← Nederland

Nota vrijstellingenbeleid Ruimtelijke Ordening (Barendrecht)

Nota vrijstellingenbeleid Ruimtelijke Ordening Het college van burgemeester en wethouders stellen de volgende regeling vast.

  1. Inleiding In de rapportage van de VROM-inspectie van 2006 staat de aanbeveling om te komen tot vrijstellingenbeleid. Deze nota legt het beleid, dat in de gemeente Barendrecht op het gebied van vrijstellingen geldt, vast. Het opstellen van dergelijk beleid heeft een aantal voordelen: Het waarborgt de eenheid van het beleid Het bevordert de rechtmatigheid van vrijstellingsbesluiten Het vergroot de kenbaarheid van het beleid Het doet de doorlooptijd van procedures afnemen Vrijstellingenbeleid staat overigens in directe relatie met het proces van bestemmingsplanherziening. Het beleid anticipeert immers op ruimtelijk toelaatbare wensen die in één of meerdere bestemmingsplannen nog niet zijn opgenomen. Het vrijstellingenbeleid vormt daarmee een belangrijke onderlegger voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Te zijner tijd zal het beleid hierdoor overbodig worden. Met de Nota vrijstellingenbeleid wordt enerzijds een ruimtelijk kader vastgelegd voor het beoordelen van bouwplannen die strijdig zijn met het geldende bestemmingsplan. Die vrijstellingen worden thans doorgaans via een vrijstelling op grond van artikel 19, lid 3 of artikel 19, lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend. Met de invoering van de Wro vervalt deze vrijstellingsbevoegdheid voor een deel. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (nieuw) blijft een bevoegdheid bestaan om voor zogenaamde kruimelgevallen ontheffing te verlenen. Hoewel deze regeling veel minder mogelijkheden omvat dan het huidige artikel 20 BRO (in relatie met artikel 19, lid 3 WRO) kan de Nota vrijstellingbeleid voor die gevallen als toetsingskader blijven dienen. Tevens kan de nota gebruikt worden voor het bepalen of al dan niet ontheffing wordt verleend via een projectbesluitprocedure (een procedure die vergelijkbaar is met artikel 19, lid 1 WRO). Daarnaast dient de nota als onderlegger voor onder meer de bijgebouwenregeling in nieuw op te stellen bestemmingsplannen. In dat kader wordt nog opgemerkt dat wij op dit moment onderzoeken of de inhoud van de nota kan worden omgezet in een paraplubestemmingsplan. Dit houdt in dat één bestemmingsplan wordt vastgesteld dat in één keer alle Barendrechtse bestemmingsplannen voor een gedeelte herziet c.q. aanvult waardoor de inhoud van de onderhavige nota als binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid kan worden toegepast binnen (vrijwel) het hele Barendrechtse grondgebied. In voornoemde zin blijft het beleid dus ook onder de werking van de Wro zijn waarde behouden.
  2. Procedure Procedureel bestaat de behandeling van een vrijstellingsverzoek uit twee delen: Toetsing verzoek Keuze van de (lichtste) procedure en het doorlopen hiervan. 2.1 Toetsing verzoek Een verzoek om vrijstelling kan al dan niet gepaard gaan met een verzoek om bouwvergunning. De toetsing van een verzoek om vrijstelling vindt plaats aan de hand van algemene en specifieke toetsingscriteria. De algemene criteria gelden voor alle vrijstellingsverzoeken. De specifieke criteria zijn alleen van toepassing voor bepaalde soorten of categorieën bouwwerken of gebieden. De algemene en specifieke toetsingscriteria worden beschreven in respectievelijk paragraaf 3 en 4 van deze nota. 2.
  3. Keuze van de (lichtste) procedure en het doorlopen hiervan Indien de gemeente wenst mee te werken aan een vrijstellingsverzoek, wordt bepaald welke vrijstellingsprocedure gevolgd moet worden. Hierbij geldt dat omwille van efficiency altijd wordt gekozen voor de minst zware procedure aan de hand van het onderstaande schema: Vrijstellingsverzoeken Vrijstellingsverzoeken Permanent Tijdelijk (meer dan 5 jaar) ( minder dan 5 jaar) Artikel 17 WRO Binnenplanse Artikel 15 WRO Artikel 19 lid 3 WRO In gevallen conform art. 20 BRO Artikel 19 lid 2 WRO In gevallen conform algemene/specifieke verklaring van geen bezwaar Artikel 11 WRO (Indien) Wijzigingsmogelijkheid binnen het bestemmingsplan Artikel 19 lid 1 WRO Na de keuze voor de te volgen procedure kan deze worden gestart. De procedures zijn wettelijk vastgelegd in: het bestemmingsplan – o.g.v. art. 11 en 15 WRO de Wet op de Ruimtelijke Ordening - art. 17, 18 19.1, 19.2, 19.3 en 19a WRO
  4. Algemene toetsingscriteria Medewerking aan een vrijstellingsverzoek wordt slechts verleend: Indien: het betreffende bestemmingsplan is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van dit beleid en het betreffende bestemmingsplan ouder is dan 5 jaar; het betreffende bestemmingsplan is vastgesteld na de inwerkingtreding van dit beleid en het betreffende bestemmingsplan ouder is dan 7 jaar. Indien het (bouw)plan stedenbouwkundig inpasbaar is en er voorts vanuit sectorale belangen geen onevenredige bezwaren tegen het plan bestaan (o.a. verkeer, parkeren, water, milieu etc). Indien de vrijstelling betrekking heeft op een bouwplan wordt slechts medewerking verleend indien een bouwplan voldoet aan alle overige wettelijke vereisten, waaronder in ieder geval het bouwbesluit, welstand, de monumentenwetgeving en de milieuwetgeving. Indien voor het betreffende gebied een conceptbestemmingsplan voor inspraak is vrijgegeven, wordt het verzoek daaraan getoetst. Van het beleid kan slechts worden afgeweken indien: er sprake is van initiatieven of omstandigheden die bij het opstellen van het bestemmingsplan onvoorzien waren; er sprake is van initiatieven of omstandigheden die bij het opstellen van het vrijstellingenbeleid onvoorzien waren; Er sprake is van bijzondere sociale, economische of maatschappelijke omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen.
  5. Specifieke toetsingscriteria 4.1 Balkons en Dakterrassen Het komt steeds vaker voor dat een dakvlak geschikt gemaakt wordt voor het gebruik als dakterras of balkon. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaat hier bezwaar tegen voor zover de belijning van de architectuur van de gebouwen verstoord wordt. Medewerking aan verzoeken om vrijstelling voor een balkon/dakterras wordt slechts verleend indien en slechts voor zover dit al in de bestaande architectuur van het pand en/of bouwblok aanwezig is en/of tijdens de bouw als optie is aangeboden. Tevens zal altijd rekening gehouden worden met burenrechtelijke bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. 4.2 Zendmasten De aanwezigheid van zendmasten voor UMTS en GSM zorgt in veel gevallen voor de nodige maatschappelijke onrust. Voor een deel vloeit deze voort uit het gebrekkige inzicht dat op dit moment bestaat in de lange termijneffecten van GSM/UMTS zendmasten op de gezondheid. Daarnaast bestaan er ook stedenbouwkundige en welstandsbezwaren tegen dergelijke masten. Om deze reden wordt geen medewerking verleend aan een verzoek om vrijstelling ten behoeve van een GSM-/UMTS zendmast 4.3 Beroep of bedrijf aan huis Thuiswerken wordt steeds populairder. Het aantal bedrijfjes dat in woningen gevestigd is neemt toe. Thuiswerken kan een woonomgeving verlevendigen. Maar het uitoefenen van een beroep of een bedrijf in een woning kan ook ongewenste situaties met zich meebrengen. Voor het starten van een bedrijf aan huis is vaak meer nodig dan een vrijstelling van een bestemmingsplan. Voor wat betreft vrijstellingen wordt alleen medewerking verleend aan verzoeken indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: het pand blijft het uiterlijk van een woning houden; maximaal 30% van de oppervlakte van de woning wordt gebruikt ten behoeve van het bedrijf of beroep aan huis, met een maximum van 40m²; er vinden geen detailhandelsactiviteiten plaats; er worden uitsluitend activiteiten uitgevoerd die vallen onder milieucategorie 1 uit de VNG- brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 2 worden toegestaan indien dit naar aard en omvang gelijk te stellen is met een bedrijfsactiviteit uit milieucategorie
  6. de parkeerdruk of de verkeersbelasting in het openbare gebied zal niet onevenredig toenemen. 4.4 Aanbouwen; algemene voorwaarden Een aanbouw architectonisch ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Daarnaast is een aanbouw ook in bouwkundig opzicht aan het hoofdgebouw verbonden. De aanbouw kan vanuit het hoofdgebouw worden bereikt. Om voor vrijstelling in aanmerkingen te komen moet een aanbouw voldoen aan de volgende algemene voorwaarden: De aanbouw is qua uitstraling en volume ondergeschikt aan het hoofdgebouw. De aanbouw is plat afgedekt of heeft een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, helling- en nokrichting. De goot- en/of bouwhoogte is niet hoger dan de eerste volledige bouwlaag boven vloerpeil van het hoofdgebouw met een maximum van 4 meter, gemeten boven vloerpeil. Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 50 m² indien het totale perceelsoppervlakte gelijk of minder is dan 250 m². Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 65 m² indien het totale perceelsoppervlakte groter is dan 250 m². Het perceelsgedeelte achter de voorgevelrooilijn, de oppervlakte van het hoofdgebouw niet meegerekend, mag in totaal voor niet meer dan 50% worden bebouwd. Indien de aanbouw plaatsvindt achter de voorgevelrooilijn met het enkele doel om de woning levensloopbestendig te maken dan wel gebeurt op basis van een indicatie, als bedoeld in de Wet voorzieningen gehandicapten, dan kan worden afgeweken van de in deze beleidsregels genoemd maten. Het perceel, het hoofdgebouw niet meegerekend, mag echter nooit meer dan 50% worden bebouwd. 4.4.1 Aanbouwen binnen de bebouwde kom Meewerking aan vrijstellingsverzoeken wordt slechts verleend voor aanbouwen achter de voorgevelrooilijn. Deze kunnen aan de achterzijde van de woning worden geplaatst of aan de zijkant, zoals hieronder is afgebeeld. Vrijstelling voor dergelijke aanbouwen is verder slechts mogelijk indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: De voorgevel van de aanbouw ligt op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevelrooilijn indien sprake is van een geschakelde woning en 5 meter indien het een vrijstaande woning betreft. De breedte van aanbouwen aan de zijgevel van de woning bedraagt maximaal 75% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw met een maximum van 5 meter. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij een aanbouw aan de zijgevel minimaal 2 meter indien deze grenst aan de openbare weg of openbaar groen. In overige gevallen bedraagt deze afstand minimaal 1 meter. De diepte van de aanbouw bedraagt niet meer dan de diepte van het hoofdgebouw. =3 of =5 m Hoofdgebouw Max. 75% en =5m =1 of =2 m = =3 of =5 m Hoofdgebouw Max. 75% en =5m =1 of =2 m = 4.4.2 Aanbouwen buiten de bebouwde kom Vrijstelling kan worden verleend onder de volgende voorwaarden: Voor aanbouwen aan de zijgevel geldt dat deze ten minste 5 meter achter de voorgevel liggen De afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter 4.4.2.1 Specifieke voorwaarden bij aanbouwen voor de voorgevelrooilijn Medewerking aan bouwen voor de voorgevelrooilijn wordt zeer beperkt toegestaan omdat dit in de regel de stedenbouwkundige en architectonische opzet van het bouwwerk en de omgeving verstoord. Vrijstelling wordt daarom slechts verleend indien de aanbouw voldoet aan de volgende voorwaarden: De overschrijding van de voorgevelrooilijn bedraagt niet meer dan 1,5 meter, gemeten vanuit de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw. De breedte bedraagt niet meer dan 50% van de breedte van de gevel van het woongebouw De oppervlakte van de uitbouw bedraagt maximaal 6 m² De afstand van de aanbouw tot de openbare weg bedraagt minimaal 10 meter. De zijkant van de aanbouw staat op minimaal 50 cm afstand tot het hart van de bouwmuur of is gekoppeld aan de aanbouw van de buren. 50% =50 cm =1,5 m =10 m Hoofdgebouw voorgevelrooilijn 4.5 Bijgebouwen; Algemene voorwaarden
  7. Medewerking aan vrijstelling wordt slechts verleend voor bijgebouwen achter de voorgevelrooilijn.
  8. Het bijgebouw is qua uitstraling en volume ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
  9. Het bijgebouw is plat afgedekt of heeft een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, helling- en nokrichting.
  10. De goot- en/of bouwhoogte is niet hoger dan de eerste volledige bouwlaag boven vloerpeil van het hoofdgebouw met een maximum van 4 meter, gemeten boven vloerpeil.
  11. De functie van het bijgebouw mag niet detailhandel en/of wonen zijn. 4.5.1 Bijgebouwen binnen de bebouwde kom
  12. Het perceelsgedeelte achter de voorgevelrooilijn, de oppervlakte van het hoofdgebouw niet meegerekend, mag in totaal voor niet meer dan 50% worden bebouwd.
  13. Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 50 m² indien het totale perceelsoppervlakte gelijk of minder is dan 250 m².
  14. Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 65 m² indien het totale perceelsoppervlakte groter is dan 250 m²
  15. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van bijgebouwen aan de zijgevel van het hoofdgebouw bedraagt minimaal 1 meter indien de zijdelingse perceelsgrens grenst aan de openbare weg of het openbaar groen
  16. De afstand tot de voorgevelrooilijn bedraagt 3 meter indien het een geschakelde woning betreft en 5 meter in geval van een vrijstaande woning. =3 of =5 m Hoofdgebouw Max. 75% en = 5m =1 4.5.
  17. Bijgebouwen buiten de bebouwde kom
  18. Het perceelsgedeelte mag, het hoofdgebouw niet meegerekend in totaal voor niet meer dan 50% worden bebouwd, met een maximum van 65 m².
  19. Indien bestaande bijgebouwen worden vervangen door nieuwe bijgebouwen mag een oppervlakte bebouwd worden die bestaat uit: De oppervlakte van de bestaande bijgebouwen – (de oppervlakte van de bestaande bijgebouwen - 65 m²)/2
  20. De afstand tot de voorgevelrooilijn bedraagt minmaal 5 m.
  21. De afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 m. 4.6 Dakkapellen op achterdak- en zijdakvlakken (niet gericht naar openbare weg en het openbare groen) van woningen. Sinds 2003 kunnen dakkapellen op achterdakvlakken en zijvlakken die niet zijn gericht naar de openbare weg of het openbare groen, onder bepaalde voorwaarden vergunningsvrij worden geplaatst. Eén van de randvoorwaarden is dat de afstand van de onderzijde van de dakkapel tot aan de dakvoet maximaal één meter mag bedragen. Bij woningen met dakoverstekken is, omdat deze maat veelal wordt overschreden, een bouwvergunning noodzakelijk. Deze aanvragen zijn in strijd met het bestemmingsplan omdat hier vaak een maximale breedte is gedefinieerd die minder ver gaat dan vergunningvrij mogelijk is. Woningen zonder dakoverstek hebben hier geen last van en er ontstaat een onlogische inperking van bouwmogelijkheden voor burgers die toevallig een woning met dakoverstek bezitten. Meewerking aan vrijstelling voor dakkapellen wordt slechts verleend bij bouwaanvragen voor dakkapellen die voldoen aan de randvoorwaarden voor vergunningsvrij bouwen behoudens de bovengenoemde 1 metermaat en de overschrijding van de 1 metermaat is een gevolg van een dakoverstek. 4.7 Vlaggenmasten, baniermasten, reclamezuilen en hekwerken op voor- en zij-erven van bedrijfsgebouwen op bedrijventerreinen Op bedrijventerreinen laten de bestemmingsplannen op voor- en zijerven veelal geen bebouwing in enige vorm toe. Uit de praktijk blijkt dat op deze erven behoefte is aan het plaatsen van vlaggenmasten, banieren, reclamezuilen en hekwerken (ter beveiliging). Dit soort elementen is, mits de architectuur en stedenbouwkundige situatie wordt gerespecteerd, aanvaardbaar. Om deze reden wordt in dergelijke gevallen medewerking aan een vrijstellingsprocedure verleend onder de volgende voorwaarden: Vlaggenmasten en baniermasten: Maximaal één mast per 10 meter gevellengte van de gevels van het bedrijfsgebouw die zijn georiënteerd naar de openbare weg; Minimale afstand tot gevel van bedrijfsgebouw bedraagt 5 meter; Maximale hoogte 8 meter. Reclamezuilen: Afstand tot gevel van bedrijfsgebouw minimaal drie meter; Maximale breedte 1 meter; Maximale hoogte 3 meter. Hekwerken: Maximale hoogte 2,2 meter; Op hekwerk geen hogere elementen in de vorm van lampen, prikkeldraad e.d.; Hekwerk in transparante vorm (bv. spijlenhekwerk); Hekwerk in donkere kleur (bv. donkergrijs, antraciet, donkergroen). Aldus vastgesteld in de vergadering. Bijlage 1: Begrippen Aanbouw Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Bijgebouw Een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat doorde vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw,waarmee het niet in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Rooilijn De lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.