Eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, van 2 maart 1995, ter uitvoering van de artikelen 3, eerste lid, 6, tweede lid en 8 van de Hinderverordening Sint Eustatius (A.B. 1993, no. 09)HOOFDSTUKI Artikel1Begripsbepalingen In dit eilandsbesluit wordt verstaan onder: verordening: Hinderverordening Sint Eustatius 1993; milieubelastende activiteiten: elke door de mens ondernomen activiteit of handeling ten gevolge waarvan schade aan het milieu kan ontstaan; vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de verordening; inrichting: de begrenzing waarbinnen milieubelastende activiteiten met een zekere regelmaat plaatsvinden; bijlage de bij dit eilandsbesluit behorende bijlage. Artikel2Aanwijzingen van categorieën van activiteiten Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, worden aangewezen de activiteiten die zijn genoemd in de bijlage. Artikel3Bevoegd gezag Het Bestuurscollege is bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van milieubelastende activiteiten die behoren tot een categorie die daartoe in de bijlage is aangewezen. Artikel4De wijze waarop de aanvraag om een vergunning moet gescheiden 1.De aanvraag om een vergunning wordt in viervoud ingediend, indien zij betrekking heeft op een in de bijlage genoemde activiteit ten aanzien het Bestuurscollege bevoegd is te beslissen op de aanvraag. 2.In gevallen waarin bij artikel 8 van de verordening meer dan één adviseur en betrokken bestuursorganen zijn aangewezen, verstrekt de aanvrager op verzoek van het Bestuurscollege even zoveel meer exemplaren van de aanvraag. 3.De bij de vergunningaanvraag behorende stukken worden door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag. HOOFDSTUKII Paragraaf1Gegevensverstrekking bij een aanvraag om een vergunning voor het aanvangen, uitvoeren, uitbreiden of wijzigen van een milieubelastende activiteit of inrichting Artikel5 1.In of bij de aanvraag om een vergunning voor het aanvangen, uitvoeren, uitbreiden of wijzigen van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening, vermeld de aanvrager: zijn naam en adres; het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de plaats waar de milieubelastende activiteit of inrichting; de aard, indeling en uitvoering van de milieubelastende activiteit of inrichting; de milieubelastende activiteiten of processen, alsmede de voor die activiteiten en processen kenmerkende gegevens met betrekking tot de grondstoffen, tussen-, neven- en eindprodukten, die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu, die de milieubelastende activiteit kan veroorzaken; de ten behoeve van de activiteiten of processen, bedoeld onder d, toe te passen technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening ten behoeve daarvan; de capaciteit van de milieubelastende activiteit of de te onderscheiden onderdelen daarvan; de tijden en dagen, dan wel perioden waarop de milieubelastende activiteit of inrichting of de te onderscheiden onderdelen daarvan in bedrijf zullen zijn; de belasting van het milieu, die de activiteit tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, alsmede de aard en de omvang van de te onderscheiden vormen van het milieu en de tijdseenheden waarbinnen deze zich kunnen voordoen; de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de activiteit kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken, waaronder in ieder geval worden begrepen de maatregelen ten behoeve van: het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen ten gevolge van de activiteit dan wel in de inrichting; het hergebruiken of nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of nuttige toepassing van de afvalstoffen van de activiteit dan wel in de inrichting ontstaan; het opslaan van de afvalstoffen in de inrichting; het zich ontdoen van de afvalstoffen die ten gevolge van de activiteit dan wel in de inrichting ontstaan; de wijze waarop gedurende het bedrijven van de activiteit de belasting van het milieu, die de inrichting veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd; de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn, waarbij onder ontwikkelingen mede worden verstaan veranderingen van of in de activiteit, die betrekking hebben op de onder c tot en met j genoemde onderwerpen. 2.In of bij de aanvraag om een vergunning voor het uitbreiden of wijzigen daarvan, als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Hinderverordening, vermeldt de aanvrager: zijn naam en adres; de vergunning of vergunningen krachtens welke de activiteiten is aangevangen dan wel wordt uitgevoerd; de beoogde uitbreiding of wijziging van de activiteit of de uitvoering daarvan; voor zover de beoogde uitbreiding of wijziging van de activiteit van invloed is op onderwerp waaromtrent voor het verkrijgen van de onder b bedoelde vergunning of vergunningen gegevens zijn verstrekt, een aanduiding van die gegevens en van de door de uitbreiding of wijziging veroorzaakte veranderingen daarvan. 3.De artikelen 5 tot en met 14 van dit eilandsbesluit zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid. Artikel6 Indien de artikel [bedoeld zal zijn: de activiteit] waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, naar haar aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag. Hij vermeldt daarbij tevens zo mogelijk het tijdstip waarop de activiteit zal worden beëindigd. Artikel7 In gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het aanvangen of uitvoeren van een activiteit die tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Bouw- en woningverordening, verstrekt de aanvrager aan het Bestuurscollege: indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze verordening wordt ingediend, een afschrijft van die aanvraag om bouwvergunning bij zijn aanvraag; indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen niet tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze verordening wordt ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning gelijktijdig met de indiening van die aanvraag, Artikel8 1.Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens met betrekking tot: ongewone voorvallen die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten; de belasting van het milieu, die die voorvallen kunnen veroorzaken; de aard en de omvang van de bij die voorvallen te onderscheiden vormen van belasting van het milieu; de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting ten gevolge van die voorvallen kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken; een risico-analyse met betrekking tot de gevolgen voor het milieu in geval van een calamiteit; een rampbestrijdingsplan. 2.Het Bestuurscollege zendt met het oog op de voorbereiding van de rampbestrijding een schriftelijke samenvatting van de risico-analyse aan: het hoofd van de brandweer; de minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Artikel9 Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag bij de aanvraag de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem of de onderwaterbodem op de plaats waar de activiteit zal plaats vindt. Artikel10 Voor zover dat noodzakelijk is voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van het Bestuurscollege bij de aanvraag nadere gegevens. Paragraaf2 Aanvullende regels voor bepaalde categorieën van activiteiten Artikel11 Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die behoort tot een of meer in deze paragraaf genoemde categorieën, verstrekt de aanvrager, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, de daarbij genoemde gegevens. Artikel12 Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die behoort tot een categorie die is genoemd in de bijlage onder 1, 2, 4, 6, 7, 8, 9, 15,11.1, 12, 13.1, onder a, 1° en 2°, 16, onder a, 17, 18, onder a, 1° of 26, vermeld de aanvrager op verzoek van het Bestuurscollege in of bij de aanvraag: de aard van de geluiden en hoogte van de te verwachten geluidsbelasting die de activiteit binnen een door het Bestuurscollege aangegeven gebied buiten de inrichting kan veroorzaken; de tijden waarop die geluidsbelasting zich zal voordoen; de methode waarmee die de aard van de geluiden en hoogte van de geluidsbelasting zijn vastgesteld. Artikel13 Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die behoort tot een categorie die is genoemd in de bijlage onder 27.1 of 27.2, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag: de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de afvalstoffen; indien het van buiten de activiteit/inrichting komende afvalstoffen betreft: de procedures van acceptatie en controle van de inkomende afvalstoffen: de wijze van financiering van de activiteiten, alsmede een schatting van de omvang van de investeringen die worden gedaan; de tarieven die de aanvrager voor het verwijderen wil vaststellen, alsmede de wijze waarop de tarieven zijn samengesteld; de beschikbaarheid en vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen; de wijze waarop de inkomende afvalstoffen worden geregistreerd; de wijze waarop de bij de verwijderingsprocessen ontstane stoffen of andere produkten of afvalstoffen worden afgezet, afgevoerd of verwijderd, alsmede de wijze van registratie daarvan; de ondernemings- en organisatiestructuur, alsmede de regeling van de feitelijke leiding van de activiteiten/inrichting. Artikel14 Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die behoort tot een categorie die is genoemd in de bijlage onder 27.1, onder e of d, of onder 27.2, in gevallen waarin sprake is van op of in de bodem, de onderwaterbodem of het oppervlaktewater brengen van afvalstoffen om ze daar te laten, vermeldt de aanvrager in bij de aanvraag: de kwaliteit van de bodem c.q. de onderwaterbodem en het oppervlaktewater op de plaats waar de activiteit zal plaats vinden of plaats vindt; de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische omstandigheden op de plaats waar de activiteit zal plaats vindt, waaronder tenminste gegevens met betrekking tot: 1° voor zover van toepassing de gemiddelde grondwaterstand, vastgesteld door meting volgens de door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm NEN 5766, uitgave 1990, welk meting tenminste tweemaal per maand op de 14e en de 28e van die maand, gedurende een periode van tenminste een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn verricht; 2° de grondwaterstroming; 3° de doorlatendheid, dikte, samenstelling en zetting van de bodemlagen c.q. de onderwaterbodemlagen; de vormen van belasting van het milieu alsmede de aard, de omvang en de duur daarvan die de activiteit naar verwachting kan veroorzaken na de beëindiging van de activiteit; de wijze waarop na beëindiging van het op of in de bodem of onderwaterbodem brengen van de afvalstoffen het milieuhygiënisch beheer van die stoffen en van de milieubeschermende voorzieningen is geregeld. Paragraaf3Gegevensverstrekking bij een kennisgeving van het veranderen van de milieubelastende activiteit of het veranderen van de uitvoering daarvan Artikel15 Bij een kennisgeving, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de verordening, vermeldt de vergunninghouder: zijn naam en adres; de vergunning of vergunningen krachtens welke de activiteit is aangevangen dan wel is uitgevoerd; de bevoegde verandering van de activiteit of van de uitvoering daarvan; voor zover de beoogde verandering van de activiteit of van de uitvoering daarvan van invloed is op de onderwerpen waaromtrent voor het verkrijgen van de onder b bedoelde vergunning of vergunning gegevens zijn verstrekt, een aanduiding van die gegevens en van de door de verandering veroorzaakte wijzigingen daarvan; gegevens waaruit kan worden afgeleid dat de veranderingen van de activiteit of van de uitvoering daarvan geen gevolgen hebben voor de aard en omvang, dan wel uitsluitend gunstige gevolgen voor de omvang van de nadelige gevolgen voor het milieu, die de milieubelastende activiteit kan veroorzaken; het tijdstip waarop de voorgenomen verandering wordt verwezenlijkt. Artikel16Gegevensverstrekking bij de kennisgeving van het aanvang, uitvoeren, uitbreiden of wijzigen van milieubelastende activiteiten of verandering van werkwijze zonder vergunning In of bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de verordening vermeldt degene die de activiteit of inrichting bedrijf c.q. drijft: zijn naam en adres; het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het terrein of het water waarop de activiteit plaatsvindt dan wel waar de inrichting is gevestigd; de aard, indeling en uitvoering van de activiteit; de capaciteit van activiteit of de te onderscheiden onderdelen daarvan; de tijden en dagen dan wel de perioden waarop de activiteiten, al dan niet gedeeltelijk, wordt uitgevoerd. Artikel17Openbare kennisgeving van de kennisgeving als bedoeld in de artikelen 3, derde lid, en 4, vierde lid, van de verordening Het Bestuurscollege geeft openbaar kennis van de kennisgeving binnen twee weken na de ontvangst daarvan, in ieder geval door kennisgeving daarvan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen op zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel zo goed mogelijk wordt bereikt. Artikel18 Bij het bekend maken van kennisgeving vermeldt het Bestuurscollege ten minste: de zakelijke inhoud van de melding; de termijn waarbinnen en de uren waarop en de plaats waar de stukken kunnen worden ingezien. Artikel19Adviseurs en betrokken overheidsorganen Met betrekking tot een aanvraag om vergunning voor een milieubelastende activiteit, waarop het Bestuurscollege bevoegd is te beslissen, worden als adviseurs aangewezen: het hoofd van de Dienst Openbare Werken; het hoofd van de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en verkeer; het hoofd van de brandweer; de milieucoördinator van het ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Artikel20 Dit eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, treedt in werking met ingang van de dag na die zijner afkondiging. Bijlagebehorende bij Hinderverordening Sint Eustatius ( A.B. 1993, no. 3) Categorieën van activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening Categorie 1 Inrichtingen waar: een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft; een of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van gezamenlijk vermogen een verbrandingsmotor met vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft; een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen groter dan 130 kW. Voor de toepassing van onderdeel 1.1 blijven buiten beschouwing: elektromotoren, verbrandingsmotoren en installaties voor het verstoken van brandstoffen die tijdelijk in een bepaalde omgeving zijn; elektromotoren van personenliften; elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en beweegbare waterkeringen. Categorie 2Inrichtingen voor: het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand; het regelen of meten van de druk of stroming van gas of gasstromen. Voor de toepassing van onderdeel 2.1 blijven buiten beschouwing: een of meer bovengrondse drukhouders of insluitsystemen met een inhoud of een gezamenlijke inhoud kleiner dan 0,025 m3 voor het opslaan van licht ontvlambare, ontvlambare, schadelijke of irriterende gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand; ten hoogste twee bovengrondse, niet op een bouwplaats opgestelde drukhouders of insluitsystemen, elk met een inhoud van 0,15 m3 of minder voor het opslaan van propaan ten behoeve van ruimteverwarming, warmwatervoorziening, koeling, het bereiden van voedingsmiddelen of huishoudelijk gebruik; een of meer drukhouders of insluitsystemen met een inhoud of een gezamenlijke inhoud kleiner dan 1 m3 voor het opslaan van andere dan de onder a en b genoemde gassen of gasmengsels of zuurstof, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand, met uitzondering van ontplofbare, zeer licht ontvlambare, zeer vergiftige, oxyderende, corrosieve, carcinogene, mutagene of teratogene gassen of gasmengsels. Voor de toepassing van onderdeel 2.1, onder b, buiten beschouwing inrichtingen met een nominale belasting van 10 Nm3/uur of minder bij een aanvoerdruk van ten hoogste 800 kPa of met een nominale belasting van 500 Nm3/uur of minder bij een aanvoerdruk van ten hoogste 20 kPa. Voor de toepassing van onderdeel 2.2, onder, wordt onder propaan een produkt verstaan dat hoofdzakelijk bestaat uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden ethaan, butanenen en butenen, voor zover de dampspanning bij 70 graden C ten hoogste 3100 kPa bedraagt. Onderdeel 2.2, onder b, is niet van toepassing indien de drukhouder of het insluitsysteem respectievelijk de drukhouders of insluitsystemen zijn opgesteld in een inrichting waar andere stationaire drukhouders of insluitsystemen voor de opslag van tot vloeistof verdichte gassen aanwezig zijn. Categorie 3Inrichtingen waar ontplofbare stoffen, preparaten of producten worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt, verpakt of herverpakt, opgeslagen of overgeslagen. Onder ontplofbare stoffen wordt mede verstaan nitro-cellulose. Voor de toepassing van onderdeel 3.1 blijft het opslaan van ten hoogste de volgende hoeveelheden buiten beschouwing: 10.000 patronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens met een kaliber van niet meer dan 13.2 mm of voor schietgereedschap; 1 kg zwart buskruit; 3 kg rookzwak buskruit; 10 kg pyrotechnisch speelgoed. Voor de toepassing van onderdeel 3.1 blijft het herladen van vuurwapens buiten beschouwing. Voor de toepassing van onderdeel 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.