Hoofdstuk1Algemene bepalingen Inhoudsopgave Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Hoofdstuk 1Algemene bepalingen 4 Artikel 1.1 Begripsbepalingen 4 Artikel 1.2 Compensatiebeginsel 6 Artikel 1.3 Het bepalen van de compensatie 6 Artikel 1.4 Primaat goedkoopst compenserende voorziening 6 Artikel 1.5 Toekennen van voorzieningen 6 Hoofdstuk 2Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen 8 Artikel 2.
(2005)” zijn hierop van toepassing waaronder de definiëring van het begrip ‘leefeenheid’. Artikel3.4Omvang van de hulp bij het huishouden . De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren en wordt vastgesteld op basis van het document ‘Indicatie Protocol Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning’ met dien verstande dat beargumenteerd afwijken mogelijk is als de persoonskenmerken van de aanvrager dat rechtvaardigen. Artikel3.5Omvang van het persoonsgebonden budget . De bedragen die per uur in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek. Hoofdstuk4Woonvoorzieningen Artikel4.1Soorten individuele woonvoorzieningen . De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit: een tegemoetkoming in de verhuiskosten; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening (waaronder woningsanering); een uitraasruimte; onderhoud, keuring en reparatie; dubbele woonlasten; het verwijderen van woonvoorzieningen; een andere voorziening indien die, op grond van de individuele omstandigheden de meest adequate compensatie biedt met betrekking tot de geconstateerde beperkingen. Artikel4.2Primaat van de verhuizing . 1.Een persoon met beperkingen kan voor een woonvoorziening als bij artikel 4.1, onder a genoemd, in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke oorzaak het normale gebruik van de woning belemmeren. Een persoon met beperkingen kan voor een woonvoorziening als onder artikel 4.1 onder b t/m d genoemd, in aanmerking worden gebracht: indien de kosten van voornoemde woonvoorziening niet meer bedragen dan het (maximum)bedrag dat wordt gehanteerd om af te zien van het primaat van de verhuizing zoals vermeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek óf; b.indien de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst compenserende oplossing is. Artikel4.3Hoofdverblijf . Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Artikel4.4Bezoekbaar maken tweede woonruimte . 1.In afwijking van het gestelde in artikel 4.3 kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. 2.De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. 3.De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek vast te leggen maximumbedrag. 4.Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon met beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een toilet(voorziening) kan gebruiken. Artikel4.5Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt verstrekt . De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan woningen of woonruimten behorend tot een AWBZ instelling, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen (waarvoor een CIZ indicatie vereist is en een leeftijdsgrens bepaald is), is voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Artikel4.6Woonwagen . Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten aan woonwagens indien: de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar is; de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt; de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; en d.de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet. Artikel4.7Woonschip . Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonschip indien: a.de technische levensduur van het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar is. b.het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen. Artikel4.8.Technische levensduur woonwagen en woonschip . Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, dan wordt de financiële tegemoetkoming gebaseerd op een maximaal bedrag aan aanpassingkosten als genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek. Artikel4.9.Binnenschip. Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987,466), van een binnenschip, dat: a.in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel te boekgestelde schepen 1992; en b.bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het metingsbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde. Artikel4.10Beperkingen . De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: De noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke oorzaak geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; De persoon met beperkingen, voor wie op basis van voorzienbare toekomstige beperkingen een woningaanpassing te verwachten was, is verhuisd naar een woning die niet is afgestemd op de beperking, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; Deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. Uitzonderingen op deze beperking zijn aanpassingen van gemeenschappelijke ruimten in woongebouwen die niet specifiek bestemd zijn voor ouderen en gehandicapten (zie artikel 4.5): automatische deuropeners hellingbanen extra trapleuningen opstelplaatsen voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het hoofdgebouw het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren f het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders Artikel4.11.Terugbetaling bij verkoop . De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning, vast te stellen volgens het door het in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek vastgestelde afschrijvingsschema, dient te worden terugbetaald. Artikel4.12.Financiële tegemoetkoming verhuiskosten . 1.Het college kan een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten als bedoeld in artikel 4.1, onder a, verstrekken aan de persoon met beperkingen indien deze persoon het primaat van de verhuizing wordt opgelegd zoals genoemd in deze verordening onder artikel 4.
- De hoogte van deze financiële tegemoetkoming wordt vermeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek. 2.Het college kan een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten als bedoeld in artikel 4.1, onder a, verstrekken aan een persoon die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een persoon met beperkingen, de woonruimte, bestemd voor permanente bewoning, heeft ontruimd. De hoogte van deze financiële tegemoetkoming wordt vermeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. 3.Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten indien: de persoon met beperkingen niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen, de persoon met beperkingen niet verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden, de persoon met beperkingen niet verhuisd is naar een AWBZ-instelling, in de te verlaten woonruimte belemmeringen zijn ondervonden, tenzij het een verhuizing naar een ADL-woning betreft. 4.Het college verleentslechts een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten indien de persoon met beperkingen niet verhuisd is op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing ook zonder de beperkingen algemeen gebruikelijk geacht zou zijn. Artikel4.13.Voorwaarden uitraasruimte . Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening in de vorm van een uitraasruimte in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een aantoonbare aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen. Artikel4.14.Dubbele woonlasten i.v.m. aanpassing woonruimte . Het college kan een, in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek genoemde, financiële tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten verlenen die door de persoon met beperkingen moeten worden gemaakt in verband met: het aanpassen van zijn huidige woonruimte of de nog te betrekken woonruimte. Voor dubbele woonlasten kan alleen een financiële tegemoetkoming in de kosten worden verleend als deze kosten gemaakt werden in verband met het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte of het tijdelijk moeten betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. 3.De financiële tegemoetkoming voor dubbele woonlasten wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de persoon met beperkingen als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan. De financiële tegemoetkoming voor dubbele woonlasten wordt alleen verleend als de persoon met beperkingen redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten zou hebben. De maximale termijn waarvoor een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt bedraagt 6 maanden. Artikel4.15.Verwijderen van voorzieningen . Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming voor het verwijderen van woonvoorzieningen indien: De woonvoorziening krachtens deze verordening, de Wet voorzieningen gehandicapten of de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten is verleend én De woningaanpassing een huurwoning betreft en deze langer dan 6 maanden leegstaat én De woningaanpassing zo specifiek is dat het hierdoor niet mogelijk is om de woning regulier te verhuren. Artikel4.16Primaat goedkoopst compenserende voorziening . Als er, na onderzoek van de persoonskenmerken, behoeften en omstandigheden van de persoon met beperkingen, meerdere voorzieningen zijn die de beperkingen kunnen compenseren, dan kan het college de goedkoopst compenserende voorziening verstrekken. Hoofdstuk5Vervoersvoorzieningen Artikel5.1Soorten van vervoersvoorzieningen . De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: Een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer; Een financiële tegemoetkoming in de kosten van: Het gebruik van eigen auto; gebruik van een taxi of rolstoeltaxi; aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel voor vervoer buitenshuis; aanpassing van een eigen auto; medisch noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer. Een persoon met beperkingen kan, in afwijking op het gestelde in het vorige lid onder a, bij indicatie in aanmerking kom en voor een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een eigen auto. Een voorziening in de vorm van: een open elektrische buitenwagen een ander verplaatsingsmiddel voor vervoer buitenshuis een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen een aangepaste bruikleenauto een andere voorziening indien die, op grond van de individuele omstandigheden, de meest adequate compensatie biedt met betrekking tot de geconstateerde beperkingen. Artikel5.2Het recht op een vervoersvoorziening . Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 lid 1 vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de beperkingen het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken. Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening onder artikel 5.1 lid 2 en lid 3 vermeld in aanmerking komen wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke oorzaak het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, het gebruik van het collectieve systeem de beperkingen van aanvrager niet voldoende compenseert, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is. Voor de bij artikel 5.1, lid 2 onder b en d en artikel 5.1 lid 3 a en b genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief vervoersysteem verstrekt kunnen worden als de beperkingen alleen op deze manier te compenseren zijn. Voor de bij artikel 5.1 lid 3 onder a en b genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een taxi of rolstoeltaxi verstrekt kunnen worden als de beperkingen alleen op deze manier te compenseren zijn. Voor zover de behoeften van echtgenoten of samenwonende gezinsleden niet samenvallen, wordt niet meer dan 1,5 keer een enkele vergoeding toegekend. Bij verschillende vergoedingen wordt per persoon met beperkingen maximaal 75 % van de vergoeding toegekend. Indien het inkomen meer bedraagt dan 150% van het norminkomen, wordt geen financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 onder b verstrekt. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, en het bezoek noodzakelijk is voor de persoon met beperkingen om vereenzaming te voorkomen. De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor een vervoersvoorziening genoemd artikel 5.
- lid 2 en – indien van toepassing – lid 4 wordt vermeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek. Artikel5.3Primaat goedkoopst compenserende voorziening . Als er, na onderzoek van de persoonskenmerken, behoeften en omstandigheden van de persoon met beperkingen, meerdere voorzieningen zijn die de beperkingen kunnen compenseren, dan kan het college de goedkoopst compenserende voorziening verstrekken. Hoofdstuk6Rolstoelvoorziening Artikel6.1Soorten van rolstoelvoorzieningen . De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning dan wel voor het ontmoeten van mensen en op basis daarvan sociale verbanden aan kunnen gaan, te verstrekken rolstoelvoorziening, kan bestaan uit: een rolstoel voor verplaatsing binnen dan wel voor verplaatsing buiten de woonruimte; een sportrolstoel; de met de rolstoel gepaard gaande kosten van onderhoud, gebruik en reparatie en eventuele medisch noodzakelijke aanpassingen en accessoires aan de rolstoel; een andere voorziening indien die, op grond van de individuele omstandigheden de meest adequate compensatie biedt met betrekking tot de geconstateerde beperkingen. Artikel6.2Het recht op een rolstoelvoorziening . 1.Een persoon met beperkingen kan voor een rolstoel in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen in belangrijke mate zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden. 2.Een persoon met beperkingen kan voor een sportrolstoel in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten zonder sportrolstoel onmogelijk maken. Artikel6.3Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners. In uitzondering op het gestelde in artikel 6.2, lid 1 komt een persoon die verblijft in AWBZ instelling uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op grond van de AWBZ. Artikel6.4Verstrekking in natura of financiële vergoeding of PGB. De door het college te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit: een voorziening in natura, te weten een rolstoel in bruikleen; een financiële vergoeding, te besteden aan een rolstoelvoorziening conform het hiervoor gestelde programma van eisen; een persoonsgebonden budget verstrekt waarmee voor een periode van 3 jaar: een sportrolstoel kan worden aangeschaft; een sportrolstoel kan worden onderhouden, gerepareerd en indien noodzakelijk kan worden aangepast. Hoofdstuk7Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten Artikel7.1.Gebruik aanvraagformulier . Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het college ter beschikking gesteld formulier die te halen is bij het gemeentehuis of bij het Zorgloket. De aanvraag dient te worden gericht aan het college van B&W. Artikel7.2Inlichtingen, onderzoek, advies . Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend: op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen; op een door het college te betalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken. Het college kan een daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: het handelt om een aanvraag een persoon betreffend die nog niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening heeft ingediend of het een aanvraag betreft waarvan bekend is of verwacht wordt dat deze samenloopt met een aanvraag voor AWBZ zorg of voorzieningen; het voornemen bestaat de gevraagde voorziening om medische redenen af te wijzen; het college dat overigens gewenst vindt. Een aanvrager is verplicht aan het college of de, door het het college aangewezen, adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disability and Health, de zogenaamde ICF classificatie. Deze classificatie dient als grondslag om de behoefte aan compensatie in individuele gevallen vast te stellen. 5.Om de verkrijging van individuele voorzieningen af te stemmen op de situatie van de aanvrager wordt bij het onderzoek inzake het advies ex artikel 7.3 van de Verordening indien van toepassing aandacht besteed aan: de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager; de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek; de woning en de woonomgeving van de aanvrager; het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager; de sociale omstandigheden van de aanvrager. Bij de motivering van het besluit wordt door het college bij deze bevindingen aangesloten. Artikel7.3Aanwijzingsbesluit adviesorgaan . Indicatieadviezen worden opgesteld door: Een daartoe aangestelde ambtenaar; Een daartoe aangewezen zorgaanbieder; Een daartoe aangewezen transferverpleegkundige; Een professionele indicatiebureau. Artikel7.4Samenhangende afstemming . Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek verrichten naar de situatie van de aanvrager. Artikel7.5Wijzigingen in de situatie . Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. Artikel7.6Motivering van een besluit . Het college vermeldt in de beschikking op de aanvraag op welke wijze de toe te kennen voorziening(en), in relatie tot de vastgestelde beperkingen, bijdraagt (en) aan de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. Artikel7.7Intrekking en beëindiging en wijziging van een voorziening . 1.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken of beëindigen indien: a.niet is of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening; b.op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen. 2.Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 3.Het recht op de voorziening eindigt bij het overlijden van diegene aan wie de voorziening krachtens deze verordening is verstrekt. 4.Het college is bevoegd degene die krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt aan een heronderzoek te onderwerpen om vast te stellen of de aan de toekenning ten grondslag liggende omstandigheden gewijzigd zijn en deze van invloed zijn op het recht op verstrekte voorziening. 5.De aanvrager kan zijn aanvraag intrekken als de omstandigheden zodanig wijzigen dat een voorziening niet (meer) nodig is. Artikel7.8Terugvordering en schade 1.Ingeval een beschikking tot verlening van een voorziening geheel of gedeeltelijk is herzien of ingetrokken, kan het college een, op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget terugvorderen. 2.In geval een beschikking tot verlening van een voorziening in natura geheel of gedeeltelijk is herzien of ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. 3.Eventuele schade aan een door de gemeente in bruikleen toegekende voorziening kan, met inachtneming van de bepalingen in de bruikleenovereenkomst, worden verhaald op de bruiklener; 4.Een verleende voorziening wordt van de persoon met beperkingen teruggevorderd indien blijkt dat de voorziening niet voldoet aan het programma van eisen dat is gesteld; 5.In geval een in bruikleen verstrekte voorziening als gevolg van verwijtbare omstandigheden niet meer aanwezig is, kan de restwaarde van de voorziening in rekening worden gebracht bij de bruiklener Hoofdstuk8Slotbepalingen . Artikel8.1Hardheidsclausule . Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel8.2Gevallen waarin de verordening niet voorziet . In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel8.3Beleidsregels . 1.In het Financieel Besluit stelt het college nadere regels ten aanzien van de verlening van voorzieningen genoemd in de Verordening; 2.In het Verstrekkingenboek stelt het college nadere uitwerking van de regels ten aanzien van de voorzieningen genoemd in de Verordening en in het Financieel Besluit. Artikel8.4Indexering . Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel8.5Inwerkingtreding en citeertitel . Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni
- Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Nederlek 1 juni
- De verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van 17 november 2009 wordt ingetrokken. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nederlek, op 6 maart
- De voorzitter, De griffier, B.F.A. van der Kluit – de Groot T. van der Torre