt het nodige veranderd. Er zijn nu de volgende mogelijkheden: je gaat een arbeidsovereenkomst aan met iemand of je gaat een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer met iemand aan. Wanneer je een arbeidsovereenkomst met iemand aangaat, komt diegene bij jou in dienst. Hierbij kan één van de volgende twee situaties ontstaan. De hulp werkt op drie dagen of minder per week voor je. In dat geval mag je de hulp bruto uitbetalen en moet de hulp zelf zorgen voor afdracht van belasting, eventuele verzekering tegen ziekte enzovoorts. De hulp werkt op meer dan drie dagen per week voor je. In dat geval ben je als werkgever verantwoordelijk voor de afdracht van belastingen en verplichte premies voor werknemersverzekeringen, zoals werkloosheid. Ook heb je een loondoorbetalingsverplichting bij ziekte van de hulp. In zowel situatie 1 als situatie 2 ben je verplicht minimaal het minimum (jeugd)loon uit te betalen. Bij een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer is er meestal sprake van een zelfstandige zonder personeel (zzp-
- er)die het werk verricht. In dat geval ben je niet gebonden aan het minimum (jeugd)loon en hoef je geen afdrachten te doen. In de Oosterschelderegio bestaat vanaf 1 januari 2010 tevens de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget (pgb-A) met ondersteuning te verstrekken, waarmee de aanvrager de hulp in het huishouden (alfahulp) en de daarbij geboden ondersteuning kan betalen. De zorgaanbieder zoekt in dat geval samen met de aanvrager een alfahulp. Deze alfahulp is formeel in dienst bij de aanvrager en werkt in opdracht van de aanvrager. De aanvrager machtigt de zorgaanbieder om met het persoonsgebonden budget de noodzakelijke administratie te doen en de hulp te betalen. Verder bemiddelt de zorgaanbieder bij ziekte en vakantie en zorgt deze voor de loondoorbetaling bij ziekte conform de regeling dienstverlening aan huis. 2.1.5 Berekening persoonsgebonden budget Wat betreft de voorzieningen zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en dus de bestaande problemen voldoende te compenseren. De kosten van een voorziening, als de voorziening in natura zou worden verstrekt, zijn daarbij uitgangspunt. Voor zowel de naturavoorziening als het persoonsgebonden budget geldt dan ook dat de kosten worden vastgesteld op basis van de inkoopprijs bij de door de gemeente Kapelle gecontracteerde leverancier inclusief btw, vermeerderd met de onderhoudskosten, reparatiekosten en eventuele verzekeringskosten. De inkoopprijs wordt vastgesteld op de cataloguswaarde minus de korting van de leverancier. Doorberekenen van deze korting naar het persoonsgebonden budget is nodig, omdat het niet de bedoeling is dat een persoonsgebonden budget meer gaat kosten dan een verstrekking in natura. We gaan ervan uit dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting kan worden aangeschaft. 2.1.6 Beschikking en uitbetaling persoonsgebonden budget Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor welke periode het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om duidelijk te laten zijn aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking en kan het pgb worden teruggevorderd. In de beschikking wordt opgenomen dat er een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is via het CAK. Is de beschikking verzonden, dan wordt het persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld. De mogelijkheid bestaat om dit in één keer of in termijnen uit te betalen Bij het pgb met ondersteuning (=pgb-A) wordt het pgb op basis van daadwerkelijke uitgaven achteraf overgemaakt. De gemeente stort dan na machtiging van de cliënt het geld op rekening van de betreffende zorgaanbieder, die zorgdraagt voor betaling van de hulp op basis van een werkbriefje van de cliënt. 2.1.7 Verantwoording persoonsgebonden budget De controle van het persoonsgebonden budget vindt als volgt plaats: Iedere budgethouder dient de volgende stukken minimaal twee jaar te bewaren: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen Daarnaast dient iedere budgethouder jaarlijks het door de gemeente toegezonden verantwoordingsformulier in te vullen en te retourneren. De eisen die de gemeente stelt aan verantwoording van het persoonsgebonden budget worden schriftelijk aan de cliënt meegedeeld. Is het budget besteed aan het afgesproken doel, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget niet of anders besteed dan bedoeld, dan vordert het college het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug. Bij een pgb-A hoeft de pgb-houder de besteding van het pgb niet te verantwoorden. Het pgb wordt immers op declaratiebasis uitbetaald. Op dat moment is dus duidelijk dat het budget is besteed aan het daarvoor bestemde doel. 2.1.8 Eigen bijdrage persoonsgebonden budget Artikel 21 van de verordening bepaalt dat bij een te verstrekken persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. Bijvoorbeeld: in 2010 doet men aangifte over 2009, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2008 in 2010 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel is daardoor niet mogelijk. Al deze activiteiten worden door het CAK uitgevoerd. Een eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget (of een financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel) mag elke 4 weken gevraagd worden, maar mag nooit de grens die in het besluit is vastgelegd, te boven gaan. Ook mag een eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven gaan. Wordt een persoonsgebonden budget verstrekt voor een voorziening die in eigendom van de aanvrager wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage niet langer dan 39 perioden van 4 weken worden gevraagd. Gaat het om een pgb voor een doorlopende zaak die niet in eigendom wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage worden gevraagd zo lang als de voorziening wordt gebruikt. De kostprijs per periode wordt als volgt berekend: netto kostprijs excl. BTW + onderhoud per jaar x afschrijvingstermijn + (alleen voor scootmobiels): verzekering per maand x 7 x 12 maanden + BTW over bovenstaande + ______________________________________ = Totaalprijs ___________ = Kostprijs per periode 39 perioden Als afschrijvingstermijn voor voorzieningen in natura wordt uitgegaan van 7 jaar, met uitzondering van de traplift, daarvoor geldt een periode van 10 jaar. 2.2 De Financiële tegemoetkoming Naast het persoonsgebonden budget kan ook een financiële tegemoetkoming worden toegekend. Het aantal mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming is beperkt: het zal gaan om een bouwkundige woonvoorziening, uit te betalen aan de eigenaar van de woning, een verhuiskostenvergoeding, of een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi. De financiële tegemoetkoming moet toereikend zijn voor de aan te schaffen voorziening, tenzij het gaat om een forfaitaire tegemoetkoming. Dit kan onder aftrek van een zogenaamd eigen aandeel, te vergelijken met de eigen bijdrage. Hierbij wordt de volgende werkwijze gehanteerd: het eigen aandeel wordt niet gelijk op de financiële tegemoetkoming in mindering gebracht, maar geïnd door het CAK. Het CAK is hiervoor door de gemeente gemandateerd. Deze inning vindt, evenals bij de eigen bijdrage, gespreid plaats over 39 perioden van 4 weken. Ook bij een financiële tegemoetkoming zal de beschikking waarin dit bedrag wordt toegekend voorwaarden kunnen bevatten over de besteding van de financiële tegemoetkoming. En ook bij een financiële tegemoetkoming zal verantwoording afgelegd moeten worden over de besteding van de tegemoetkoming, tenzij het om een forfaitair bedrag gaat: een forfaitair bedrag voor een verhuizing kan vrij worden besteed, mits er daadwerkelijk verhuisd wordt. 2.3 De voorziening in natura Wordt een voorziening verstrekt in natura, dan worden in de beschikking de voorwaarden opgenomen waaronder de verstrekking plaatsvindt. Bij een voorziening in natura wordt een eigen bijdrage gevraagd, met uitzondering van een (sport)rolstoel. 2.3.1 Toekenning van een voorziening in natura Een voorziening in natura wordt in bruikleen verstrekt. Dit kan een nieuwe of een gebruikte (herverstrekte) voorziening zijn. De toekenning vindt plaats in de vorm van het verstrekken van een recht op een voorziening gedurende een bepaalde periode. De lengte van die periode is afgeleid van de afschrijvingstermijn die geldt voor de betreffende voorziening als ware deze als nieuw verstrekt. Gedurende deze periode is het gebruik van de voorziening gegarandeerd. Voorzieningen die via deze systematiek beschikbaar worden gesteld zijn onder andere de handbike, driewielfiets, scootmobiel, traplift en tillift. Voor de te hanteren periode, afgeleid van de afschrijvingstermijn, wordt in de regel uitgegaan van 7 jaar, met uitzondering van de traplift, daarvoor geldt een periode van 10 jaar. Wat betreft de verschuldigde eigen bijdrage wordt bij toekenning van een persoonsgebonden budget voor eenzelfde voorziening uitgegaan van dezelfde berekeningssystematiek als bij de voorzieningen in natura. De afschrijvingstermijn geldt ook in dat geval als minimum terugkomperiode voor de toekenning van een nieuw persoonsgebonden budget bij een gelijkblijvende indicatie. 2.4 Verschil algemeen gebruikelijke -, algemene -, collectieve - en individuele voorzieningen 2.4.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die normaal in winkels te koop zijn, die door de gemiddelde persoon in Nederland gewoon gebruikt worden en die een geaccepteerde prijsstelling hebben. Een mobiele telefoon is een goed voorbeeld van een algemeen gebruikelijke voorziening. Zij zijn in nogal wat winkels (maar ook op internet) op grote schaal te koop. Er is bijna niemand meer in Nederland die geen mobiele telefoon heeft. En ze zijn juist zo breed verspreid omdat er in elke prijsklasse wel een mobiele telefoon te koop is, van de simpele mobiel met een beltegoed tot de dure blackberry met een duur abonnement inclusief internet. Niet algemeen gebruikelijke voorzieningen voldoen niet aan één of meer van die drie criteria: ze zijn niet in gewone winkels te koop (tilliften), ze zijn speciaal bestemd voor mensen met een handicap (rolstoelen) of ze zijn veel duurder dan vergelijkbare producten (driewielfiets tegenover de gewone tweewieler) of er zijn geen vergelijkbare producten (weer de tillift). Uitgangspunt in de Wmo is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet als individuele voorziening verstrekt worden. Zijn er financiële problemen om algemeen gebruikelijke voorzieningen aan te schaffen dan kan (onder bepaalde omstandigheden) de Bijzondere Bijstand een oplossing bieden. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden in het gesprek rond de keukentafel (zie hoofdstuk 3) besproken en dienen door de burger zelf aangeschaft te worden. In de bijlage is een lijst opgenomen van veel voorkomende algemeen gebruikelijke voorzieningen in de Oosterschelderegio. 2.4.2. Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn, in de zin dat ze bestemd zijn voor een ieder en ook door iedereen gebruikt zouden kunnen worden. Maar wel is het zo dat ze door iedereen waarvoor ze bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen zijn. Twee al jaren bestaande voorbeelden zijn de maaltijdservice en de sociale alarmering. Deze twee voorzieningen zijn, doordat de Welzijnswet in de Wmo is opgenomen, thans onderdeel van de Wmo, maar niet van prestatieveld 6, de individuele voorzieningen. Zowel maaltijdservice als sociale alarmering zijn niet algemeen gebruikelijk, maar wel voor elke inwoner die er behoefte aan heeft beschikbaar. Er is geen uitgebreide aanvraagprocedure om deze voorzieningen te verkrijgen. Men ontvangt geen beschikking. Er is geen behoefte aan bezwaar en beroep. Artikel 1 onder j van de verordening geeft een begripsomschrijving van de algemene voorziening: “een voorliggende voorziening die weliswaar niet bestemd is voor, noch te gebruiken is door alle personen als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de wet, maar die anderzijds door iedereen waarvoor de voorziening wel bedoeld is op eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure.” In de Wmo ontstaan langzamerhand meer nieuwe algemene voorzieningen. Zij zijn in 2006 in de verordening opgenomen met het doel het ontwikkelen van deze algemene voorzieningen te stimuleren. Bij dit soort algemene voorzieningen kan gedacht worden aan: Boodschappendiensten Op veel plaatsen bestaan al boodschappendiensten die opgezet zijn door plaatselijke supermarkten. Bezwaar is dan dat je beperkt bent tot die supermarkten. Goedkopere supermarkten kennen vaak geen boodschappenservice. Toch zullen veel aanvragers gewend zijn daar veel van hun boodschappen te doen. Die discrepantie kan opgeheven worden door een boodschappenservice op te richten als algemene voorziening, waarbij keuze bestaat uit waar de boodschappen gedaan worden. Was en strijkservice Verschillende zorgaanbieders hebben een was- en strijkservice die de was thuis ophaalt en gewassen en gestreken en/of gevouwen weer terugbezorgd. Ook kan de was- en strijkservice eenvoudige verstelwerkzaamheden aan kleding en textiel verzorgen. Hiervoor wordt een bijdrage van enkele euro’s gevraagd. Rolstoel pools Veel aanvragers hebben behoefte aan een rolstoel, maar niet zoals de verordening als toekenningscriterium bepaalt: voor dagelijks zittend gebruik, maar met name voor incidentele situaties. In deze situatie kan een algemene voorziening een oplossing bieden. Daarbij kan men op momenten dat daar behoefte aan bestaat over een dergelijke rolstoel beschikken, zonder dat men die zelf heeft. Scootmobielpools Deze zijn vergelijkbaar met de hierboven beschreven rolstoelpools. Klussendiensten Deze zijn om kleine woningaanpassingen te realiseren. Dit soort diensten bestaat al enige tijd en kent allerlei benamingen: buurtconciërge, klussendienst e.d. Deze voorziening is vooral bedoeld voor kleine aanpassingen, zoals het plaatsen van een verhoogde toiletpot (die ook algemeen gebruikelijke
- is)het weghalen van een enkele drempel, het plaatsen van een eenhandelkraan (ook algemeen gebruikelijk) enz. Ramenwasservice Ook het zemen van de ramen kan voor mensen een probleem zijn terwijl lang niet overal een glazenwasser beschikbaar is. Gemeenten kunnen dit soort service als die er niet is helpen opzetten. Of zorgen dat beschikbare diensten gevonden kunnen worden. Deze algemene voorzieningen kunnen bijvoorbeeld ook via de vrijwillige thuiszorg of de boodschappendienst van het Rode Kruis worden opgezet. Deze en andere algemene voorzieningen zullen als gevolg van de invoering van de Wmo voor steeds meer personen beschikbaar komen. Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet. In het gesprek rond de keukentafel (hoofdstuk 3) zullen zij een belangrijke rol innemen bij het inventariseren van op de individuele voorzieningen voorliggende voorzieningen. 2.4.3 Collectieve voorzieningen Collectieve voorzieningen zijn voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door meerdere personen tegelijk kunnen worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief vervoer, ook collectief vraagafhankelijk vervoer geheten, het meest duidelijke voorbeeld van een collectieve voorziening. 2.4.4 Individuele voorzieningen Individuele voorzieningen zijn de voorzieningen die geregeld worden in prestatieveld 6 van de Wmo, de voorzieningen waarover de verordening handelt. Het toekennen van deze voorzieningen wordt gekenmerkt door een uitgebreide aanvraagprocedure, leidend tot het afgeven van een beschikking waarop bezwaar en beroep openstaat. 2.5 Herziening, intrekking en terugvordering van Wmo-voorzieningen 2.5.1 Beëindiging van de Wmo- voorziening. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor financiële tegemoetkomingen of een pgb met een periodiek karakter (bijvoorbeeld voor huishoudelijke hulp) en bruikleenverstrekkingen (bijvoorbeeld rolstoelen en scootmobielen) beëindigd moeten worden. Voorbeelden: De belanghebbende die de verstrekking ontvangt komt te overlijden; De belanghebbende die de verstrekking ontvangt behoort niet langer tot de doelgroep van de Wmo-voorzieningen (bijvoorbeeld na een periode van revalidatie is er niet langer sprake van een beperking); De belanghebbende die de verstrekking ontvangt verhuist naar een andere gemeente (bij de nieuwe gemeente kan dan weer een aanvraag worden ingediend); Degene die de verstrekking ontvangt kan een beroep doen op een andere voorziening (bijvoorbeeld een rolstoel op grond van de AWBZ door verhuizing naar een AWBZ-instelling of een vervoerskostenvergoeding op grond van de WIA door werkaanvaarding). Een besluit tot beëindiging van een voorziening kan de belanghebbende (bij overlijden: zijn directe familie) door middel van een beëindigingsbesluit worden meegedeeld. In tegenstelling tot intrekking (zie paragraaf 2.5.2) heeft een besluit tot beëindiging in beginsel geen terugwerkende kracht. In geval een voorziening wordt beëindigd omdat deze (deels) niet meer onder de compensatieplicht van het college valt, hanteert de Centrale Raad van Beroep het uitgangspunt dat de voorziening niet eerder mag worden stopgezet dan de datum van het primaire besluit. Beëindiging met terugwerkende kracht is in beginsel onzorgvuldig. Heeft de beëindiging betrekking op een periodieke financiële tegemoetkoming, dan kan er soms aanleiding zijn om een deel hiervan terug te vorderen. Betreft de beëindiging (deels) een bruikleenverstrekking, dan kan het college opdracht geven de in bruikleen verstrekte voorziening bij de belanghebbende (of bij overlijden: zijn directe familie) in te nemen. 2.5.2 Intrekking In artikel 27 van de Verordening is bepaald wanneer het college een besluit geheel of gedeeltelijk kan intrekken. Intrekking van een besluit lijkt sterk op beëindiging. Het onderscheid ligt vooral in het moment waarop de effecten van het besluit gaan werken. Bij intrekking is achteraf bezien sprake van een bepaalde periode (in het verleden) waarover geen recht op de voorziening heeft bestaan. In de regel zal het intrekken van een voorziening terugwerkende kracht hebben en het beëindigen van een voorziening niet. Een voorziening intrekken met terugwerkende kracht kan slechts in een beperkt aantal gevallen gebeuren, omdat rekening moet worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. Intrekking is een bevoegdheid van de gemeente. Echter, indien de intrekking ertoe leidt dat de belanghebbende niet langer wordt gecompenseerd in de door hem ondervonden beperkingen, is sprake van strijd met artikel 4, lid 1 Wmo. Het college moet, voordat besloten wordt tot intrekking van een voorziening, een afweging maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van belanghebbende om te worden gecompenseerd in zijn beperkingen zwaar dient te wegen. Om te voldoen aan het vereiste van belangenafweging (artikel 3:4 Awb) en het vereiste van zorgvuldige voorbereiding van het intrekkingsbesluit (artikel 2.5.2) dient in het intrekkingsbesluit uitdrukkelijk vermeld te worden dat al dan niet is gebleken van specifieke omstandigheden die ertoe nopen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Intrekking heeft in de praktijk vooral betrekking op financiële tegemoetkomingen en periodiek uitgekeerde pgb's. Daarom zal bij een intrekking vaak aanleiding zijn over te gaan tot terugvordering (zie paragraaf 2.5.4). 2.5.3 Herziening Herziening van een besluit houdt in het met terugwerkende kracht opnieuw vaststellen van en beslissen over de verstrekking van de voorziening over een periode in het verleden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het rechtszekerheidsbeginsel. Hierziening is een bevoegdheid van het college en is onder andere aangewezen wanneer uit (her)onderzoek of melding van de belanghebbende blijkt dat wijziging van omstandigheden is opgetreden (bijvoorbeeld de medische situatie is veranderd, het inkomen is gestegen, de vervoersbehoefte is afggenomen, etc.). Er is ook sprake van herziening als op basis van regelgeving of beleid een periodieke financiële tegemoetkoming of pgb wordt gewijzigd. Wanneer een periodieke financiële tegemoetkoming of pgb als gevolg van nieuw beleid wordt stopgezet, hanteert de Centrale Raad van Beroep een zorgvuldigheidstermijn van zes maanden. In de praktijk werkt dit zo: geef allereerst tijdig te kennen dat er iets gaat veranderen. Stuur alle Wmo-gerechtigden hiertoe een brief met de plannen. Een besluit is echter pas definitief als het daadwerkelijk is genomen. Dat betekent dat na de besluitvorming door het college of de gemeenteraad direct beschikkingen moeten worden verzonden met de herziening en een ingangsdatum van drie tot zes maanden na de datum van de beschikking, afhankelijk van de inhoud van de wijziging. Bij stopzetten geldt een termijn van zes maanden, bij vermindering een termijn van drie maanden. Een besluit tot herziening moet expliciet vermelden in hoeverre de belanghebbende teveel heeft ontvangen aan financiële tegemoetkoming of pgb. Dit is noodzakelijk om een terugvorderingsbesluit op een dergelijk herzieningsbesluit te kunnen baseren. 2.5.4 Terugvordering In artikel 28 van de Verordening is bepaald in welke gevallen het college een voorziening kan terugvorderen. In tegenstelling tot andere sociale zekerheidswetten, zoals de WWB, kent de Wmo geen eigen regels voor terugvordering. De bevoegdheid daartoe is daarom expliciet in de Wmo-verordening geregeld. Omdat de bevoegdheid tot terugvordering niet in de Wmo zelf is geregeld, dient terugvordering op grond van de privaatrechtrechtelijke regels te gebeuren. Dit betekent dat moet worden aangetoond dat er sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk zal de onverschuldigdheid van de betaling veelal ontstaan door het nemen van een intrekkingsbesluit. Wanneer een financiële tegemoetkoming of pgb wordt ingetrokken, bestaat er geen rechtsgrond meer voor de betaling daarvan en is dat dus “onverschuldigd betaald”. Een terugvorderingsbesluit dient altijd te worden voorafgegaan door een intrekkings- of herzieningsbesluit. Op grond van artikel 4:87, lid 1 Awb moet het college een belanghebbende een betalingstermijn bieden van tenminste zes weken. Het college kan uitstel van betaling verlenen op grond van artikel 4:94 Awb. Een beschikking tot uitstel van betaling moet de termijn waarvoor het uitstel geldt vermelden. Het college kan voorschriften verbinden aan het uitstel, bijvoorbeeld wanneer er een afbetalingsregeling aan wordt verbonden. Het college kan eventueel een deel van een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget terugvorderen, zoals in gevallen waarin de beperkingen zijn opgeheven of bij overlijden. Wanneer bijvoorbeeld een pgb is verstrekt voor een scootmobiel voor een periode van zeven jaar en de belanghebbende na drie jaar overlijdt, heeft de belanghebbende het volledige pgb moeten aanwenden voor het gebruik van de scootmobiel. De vraag is of het pgb onverschuldigd is betaald. De gemeente kan de aangeschafte voorziening echter terugvorderen, ook al is de belanghebbende eigenaar geworden (zie Centrale Raad van Beroep, 10-12-2008. nr. 08/3206 Wmo). Het bedrag van het pgb wordt in dit geval naar rato terugbetaald aan de gemeente. Een andere mogelijkheid is om het hulpmiddel in eigendom aan de gemeente over te dragen, wanneer het over de periode waarvoor het pgb is verstrekt niet meer wordt gebruikt. Intrekkings- herzienings en terugvorderingsbesluiten zijn allen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat de belanghebbende hiertegen de rechtsmiddelen bezwaar, beroep en hoger beroep kan inzetten. 2.5.5 Invordering Zodra de termijnen zijn verstreken waarin de belanghebbende bezwaar, beroep of hoger beroep kon instellen, kan de gemeente bij niet betaling overgaan tot invordering van het ten onrechte betaalde bedrag. Hiertoe moet de gemeente een zogenaamde executoriale titel verkrijgen van de burgerlijke rechter. Als het gaat om een bedrag van minder dan € 5.000, - kan dit door middel van een dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter (artikel 93 e.v. Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering). Gaat het om een hoger bedrag, dan zal de gemeente met behulp van een procureur (advocaat) een procedure moeten aanspannen bij de civiele kamer van de rechtbank. HOOFDSTUK3.AANMELDING, HET (KEUKENTAFEL)GESPREK, DE AANVRAAG, MEDISCH ADVIES EN BESLUITVORMING. Uitgangspunt van het onderzoek zijn de door de aanmelder ondervonden problemen of beperkingen en het te bereiken resultaat in relatie tot de vier domeinen die in artikel 4 Wmo zijn omschreven, te weten: het voeren van een huishouden; zich verplaatsen in en om de woning; zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan. Het resultaat van het vierde domein is het gevolg van acties op de eerste drie domeinen en kan als einddoel daarvan gezien worden. De Wmo is immers ook samen te vatten in het woord “meedoen”. Prestatieveld 6 van de Wmo ondersteunt daarbij via het verstrekken van individuele voorzieningen, als daar aanleiding toe is. Een goed gesprek over en zorgvuldig onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en vaststellen welk resultaat bereikt moet worden met ondersteuning, dat is waar het om gaat. Met betrokkenen zal een gemeente nagaan welke voorliggende voorzieningen beschikbaar en voor betrokkenen toegankelijk zijn. Wat de eigen mogelijkheden zijn en of er algemene voorzieningen kunnen bijdragen aan een gewenst resultaat. 3.1 De aanmelding De aanmelding is niet hetzelfde als een aanvraag en niet automatisch altijd de start van een aanvraagprocedure, maar is in “De kanteling” de eerste stap voor een gesprek rond de keukentafel. De aanmelding kan plaatsvinden door middel van: een schriftelijk verzoek; een verzoek per e-mail; een bezoek aan het loket; een telefonisch verzoek. De aanvrager kan hiervoor gebruik maken van een aanmeldformulier. In alle hierboven genoemde situaties is het beter te spreken van de eerste contactdatum. Voorkomen moet worden dat het proces te lang gaat duren en dat er risico’s voor de klant ontstaan. Het huisbezoek of afspraken worden in overleg met de klant gemaakt. Het eerste punt dat na de aanmelding beoordeeld moet worden is dan ook: moet er een gesprek rond de keukentafel (zie 3.2) plaatsvinden of kan er direct een aanvraag in behandeling worden genomen. Hierbij kunnen als criteria een rol spelen: de vraag of de aanvrager al bekend is ofwel of het gaat om een nieuw eerste contact; de vraag of de situatie veranderd lijkt of dat er op korte termijn verandering te verwachten is. Als besloten is tot een gesprek rond de keukentafel zal daar een afspraak voor gemaakt moeten worden. Gezien het karakter van dit gesprek zal de cliënt duidelijk voorgelicht moeten worden over het doel van het gesprek en de manier waarop dit gesprek gevoerd zal gaan worden. Pas bij het daadwerkelijk invullen van de aanvraagformulieren kan men spreken van een aanvraagdatum. Bij spoedeisende verzoeken wordt de procedure aangepast aan de situatie. De aanmelding kan leiden tot een concrete aanvraag. 3.2 Gesprek rond de keukentafel In plaats van gesprek rond de keukentafel zou ook de term intakegesprek of vraagverhelderingsgesprek kunnen worden gebruikt. In deze fase van het kantelingproces lijkt het beter “gewoon” te spreken van gesprek rond de keukentafel. Het gesprek wordt gevoerd door de Wmo-consulent. De Wmo-consulent kan eventueel vergezeld worden door een vrijwillig burgeradviseur of een adviseur van MEE Zeeland. In deze fase van het proces is het van belang schriftelijk of elektronisch vast te leggen wie het gesprek gaat voeren en wie uiteindelijk de Wmo-consulent van de cliënt is. Uiteraard hoeft niet bij elke aanmelding/aanvraag een gesprek rond de keukentafel plaats te vinden. Wie een aanvraag indient voor vervanging van een versleten rolstoel zal bekend zijn. Ook zal in het verleden ooit gekeken zijn wat de persoonlijke situatie en behoeften zijn. In die situatie kan de aanvraag via een korte procedure worden afgehandeld. 3.2.1 Inventarisatie vraagbehoefte In het gesprek zal allereerst met de cliënt geïnventariseerd worden wat deze wel en niet kan en welke behoeften de cliënt heeft, toegespitst op activiteiten in de woning en in het huishouden, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich verplaatsen per vervoermiddel in de directe woon- en leefomgeving en bij het ontmoeten van medemensen het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. In het gesprek zal duidelijk moeten worden om welke behoeften het precies gaat, zoals het bezoeken van een (bepaalde) kerk, het gaan winkelen, familiebezoek enz. Voor dit gesprek is een checklist/intakeformulier opgesteld. De ingevulde checklist/intakeformulier kan ook gebruikt worden als aanvraag. Deze wordt door zowel de Wmo-consulent als de cliënt ondertekend. 3.2.2 Formuleren van het te bereiken resultaat De volgende stap is het formuleren van het te bereiken resultaat. Dit te bereiken resultaat kan op een of op meerdere terreinen zijn gelegen. Een voorbeeld: wie door een functiebeperking niet in staat is zich lokaal te verplaatsen heeft wellicht de wens weer naar familie te gaan, die in een naburige wijk woont. Daarnaast kan de wens bestaan om zelf boodschappen te doen, te weten 2 tot 3 maal per week. Bovendien kan een wenselijk te bereiken doel zijn om naar het gemeentehuis te gaan om weer als vrijwilliger bij een politieke lokale partij actief te kunnen zijn. Het te bereiken doel kan dan omschreven worden als: bereiken van bestemmingen. Daarnaast kan de wens bestaan om familie die woont op 50 kilometer, op 250 kilometer en in het buitenland te bezoeken. Tot slot kan kerkbezoek op 20 kilometer afstand een gewenst te bereiken doel zijn. Ook het beoogde resultaat zal weer samengevat en op schrift gesteld moeten worden. Ook nu geldt weer dat zowel de aanvrager als de Wmo-consulent dit dient te herkennen/onderschrijven. 3.2.3 Het samenstellen van arrangementen Met het geformuleerde te bereiken resultaat kan vervolgens beoordeeld worden in hoeverre dat resultaat te bereiken is door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en collectieve voorzieningen, of zaken die verstrekt kunnen worden op basis van andere wettelijke regelingen (artikel 2 Wmo). Als aan de hand van het te behalen resultaat beoordeeld is welke eventuele eigen oplossingen, welke algemeen gebruikelijke voorzieningen, welke algemene voorzieningen en welke collectieve voorzieningen mogelijk bij kunnen dragen aan het te behalen resultaat, kan nog beoordeeld worden of er individuele voorzieningen noodzakelijk zijn die hieraan bijdragen. Naast creativiteit bij het op een rij zetten van de mogelijke oplossingen is ook kennis van de sociale kaart in de eigen gemeente en de regio van belang. 3.2.4 Rol eigen verantwoordelijkheid, en (financiële) mogelijkheden bij het samenstellen van het arrangement Met deze lijst moet nog een tussenstap gemaakt worden. Artikel 4 Wmo bepaalt in lid 2 “Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, evenals met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in de maatregelen te voorzien. Aan de hand van deze bepaling kan beoordeeld worden in hoeverre de aanvrager in staat is, ook financieel gezien, zelf in de individuele voorzieningen te voorzien. Door het eigen bijdrage systeem dat de Wmo kent is het bij hogere inkomens mogelijk dat men een voorziening geheel zelf zal moeten betalen. Dat kan betekenen dat een aanvrager besluit daartoe zelf over te gaan. Dit kan overigens niet gelden voor rolstoelen, de Wmo bepaalt dat voor rolstoelen geen eigen bijdrage verschuldigd is. Ook kan het mogelijk zijn dat men de voorziening weliswaar zelf zal moeten betalen maar niet in staat is of opziet tegen het proces van aanschaffen van de voorziening. Zoals bijvoorbeeld het plaatsen van handgrepen en beugels. In dat geval zal in het kader van de Wmo door de gemeente alles verzorgd kunnen worden, terwijl de aanvrager uiteindelijk zelf betaalt. 3.2.5 Het vaststellen van het arrangement In feite is dit het eind van het gesprek rond de keukentafel. In gezamenlijkheid is bepaald wat, op basis van de beperkingen van betrokkene, zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zijn wensen en voorkeuren, het te bereiken resultaat zou moeten zijn en op welke wijze dit te bereiken resultaat ingevuld zou kunnen worden. Schriftelijk vastleggen hiervan is van groot belang, evenals het registreren of zowel aanvrager als Wmo-consulent het hier mee eens zijn. Daarbij gaat het om de in artikel 4 lid 1 Wmo omschreven terreinen wat betreft de eventueel toe te kennen individuele voorzieningen. Deze vier terreinen zijn in deze beleidsregels uitgewerkt in de volgende hoofdstukken. Op dit punt zal beoordeeld moeten worden of er sprake zal moeten zijn van het vragen van een medisch advies of anderszins een deskundigenadvies. 3.3 De werkelijke aanvraag Na het gesprek rond de keukentafel zal het verkregen resultaat mogelijk leiden tot een arrangement waarvoor geen gemeentelijke beschikking nodig is. In sommige gevallen zal dit leiden tot een aanvraag voor een individuele voorziening waarvoor wel een gemeentelijke beschikking nodig is in het kader van de compensatieplicht. De aanvraag zal dan alleen ingediend worden als het gaat om concrete voorzieningen. 3.4. Het medisch advies of een advies van een andere deskundige Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat medische noodzaak ertoe leidt dat een bepaalde voorziening moet worden verstrekt. Dit heeft tot gevolg dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur, van cruciaal belang is. Onder de Wmo, waar het ook kan gaan om psychische of psychosociale problemen, kan een advies van een andere deskundige dan een medicus noodzakelijk zijn. Dit gold onder de Wvg al bij de “uitraasruimte” waar soms het advies van een psycholoog of (ortho)pedagoog werd gevraagd. Onder de Wmo zal dit vaker nodig kunnen zijn. Maar of het nu een medicus of een andere deskundige is, het deskundigenadvies is in bepaalde situaties van groot belang. Daarom is hierover een apart onderdeel opgenomen. 3.4.1 Verordening en medewerking aan het onderzoek In de verordening heeft dat vorm gekregen in artikel 26. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op de aangevraagde voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke zorg diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien het college dat gewenst vindt. 3.4.2. Zorgvuldig onderzoek Lid 1 van artikel 26 van de verordening biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van “medische” noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden. Dit onderzoek, het indiceren, kan ook zelf door de gemeente plaats vinden. Dit verdient de voorkeur tenzij het college een extern (medisch) advies gewenst vindt. Vervolgens dienen de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag verschaft te worden aan het college. Hierbij kan gedacht worden aan medische gegevens, maar ook aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de AWBZ. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan met inschakeling van de aanvrager vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden. Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de aanvrager. 3.4.3 ICF Artikel 5, lid 1 van de verordening bepaalt dat bij de medische advisering de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. “De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle ordening geplaatst.” Van de zeer uitgebreide ICF3 zijn vooral de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” van belang. Zie hiervoor http://www.rivm.nl/who-fic/icf.htm Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de Wmo plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen in “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de ICF. Samengevat betekent dit dat de medische adviseur in het licht van de aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de ICF wordt gebruikt. Het medisch advies wordt door het college beoordeeld en leidt tot (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde compensatie/voorziening. 3.5 Het besluit Het gesprek en de adviezen leiden in geval van een aanvraag voor een individuele voorziening tot het nemen van een besluit. Daarbij spelen alle stadia van het gesprek rond de keukentafel evenals een eventueel deskundig advies plus uiteraard de regels van Wmo, verordening en besluit evenals deze beleidsregels een rol. In het besluit worden al deze zaken vermeld (met een eventuele verwijzing naar bijgevoegde integrale teksten). Ook zal dit besluit de zogenaamde dubbele motivering van artikel 26 Wmo dienen te bevatten. Het besluit zal uiteindelijk – bevoegd genomen – aan de aanvrager kenbaar gemaakt worden via toezending. Daarbij kan nog de opmerking gemaakt worden dat als het besluit (op onderdelen) negatief is, het aan te bevelen is het besluit persoonlijk toe te lichten via de telefoon of via een kort gesprek. De praktijk leert dat hiermee onnodige bezwaarprocedures voorkomen kunnen worden. In het besluit wordt aangegeven wat de beschikkingsdatum is en de ingangsdatum van de zorg. Uitgangspunt is dat de beschikkingsdatum de ingangsdatum van de zorg zou moeten zijn. Dit is in een aantal gevallen niet realistisch. 3.6 Klachten Indien voorafgaand aan een aanvraag de cliënt het niet eens is met de gang van zaken is er de mogelijkheid zijn bezwaren kenbaar te maken bij de klachtencommissie van de gemeente Kapelle. 3.7 Alternatieven voor bezwaar Iedere aanvrager heeft het recht als hij het met een beschikking niet eens is, in bezwaar te gaan. De gemeente streeft ernaar, voordat een negatief of afwijkend besluit valt, betrokkene in de gelegenheid te stellen hierop te reageren, zodat de kans groot is dat door de gemeente gemaakte eventuele fouten hersteld kunnen worden. Bij een negatieve of afwijkende beschikking geeft het college, bijvoorbeeld door de beschikking langs te brengen en uitleg te geven een extra contactmoment. Bij het in bezwaar gaan bestaat de mogelijkheid samen nog eens naar het probleem te kijken. Tot slot bestaat nog enigerlei vorm van mediation, indien het college dat opportuun acht. De 4 Domeinen van de Wmo HOOFDSTUK4.HET EERSTE DOMEIN. EEN HUISHOUDEN VOEREN. Compensatie op het eerste domein van artikel 4 (het voeren van een huishouden) is bedoeld als ondersteuning bij het voeren van een huishouden. Daarmee bedoelen we op de gebruikelijke wijze, dus met behulp van gebruikelijke huishoudelijke apparatuur doen van het huishouden en voorkomen van gevaarlijke situaties (vallen, brand) en voorkomen van verwaarlozing. Ook een geschikte woning of het geschikt maken van de woning valt onder dit hoofdstuk. Dit eerste domein leidt tot de eerste 5 resultaten die in hoofdstuk 4 zijn verwerkt. Iedere burger kan wonen in een schoon huis (voorheen Hulp bij het huishouden) Als het gaat om het voeren van een huishouden moet het resultaat zijn dat een ieder kan wonen in een huis dat schoon is volgens de historisch gegroeide normen die gemeenten nu ook hanteren. Ook de huidige normen voor het aantal ruimten in huis/vierkante meters van het huis die schoon moeten zijn blijven van toepassing. Zo moet iedereen gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, een schoon slaapvertrek, een schone keuken en een schoon douche/toilet. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het schoonmaken van de woonruimte (woonkamer, keuken, slaapkamer(s)) toilet(ten) en badkamer; het wassen van datgene wat in het huishouden gebruikt wordt (beddengoed, kleding enz.); het voorbereiden van dagelijkse maaltijden en het schoonhouden van kookgerei via het doen van de afwas plus bediening en onderhoud apparatuur; het afvoeren van afval; het verzorgen van andere aspecten van het huishouden zoals planten en dieren voor zover beperkt (gemiddeld en binnenshuis) en mee te nemen bij de werkzaamheden. In bijzondere situaties kan ook het opvangen en verzorgen van kleine kinderen tot het huishouden behoren. Bij alle activiteiten wordt uitgegaan van de dagelijkse gang van zaken, gebruikmakend van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen (zoals schoonmaakmiddelen, een (af)wasmachine of een droger) op een gemiddeld via een systeem van normtijden vastgesteld niveau. Ondersteuning bij het schoonhouden hoeft niet altijd geboden te worden met een aantal uren huishoudelijke hulp per week. Ook een glazenwasser of een schoonmaakbedrijf kan een deel van het werk doen. Als het te behalen resultaat “een schoon huis” maar gerealiseerd wordt. Bijkomend effect kan zijn dat een burger actiever en fitter blijft door het huishouden zoveel als mogelijk zelf te doen. Dit voorbeeld illustreert dat de persoonlijke situatie van een burger steeds leidend is bij het bedenken van een oplossing. De hulp bij het huishouden zal als resultaat hebben dat een aanvrager beschikt over een schoon huis dat leefbaar is voor hem en zijn gezinsgenoten. Daarbij richt de hulp bij het huishouden zich op de volgende onderdelen: Iedere burger kan beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften Met dit resultaat verplichten gemeenten zich om burgers zodanig te compenseren dat zij voorzien zijn van de dagelijkse benodigde hoeveelheden voedsel. Ook toilet- en schoonmaakartikelen moeten aanwezig zijn. Deze dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Ook hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van een burger een grote rol. Het eigen netwerk kan soms een oplossing bieden. Als het eigen netwerk zoals familie, vrienden en buren niet of onvoldoende kan helpen kan een ondersteuningsvraag aan de orde zijn. Gebruikmaken van een boodschappenservice kan dan een goede oplossing zijn, waarbij wel wordt opgelet dat de supermarkt qua prijsbeleid past bij de burger. Onder primaire levensbehoeften verstaan we ook de maaltijden. Ondersteuning betekent niet per definitie hulp bij het zelf bereiden van de maaltijden. Ondersteuning wordt geboden door allereerst te onderzoeken of een voorliggende voorziening een passende oplossing biedt. Ondersteuning betekent niet per definitie hulp bij het zelf bereiden van de maaltijden. Ondersteuning wordt geboden door allereerst te onderzoeken of een voorliggende voorziening een passende oplossing biedt. Een maaltijdservice of een mogelijkheid van gezamenlijke maaltijden in een dorps- of buurthuis. Voorliggende voorzieningen op het gebied van warme maaltijden kunnen zijn: kant-en-klaar maaltijden uit supermarkt, of aan huis bezorgde maaltijden door derden (bijvoorbeeld tafeltje dekje). Iedere burger kan beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding Gemeenten ondersteunen burgers die beperkingen ondervinden bij het op orde houden van kleding (wassen en strijken). Dit kan als onderdeel van hulp bij het huishouden, maar gemeenten of derden kunnen ook een specifiek aanbod van was- en strijkservice bieden. Als het een probleem is om naar een kledingwinkel te gaan, en dat probleem kan niet binnen het eigen netwerk worden opgelost, dan kan een ondersteuningsvraag bij de gemeente gelegd worden. Persoonlijke begeleiding bij het kopen van kleding valt niet onder afdwingbare compensatie. De wijze waarop deze ondersteuning wel wordt geboden is weer afhankelijk van de gezamenlijk door de burger en gemeente bedachte oplossing, zoals een postorderbedrijf, internet shopping of vrijwillige inzet. Als mobiliteit het probleem is kan gedacht worden aan het regelen van vervoer met een boodschappenbus of buurtbus. Iedere burger kan thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Ouders die beperkingen ondervinden bij het voeren van een huishouden en daardoor niet kunnen zorgen voor hun gezonde kinderen, kunnen ondersteuning aanvragen. Als gezegd is compensatie bedoeld als ondersteuning bij het voeren van het huishouden, waaronder de dagelijkse, gebruikelijke zorg voor gezonde kinderen. Uitgangspunt is steeds dat de ouders zelf verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de kinderen. Ondersteuning via de Wmo is alleen afdwingbaar als beide ouders hun mogelijkheden volledig gebruiken en optimaal gebruik gemaakt wordt van voorliggende voorzieningen zoals vormen van kinderopvang of zorgverlof. Een ouder die bij de dagelijkse verzorging van eigen kind(eren) alleen beperkingen ondervindt op het gebied van mobiliteit en daardoor problemen heeft met begeleiden van een kind naar school of andere activiteiten, mag compenserende maatregelen verwachten van de gemeente. Opvoedingsondersteuning en zorg voor niet gezonde kinderen vallen onder een voorliggende voorziening, zoals opvoedbureau of Centrum voor Jeugd en Gezin. Iedere burger kan wonen in een voor hem /haar (leefbaar/ geschikt) huis Dit resultaat gaat over noodzakelijke aanpassingen aan een woning. Het verwerven van een op zich geschikte woning, koop of huur, blijft uiteraard altijd een eigen verantwoordelijkheid. Ook als het gaat om een gewenste extra woning, of een tweede woning op het erf om mantelzorgtaken op zich te nemen is de burger zelf aan zet. De gemeente moet het wel tot haar taak rekenen om dit soort situaties bijvoorbeeld de verstrekking van een vergunning voor al dan niet tijdelijke (maximaal 5 jaar) huisvesting (kangoeroe woning) soepel te laten verlopen. Dus van een burger mag een verantwoorde keuze voor een woning verwacht worden. Alleen als daaraan voldaan is, kan de gemeente gehouden worden aanpassingen aan de woning te realiseren. Maar ook hier gaat het er om wat redelijkerwijs verwacht mag worden. De specifieke kindvoorzieningen staan vermeld bij 5.4 De eerste vier resultaten van het eerste domein “een huishouden voeren” kunnen leiden tot voorzieningen. 4.1 Welke voorzieningen zijn mogelijk? Bij het domein “Een huishouden voeren” zijn op basis van de verordening de volgende voorzieningen mogelijk: Een algemene (of collectieve) voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; Hulp bij het huishouden in natura; Een persoonsgebonden budget (al dan niet met ondersteuning) te besteden aan hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt als algemene of collectieve hulp bij het huishouden in de gemeente niet bestaat, niet mogelijk is of niet tot het gewenste resultaat leidt. Dit zal zo zijn als de noodzakelijke hulp de 4-6 weken te boven gaat, indien het niet om een lichte, niet complexe vraagstelling gaat en als het geen incidenteel, maar een blijvend probleem betreft. De beoordeling voor hulp bij het huishouden in natura of voor een persoonsgebonden budget is volledig gelijk: het verschil zit hem uitsluitend in de wijze waarop de vraag wordt ingevuld. Onder hulp in natura wordt verstaan dat de resultaatsverplichting leidt tot het inschakelen van een instelling die de noodzakelijke werkzaamheden voor zijn rekening neemt. Onder een persoonsgebonden budget wordt verstaan dat om het resultaat te bereiken door de gemeente een geldbedrag ter beschikking wordt gesteld met welk bedrag betrokkene zelf iemand contracteert om de werkzaamheden te verrichten. Daarbij bestaat de keuze uit een tweetal mogelijkheden het persoonsgebonden budget in te vullen: men kan kiezen tussen een situatie waarbij er een verhouding opdrachtgever – opdrachtnemer ontstaat (waarbij de helpende niet in loondienst komt) of een situatie die in de Wmo omschreven is als “een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij sprake is van de Regeling diensten aan huis. Wat betreft deze beide keuzemogelijkheden dient de gemeente betrokkenen uitgebreid te informeren. Om te beoordelen of een aanvraag om hulp bij het huishouden (huishoudelijke zorg) gehonoreerd kan worden wordt een onderzoek verricht naar de volgende vragen: Wat is de reden dat betrokkene het huishoudelijk werk geheel of gedeeltelijk niet zelf kan verrichten? Is deze reden (medisch/ psychisch) te objectiveren? Zijn er wettelijk voorliggende voorzieningen om het probleem op te lossen? Heeft betrokkene zelf nog (andere) mogelijkheden om het probleem op te lossen, bijvoorbeeld via familie, vrijwilligers, of financiële draagkracht? Zijn er algemeen gebruikelijke voorzieningen die het probleem (deels) kunnen oplossen? Is er sprake van gebruikelijke zorg (zie onder 4.2) Als na beantwoording van deze vragen het probleem blijft bestaan zal het de taak van de gemeente zijn het probleem op te lossen. 4.2 Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden Artikel 9 van de verordening bepaalt dat “Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is afkomstig uit de regels zoals die ook onder de AWBZ al werden gehanteerd. Van deze huisgenoten moet redelijkerwijs kunnen worden gevraagd dat zij huishoudelijk werk verrichten. Dit is altijd in het individuele geval te bepalen. Bij de Wmo heeft de gemeente een resultaatsverplichting, dat wil zeggen dat het resultaat primair van belang is. Bij gebruikelijke zorg gaat het om een probleem dat is ontstaan doordat degene die gewend is voor het huishouden te zorgen dit al dan niet tijdelijk niet meer kan doen. De eerste stap bij het zoeken van een oplossing is dan om te kijken naar de mogelijkheden van de huisgenoten. Zijn die huisgenoten in staat het huishoudelijk werk, bijvoorbeeld door een herverdeling van taken, over te nemen? Dat zal de eerste vraag zijn in dit soort situaties, omdat het in Nederland nu eenmaal zo is dat de huisgenoten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het huishouden. Dat geldt voor gezinnen met kinderen, al dan niet in de situatie dat beide ouders werken. Maar het geldt ook voor een gezin met een gehandicapt gezinslid. Eerst wordt bekeken of een herverdeling van taken mogelijk is. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen die ouder is dan 18 jaar in staat is huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Onder de 18 jaar wordt men verondersteld de eigen kamer bij te houden en hand- en spandiensten te verrichten zoals het helpen bij het tafeldekken, de afwas, het doen van beperkte boodschappen enz. De leeftijd van 18 jaar is gekozen als grensleeftijd omdat veel jongeren ouder dan 18 jaar zelfstandig gaan wonen en dan ook daadwerkelijk een eigen huishouden moet runnen. Met al deze zaken kan rekening worden gehouden bij de indicatie. Géén reden om geen gebruikelijke zorg te hoeven doen Het hebben van een baan, een studie, veel tijd besteden aan hobby’s of vrijwilligerswerk is in principe geen reden om geen gebruikelijke zorg te hoeven doen: immers: iedereen, alleenstaand, samenwonend, gehuwd, met of zonder werk, met of zonder veel activiteiten in zijn of haar vrije tijd is verantwoordelijk voor het gezamenlijke huishouden. Hier vormt een handicap geen uitzondering op. Het is immers niet onredelijk te vragen keuzen te maken om het huishouden draaiende te houden. Zo wordt er geen rekening gehouden met werkenden met een zeer drukke baan, een particuliere hulp kan in deze een uitkomst bieden. In elke individuele situatie zal bekeken moeten worden of ook in die situatie het redelijk is gebruikelijke zorg te veronderstellen. In gelijke gevallen en gelijke situaties moet gelijk beleid worden gevoerd. Uitzonderingen zullen ook niet zo snel gemaakt worden, tenzij het gaat om huisgenoten die ook echt de gebruikelijke zorg niet waar kunnen maken omdat zij dagen achtereen afwezig zijn. Bijvoorbeeld als een persoon die vanwege het verplichtend karakter van zijn/haar baan langer van huis is dan 7 dagen en/of nachten. 4.2.1 Omvang van de hulp bij het huishouden Het gaat uitdrukkelijk alleen om personen die “niet toevallig” bij elkaar wonen: zoals een huis met studenten of iemand die een kamer huurt. In de eerste situatie is ieder verantwoordelijk voor zijn eigen deel en zijn eigen aandeel, in de tweede situatie hoort het huishoudelijk werk (al dan niet deels) bij het huren van de kamer. Uitzonderingen zijn er ook. Bijvoorbeeld in de situatie van een woon- en leefgemeenschap. Daar is weliswaar bewust gekozen voor het bij elkaar gaan wonen, maar is ook sprake van een taakverdeling (er worden taken voor elkaar verricht). Hierbij moet dus vooral gekeken worden wat aan eigen taken in deeigen ruimte niet meer gedaan kan worden. Als er bij een beoordeling sprake blijkt te zijn van gebruikelijke zorg en er geen situatie bestaat dat hier een uitzondering op gemaakt moet worden, is er een oplossing voorhanden in de vorm van het herverdelen van taken en zal geen hulp geboden worden op basis van de Wmo. Als er geen gebruikelijke zorg mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het gaat om een alleenstaande, of omdat de huisgenoten daar zelf ook niet toe in staat zijn, moet bepaald worden hoeveel hulp er noodzakelijk is om de taken over te nemen of te ondersteunen die niet verricht kunnen worden. Ook hierbij is van belang dat het in de Wmo gaat om het resultaat: er moet een schoon huis zijn, er moet een maaltijd zijn, de was moet gedaan worden, enz. Onder de AWBZ en ook vanaf de invoering van de Wmo is hierbij altijd gewerkt met normtijden. De normtijden zijn tot stand gekomen door overleg tussen de instellingen voor thuiszorg en de indicatieorganen. Daarbij wordt uitgegaan van individuele werkenden. Deze normering is nodig om een uitgangspunt te hebben en (eindeloze) discussie te voorkomen over de benodigde tijd voor activiteiten (zie 4.6). De Centrale Raad is van mening dat dit systeem als uitgangspunt van te verlenen hulp gebruikt kan worden. Daarbij worden de normen aangelegd zoals die op de dag van vandaag in Nederland gelden. Met andere woorden: was het vroeger normaal dat elke dag het toilet werd schoongemaakt en dat elke dag de stofzuiger door het huis ging, tegenwoordig is dat niet meer zo en daarom wordt van huidige normen uitgegaan. Er zijn modernere middelen waardoor schoonmaken anders kan gebeuren. In bijzondere situaties kan gemotiveerd altijd naar boven of naar beneden worden afgeweken, mits aan de resultaatsverplichting voldaan wordt: de hulp moet leiden tot een schoon huis, schone kleding, (indien van toepassing) beschikbare maaltijden enz. Het is niet zo dat onbeperkt aan allerlei eisen tegemoetgekomen kan worden. Aan welke eisen wel tegemoet gekomen wordt is een individuele afweging. Uitgangspunt is daarbij een “gemiddelde situatie”. Dit wil zeggen dat woningen die veel groter zijn dan woningen in de sociale woningbouw over het algemeen niet per definitie volledig vallen onder de compensatieplicht. In een individuele beoordeling zal afgewogen moeten worden of bijvoorbeeld niet gebruikte ruimten of ruimten die niet noodzakelijkerwijs gebruikt hoeven te worden mee moeten worden genomen in de bepaling van de omvang van de noodzakelijke hulp/zorg. Daar staat tegenover dat zeer kleine woningen tot een reductie van tijd kunnen leiden. 4.3 Wettelijk voorliggende voorzieningen Wettelijk voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen die op basis van andere wettelijke regelingen een oplossing voor het probleem kunnen bieden, bijvoorbeeld vanuit de Ziektekostenverzekering of de AWBZ. Dit is bepaald in artikel 2 Wmo. 4.3.1 Verblijf in een AWBZ-instelling In de AWBZ wordt een indicatie afgegeven voor verblijf met verpleging, verzorging, huishoudelijke hulp en begeleiding in de zogenaamde Zorg Zwaarte Pakketten (ZZP). Indien mensen zijn opgenomen in een AWBZ-instelling dan wordt de hulp bij het huishouden door deze AWBZ-instelling geboden. Wanneer mensen niet het verblijf verzilveren, dus zelfstandig blijven wonen, dan kan men met een zorgaanbieder (zorg in natura) overeenkomen deze ZZP ook thuis te ontvangen. In dat geval is er sprake van een Volledig Pakket Thuis (VPT). Deze afspraken dienen vast gelegd te worden met de zorgaanbieder. Heeft men een ZZP indicatie van ná 01-01-2009 en heeft men de voorkeur voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wil men ook de functie verblijf verzilveren met een pgb dan komt de hulp bij het huishouden van de AWBZ. De functie verblijf kan worden verzilverd met een pgb maar hoeft niet. Dit geldt dus alleen voor indicatie van ná 01-01-2009, voor oudere AWBZ indicaties niet. 4.3.2 Thuiszorg en de ZZP (extramurale zorg) Wil men niet het verblijf verzilveren maar wel de verzorging, verpleging en begeleiding in de thuissituatie ontvangen dan spreekt men over extramurale AWBZ-zorg. In dat geval is de hulp bij het huishouden een voorziening uit de Wmo. 4.3.3 Hospicezorg en Wmo Een ZZP is een andere wijze om de financiering van instellingen vast te stellen, maar de uitkomst daarvan is een verblijfsindicatie, en daar zit hulp bij het huishouden in, tenminste als men die indicatie verzilvert in een erkende instelling. Indien de palliatief terminale zorg (PTZ-indicatie) verzilverd wordt bij een extramurale zorgaanbieder dan komt de hulp bij het huishouden indien wenselijk uit de Wmo. In onderstaand schema is een en ander overzichtelijk opgenomen: Wijze van verzilvering Datum indicatiestelling verblijf HV AWBZ of HH Wmo Bijzonderheden/ opmerking 1.Intramuraal Geen onderscheid op datum HV AWBZ Tijdens periode van overbruggingszorg voorafgaand aan opname (max. half jaar): dan HH Wmo (want: extramurale zorg). 2.pgb Vóór 1-1-2009 HH Wmo Dit loopt door tot cliënt herindicatie krijgt. Gemeenten worden niet altijd op de hoogte gesteld en blijven soms daarna ook de HH leveren. 3.pgb Na 1-1-2009 HV AWBZ Cliënt mag pgb besteden aan HV, maar krijgt hiervoor geen extra budget. 4.VPT Geen onderscheid op datum HV AWBZ Gemeenten weten niet altijd dat cliënt hiervoor kiest en blijven HH verzorgen. 5.Langdurig thuis (ZZP vertaald naar extramurale f/
- k)Geen onderscheid op datum HH Wmo Dit is extramurale zorg en daarom ten laste van Wmo. Zie bericht op Wmo-site. Toelichting: het gaat in alle gevallen om iemand met een indicatie in een ZZP-klasse. Dat is dus een indicatie waarbij intramurale opname noodzakelijk geacht wordt. Ad 1: wie intramuraal in een AWBZ-erkende instelling is opgenomen valt wat betreft de HH onder de AWBZ, omdat de functie verblijf ook het schoonhouden bevat. Wie op de wachtlijst staat valt tijdens die periode onder de Wmo met een maximum van een half jaar! De term HV (Huishoudelijke Verzorging) is afkomstig uit de AWBZ voor de Wmo. Ad 2 en 3: bij wie een ZZP heeft en dat omzet in een pgb om thuis te blijven wonen wordt de indicatiedatum belangrijk. Is die vóór 1 januari 2009, dan moet de Wmo voor de HH zorgen, is de indicatiedatum ná 1 januari 2009, dan valt de HH onder de AWBZ. Hier geldt: je moet dus als gemeente weten dat iemand met een ZZP-indicatie van ná 1 januari 2009 thuis woont. Ad 4: wie een VPT (Volledig Pakket zorg Thuis) heeft – en dat moet een instelling willen, daar kan men dus niet voor kiezen of het is niet afdwingbaar bij een instelling! – heeft valt wat betreft de HH onder de AWBZ. Dat moet je dus als gemeente weten. Ad 5: er is nog een groep die een oude indicatie in functies heeft waaronder Vb (verblijf). Hiervoor geldt dat die persoon gewoon zelfstandig woont. HH is dan voor de Wmo. Na herindicatie zal dat een ZZP worden van na 1 januari 2009 zodat dan de HH overgaat van gemeente naar AWBZ. Uit dit schema is duidelijk dat alles staat en valt met de kennis bij gemeenten over een eventuele indicatie ZZP en wat daarmee is gebeurd. Is de indicatie van na 1 januari 2009 en is die omgezet in een pgb? Of is er sprake van VPT? Dat is bepalend wie voor HH zorgt. 4.4 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen zullen vaker voorkomen. Het gaat daarbij om mogelijkheden die voor iedere inwoner van Nederland in zijn eigen gemeente beschikbaar zijn. Te denken valt aan bijvoorbeeld kinderopvang, maaltijddiensten of de glazenwasser. Maar ook een boodschappenservice van de supermarkt, een klussendienst en een was- en strijkservice zijn in onze gemeente beschikbaar. Daarbij gelden op basis van jurisprudentie een aantal voorwaarden. Allereerst moet de voorliggende voorziening ook daadwerkelijk aanwezig zijn. Dat zal dan ook vast moeten staan. Is daar twijfel over, dan zal dat onderzocht moeten worden: je moet er in dit concrete geval gebruik van kunnen maken. Vervolgens zal ook naar de financiële consequenties gekeken moeten worden. Uitgegaan kan worden van het standpunt dat de financiële consequenties (zeer) beperkt moeten zijn. Daarbij zal de vergelijking met mensen die geen handicap hebben een belangrijk toetsingsinstrument kunnen zijn. De bijstandsnorm dient hierbij als uitgangspunt. 4.5 Eigen mogelijkheden Vervolgens kan beoordeeld worden op iemand zelf nog mogelijkheden heeft het probleem op te lossen. Dat kunnen bijvoorbeeld financiële mogelijkheden zijn. Doordat er eigen bijdragen gevraagd kunnen worden zal voor een bepaalde groep gelden dat de te betalen eigen bijdrage even groot is als de kosten van de hulp in natura of het toe te kennen pgb. In die situatie kan gesteld worden dat iemand financieel zelf in staat is het probleem op te lossen. Het zou kunnen dat men wel het geld heeft, maar niet de capaciteit om een en ander praktisch te regelen. In die situatie zal de resultaatsverplichting van de gemeente zich kunnen beperken tot het organiseren van de hulp waar na iemand de hulp verder zelf bekostigt. Op het moment dat iemand ten tijde van de aanvraag (gedeeltelijk) zelf al hulp heeft geregeld, bijvoorbeeld door zelf een particuliere hulp in te huren of door mantelzorg wordt dit eveneens in de beoordeling meegenomen. 4.6 Normtijden voor hulp bij het voeren van een huishouden Er zijn twee soorten hulp bij het huishouden: HH1: Hulp bij huishoudelijke werkzaamheden, het gaat hier om het uitvoeren van licht en zwaar huishoudelijk werk, zoals schoonmaken, de was doen en een maaltijd bereiden. HH2: In dit geval is er naast de uitvoering van licht en zwaar huishoudelijk werk zoals bij HH1 ook nog meer ondersteuning nodig. Voorbeelden hiervan zijn de kinderen in huis helpen met zelfverzorging, of het overnemen van de dagelijkse organisatie van het huishouden. In het overzicht hieronder staan de normtijden aangegeven voor de verschillende activiteiten binnen zowel HH1 als HH2. Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend. Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend. Indien de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend. Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen bedraagt 60 tot 150 minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet gehonoreerd. Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen kunnen gehonoreerd worden. Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig. Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken) tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad. Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend. Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend. Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen tussen 60 minuten en 120 minuten. Licht poetswerk in huis, kamers opruimen Hieronder vallen de volgende activiteiten: Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30 minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer. Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer. Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot extra rommel kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten. Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten. Zwaar huishoudelijk werk Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval. Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van 3 uur per week. In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd. Verzorging kleding/linnengoed Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen, strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed. Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen 90 minuten per week. Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van éénmaal per week. Organisatie van het huishouden (specifiek bij HH2) Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden. Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk, maximaal 3 maanden, niet in staat is de ouderrol op zich te nemen. In deze periode wordt de gelegenheid geboden om zelf een oplossing te zoeken. Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten. Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende activiteiten. Dagelijkse organisatie van het huishouden (specifiek bij HH2) Lichte administratieve werkzaamheden, zoals de dagelijkse post, organiseren, plannen en beheren van middelen. Indien hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd. Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten. Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen (specifiek bij HH2) Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking tot huishouding, helpen verkrijgen en handhaven structuur in het huishouden, helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget, begeleiden ouders bij opvoering (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding kinderen. Omvang 30 minuten per week. Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden (specifiek bij HH2) Instructie omgaan met hulpmiddelen, instructie licht huishoudelijk werk, instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen, instructie koken. Maximaal 30 minuten per week. In 3x per week maximaal 6 weken. Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd. 4.6.1 Uren en minuten of klassen De vaststelling van de hulp die noodzakelijk is om aan de resultaatsverplichting te voldoen zal nog vrijwel altijd gebeuren in uren en minuten. Bij zorg in natura wordt daarbij gewerkt met klassen. Hierbij wordt een klasse toegekend waarbinnen het noodzakelijke aantal uren zich bevindt. Bij een persoonsgebonden budget wordt niet meer in klassen gewerkt, het budget wordt bepaald aan de hand van de daadwerkelijk noodzakelijke uren. Hierbij wordt op hele of halve uren afgerond. Is aan alle voorwaarden voldaan, dan kan bij beschikking meegedeeld worden op welke wijze het bestaande probleem opgelost kan worden. Daarbij wordt aangegeven welke stappen doorlopen zijn en welk eindresultaat leidt tot het gewenste resultaat: een schoon en leefbaar huis. Gaat het om zorg in natura dan kan de instelling die betrokkene – uit de mogelijke instellingen - kiest op de hoogte gebracht worden. Gaat het om een persoonsgebonden budget dan kan – nadat nagegaan is of er geen overwegende bezwaren zijn die zich verzetten tegen een persoonsgebonden budget – het bedrag op de gebruikelijke wijze beschikbaar worden gesteld. 4.7 Ondersteuning bij psychosociale begeleiding In verband met veranderingen in de AWBZ (onder meer het wegvallen van de Ondersteunende Begeleiding met een psychosociale grondslag) wordt per geval een maatwerkoplossing gezocht wanneer er sprake is van een individuele noodzaak. Het vijfde resultaat van het eerste domein “een huishouden voeren” iedere burger kan wonen in een voor hem/ haar (leefbaar/ geschikt) huis. 4.8 Compensatieplicht bij woonvoorzieningen In een aantal situaties zal geen sprake zijn van compensatieplicht, omdat in die situaties sprake is van voorzienbaarheid of een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de compensatieplicht in het kader van de Wmo. In artikel 20 lid 1 van de verordening is bepaald dat een woonvoorziening slechts wordt verleend, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. In verband hiermee is een woonvoorziening niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. In deze opsomming gaat het enerzijds om woonsituaties die niet bestaan uit een permanent zelfstandig woonverblijf, zoals hotels en pensions, kamerverhuur, tweede woningen, vakantiewoningen en recreatiewoningen. Daarnaast gaat het ook om bijzondere woonsituaties zoals leefgemeenschappen en trekkerswoonwagens. Tot slot betreft het situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voor de doelgroep noodzakelijke (basis) voorzieningen standaard aanwezig zijn conform de normen welke gelden voor nieuwbouwwoningen. Gedacht kan worden aan de volgende voorzieningen bij/voor ouderen, gehandicapten en levensloopbestendige woningen. Deze opsomming is een leidraad en niet limitatief. Het toegangspad naar de woning is voldoende breed, vlak en anti-slip (rollator/rolstoel geschikt); Er is een buitenlamp aanwezig; Toegang tot een wooncomplex middels volledig automatische deuren met voldoende vertraging bij het sluiten; De drempels van meest gebruikte buitendeuren zijn max. 20mm; De deuren zijn extra breed (voor rolstoel of rollator gebruik); De eventuele trap heeft aan beide zijden leuningen; Lage drempels van max. 20mm bij badkamer en toilet; In de badkamer is een thermostaatkraan aanwezig; Overige kranen zijn ééngreepskranen (hendel); In de badkamer is een stevige doucheglijstang aanwezig; Naast de douche is een beugel aanwezig; In de doucheruimte is een douchezitje aanwezig; De vloeren van badkamer en toilet zijn anti-slip en volledig vlak; De lichtschakelaars en stopcontacten zitten tussen 800mm en 1200mm hoogte; Ramen zijn eenvoudig en licht te openen; Onder binnendeuren zijn geen drempels aanwezig; De bewoner kan zonder voordeur te openen zien wie voor de deur staat; Een deurmat achter de voordeur is goed geïntegreerd met vloerafwerking; Er is op een eventuele etage een tweede toilet aanwezig; De badkamer is voldoende groot voor evt. hulp; Naast het toilet zijn beugels aanwezig; Het toilet is voorzien van een verhoogde toiletpot; Minimaal één lichtschakelaar is vanuit bed bedienaar. Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. Hierbij moet uiteraard wel nagegaan worden of er sprake is van een situatie waarin de hardheidsclausule gebruikt moet worden. Een speciale positie nemen vakantiewoningen in. Vakantiewoningen zijn uitgesloten van aanpassing omdat zij niet bestemd zijn voor permanente bewoning. Er zijn echter personen die permanent wonen in een recreatiewoning, hoewel dat op basis van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Jurisprudentie leert dat woonvoorzieningen in die situatie afgewezen kunnen worden als de recreatiewoning niet voldoet aan de eisen van een woning geschikt voor permanente bewoning. Immers, de maatvoering maakt dan een adequaat aanpassen van de woning onmogelijk. Toch zal ook in deze situatie individuele beoordeling plaats moeten vinden. Situaties waarin bewoning gedoogd wordt zijn nog lastiger. Dan is aanpassing in principe mogelijk, zij het ook dan dat de woning wel geschikt moet zijn voor permanente bewoning, omdat aanpassing anders evenmin tot een adequate situatie zal leiden. 4.9 Vormen van woonvoorzieningen Gaat het om een woonvoorziening die wel onder de reikwijdte van de Wmo valt, dan geldt dat de gemeente compensatieplicht heeft. De gemeente kan hierbij beschikken over een aantal mogelijke oplossingen, die op basis van de Verordening als volgt gerealiseerd kunnen worden: als algemene woonvoorziening; als woonvoorziening in natura; als woonvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget; als woonvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Nieuw in de Wmo ten opzichte van de Wvg is de groep met de zogeheten psychosociale problemen. Wat de invloed van deze groep op de uitvoering van de Wmo zal zijn is nog niet duidelijk. Het is de vraag of iemand die ruzie heeft of maakt met zijn buren in aanmerking moet komen voor een Wmo-verstrekking. Je kunt je wel afvragen of ook bij psychosociale problemen de aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek geen rol zullen blijven spelen. De toekomstige jurisprudentie zal dit uit moeten wijzen. Duidelijk is wel dat het zal gaan om een persoon met beperkingen, zij het dan op psychosociale basis. 4.9.1 Algemene woonvoorzieningen De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen bedoeld voor situaties die betrekking hebben op lichte, niet complexe voorzieningen, op incidentele (zorg)behoeften of oplossingen die van korte duur zijn. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Wel dient gezien leeftijd, woonsituatie en inkomen te worden geanticipeerd op de omstandigheden en kan worden vastgesteld dat de gevraagde voorziening voor een persoon als aanvrager algemeen gebruikelijk is. 4.9.2 Individuele woonvoorzieningen Als een algemene voorziening niet de oplossing is voor het woonprobleem, zal een aanvraag voor een andere woonvoorziening kunnen worden ingediend. In dat geval komen de onder artikel 17 van de verordening genoemde verstrekkingmogelijkheden in aanmerking. Onder deze verstrekkingmogelijkheden kunnen de volgende concrete voorzieningen vallen: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; (ten aanzien van deze categorie moet dan gedacht worden aan o.a.: verrijdbare douche/toiletstoelen, rolstoeltapijt, patiëntenliften en woningsanering als gevolg van chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen: allergie, COPD en Astma. een uitraasruimte. 4.10 Primaat verhuizing Artikel 10, lid 4 van de verordening regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een al aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. In de jurisprudentie uit de tijd van de Wvg is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. Het verschil tussen Wvg en Wmo zal wel betekenen dat veel meer beoordeeld moet worden of in deze concrete situatie van deze persoon gevraagd mag worden te verhuizen. Want bij het hanteren van het primaat van de verhuizing gaat het om een financiële afweging van de kant van de gemeente. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst compenserende oplossing. Aan de andere kant van de afweging zal rekening gehouden moeten worden met de individuele behoeften en wensen van de aanvrager. Zonder een afgewogen beoordeling van het een tegenover het ander zal een besluit snel als onzorgvuldig beoordeeld worden. Er zijn ook vanuit de jurisprudentie grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, vooral op het gebied van de woonlasten, de tijd waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, moet het ook zo zijn dat het resultaat van de verhuizing is dat betrokkene op een normale manier kan wonen. Als daarvan sprake is heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. 4.10.1 De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatieadvies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. 4.10.2 Sociale factoren en verhuizen Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen, mantelzorg en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces. De sociale omstandigheden moeten in het indicatieonderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk “aan huis” heeft (eigen bedrijf), moeten de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. Met de wetswijziging van 1 januari 2010 heeft in artikel 4, lid 2 Wmo een kleine toevoeging plaatsgevonden. Na “en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen” wordt ingevoegd: “waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie”. Dit bij amendement in de wetswijziging ingebrachte onderdeel is bedoeld om een normale “wooncarrière” mogelijk te maken, ook als er wordt verhuisd van een adequate naar een minder- of inadequate woning. Hierbij gelden uiteraard wel voorwaarden: deze wijziging kan geen vrijbrief zijn zomaar naar elke zeer ongeschikte woning te verhuizen. Er mag verwacht worden dat gezocht is naar de meest geschikte woning en dat dit ook te onderbouwen is en verder mag verwacht worden dat voordat tot koop of huur overgegaan wordt, overleg met de gemeente wordt gevoerd. 4.10.3 Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapte Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het financiële gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft (wellicht) meer emotionele of financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten echter zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. 4.10.4 Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kosten afweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al bewoonde woonruimte; de kosten van het verhuizen; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning; een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging (ook andere factoren kunnen een rol spelen). 4.10.5 De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing Er kan ook rekening gehouden worden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen. Een hergebruikbeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen; De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen; Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing of aanpassen. 4.10.6 Het weigeren van een geschikte woning Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: men wil graag blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de boven omschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden, met andere woorden, wat het resultaat is. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. 4.10.7 Primaat Verhuizen en verhuiskostenvergoeding Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizen, dan kan men wellicht voor een verhuiskostenvergoeding in aanmerking komen. Een verhuiskostenvergoeding kan als forfaitaire financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget toegekend worden. Dit is mogelijk in drie situaties aan de orde: De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst compenserende oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. 4.10.8 Een forfaitaire financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten Een forfaitaire financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst compenserende alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezin- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als (jong)volwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren. 4.10.9 Verhuizen naar AWBZ- of zorginstellingen Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning. 4.10.10 Het vrijmaken van een woning op verzoek van het college Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, dat door middel van een verhuizing op de goedkoopst compenserende manier kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten. 4.10.11 Verhuizen om psychosociale redenen Omdat de doelgroep van de Wmo groter is dan uitsluitend de personen die ten gevolge van een handicap problemen hebben met het normale gebruik van de woning is het de vraag welke psychosociale redenen aanleiding zouden kunnen zijn voor het toekennen van een verhuiskostenvergoeding. Psychosociale problemen, die verder zullen moeten gaan dan een burenruzie, zullen geobjectiveerd moeten worden door een arts, een psychiater of een gedragsdeskundige zoals een psycholoog of (ortho)pedagoog. Hierbij zal advies gevraagd worden aan onafhankelijke beoordelaars, niet aan de behandelende deskundigen. Het college verstrekt in beginsel geen forfaitaire financiële tegemoetkoming of geen persoonsgebonden budget voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt. Tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing. 4.11 Beoordelen mogelijkheid losse woonunit Wordt het te bereiken resultaat niet via een verhuizing bereikt, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Zodra een verblijfsindicatie bestaat of kan bestaan voor verblijf in een verpleeghuis dient dit in de afweging om te komen tot plaatsing van een unit of andere woningaanpassing te worden meegenomen. (goedkoopst compenserende voorziening). Deze (voorliggende) mogelijkheid als goedkoopst compenserende oplossing heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van deze voorziening gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld dat er voldoende ruimte voor is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel (kan goedkoopst compenserende oplossing zijn). Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan voor zorgen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt terug gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Ook bij het toekennen van een losse woonunit staat het resultaat centraal, dat wil zeggen dat beoordeeld zal moeten worden of de losse unit de problemen bij het normale gebruik van de woning voldoende oplost. De weerstand tegen losse woonunits kan groot zijn. Ook op dit punt zal weer een zorgvuldige afweging gemaakt moeten worden. Maar anders dan bij het primaat van de verhuizing zal het in deze situatie minder snel voorkomen dat afgezien zal moeten worden van het plaatsen van een losse unit. In principe zal de oplossing immers gelijk kunnen zijn aan een aanbouw. Het verschil zal primair gelegen zijn in het gegeven dat de woning niet blijvend van een aanbouw voorzien zal zijn. Maar om voor een bepaalde aanvrager het resultaat te bereiken dat zijn woonprobleem opgelost is, hoeft die oplossing niet langer te bestaan dan de band die