LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, ter uitvoering van de artikelen 2, derde lid, 5, derde lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, 8, 9 en 25 van de CrematielandsverordeningArtikel1begripsbepaling 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: landsverordening: Crematielandsverordening; vergunning: vergunning, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de landsverordening; register: het register, bedoeld in artikel 2 van de landsverordening; de minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur. 2.Onder overledene wordt tevens verstaan een doodgeboren kind. Artikel2model van het register Het register van de in het crematorium verbrande lijken wordt ingericht volgens het model dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel3maximum aantal vergunningen Het maximum aantal te verlenen vergunningen voor het vestigen van een crematorium wordt gesteld op twee. Artikel4mededeling en terinzagelegging 1.Het verzoekschrift ter verkrijging van een vergunning wordt door de minister bekendgemaakt door: mededeling in één of meer lokale dagbladen; terinzagelegging gedurende een maand van het verzoekschrift met bijlagen op het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur . 2.De bekendmaking geschiedt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst van het verzoekschrift dan wel nadat een beschikking tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in beroep is vernietigd, uiterlijk twee weken na datum van ontvangst van het besluit tot vernietiging. 3.De kosten van de bekendmaking zijn voor rekening van de verzoeker. Artikel5 In de mededeling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wordt ten minste vermeld: de zakelijke inhoud van het verzoekschrift; het tijdstip waarop en de plaats waar een afschrift van het verzoekschrift met bijlagen ter inzage is gelegd; de termijn waarbinnen door een ieder schriftelijk, met redenen omklede, bezwaren bij de minister kunnen worden ingebracht tegen het verlenen van de verzochte vergunning; dat degene die een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7 indient, kan verzoeken zijn persoonlijke gegevens niet bekend te maken. Artikel6 Indien in een stuk dat ter inzage wordt gelegd gegevens voorkomen, of uit een zodanig stuk gegevens kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding gerechtvaardigd is kan de minister, op een daartoe strekkend schriftelijk met redenen omkleed verzoek, de verzoeker toestaan dat deze ten behoeve van de bekendmaking een door de minister goedgekeurde tweede tekst overlegt, waarin die gegevens niet voorkomen, onderscheidenlijk waaruit zij niet kunnen worden afgeleid. De minister maakt van deze bevoegdheid slechts gebruik met betrekking tot bedrijfsgeheimen en beveiligingsgegevens. Artikel7 1.Gedurende de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, kan een ieder schriftelijk met redenen omklede bezwaren tegen het verlenen van de verzochte vergunning inbrengen bij de minister. 2.De persoonlijke gegevens van degene die een bezwaarschrift heeft ingediend worden, indien hij daarom verzoekt, niet bekendgemaakt. 3.Gedurende een week na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, kunnen zowel de verzoeker als zij die bezwaren hebben ingebracht, kennis nemen van de tegen het verzoek kenbaar gemaakte bezwaren. Artikel8weigeringsgronden De vergunning kan worden geweigerd indien: het voorgenomen crematorium niet voldoet aan de eisen daaraan gesteld in dit besluit; de voorgenomen bedrijfsvoering onvoldoende waarborgen biedt voor naleving van de regels gegeven bij de landsverordening of dit besluit; geen hindervergunning is verkregen. Artikel9intrekking van de vergunning 1.De minister kan een vergunning ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende geheel of gedeeltelijk intrekken, indien: na het verstrijken van de toepasselijke betalingstermijnen het vergunningsrecht niet is voldaan; de verstrekte gegevens blijken zodanig onjuist of onvolledig dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; van de beschikking gedurende zes maanden geen gebruik wordt gemaakt; de houder van de vergunning zij bij herhaling aan overtreding van de bepalingen van de landsverordening, van dit besluit of van de voorschriften verbonden aan de vergunning heeft schuldig gemaakt; het belang van de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust zulks, naar het oordeel van de minister, vergt; door het crematorium daarbuiten in onvoorziene mate gevaar, schade of hinder wordt veroorzaakt en wijziging of aanvulling van de aan de vergunningverbonden voorschriften geen oplossing biedt; in verband met verandering van wetgeving, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten, die zwaarder wegen dan de belangen van de belanghebbende bij een ongewijzigde beschikking; de houder van de vergunning dit schriftelijk verzoekt; het crematorium niet of niet meer voldoet of niet kan voldoen aan de bepalingen van de landsverordening, dit besluit of van de aan de vergunning verbonden voorschriften. 2.Indien de minister voornemens is tot intrekking van de vergunning over te gaan, wordt de vergunninghouder schriftelijk in kennis gesteld van dit voornemen, onder vermelding van de redenen van de voorgenomen intrekking. 3.De beschikking tot intrekking wordt zo spoedig mogelijk gegeven en bevat de gronden waarop zij berust. De beschikking vermeldt het tijdstip waarop de intrekking van kracht wordt. Artikel10opbaargelegenheid 1.Een crematorium beschikt over ten minste één opbaargelegenheid. 2.Een overledene mag alleen worden bewaard of opgebaard in een uitsluitend daartoe bestemde en ingerichte ruimte van voldoende omvang. 3.Een opbaargelegenheid moet ten minste de volgende ruimten bevatten: één ruimte voor het binnenbrengen en verzorgen van overledenen; één koel- of vriesruimte voor het bewaren van overledenen; één ruimte voor het opbaren van overledenen tijdens rouwbezoek; één ruimte voor het uitdragen van overledenen voor begrafenis of crematie; één ruimte die desgewenst ook als garderobe of als ontvangstruimte dienst doet en één afzonderlijk toilet voor bezoekers van het mannelijk onderscheidenlijk het vrouwelijk geslacht; één verblijfruimte en één toilet voor het personeel; één ruimte bestemd voor het bewaren van zaken die noodzakelijk zijn voor een goede bedrijfsvoering; overige voor de bedrijfsvoering noodzakelijke ruimten. 4.Ruimten, bedoeld in het derde lid, onderdeel h, staan niet in open verbinding met de ruimten, bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met g. 5.In afwijking van het derde lid, kunnen de functies, bedoeld in onderdelen a en b, in één ruimte worden uitgeoefend. Het voorgaande geldt ook voor de functies, bedoeld in onderdelen c en d. 6.De ruimten, bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met h, moeten elk voldoende ventilatie hebben en voorzien zijn van een doelmatige elektrische verlichtingsinstallatie. 7.De temperatuur in de opbaarruimte moet onder de 25 graden Celsius worden gehouden. 8.De vloeren, wanden en plafonds van de in het derde lid onderdelen a, b, c en d bedoelde ruimten moeten van een zodanig materiaal zijn vervaardigd en zodanig zijn afgewerkt dat zij gemakkelijk en doeltreffend kunnen worden gereinigd. De voorgaande volzin is eveneens van toepassing op de vloerbedekking en stoffering, indien aanwezig, van de in het derde lid, onderdelen c en d genoemde ruimten. 9.Voor elke ruimte waarin een overledene wordt bewaard of opgebaard, moeten maatregelen zijn getroffen waardoor het afvloeien van afscheidingsstoffen van een overledene buiten de desbetreffende ruimte, wordt voorkomen en moeten de richtlijnen en aanwijzingen van het Hoofd van de afdeling Gezondheid in acht worden genomen. Artikel11vereiste ovenruimte 1.Een crematorium beschikt over ten minste één crematieoven. De crematieoven moet zijn opgesteld in een ruimte welke in het bijzonder hiervoor is bestemd. De installatie moet te allen tijde bereikbaar zijn voor bediening, inspectie en onderhoud. 2.De vloer van de ovenruimte moet zijn vervaardigd van beton of ander onbrandbaar materiaal in de zin van de norm NEN 3881
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.