← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2012 (Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning) (Tubbergen)

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2012 (Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning)Het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning en de artikelen 1:3 en 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, gelet ook op de Verordening maatschappelijke ondersteuning en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2012, meer in het bijzonder op artikel 1.1, eerste lid, aanhef onder o, van dat besluit; besluit: De “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2012 (Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning)” vast te stellen als bijlage bij dit besluit. Dit besluit treedt in werking op de dag na zijn bekendmaking in het Gemeenteblad. Tubbergen, 10 april 2012 Burgemeester en wethouders voornoemd,De secretaris, De burgemeesterdrs. ing. G.B.J. Mensink, mr. M.K.M. StegersBELEIDSREGELS (VERSTREKKKINGENBOEK) MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE TUBBERGEN 2012 Inleiding - Voor u liggen de beleidsregels (het verstrekkingboek), behorende bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen en bij het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen. De beleidsregels zijn een uitwerking van de verordening en het besluit. In de beleidsregels wordt aangegeven hoe in de praktijk vorm wordt gegeven aan de in de verordening en het besluit gestelde regels. Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen is een uitwerking van de verordening, maar dan op het terrein van de financiën en de regeling van het persoonsgebonden budget, verder te noemen het PGB. In de beleidsregels wordt aangegeven hoe een afweging wordt gemaakt om tot een beslissing op een aanvraag te komen en welke zaken daarin een rol moeten spelen. Daarbij is veel aandacht voor het individu en bestaat de mogelijkheid om maatwerk te leveren, mits daar een goede motivering aan ten grondslag ligt. De beleidsregels geven richting aan de voorzieningen waarmee de gemeente beperkingen kan compenseren. De opbouw van de beleidsregels is vergelijkbaar met die van de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Tubbergen en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2012. HOOFDSTUK1 ALGEMENE BEPALINGEN 1.1 Eigen verantwoordelijkheid De gemeente stelt de zelfredzaamheid en het organisatorisch vermogen van personen met beperkingen centraal. Dit betekent dat de gemeente een afweging maakt bij een hulpvraag met betrekking tot de eigen mogelijkheden van de hulpvrager of diens omgeving alvorens ondersteuning te bieden vanuit de compensatieplicht van de gemeente. De eigen verantwoordelijkheid hangt nauw samen met de wijze waarop de gemeente in de verordening en de beleidsregels de compensatieplicht inhoud geeft. Omdat de gemeente in bijzondere omstandigheden voor maatwerk wil staan en niet rigide wil zijn, hebben de medewerkers van de gemeente een cruciale rol in de integrale benadering van de hulpvraag. Voorheen had de gemeente in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) de zorgplicht voor die burgers die ergonomische problemen ondervonden bij hun maatschappelijk functioneren. De Wet maatschappelijke ondersteuning, verder te noemen de Wmo, verlangt dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het oplossen van hun beperkingen. Ook de omgeving van de hulpvrager moet deze verantwoordelijkheid zoveel mogelijk meedragen. Hoe kan een burger de eigen verantwoordelijkheid vormgeven? Een aantal beperkingen kan een burger zelf compenseren door aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening. In artikel 1, lid p van de verordening is de definitie van “algemeen gebruikelijk” beschreven. Deze luidt als volgt: “naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend.” Een elektrische fiets of een verhoogd toilet kan bijvoorbeeld als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperking, is een beroep op de ondersteuning bij de gemeente niet noodzakelijk. De hulpvrager heeft dan zelf de mogelijkheid om ook deze kosten te dragen. Bij het doen van een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de burger moet altijd gekeken worden naar de individuele situatie (maatwerk). Van de ondersteuningsbehoevende wordt verlangd dat hij bij keuzes die hij maakt, rekening houdt met zijn levensfase en de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden. Een ondersteuningsbehoevende moet naar levensfase anticiperen op zijn eigen participatiebehoeften. Er kunnen altijd individuele omstandigheden zijn, waardoor dit geen reëel verlangen is en een beroep op ondersteuning van de gemeente noodzakelijk is. De afwegingen van de gemeente. De gemeente ondersteunt, indien de eigen mogelijkheden niet leiden tot een aanvaardbare oplossing, de hulpvrager door de beperkingen te compenseren. Vanuit deze compensatieplicht maakt de gemeente andere afwegingen. Indien een burger komt met een hulpvraag, maakt de medewerker van de gemeente een afweging aan de hand van de volgende stappen. 1. Vraagverheldering en vraaganalyse De medewerker van de gemeente benadert de hulpvraag niet vanuit het aanbod aan producten. Niet de gevraagde voorziening staat centraal, maar eerst moet helder gesteld zijn wat de beperking van de hulpvrager is. 2. Begeleiden en sturen eigen verantwoordelijkheid Als de beperking in beeld is, worden de mogelijkheden van de hulpvrager bekeken. Kan de hulpvrager zelf (een deel van) de beperking oplossen? Kan de omgeving, de buurt ondersteuning bieden? Wat mogen wij van de klant verwachten? Personen die dat kunnen worden geacht zelf hun beperkingen op te lossen, waarbij de burger: eerst naar de eigen mogelijkheden kijkt; een beroep doet op het eigen netwerk; eigen financiële middelen inzet. 3. Compensatieplicht voor de gemeente Als aanvulling op, dan wel bij het ontbreken van de mogelijkheid om een beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid, biedt de gemeente oplossingen om de problemen in zelfredzaamheid en participatie te compenseren. Na de vaststelling op grond van de drie voormelde stappen dat compensatie in het kader van de Wmo dient te worden geboden, zijn vervolgens de volgende aspecten punt van aandacht. 4. Legitimatie Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en verifiëren kan de gemeente het wenselijk vinden dat personen die een aanvraag indienen voor voorzieningen in het kader van de Wmo zich legitimeren. Dat kan door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag indienen is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de verblijfsrechtelijke status. De volgende documenten worden door de gemeente in ieder geval als geldig identiteitsbewijs aangemerkt. paspoort; Europese identiteitskaart, voor personen met de Nederlandse nationaliteit vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER. Dit zijn de (nieuwe) documenten die zijn uitgegeven op grond van de Vreemdelingenwet 2000, die op 1 april 2001 in werking is getreden; verblijfskaart ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers), voor personen zonder de Nederlandse nationaliteit. Een rijbewijs wordt niet als een geldig legitimatiebewijs aangemerkt, omdat het rijbewijs geen nationaliteit vermeldt. Indien geen geldig legitimatiebewijs wordt overgelegd kan een aanvraag worden afgewezen, omdat het recht op een voorziening niet kan worden vastgesteld. De controle of de persoon met beperkingen op wie de aanvraag betrekking heeft in de gemeente Tubbergen woonachtig is en, op basis van een geldig document of verblijfsvergunning, in aanmerking kan komen voor een Wmo-voorziening, vindt tevens plaats aan de hand van een uitdraai van de gemeentelijke basisadministratie. Kopieën van de voormelde stukken dienen bij de aanvraag en in het persoonsdossier te worden gevoegd. 5. Voorliggende voorzieningen (art. 2 Wmo) Artikel 2 van de Wmo bepaalt dat geen aanspraak op een Wmo-voorziening bestaat voor zover met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot de voorziening, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. De aanspraak op grond van een andere wettelijke bepaling heeft in dat geval voorrang op de Wmo. De wetgever heeft in de Wmo niet gekozen voor een limitatieve opsomming van de wetten en regelingen die voorgaan op de Wmo, omdat die van tijd tot tijd verschillen. In de onderstaande, niet-limitatieve opsomming, staan enkele wetten en regelingen op grond waarvan een persoon wellicht aanspraak kan maken op een voorziening die voorrang hebben op de Wmo: AWBZ; Zorgverzekeringswet; Wet op de jeugdzorg; Regeling tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000); Leerlingenvervoer; Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia); Regeling overige OCW-subsidies. De Wmo kan als een toereikende en passende voorliggende voorziening worden beschouwd ten opzichte van de Wet werk en bijstand (Wwb). Concreet betekent dit dat als de Wmo oproept een bepaalde compensatie aan te bieden, de kosten hiervan niet kunnen worden vergoed op basis van de Wwb (Tweede Kamer 2004-2005, 30 131, nr. 3, p. 30). De Wwb heeft dus geen voorrang op de Wmo. 6. Rechtmatig verblijf (art. 8, lid 1 Wmo) Artikel 8 lid 1 van de Wmo bepaalt dat een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8 onder a t/m e en l van de Vreemdelingenwet 2000, in aanmerking kan komen voor het verlenen van een individuele voorziening. Daarbij gaat het om de volgende vreemdelingen: vreemdelingen met een reguliere verblijfsvergunning; vreemdelingen met een verblijfsvergunning op asielgronden; gemeenschapsonderdanen; vreemdelingen die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Vreemdelingen die zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijven kunnen in beginsel geen aanspraak maken op individuele voorzieningen. Op grond van artikel 8 lid 2 Wmo kan daarop een uitzondering worden gemaakt bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). 7. Individueel onderzoek en individueel maatwerk gaan boven alles In december 2010 deed de Centrale Raad een belangrijke uitspraak over het hanteren van een inkomensgrens in de Wmo in de zaak tegen een gemeente. Deze gemeente had de aanvraag van een bejaarde man voor het collectief vervoer afgewezen op grond van diens inkomen en dit gemotiveerd met het algemeen gebruikelijk zijn van een auto bij een bepaalde inkomensgrens. De man had echter aangegeven vanwege zijn leeftijd geen auto meer te kunnen rijden. De rechter stelde dat de gemeente de aanvraag niet op grond van de inkomensgrens alleen had mogen afwijzen. Ook had de gemeente ten onrechte het collectief vervoer gelijk gesteld met het bezit van een auto. De gemeente had een individueel onderzoek naar de situatie van de aanvrager moeten doen en op die basis tot een passende oplossing moeten komen. Sinds die uitspraak is het duidelijk dat de gemeente bij iedere aanvraag altijd een individueel onderzoek moet doen naar de situatie van de aanvrager en op basis daarvan een individuele afweging moet maken. Een algemene inkomensgrens hanteren voor individuele voorzieningen past per definitie niet bij de opdracht maatwerk te leveren. 1.2 Toekenning en weigering van voorzieningen De eigen verantwoordelijkheid wordt vertaald in toekennings- en weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 2 van de verordening. De verordening vormt zo het raamwerk waarbinnen maatwerk geleverd kan worden. Toekenning van voorzieningen A. Langdurig noodzakelijk (art. 2, lid 1, onder a van de verordening) De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn heeft onder andere te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op de basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, eenmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil echter niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op 6 maanden ligt. Als iemand een beperking heeft die 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat er geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Langdurig noodzakelijk is in principe `voor de rest van het leven`. B. Goedkoopst adequaat (art. 2, lid 1, onder c van de verordening) Het criterium goedkoopst adequaat betekent dat een te verstrekken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Adequaat houdt in dat de voorziening moet voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen zoals die in de (Europese) aanbestedingen zijn vastgelegd, dat de voorziening bruikbaar en toereikend moet zijn en dat de voorziening kwalitatief goed is. Maar ook de eisen die worden gesteld aan de voorziening om voor de aanvrager de beperking te compenseren. Voldoen meerdere voorzieningen aan deze eisen, dan wordt uit die voorzieningen de goedkoopste gekozen. De kwaliteit is op deze wijze gewaarborgd. Voldoen meerdere oplossingen aan het programma van eisen, dan wordt de financiële bijdrage van de gemeente bepaald door de kosten voor de goedkoopste oplossing. Het gaat immers om de besteding van gemeenschapsgeld. Daarnaast speelt bij het beoordelen of een voorziening adequaat is ook mee dat de voorziening door de aanvrager veilig gebruikt moet kunnen worden. Om te bepalen of de voorziening het goedkoopst adequaat is wordt, bijvoorbeeld bij woningaanpassingen, de verplichting opgelegd één of meer offertes op te vragen en te overleggen. C. In overwegende mate op het individu gericht (art. 2, lid 1, onder d van de verordening) Bij compenseren wordt de beperking van de aanvrager in zijn of haar functioneren als uitgangspunt genomen. Weigering van voorzieningen A. Een algemeen gebruikelijke voorziening (art. 2, lid 2, onder a van de verordening) Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft in het verleden vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie overgenomen. Het gaat daarbij om de volgende voorzieningen: die normaal in de handel verkrijgbaar zijn; die op grote schaal door personen zonder beperkingen aangeschaft dan wel gebruikt worden; die niet specifiek voor personen met beperkingen bedoeld en/of ontwikkeld zijn; die niet veel duurder dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel zijn; en kosten als gevolg van een gebeurtenis die niet in direct verband staat met de beperking. De gemeente kan besluiten om toch over te gaan tot het verstrekken van een algemeen gebruikelijke voorziening. De Centrale Raad van Beroep, verder te noemen de CRvB, heeft in dit kader de volgende uitzonderingssituaties benoemd: Als door de beperkingen plotseling zaken vervangen moetenworden, die voorheen adequaat waren en die zonder de beperkingen niet vervangen zouden zijn; Als er door de beperkingen een plotselinge noodzaak is om tot vervanging over te gaan; Als er door de beperkingen een noodzaak is om gelijktijdig meerdere, op zich algemeen gebruikelijke voorzieningen, aan te schaffen; Als er door de beperkingen een noodzaak is om tot aanschaf van een duurdere voorziening over te gaan. Het college moet wel onderzoeken of de aangevraagde voorziening ook voor de persoon van de aanvrager, gezien diens specifieke behoeften en persoonskenmerken, als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd (maatwerk). B. De aanvrager is niet woonachtig in de gemeente Tubbergen (art. 2, lid 2, onder b van de verordening) Het compensatiebeginsel van de gemeente Tubbergen geldt alleen maar ten aanzien van in de gemeente woonachtige aanvragers. C. Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (art. 2, lid 2, onder d van de verordening) Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft kan een groter huis bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt indien de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden in de regel beheerst: uitgangspunt is het niveau van sociale woningbouw en dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, en voor garages. D. Voor zover geen sprake is van meerkosten (art. 2, lid 2, onder e van de verordening) De Wmo kent de compensatieplicht, maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Bij nieuwbouw van een woning of bij een renovatie door de woningbouwvereniging kan rekening gehouden worden met de beperkingen van de bewoner(s). In dergelijke gevallen komen alleen meerkosten voor een vergoeding in aanmerking. E. Voor zover kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (art. 2, lid 2, onder f van de verordening) Het is een aanvrager niet toegestaan de gemeente voor een voldongen feit te stellen, waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te bieden compensatie. Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Op moment van onderzoek kan in dergelijke gevallen worden vastgesteld dat er geen beperking (meer) is en dat de aanvrager kennelijk in staat is geweest zijn eigen beperking te compenseren. Compensatie is dan ook niet meer noodzakelijk. De aanvrager heeft zijn/haar verantwoordelijkheid genomen zoals de wet voorstaat. F,. Indien de voorziening reeds eerder is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken (art. 2, lid 2, onder g van de verordening) Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs door misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootmobiel rijdend te houden. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met de belanghebbende te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de afspraken. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening wordt ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer, dan kan tot inname van de voorziening worden overgegaan en hoeft geen herverstrekking plaats te vinden. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden. Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn. Indien iemand een PGB heeft, kan op gelijke wijze bij verloren gaan van de voorziening gedurende de looptijd gehandeld worden. G. Indien op grond van enige andere wettelijke regeling of enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis aanspraak op de voorziening bestaat Wanneer de beperking van de aanvrager gecompenseerd dient te worden zal eerst gekeken worden of de compensatie gefinancierd kan worden door andere regelingen (voorliggende voorziening). Indien er een andere wettelijke regeling of enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis bestaat welke als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt en waarop (al dan niet gedeeltelijk) aanspraak gemaakt kan worden, vindt geen of slechts gedeeltelijke verstrekking in het kader van de Wmo plaats. H. Indien een voorziening niet noodzakelijk wordt geacht vanwege redelijkerwijs van de aanvrager zelf of van anderen in diens omgeving te vergen medewerking aan de oplossing voor het zich voordoend probleem Bij “anderen in diens omgeving” kan gedacht worden aan familieleden en huisgenoten. I. Indien de voorziening invaliderend en/of antirevaliderend werkt Wanneer sprake is van een beperking in het functioneren zal eerst bekeken worden of de beperkingen die het probleem veroorzaken middels curatieve zorg (behandeling, medicatie, operatie*) verminderd kunnen worden. Wanneer dit het geval is kunnen voorzieningen antirevaliderend werken op de gestelde doelen van de behandeling. De medewerker van de gemeente zal in dergelijke gevallen afstemming zoeken met de behandelaar (al dan niet via een arts) alvorens een compensatie wordt geboden. *) Operatie is niet afdwingbaar en kan dus niet verplicht worden. J. Noodzakelijke gegevens (art. 32, lid 3 van de verordening) De aanvrager verstrekt die gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en laat zich (als hierom gevraagd wordt) bevragen en/of onderzoeken. Indien de noodzakelijke gegevens niet worden verstrekt of de aanvrager niet meewerkt aan een onderzoek wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld c.q. afgewezen, omdat de beperking in het functioneren in een dergelijke situatie niet kan worden vastgesteld. HOOFDSTUK2 VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN 2.1 Verschillende manieren om voorzieningen te verstrekken Artikel 6 lid 1 van de Wmo, zoals de wettekst vanaf 1 januari 2010 luidt, bepaalt het volgende: Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend PGB, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn. De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant-en-klaar krijgt. De voorziening wordt verstrekt. Een alternatief voor een voorziening in natura wordt geboden in de vorm van een PGB. De tweede mogelijkheid is de in artikel 6 Wmo verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een PGB. De derde mogelijkheid van verstrekking is de financiële tegemoetkoming. Bij de voorzieningen die uitsluitend gegeven worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming is geen verstrekking in natura mogelijk. Voorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming zijn onder andere verschillende soorten van vervoerskostenvergoedingen en vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten. Onderscheid tussen financiële tegemoetkoming en PGB Het onderscheid tussen de begrippen financiële tegemoetkoming en PGB is niet altijd even duidelijk. Dat wordt nog ingewikkelder gemaakt doordat soms een financiële tegemoetkoming als forfaitaire financiële tegemoetkoming verstrekt wordt, wat net weer iets anders is. De verschillen tussen een financiële tegemoetkoming, een forfaitaire financiële tegemoetkoming en een PGB zijn het beste als volgt aan te geven. Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele voorziening te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de Wmo gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Een PGB is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening aan te schaffen of te betalen. Op dit PGB kan een eigen bijdrage worden opgelegd, tenzij de persoon jonger dan achttien jaar is, het om een rolstoel, collectief vervoer of verhuis- en herinrichting gaat, artikel 4.1, lid 7 en 8 van het landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing is of het een roerende woonvoorziening betreft met een bepaalde aanschafwaarde (zie artikel 5.2, lid a van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen). Het verschil tussen een PGB en een financiële tegemoetkoming is zoals wel blijkt klein. Voorlichting vanuit de gemeente Artikel 6a van de Wmo bepaalt dat het college de aanvrager vooraf in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen inlicht over de gevolgen van de keuze voor een individuele voorziening in natura, een PGB, waaronder de vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming. Bij of krachtens AMvB kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de aanvrager door het college wordt geïnformeerd over de keuze die deze persoon heeft tussen de individuele voorziening in natura, een PGB, waaronder de vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 of een financiële tegemoetkoming. 2.2 Het PGB Inleiding De Wmo heeft tot doel de participatie van mensen met een beperking te bevorderen. Uitgangspunt daarbij is een grote eigen verantwoordelijkheid van de burger. Hierin past het toekennen van een voorziening in de vorm van een PGB. Een budget waarmee de burger onder bepaalde voorwaarden zelf een individuele voorziening naar zijn keuze kan aanschaffen. Naast de mogelijkheid om te kiezen voor een voorziening in natura krijgt de burger met de inwerkingtreding van de Wmo ook de mogelijkheid om te kiezen voor een PGB. Daarbij geldt dat voorzieningen in natura en het PGB “vergelijkbaar” moeten zijn. Dit betekent dat de gemeente een PGB moet aanbieden, maar ook verstrekkingen in natura zal moeten organiseren. De keuze tussen beide vormen van verstrekking, moet zodanig zijn uitgebalanceerd, dat een burger die kiest voor één van beide mogelijkheden in een gelijkwaardige positie blijft ten opzichte van de burger die de andere keuze maakt. Men moet dus in alle vrijheid kunnen kiezen voor de manier van verstrekken die het beste past bij de persoonlijke situatie. In dit hoofdstuk worden o.a. de kaders aangegeven waarbinnen een PGB mogelijk is, wat een PGB inhoudt, op welke wijze de hoogte hiervan wordt vastgesteld, voor welke voorzieningen een PGB mogelijk is, wat de voor- en nadelen van een PGB zijn, welke verplichtingen er gelden etc.. Algemeen Wettelijk kader In artikel 6 van de Wmo staat het volgende omschreven: “Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar PGB, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” In artikel 3 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen (hierna te noemen “de verordening”) en artikel 2.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen is deze verplichting nader uitgewerkt. Wat is een PGB? Een PGB is een geldbedrag waarmee de aanvrager één of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in de verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen te stellen regels van toepassing zijn. Dit is Aldus omschreven in artikel 1, onder l. van de verordening. De hoogte wordt toereikend geacht om een deugdelijke voorziening aan te schaffen. Daarnaast is het budget voldoende om onder andere kosten die verband houden met reparatie, onderhoud, administratie, verzekering en voor het inwinnen van deskundig advies te kunnen betalen. Het onderscheid tussen een PGB en een financiële tegemoetkoming is gelegen in het feit dat een PGB bedoeld is voor het zelf inkopen van een voorziening in natura. Een financiële tegemoetkoming is een bijdrage in de te maken kosten van een voorziening. Verstrekkingsmogelijkheden Voor welke voorzieningen is een PGB mogelijk? De individuele voorzieningen die op grond van de Wmo voor verstrekking in aanmerking komen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: een huishouden te voeren (hulp bij het huishouden en woonvoorzieningen); het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoersvoorzieningen); en het zich verplaatsen in en om de woning (rolstoelen). In onderstaand tabel zijn de verschillende verstrekkingsvormen van de betreffende voorzieningen aangegeven. Voorziening Verstrekkingsvormen Hulp bij het huishouden: HH1 PGB of zorg in natura HH2 PGB of zorg in natura Woonvoorzieningen: Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten: de hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten als bedoeld in artikel 15 onder a van de verordening aan de persoon die verhuist naar een adequaat aangepaste woning is gelijk aan de werkelijke kosten doch bedraagt ten hoogste het bedrag als genoemd in artikel 5.3, lid 1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen. de hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten als bedoeld in artikel 15 onder a van de verordening aan de persoon die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een persoon met beperkingen, de woonruimte heeft ontruimd, is gelijk aan de werkelijke kosten doch bedraagt ten hoogste het bedrag als genoemd in artikel 5.3, lid 2 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen. Een woningaanpassing van bouwkundige of woontechnische aard (een onroerende voorziening): PGB oftewel een financiële tegemoetkoming. Een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening ofwel een roerende voorziening: Een PGB of voorziening in natura. Vervoersvoorzieningen: Een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer (Regiotaxi): Wmo-vervoerpas waarmee men tegen gereduceerd tarief kan reizen met de Regiotaxi. Een voorziening in natura in de vorm van: -een open elektrische buitenwagen: PGB of voorziening in natura. -een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen: PGB of voorziening in natura. -een al dan niet aangepaste auto: PGB of voorziening in natura. -een ander verplaatsingsmiddel: PGB of voorziening in natura. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van: -aanpassing van een eigen auto: financiële tegemoetkoming. -gebruik van een taxi of een (eigen) auto: financiële tegemoetkoming. -gebruik van een rolstoeltaxi: Financiële tegemoetkoming. Rolstoelen Rolstoelvoorziening: PGB of voorziening in natura. Sportrolstoel: financiële tegemoetkoming. Voor een nadere uitleg van deze voorzieningen wordt verwezen naar de desbetreffende hoofdstukken in dit verstrekkingenboek. Weigerings- en intrekkingsgronden Weigeringsgronden In de volgende situaties wordt een PGB geweigerd: indien in eerdere gevallen gebleken is dat niet aan de verplichtingen rond een PGB is voldaan; een aanvrager niet in staat is om te gaan met een PGB (bijvoorbeeld vanwege persoonlijke beperkingen, schuldenproblematiek); en/of bij kortdurende hulp voor maximaal 3 maanden, o.a. bij kortdurende hulp na ontslag uit het ziekenhuis. Intrekkingsgronden Een PGB kan worden ingetrokken indien: niet is voldaan c.q. niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in de beschikking tot toekenning van het PGB. Een besluit tot toekenning van het PGB is genomen op basis van onjuist verstrekte informatie. Het PGB binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor het doel waarvoor het is verstrekt. Vaststelling hoogte PGB De vaststelling van de hoogte van een PGB vindt op de volgende wijze plaats. Hulp bij het huishouden: Voor hulp bij het huishouden wordt onderscheid gemaakt tussen het PGB voor HH1 en voor HH2. Het PGB voor hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in een uurtarief waarbij het uurtarief voor HH2 hoger is dan dat van HH1. De hoogte van de uurtarieven zijn opgenomen in artikel 2.2, lid 1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen. De budgethouder heeft immers ten opzichte van de zorgaanbieder minder overheadkosten waardoor het niet reëel is, om het uurtarief van de gegunde inschrijvers te hanteren. Het vastgestelde budget wordt in algemene zin voldoende geacht om op de markt een zorgleverancier te vinden. Woonvoorzieningen: De hoogte van het PGB voor een woonvoorziening wordt vastgesteld op het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte voor de noodzakelijke voorzieningen dan wel op basis van een door de gemeente gemaakte berekening middels een programma (momenteel wordt gewerkt met het programma Scio Call Pro plus). Overige voorzieningen: Bij overige voorzieningen is het PGB gelijk aan de tegenwaarde van een vergelijkbare voorziening in natura, zoals deze door de gemeente kan worden aangeschaft bij de gecontracteerde leverancier. Het bedrag van het PGB wordt vastgesteld op basis van de nieuwprijs van de voorziening, de kosten van keuring, reparatie, onderhoud en verzekering voor een periode van vijf jaar. Indexering Het PGB voor hulp bij het huishouden wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de CBS-prijsindex voor de gezinsconsumptie. Omdat bij een PGB voor voorzieningen het aanschafbedrag, inclusief een bedrag voor reparatie, onderhoud en eventueel verzekering, ineens wordt vergoed, is van indexering hierbij geen sprake. Verplichtingen van de aanvrager Bij de verlening van een PGB wordt de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd: de budgethouder gebruikt het PGB uitsluitend voor betaling van de voorziening en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten; de budgethouder besteedt het PGB uitsluitend aan een kwalitatief verantwoorde en adequate voorziening conform het programma van eisen; de budgethouder zorgt voor een goede en controleerbare vastlegging van ontvangsten, uitgaven en verplichtingen en houdt deze gedurende 7 jaar beschikbaar vanaf de ingangsdatum van toekenning van het PGB; de budgethouder geeft de op grond van het PGB aangeschafte voorziening terug aan de gemeente als de voorziening niet meer volgens de opgelegde voorwaarden wordt gebruikt. PGB en werkgeverschap Consequenties werkgeverschap Een PGB voor hulp bij het huishouden, kan leiden tot werkgeverschap met de daaraan verbonden consequenties. Hoewel dit maar in een klein deel van de gevallen leidt tot arbeidsovereenkomsten met volledige werkgeversverplichtingen voor de budgethouder. Onderscheid wordt gemaakt in de volgende categorieën budgethouders: Budgethouders die zorg inkopen bij zorginstellingen, particuliere bureaus, freelancers en zelfstandig ondernemers hebben geen werkgeversverplichtingen. Zij betalen uitsluitend de facturen van hun hulpverleners. Budgethouders die huisgenoten of familieleden inhuren, waarbij een gezagsverhouding ontbreekt worden gelijkgesteld aan freelancers. Ook voor hen heeft de budgethouder geen werkgeversverplichtingen. Budgethouders die andere particulieren inhuren met arbeidsovereenkomsten op maximaal drie dagen per week hebben beperkte werkgeversverplichtingen. Voor budgethouders die de zorg, hulp en begeleiding invullen door werknemers in dienst te nemen op vier dagen per week of meer, gelden de volledige werkgeversverplichtingen. PGB is geen inkomen voor budgethouder Het PGB wordt door de overheid en uitvoeringsinstellingen (belastingdienst, UWV, gemeentelijke sociale diensten) voor de budgethouder niet beschouwd als inkomen. Dit is wettelijk zo geregeld. Wel worden ontvangen betalingen uit het PGB voor de hulpverlener als inkomen beschouwd. Hierover moet dan ook inkomstenbelasting worden betaald. Ook kunnen deze betalingen gevolgen hebben voor eventuele uitkeringen, individuele subsidies of draagkrachtberekeningen bij de hulpverlener. Begin- en einddatum PGB Begindatum PGB Het PGB voor hulp bij het huishouden wordt verleend met ingang van de eerste dag van de week waarop de aanvraag is ingediend. Dit is dus altijd een maandag. Het PGB voor overige voorzieningen wordt verleend na vaststelling van de noodzaak tot compensatie, kortom is de gevraagde voorziening nodig om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk leven. Einddatum PGB Het PGB eindigt verder in de volgende gevallen: als men permanent wordt opgenomen in een AWBZ-instelling; als men langer dan twee maanden tijdelijk wordt opgenomen in een AWBZ-instelling of ziekenhuis; als men zich niet houdt aan de verplichtingen van de PGB-regeling; bij overlijden van de budgethouder; als men zelf verzoekt om beëindiging van het PGB; als men verzoekt om de hulp waarvoor PGB wordt ontvangen weer om te zetten in hulp in natura. Het restant van de PGB mag na de beëindigingsdatum nog besteed worden aan de zogenaamde beëindigingskosten. Het betreft met name het salaris (en vakantiegeld en –dagen) dat nog aan hulpverleners betaald moet worden in verband met wettelijke opzegtermijnen. Terugbetaling van het PGB Het PGB dat niet wordt uitgegeven aan de hulp bij het huishouden of overige voorzieningen moet worden terugbetaald aan de gemeente, tenzij dit bedrag gelijk of kleiner is dan het bedrag als genoemd in artikel 9.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen. Er moet door de cliënt verantwoording afgelegd worden over de wijze waarop het PGB besteed is. Voor- en nadelen van een PGB Voordelen PGB Voor de cliënt heeft het PGB als voordeel, de zelfstandigheid van handelen. Men kan meer initiatief ontplooien en oplossingen bedenken dan degenen die hulp in natura ontvangen. Voor hulp bij het huishouden kan men bijvoorbeeld bekende personen inhuren en de continuïteit verzekeren. Voor voorzieningen heeft men de vrije keuze van leverancier en is men niet gebonden aan de leverancier/leveranciers waar de gemeente een contract mee heeft. Nadelen PGB De vrijheid en zelfstandigheid van handelen kan voor de aanvrager ook nadelig zijn. Men moet immers alles zelf regelen. Voor hulp bij het huishouden moet de aanvrager een keuze maken voor een bepaalde vorm van hulpverlening. Dit kan een zorgaanbieder zijn, maar ook bijvoorbeeld de buurvrouw. Afhankelijk van de keuze moet zelf voor een goede administratie worden gezorgd. Ten aanzien van voorzieningen, moet de aanvrager zelf op basis van een programma van eisen een adequate voorziening aanschaffen en zal hij met deze voorziening, (bij ongewijzigde omstandigheden) een vooraf vastgestelde termijn moeten doen. Ook zal hij zelf het onderhoud, mogelijke reparaties en de verzekering moeten regelen. Wordt hij geconfronteerd met hoge reparatiekosten, dan zijn deze extra kosten voor zijn/haar rekening. Bij verstrekking van een voorziening in natura, regelt en betaalt de gemeente dit voor de cliënt. Tussentijds omzetten Omzetten van PGB naar hulp in natura Omzetten van een PGB voor hulp bij het huishouden naar hulp in natura of omgekeerd, (van hulp in natura naar een PGB voor hulp bij het huishouden) kan uiteraard bij afloop van de beschikking. Daarbuiten kan het in principe alleen per kwartaal. Wil men een omzetting dan dient men dit drie weken voor begin van het nieuwe kwartaal bij de gemeente aan te vragen. Voor overige voorzieningen is omzetting niet mogelijk aangezien het PGB-bedrag in één keer wordt verstrekt. PGB en eigen bijdrage Het Centraal Administratiekantoor (CAK) berekent en int de verplichte eigen bijdrage. De eigen bijdrage is afhankelijk van het inkomen. Ingeval van woningaanpassingen voor kinderen jonger dan 18 wordt met het verzamelinkomen van de ouders rekening gehouden voor de berekening van de eigen bijdrage. 2.3 Voorziening in natura Bij een voorziening in natura wordt de voorziening door de gemeente verstrekt. Wordt een voorziening niet als PGB verstrekt, maar in natura, dan vindt toekenning ook bij beschikking plaats. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Bij een voorziening in natura mag een eigen bijdrage worden gevraagd, net als bij een PGB. Ook nu geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de gemeente meestal slechts aangekondigd kan worden, aangezien berekening en inning door het CAK plaatsvindt. 2.4 Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voorzieningen, in de zin dat ze bestemd zijn voor alle Nederlanders en ook door elke Nederlander gebruikt zouden kunnen worden. Wel is het zo dat ze door iedereen waarvoor ze bedoeld zijn op eenvoudige wijze te verkrijgen zijn. Twee al jaren bestaande voorbeelden zijn de maaltijdservice en de sociale alarmering. Deze twee voorzieningen zijn, doordat de Welzijnswet in de Wmo is opgenomen, onderdeel van de Wmo. Zowel maaltijdservice als sociale alarmering zijn niet algemeen gebruikelijk, maar wel voor elke inwoner die er behoefte aan heeft beschikbaar. Men ontvangt geen beschikking voor deze voorzieningen. Artikel 1 onder h van de verordening geeft een begripsomschrijving van de algemene voorziening: ‘een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt.’ Een algemene voorziening is per definitie geen individuele voorziening en de Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden daarbij niet. 2.5 Collectieve voorzieningen Collectieve voorzieningen zijn voorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief vervoer, ook collectief vraagafhankelijk vervoer geheten, het meest duidelijke voorbeeld van een collectieve voorziening. Collectief vervoer is geen algemene voorziening: collectief vervoer is op dit moment nog een individuele voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure geldt, er een beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep daartegen mogelijk is. HOOFDSTUK3 EIGEN BIJDRAGE EN EIGEN AANDEEL 3.1 Eigen bijdrage en eigen aandeel Indien er sprake is van een individuele voorziening in natura of een PGB dient een eigen bijdrage te worden betaald. Dit is bepaald in artikel 7 van de verordening. Een aantal voorzieningen is echter uitgesloten van het heffen van eigen bijdrage (zie artikel 3.2 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen). Deze voorzieningen zijn: rolstoelen; alle voorzieningen voor kinderen onder de 18 jaar; collectief vervoer; algemene voorzieningen; alle voorzieningen indien de aanvrager of zijn partner een intramurale AWBZ-bijdrage is verschuldigd ingevolge artikelen 4 of 14 Bijdragebesluit zorg; verhuis- en herinrichtingskosten; en roerende woonvoorzieningen met een aanschafwaarde tot het bedrag als genoemd in artikel 5.2, lid a van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen. De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het CAK. In de beschikking wordt aangekondigd dat een te betalen eigen bijdrage verschuldigd is en dat de vaststelling en inning door het CAK plaatsvindt. 3.2 Financiële tegemoetkoming Naast het PGB kan ook een financiële tegemoetkoming worden toegekend. Het aantal mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming is beperkt: het zal gaan om bijvoorbeeld een bouwkundige woonvoorziening, uit te betalen aan de eigenaar van de woning, een verhuiskostenvergoeding of een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi. De financiële tegemoetkoming dient voldoende te zijn om daarmee de voorziening te kunnen aanschaffen. Dit kan onder aftrek van een zogenaamd eigen aandeel, te vergelijken met de eigen bijdrage. Bij een financiële tegemoetkoming kan de beschikking waarin dit bedrag wordt toegekend voorwaarden bevatten over de besteding van de financiële tegemoetkoming. Bij een financiële tegemoetkoming dient ook verantwoording afgelegd te worden over de besteding van de tegemoetkoming. HOOFDSTUK 4 HULP BIJ HET HUISHOUDEN In artikel 4 van de Wmo wordt aangegeven, dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4º, 5º en 6º ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen om o.a. een huishouden te voeren. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan hulp bij het huishouden. Hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden wordt in artikel 1 sub h van de Wmo als volgt omschreven: “Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort.” Doel hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden is gericht op ondersteunen bij, of overnemen van huishoudelijke verrichtingen, ofwel activiteiten op het gebied van verzorgen van het huishouden, in relatie tot (dreigend) disfunctioneren van het huishouden, de veiligheid van en de regie over het huishouden. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voeding en vocht) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Het doel van hulp bij het huishouden kan dan zijn het schoonhouden van het huis en/of het verrichten van de dagelijks voorkomende huishoudelijke activiteiten, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Hulp bij het huishouden wordt ingedeeld in twee categorieën en omvat de volgende werkzaamheden: Hulp bij het huishouden (HH1): boodschappen doen; broodmaaltijd bereiden; warme maaltijd bereiden; licht huishoudelijk werk; zwaar huishoudelijk werk; de was doen; en huishoudelijke spullen in orde houden. Hulp bij het huishouden (HH2): werkzaamheden van hulp in het huishouden HH1; anderen helpen in het huis met zelfverzorging; anderen helpen in huis bij bereiden maaltijd; en dagelijkse organisatie van het huishouden. Huishoudelijke taken worden onderverdeeld in ‘uitstelbare’ en ‘niet uitstelbare taken’: Niet uitstelbare taken: maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen. Wel uitstelbare taken: boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen. Hulpvrager De hulpvrager is degene die een gezondheidsprobleem heeft en daardoor beperkingen ondervindt in de zelfredzaamheid. De hulpvrager of diens wettelijke vertegenwoordiger (iemand die namens de zorgvrager de aanvraag indient in situaties van minderjarigheid of handelingsonbekwaamheid van de hulpvrager) is degene die de hulp bij het huishouden aanvraagt. Leefeenheid of huishouden Een leefeenheid is een eenheid bestaande uit gehuwden die al dan niet tezamen met één of meer ongehuwde minderjarigen duurzaam een huishouden voeren, dan wel uit een meerderjarige ongehuwde persoon die met één of meer ongehuwde minderjarigen duurzaam een huishouden voert. Onder gehuwden worden ook begrepen de ongehuwd samenwonenden en andere volwassenen die met elkaar en/of met kinderen samenwonen. Met deze definitie worden alle bewoners van één adres die samen duurzaam een huishouden voeren inbegrepen in het begrip leefeenheid. Dit is gebaseerd op artikel 1 lid 2 t/m 7 van de Wmo. Volledigheidshalve is hierover in artikel 1 sub r van de verordening het volgende opgenomen: “huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont.” Uitzonderingen en grensgevallen: Als er sprake is van (pension)kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot de leefeenheid gerekend. Het moet dan gaan om personen die in geen enkele familiebetrekking tot elkaar staan en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties zijn de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder beroepsmatig en kunnen dus niet geïndiceerd worden! Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is er over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit niet zelf meer kan. Huishoudelijke hulp voor gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Het niveau sociale woningbouw te boven gaan. Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkenen wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of beperking. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden Artikel 10 van de verordening bepaalt dat, “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt één of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het Centrum indicatiestelling zorg (het CIZ) die hanteerde ten aanzien van de functie huishoudelijke verzorging (HV) in de AWBZ tot de invoering van de Wmo. Deze beleidsregels staan vermeld in het protocol gebruikelijke zorg van het CIZ Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk (ofwel: het draaiende houden van een huishouden). Dat betekent dat als degene die gewend is het huishoudelijke werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enzovoorts. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. In bijlage 1 is opgenomen welke huishoudelijke activiteiten van personen tot 23 jaar verwacht mogen worden. De volgende factoren zijn geen reden om van gebruikelijke zorg af te zien, deze lijst is niet limitatief. Voor zover er sprake is van uitzonderingen, worden deze per factor toegelicht. Culturele diversiteit Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van de leefeenheid wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Niet gewend zijn om huishoudelijk werk te verrichten. Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen*) verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Als hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor 6 weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. De werkzaamheden worden dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. *) Niet kunnen of willen verrichten in de zin van: niet geleerd hebben. Studie of werkzaamheden. Iedereen die werkt en/of studeert zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Een hoge leeftijd Ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Uitzondering: Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (> 75) kan, indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. Zeer drukke werkzaamheden en/of (zeer) lange werkweken. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden, (zeer) lange werkweken en, voor zover er sprake is van een eigen keuze, vanwege werkzaamheden langdurig van huis zijn. Uitzondering: Werkenden die vanwege het verplichtende karakter van de werkzaamheden langdurig, minimaal zeven aaneengesloten etmalen, van huis zijn. Vanwege de langdurige afwezigheid is men niet in staat om huishoudelijk werk over te nemen. Tijdens deze perioden van afwezigheid is er feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke zorg worden geleverd. Concrete voorbeelden zijn: - Chauffeurs die op het buitenland reizen. - Medewerkers in de offshore. - Mariniers die maanden achtereen van huis zijn. Afwijken van de normering van gebruikelijke zorg In onderstaande situaties kan worden afgeweken van de normering van gebruikelijke zorg: -Een zeer korte, bekende levensverwachting. Als de hulpvrager een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan ter ontlasting van de leefeenheid van de hulpvrager afgeweken worden van de normering van gebruikelijke zorg. -Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting Een indicatiesteller kan besluiten dat een huisgenoot geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat de indicatiesteller redelijkerwijs moet concluderen dat de betreffende taken niet door hem uitgevoerd kunnen worden. Een indicatiesteller moet altijd onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een huisgenoot niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Wanneer de huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkenen moeten worden aangeleverd. De indicatiesteller moet zich daar dan een geobjectiveerd oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke zorg en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke zorg voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om een indicatie te geven voor hulp bij het huishouden. In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke zorg worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een huisgenoot/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. Gebruikelijke zorg voor kinderen en omvang hulp bij het huishouden Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind – zie bijlage 1 -, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon passend bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Bij uitval van één van de ouders gaan de volgende eigen oplossingen voor: De andere ouder neemt de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Mantelzorg. De indicatiesteller onderzoekt wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen. Gebruikmaken van (een combinatie van) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder enzovoorts. Dit zijn de zogenaamde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen. Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Uitzondering: als bovengenoemde mogelijkheden al maximaal zijn gebruikt, niet aanwezig zijn of er is slechts kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan hulp bij het huishouden worden geïndiceerd. Maar: Structurele opvang van kinderen valt niet onder hulp bij het huishouden. Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of calamiteiten tijdelijk tot inzet van hulp bij het huishouden leiden. Verzorging van de kinderen kan, zonodig, wel tot inzet van hulp bij het huishouden leiden. Bovengenoemde oplossingen zijn ook van toepassing bij de uitval van de ouder in een éénoudergezin, met uitzondering van het overnemen van de gebruikelijke zorg voor kinderen door de andere ouder. Als er sprake is van een éénoudergezin als het gevolg van een echtscheiding of het op een andere wijze verbreken van de relatie, verdwijnt de zorgplicht voor de kinderen door de ex-partner niet. Bij uitval van de verzorgende ouder wordt wel onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder door te kijken naar de voor de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten/partners. Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende –uitgevallen- ouder zijn, kan er een indicatie voor hulp bij het huishouden zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een éénoudergezin. Mantelzorg en omvang hulp bij het huishouden Mantelzorg wordt in artikel 1, lid 1 sub b van de Wmo als volgt omschreven: “Langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.” Ter aanvulling op dit artikel uit de Wmo is in artikel 1 sub e van de verordening de volgende definitie voor mantelzorger opgenomen: Mantelzorger: “een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in de wet.” In geval er voor de zorgvrager mantelzorg vrijwillig beschikbaar is kan dat deel van de hulpvraag buiten het indicatiebesluit blijven omdat daar geen professionele zorg vanuit de Wmo voor ingezet hoeft te worden. De mantelzorger voorziet al in die zorg en de indicatiesteller weegt dat mee in het opstellen van het indicatiebesluit. Welke zorg de mantelzorger op zich neemt en in welke omvang is, in overleg met de hulpvrager, uitsluitend en alleen aan de mantelzorger zelf om te bepalen. Het meewegen van de mantelzorg betekent ook dat de indicatiesteller nagaat of voor een deel van de mantelzorg alsnog Wmo-zorg geïndiceerd moet worden ter ondersteuning van de mantelzorger zodat die regelmatig tijdelijk ontlast wordt. In geval er voor de hulpvrager geen mantelzorg beschikbaar is of mantelzorg wegvalt, wordt dus Wmo-zorg geïndiceerd. Voorliggende voorzieningen en omvang hulp bij het huishouden Behalve gebruikelijke zorg zijn ook voorliggende voorzieningen reden om de aanvraag voor hulp bij het huishouden te beperken of af te wijzen. De afweging of voorliggende voorzieningen een adequate oplossing bieden voor de beperking van de zorgvrager is een vraag die de indicatiesteller zich stelt nadat de afweging: “Is hier sprake van gebruikelijke zorg?” heeft plaatsgevonden. Voorliggende voorzieningen kunnen worden onderverdeeld in: -wettelijke voorliggende voorzieningen. Dit wordt in artikel 2 van de Wmo als volgt omschreven: “Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat´’ Wanneer er wettelijke voorliggende voorzieningen zijn, moet de hulpvrager daar gebruik van maken. Wanneer zo’n voorziening een adequate oplossing voor de beperking van de hulpvrager biedt, bestaat er geen recht op hulp bij het huishouden. Het is daarbij niet van belang of de voorliggende voorziening daadwerkelijk aanwezig is of niet. Bij de indicatiestelling wordt er vanuit gegaan dat de voorliggende voorziening beschikbaar is. Het feit dat de instantie die verantwoordelijk is voor de realisatie van de voorziening in gebreke is gebleven, is geen reden om dit af te wentelen op de Wmo. Algemene hulp bij het huishouden Uit artikel 9 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk dat deze vorm van hulp binnen de gemeente bestaat. Is dat niet zo, dan vervalt automatisch deze vorm van hulp. Vormen van algemene hulp bij het huishouden zijn op dit moment niet geregeld. Vaststelling omvang hulp bij het huishouden Zijn er problemen in het voeren van een huishouden en is er geen of onvoldoende sprake van gebruikelijke zorg of mantelzorg of zijn er geen of onvoldoende voorliggende voorzieningen, dan moet de omvang van de hulp bij het huishouden worden vastgesteld. Om die omvang te kunnen vaststellen, wordt gebruik gemaakt van normtijden. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en zijn samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen en worden als uitgangspunt gehanteerd. Voor de verschillende huishoudelijke taken/activiteiten gelden bepaalde normtijden, zoals genoemd in bijlage 2. Beoordeeld wordt welke taken/activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Op deze wijze kan per situatie beoordeeld worden hoeveel tijd noodzakelijk is voor de verschillende activiteiten. De omvang van hulp bij het huishouden wordt vastgesteld in uren, afgerond naar minuten per week. Aandachtspunten Onderscheid hulp bij het huishouden en AWBZ-functie begeleiding Hulp bij het huishouden is begeleiding gericht op motiveren, aansturen, instrueren en zo nodig overnemen van het huishouden, het organiseren en structureren ervan. Begeleiding is aan de orde wanneer de begeleiding meerdere gebieden van het dagelijks leven omvat en de sociale redzaamheid in het algemeen bevordert. Overbelasting Indien een volwassen huisgenoot claimt door overbelasting niet de gebruikelijke taken met betrekking tot het huishouden op zich te kunnen nemen, dient dit altijd (medisch) onderbouwd te worden. Revalideren Wanneer de aandoening die de oorzaak vormt voor de huishoudelijke beperkingen naar de mening van de arts nog behandelmogelijkheden biedt, kan in de regel geen hulp bij het huishouden alleen worden geïndiceerd. Hulp bij het huishouden kan in zo’n situatie immers antirevaliderend werken. Wel kan hulp bij het huishouden naast een te volgen behandeling of revalidatie worden geïndiceerd. Hiervoor is afstemming met de behandelaar nodig. Zo’n indicatie heeft dan in principe een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- of revalidatietraject. Technischehulpmiddelen Er is geen indicatie voor hulp bij het huishouden als de problemen van de cliënt afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Deze hulpmiddelen dienen uit oogpunt van verantwoorde werkomstandigheden ook voor een helpende aanwezig te zijn. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van al aanwezige hulpmiddelen, zoals een droogtrommel of een afwasmachine. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn, maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem, hebben deze hulpmiddelen de voorkeur boven het inzetten van hulp. Hulpmiddelen kunnen ook gefinancierd zijn uit een andere betalingsregeling, gericht op of aangepast aan de beperkingen van de cliënt (AWBZ, Regeling hulpmiddelen of Wmo individuele voorzieningen). Zonodig kan de cliënt gewezen worden op de mogelijkheid van de eerstelijns ergotherapie voor ergonomische consultatie bij het leren omgaan met hulpmiddelen/het reorganiseren van het huishouden. De cliënt kan voor de tijd dat hulpmiddelen er niet zijn in aanmerking komen voor een Wmo-voorziening (er is dus een vorm van overbruggingszorg). De duur van de indicatie bij huishoudelijke hulp Indien er een indicatie wordt gesteld voor huishoudelijke hulp, dan wordt de indicatie afgegeven op maat. De periode waarvoor de indicatie wordt afgegeven is afhankelijk van de aard van de voorziening en de situatie van de hulpvrager. Wanneer de geldigheidstermijn is verstreken en er nog een hulpvraag resteert, zal de cliënt de voorziening opnieuw moeten aanvragen. Verstrekkingen aan een huishouden waarvan de cliënt tijdelijk is opgenomen in een AWBZ-instelling, worden, indien de opname langer duurt dan drie maanden tijdelijk stopgezet vanaf het moment dat de cliënt is opgenomen. De indicatie blijft wel van kracht. De wijze van verstrekking, zorg in natura of PGB Is hulp bij het huishouden geïndiceerd, dan kan de hulpvrager kiezen tussen zorg in natura of een PGB. Zorg in natura: Kiest de hulpvrager voor zorg in natura, dan kan hij vervolgens kiezen voor één van de leveranciers van hulp bij het huishouden, waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. PGB: Kiest de hulpvrager voor een PGB, dan ontvangt de hulpvrager (afhankelijk van de indicatie) een bepaald budget, waarmee hij bij een leverancier van zijn keuze de betreffende hulp kan inkopen. Het budget ontvangt hij vooraf per kwartaal. Kiest hij voor een leverancier, die naast hulp bij het huishouden ook zorg levert in het kader van de AWBZ, dan volstaat een afschrift van de rekeningen van deze leverancier voor een eventuele verantwoording achteraf. Veel gestelde vragen Maaltijdverzorging en boodschappen doen in de Wmo? Maaltijdbereiding en boodschappen doen vindt niet structureel plaats binnen de Wmo voorziening hulp bij het huishouden. Cliënten moeten voor de maaltijdbereiding en boodschappen in eerste instantie een beroep doen op de eventueel aanwezige –volwassen, gezonde huisgenoten (gebruikelijke zorg). Als dezen door beperkingen in het zelfzorgvermogen de warme maaltijd niet kunnen verzorgen, moet worden nagegaan welke mogelijkheden mantelzorg, vrijwilligers en voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen bieden. Te denken valt aan kant en klaarmaaltijden, gemeentelijke maaltijdvoorziening, boodschappendiensten of bezorging aan huis. Indien voorliggende voorzieningen niet tegemoet kunnen komen aan de eisen van een, door een arts voorgeschreven, dieet, kan deze taak in de thuissituatie worden geïndiceerd. Als de huisgenoten door onvoldoende kennis of vaardigheden niet in staat zijn om te koken, wordt hen aangeboden om het koken te leren. Keuze is dan: voorliggende voorzieningen en mantelzorg zijn niet adequaat. het gaat om het voorbereiden van de warme maaltijd. in principe beperkt tot max. 3 keer per week. maximaal drie maanden in tijd van crisis. aanleren gaat voor overnemen. Zorg in een gezin met een gehandicapt kind? Bij ondersteuning van de verzorgende ouder(

  1. s)van een gezin met een gehandicapt kind geldt, dat geïnventariseerd wordt wat gezien de leeftijd van het kind tot de gebruikelijke ouderlijke zorgplicht behoort en waarin de ouder(
  2. s)dus extra zorg leveren. Van deze extra zorg wordt van de ouders gevraagd welke zorg ze bereid zijn vrijwillig te blijven leveren, zonder dat er overbelasting dreigt. Voor dat deel wordt dan geen indicatie gegeven. Daarnaast wordt onderzocht op welke gebieden zij ondersteuning vanuit de Wmo nodig hebben. Deze extra zorg valt dan onder de functie persoonlijke verzorging of ondersteunende begeleiding uit de AWBZ. Kinderverzorging en –opvang bij gehandicapte, chronisch zieke ouder? Als de ouder in een éénoudergezin uitvalt, gehandicapt is of raakt en er op basis van grondslag en beperkingen een noodzaak bestaat tot kinderverzorging en -opvang wordt deze geïndiceerd volgens de normering. De opvang voor kinderen behoort in principe tot gebruikelijke zorg. De verzorging kan leiden tot een aanspraak. Van de ouder(-
  3. s)mag verwacht worden maximaal te zoeken naar mogelijkheden de opvang zelf te regelen, bijvoorbeeld: kinderopvang, van en naar school brengen etc.. Wanneer, voor het deel dat niet anders kan worden geregeld en/of gefinancierd, een Wmo-voorziening is geïndiceerd, kan dat langdurig noodzakelijk zijn. Herindiceren is aan de orde in relatie tot leeftijd kinderen en verandering van omstandigheden. Een chronisch ziek, gehandicapt gezinslid kan een grote belasting betekenen voor een gezin. Ook bij twee ouders is het risico op overbelasting van de gezonde verzorgende ouder groot; dit kan leiden tot een indicatie voor hulp bij het huishouden ter ontlasting ook al is er in principe geen sprake van activiteiten in de sfeer van persoonlijke verzorging (uitruil). Onderzoek altijd de dreiging van overbelasting. Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding? Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke zorg voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder door te kijken naar de (eventueel door de rechtbank) vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten. Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende, uitgevallen, ouder zijn kan er dan een indicatie voor opvang zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een éénoudergezin. Verzorging kleding en linnengoed? Huisgenoten worden geacht de was te doen (gebruikelijke zorg). Indien er geen huisgenoten aanwezig zijn, dient te worden onderzocht of in redelijkheid geen beroep mogelijk is op andere mantelzorgers. Kan op bovenstaande voorzieningen geen beroep worden gedaan dan kan er een indicatie voor een Wmo-voorziening zijn, uitsluitend in combinatie met andere activiteiten onder de voorziening hulp bij het huishouden (HH1). Hulp bij het huishouden in relatie tot begeleid wonen? Hulp bij het huishouden in het RIBW en gezinsvervangend tehuis (GVT ofwel woonvormen): voor het ondersteunen van een cliënt in het uitvoeren van huishoudelijke taken in de setting van een RIBW zal naar de aard van de problematiek vooral ondersteunende begeleiding worden geïndiceerd. Indien overname van taken aan de orde is, gaat het om hulp bij het huishouden. Hulp bij het huishouden in terminale situaties? In terminale of andere chronische situaties waarin mantelzorgers zwaar belast worden met zorgtaken kunnen de normeringen betreffende gebruikelijke zorg soepeler worden gehanteerd. Daarbij is de uitruiloptie van toepassing. Het overnemen van huishoudelijke taken indien een partner terminaal is, is in grote mate ontlastend voor de andere partner. Deze vorm van hulp maakt het inzetten van begeleidingsuren (ondersteunende begeleiding) overbodig of minder noodzakelijk. Hulp bij het huishouden boven de 75 jaar? In de beleidsregel Gebruikelijke Zorg wordt coulance betracht met betrekking tot ouderen. Als binnen een leefeenheid degene die de huishouding voert, uitvalt en de andere partner is weliswaar gezond, maar ouder dan 75, en niet meer leerbaar, dan wordt toch hulp bij het huishouden geïndiceerd. Wanneer de hulpbehoevende partner overlijdt, treedt een heel nieuwe situatie in. Na een periode waarin de overblijvende partner heeft kunnen wennen aan de nieuwe situatie, ervan uitgaande dat deze nog steeds gezond is, wordt een nieuwe indicatie gesteld. Daarbij geldt dat er wel kan worden geïndiceerd voor het aanleren van de huishoudelijke activiteiten, maar niet meer voor het volledig overnemen ervan. Hulp bij het huishouden bij huisstofmijtallergie? Bij allergie voor huisstofmijt zal er advisering rond het saneren van de woning plaatsvinden door de daartoe bevoegde instanties, i.c. de CARA/COPD verpleegkundige (VP AIV). Een vraag naar hulp bij het huishouden zal dus pas aan de orde zijn wanneer sanering van de woning reeds heeft plaatsgevonden. Voor het stofvrij houden van de woning kan eventueel extra tijd worden geïndiceerd. HOOFDSTUK5 WOONVOORZIENINGEN Een woonvoorziening is erop gericht de beperkingen die iemand in het normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip ‘normale gebruik van de woning’ houdt in dat men de normale (elementaire) woonfuncties moet kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning en de verzorging van kinderen. 5.1 Uitsluitingen Voor alles dient bepaald te worden of één van de uitsluitingen van artikel 18 van de verordening van toepassing is. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig woonverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is er sprake van één van deze situaties dan is afwijzing op voorhand mogelijk. Hierbij moet uiteraard wel nagegaan worden of er sprake is van een situatie waarin de hardheidsclausule gebruikt moet worden. 5.2 Vormen van woonvoorzieningen Artikel 13 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken: een algemene woonvoorziening; een woonvoorziening in natura; een PGB te besteden aan een woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening. Artikel 14 van de verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan de criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en/of psychosociale problemen” en een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat kan oplossen. 5.3 Primaat verhuizing Artikel 16 van de verordening regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat, als vaststaat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een al geheel aangepaste woning of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is. Het beleid is erop gericht zo goed mogelijk gebruik te maken van de voorraad aangepaste woningen en de aanpassingskosten zoveel mogelijk te beperken. In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de CRvB. Onder de Wmo wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt ter compensatie van woonproblemen. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, vooral op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen dient een goed gemotiveerd besluit te moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, dienen te worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Afwegingsfactoren Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren die, afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming: De snelheid waarmee de beperking kan worden gecompenseerd. De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatieadvies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. Sociale factoren. Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de persoon met een beperking, de binding van de persoon met een beperking met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de persoon met een beperking belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de persoon met een beperking kan een rol spelen in het afwegingsproces, vooral in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatieonderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor weegt minder zwaar in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), moeten de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. De woonlasten en de financiële draagkracht van de persoon met een beperking. Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het financiële gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of bouwkundige of woontechnische woonvoorziening andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning.Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zullen pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn beperking drastisch verandert (doorgaans brengt een beperking negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte. Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overweging: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al bewoonde woonruimte; de kosten van het verhuizen; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning; een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Er kan ook rekening gehouden worden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar verwachting minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen: een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen; de gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen; Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan is dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing en aanpassen. Als men niet wil verhuizen, wat dan? Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld, vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er vanuit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizen, dan kan men (wellicht) voor een verhuiskostenvergoeding in aanmerking komen. Financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten De financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten kan in de volgende situaties worden toegekend: de aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; de aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 20, aanhef en onder e van de verordening wordt bepaald. Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst adequate wijze kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten. Het college verstrekt in beginsel geen financiële tegemoetkoming voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend. Een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding kan gecombineerd worden met andere woonvoorzieningen, zoals een bouwkundige of woontechnische aanpassing of een woonvoorziening van niet bouwkundige of woontechnische aard. De maximale financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten is vastgelegd in artikel 5.3, lid 1 en 2 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen. 5.4 Overige (bouwkundige) voorzieningen De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties. Dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Wanneer geen recht op bouwkundige of woontechnische voorziening? Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Soms zullen deze voorzieningen vergoed worden vanuit de Zorgverzekeringswet, soms zal men de therapeutische effecten ook kunnen bereiken door de therapie elders te ontvangen. Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Als iemand in staat is een maaltijd klaar te maken voor zichzelf en het gezin en dat naar verwachting nog jaren kan doen, zal een aangepaste keuken de voorkeur verdienen boven maaltijdvoorziening. Dit kan anders zijn als het gaat om een alleenstaande oudere die geen plezier meer heeft in het koken: dan kan maaltijdvoorziening juist een heel goede oplossing zijn. Hetzelfde geldt voor de lichaamsreiniging. Uitgangspunt is dat men zichzelf kan douchen. Maar wie terminaal is zal wellicht voor korte tijd op bed gewassen worden. Verder wordt - conform de jurisprudentie van de CRvB - beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten en ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen zoals een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen verstrekt worden ter compensatie van het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. 5.5 Beperkingen A. Hoofdverblijf Artikel 19 van de verordening bepaalt in lid 1: “Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.” Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de belanghebbende zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de belanghebbende een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. De woningaanpassing behoort verzorgd te worden door de gemeente waarheen verhuisd wordt. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan kinderen met een beperking van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 19 van de verordening biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: - In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. Ten aanzien van de aard en de hoogte van de financiële tegemoetkoming van de woonvoorziening kunnen door het college nadere regels worden vastgesteld. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Deze afwijking is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de verordening opgenomen. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling, betreft het uitsluitend de in artikel 19, lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en het toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk opgevat worden: het gaat niet om gebruiken, maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, wat niet past bij een bovenwettelijke taak. Het bezoekbaar maken van een woonruimte, als bedoeld in artikel 19 van de verordening, is niet aan een maximumbedrag gebonden (zie artikel 5.3, lid 3 Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen). B. Algemene beperkingen (woon)voorzieningen Bij (woon)voorzieningen wordt een aantal algemene voorwaarden gehanteerd, waarvan de definities terug te vinden zijn in de Wmo en de verordening. Eén van de algemene voorwaarden is dat een voorziening voor een persoon als aanvrager niet algemeen gebruikelijk is (artikel 2 lid 2 onder a van de verordening). Welke woonvoorzieningen daartoe behoren, hangt af van de maatschappelijke ontwikkelingen en van de specifieke situatie van de aanvrager. Zaken die normaal in bijvoorbeeld bouwmarkten verkrijgbaar zijn, kunnen daartoe al snel worden beschouwd. C. Aanvullende beperkingen woonvoorzieningen Als het gaat om woonvoorzieningen dan is er nog een aantal beperkingen, zoals vastgesteld in artikel 20 van de verordening. De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt afgewezen indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van problemen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak of; de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen, als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enzovoorts. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente kan meebepalen wat de goedkoopst adequate oplossing is. Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van de belanghebbende. Dat betekent dat, als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan is dat reden voor afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. Onder d worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn voor afwijzing. De onder e genoemde beperkingen behoeven geen nadere toelichting. 5.6 Overige woonvoorzieningen A. Uitbreiding van ruimten Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende vierkante meters (maximaal) aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden. Soort vertrek Bij aanbouw Bij uitbreiding woonkamer 30 6 keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 toiletruime 2 1 badkamer -wastafelruimte 2 1 -doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 berging 6 4 Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20m2. B. Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen Of de aanvrager in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige of woontechnische situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en problemen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers en badtransferplanken. Waar mogelijk wordt uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal is de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief voor een vaste voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook wordt bij voorkeur met losse voorzieningen gewerkt in situaties waarin men wacht op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin men in een te slopen pand woont. C. Woningsanering in verband met CARA -Financiële tegemoetkoming voor woningsanering. De belanghebbende kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor een woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA of COPD) noodzakelijk is. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen, eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de belanghebbende zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting houdt. Ook mag verwacht worden dat de belanghebbende zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten. In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen vergoeding wordt verstrekt indien: het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager jonger is dan vier jaar. -Afschrijvingstermijn. Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is afgeschreven (in de regel na 8 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden met de al verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode: 100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar; 75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen vergoeding verstrekt.Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. -Normbedragen. Wat betreft de bedragen wordt aangesloten bij de goedkoopst adequate te verkrijgen producten in één of meer in de omgeving beschikbare bedrijven. D. De uitraasruimte De uitraasruimte is onder de Wmo omschreven in de verordening. Artikel 15, onder d luidt dan ook: een uitraasruimte.Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, is de ruimte in de regel beperkt van omvang. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans is de ruimte daarom prikkelarm en veilig en tevens uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is, kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (vooral een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) wordt op individuele basis vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. 5.7 Procedure aanvraag bij bouwkundige of woontechnische woonvoorziening Vaststelling programma van eisen Nadat de aanvraag is ingediend, wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid of eventueel aangevuld met een externe adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate bouwkundige of woontechnische woonvoorziening opstelt. Op verzoek van de woningeigenaar (en namens de woningeigenaar) kan de gemeente op basis van dat programma van eisen één of meerdere offertes bij verschillende aannemers opvragen en/of gebruikmaken van een programma voor de berekening van het bedrag (momenteel wordt gebruik gemaakt van het programma Scio Call Pro plus). Indien de aanvrager een woning bewoont die eigendom is van een woningbouwvereniging waarmee afspraken zijn gemaakt over de uitvoering en betaling van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen, geeft de gemeente de door de woningbouwvereniging aangewezen (huis-) aannemer/installateur direct opdracht de woonvoorziening uit te voeren. De financiële tegemoetkoming wordt na ontvangst van de factuur rechtstreeks aan de aannemer/installateur betaald. Beoordeling welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming/PGB op basis van een programma (momenteel wordt gebruik gemaakt van het programma Scio Call Pro plus). Toestemming De gemeente geeft vervolgens toestemming voor de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, op voorwaarde dat niet al zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming/PGB betrekking heeft. Uitvoering door de eigenaar De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening conform het programma van eisen. Zie paragraaf 5.10 voor wat te doen als de woningeigenaar niet wil meewerken aan het aanpassen van de woning. Controle Een financiële tegemoetkoming/PGB voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt slechts verleend indien de door de gemeente aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt/is verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening en de gelegenheid krijgen de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening te controleren. Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding De financiële tegemoetkoming/PGB wordt uitbetaald aan de woningeigenaar. Gelijk na de voltooiing van de werkzaamheden, maar uiterlijk binnen 12 maanden na het verlenen van de financiële tegemoetkoming, verklaart de woningeigenaar, onder overlegging van de originele facturen, aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid. De gereed melding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming/PGB is verleend. Bij grote bouwkundige of woontechnische woonvoorziening kan, op verzoek van de woningeigenaar, de financiële tegemoetkoming/PGB in vier termijnen worden betaald. De eerste termijnbetaling na gereedmelding fundering, de tweede termijnbetaling na gereedmelding 1ste verdieping, de derde termijn na gereedmelding wind- en waterdicht en de vierde termijn na oplevering. 5.8 Voorwaarden voor verstrekking financiële tegemoetkoming en PGB Om te bewerkstelligen dat de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt, is een aantal voorwaarden om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, bekend worden gemaakt. Het zijn de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming/PGB betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college. Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt aangebracht. Aan de onder b genoemde personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening. Aan de onder b genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening. Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming/PGB, verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming/PGB aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen. De gereed melding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming/PGB. De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming/PGB is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd. 5.9 Kosten van bouwkundige of woontechnische woonvoorziening De volgende kosten in het kader van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming/PGB: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in de DNR 2005 (De Nieuwe Regeling 2005), voorzover het College het inschakelen van een architect noodzakelijk acht; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; renteverlies, i.v.m. het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; de door het college schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; de administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte bedragen, voorzover de kosten genoemd onder 1 tot en met 10 meer dan het bedrag als genoemd in artikel 5.1, lid 11 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen zijn, 10% van die kosten met een maximum van het tweede bedrag als genoemd in artikel 5.1, lid 11 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen. 5.10 Opstalverzekering Bij het vergroten van de woning dient de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde aan te passen. 5.11 Stopzetting bouwkundige en woontechnische woonvoorziening Indien na toekenning van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, doch voor de gereedmelding van de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, de relatie tussen de aanvrager en de woning niet meer aanwezig is (in verband met verhuizing, overlijden en dergelijke), wordt de toegekende bijdrage herzien. De mate van herziening is afhankelijk van het stadium waarin de woningaanpassing verkeert en de al aangegane en niet meer te annuleren verplichtingen. Eventuele al aangegane verplichtingen of betalingen (bijvoorbeeld leges en architectenhonorarium) worden vergoed. 5.12 Medewerking woningeigenaar Voor het aanpassen van de woning is medewerking van de eigenaar/verhuurder nodig. Indien belanghebbende voor wie de woning aangepast moet worden zelf eigenaar is, zal dat in de meeste gevallen geen problemen opleveren. Het is daarentegen denkbaar dat, wanneer de belanghebbende de woning huurt, de eigenaar/verhuurder geen toestemming verleent voor het aanpassen van de woning. De wetgever heeft in dit probleem voorzien door opneming van artikel 16 van de Woningwet. Op grond van dit artikel rust op de eigenaar van een woning de plicht om die voorzieningen te treffen, waarvoor ingevolge de Wmo geldelijke steun is verleend. Uit het karakter van de regeling kan worden afgeleid dat de weigerachtige verhuurder zonder nadere voorwaarden mee moet werken. Voor het eisen van (financiële) garanties van de gemeente en/of van de belanghebbende/huurder dat bij vertrek van huurder de aanpassingen teniet gedaan worden, is dan ook geen plaats. Dit ontneemt uiteraard het college niet de mogelijkheid de verhuurder enigszins tegemoet te komen. Het college is hiertoe echter niet verplicht. Het college moet zorgdragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van deze verplichting (artikel 100 Woningwet). De handhaving omvat het toepassen van Bestuursdwang (artikel 125 Gemeentewet) of het opleggen van een last onder dwangsom (artikel 5:32 Awb). De woningeigenaar wordt vanwege overtreding van artikel 16 Woningwet eerst aangeschreven om binnen een bepaalde termijn alsnog toestemming te verlenen om de woning aan te passen. Mocht hieraan niet worden voldaan, dan kan het college overgaan tot het plaatsen van woonvoorzieningen met toepassing van bestuursdwang. HOOFDSTUK6 LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL 6.1 Algemeen Artikel 22 van de verordening luidt: De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening; een vervoersvoorziening in natura; een PGB te besteden aan een vervoersvoorziening. 6.2 Vervoersvoorzieningen Naast een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming en PGB ten behoeve van een vervoersvoorziening kan ook een algemene vervoersvoorziening toegekend worden. Uit artikel 23 en 24 van de verordening blijkt verder dat er een primaat ligt bij de algemene voorzieningen, waaronder een primaat voor het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene voorzieningen, waaronder collectief vervoer, daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden. Indien dat niet het geval is, wordt gekeken of een andere voorziening de beperking kan oplossen. A. De algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voorzieningen anders dan collectief vervoer die een beperking snel en effectief kunnen oplossen. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Algemene voorzieningen anders dan collectief vervoer op het terrein van de vervoersvoorzieningen zijn nog niet ontwikkeld. Te denken valt aan een scootmobiel pool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootmobiel gebruik kunnen/willen maken. In dat soort situaties kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootmobielen. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of de belanghebbende veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (of ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk. Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. In dat geval geldt echter de reguliere aanvraagprocedure. B. Primaat collectief vervoer Uit artikel 24 van de verordening blijkt dat er een primaat ligt bij de algemene voorziening in de vorm van het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of collectief vervoer geïndiceerd is. Wanneer dat niet het geval is, komen andere voorzieningen in aanmerking. Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en/of psychosociale problemen, het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst - indien dit medisch mogelijk is - in aanmerking voor collectief vervoer. Met betrekking tot het primaat van het collectief vervoer is de CRvB van oordeel dat het in een gemeente aanwezige systeem van collectief vervoer aangemerkt moet worden als een individuele voorziening nu, alvorens toegelaten te worden tot deelname aan dit systeem, een op het individu gericht onderzoek dient plaats te vinden naar de vraag of de persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1 onderdeel g onder 5 en 6 van de Wmo gecompenseerd moet worden in de beperkingen die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie op het gebied van het zich lokaal verplaatsen. Indien het college op grond van onderzoek concludeert dat met het collectief vervoer in het individuele geval is voldaan aan de in artikel 4, lid 1 van de Wmo neergelegde compensatieplicht en de aanvrager toelaat tot het collectief vervoer, dient het college ingevolge artikel 6 Wmo die aanvrager de keuze te bieden tussen het ontvangen van die voorziening in natura en het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar PGB, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Deze overwegende bezwaren zouden volgens het college kunnen bestaan uit de verwachting dat een substantieel deel van de pashouders dat nu niet of nauwelijks gebruik maakt van het collectief vervoer, gebruik gaat maken van een PGB, indien sprake is van een keuzemogelijkheid. Dat leidt naar verwachting tot een stijging van de uitgaven en de uitvoeringskosten van de gemeente en tot een toename van de aanbestedingskosten. De CRvB is, gelet op de parlementaire geschiedenis van de Wmo, van oordeel dat de door het college aangedragen feiten en omstandigheden aangemerkt kunnen worden als overwegende bezwaren in de zin van artikel 6 Wmo. Dit betekent dat het college in beginsel niet gehouden is om, indien met toekenning van deelname aan collectief vervoer voldaan is aan de compensatieplicht, aan de persoon in kwestie de keuzemogelijkheid te bieden tussen deelname aan het collectief vervoer en een PGB. De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een algemeen overleg over het bovenregionaal vervoer uitgesproken dat, bij aanwezigheid van collectief vervoer, geen PGB hoeft te worden verstrekt, aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer in gevaar te brengen. Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 26 van de verordening bepaalt hierover: “Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.” De directe woon- en leefomgeving kan het beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen. Het gaat daarbij om vijf zones, conform de zone-indeling van het Openbaar Vervoer, vanaf de woning waarin men in de Gemeentelijke Basisadministratie staat ingeschreven. Daardoor is ook aansluiting op het buitenregionaal vervoer van Valys (vervoersvoorziening vanaf de 6de zone en meer) verzekerd. Gebruik openbaar vervoer De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de CRvB geoperationaliseerd middels het loopafstandcriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen, dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar zijn er beperkingen bij het vervoer zelf, zoals het in- en uitstappen, het zitten, het zich staande kunnen houden bij het wegrijden of afremmen, dan komt men ook voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor een persoon zonder beperkingen het openbaar vervoer zou kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet, in verband met het te bereiken resultaat op beide terreinen, bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkt

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.