← Nederland

Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren 2010 (Barendrecht)

Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren 2010 De raad van de gemeente Barendrecht; overwegende, dat op grond van artikel 12 van de Wet Investeren in Jongeren, de raad onder meer bij verordening regels stelt met betrekking tot de inhoud van een werkleeraanbod; gezien het advies van de commissie Samenleving van 31 augustus; gelet op de Wet Investeren in Jongeren; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 juli 2010; besluit: vast te stellen de Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren 2010; en gelijktijdig met de vaststelling van de Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren 2010, de verordening tijdelijke regels Wet investeren in jongeren in te trekken. HOOFDSTUK

  1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel
  2. Begripsomschrijving
  3. In deze verordening wordt verstaan onder: wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden; startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs; college: het college van burgemeester en wethouders. HOOFDSTUK
  4. BELEID EN FINANCIEN Artikel
  5. Opdracht college
  6. Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod, algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan.
  7. Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere voorzieningen.
  8. In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook bestaan uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep of bedrijf, als bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet.
  9. Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in hoeverre de wensen van de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod kunnen worden betrokken. Artikel
  10. Aanspraak op ondersteuning
  11. Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
  12. Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening. Artikel
  13. Arbeidsinschakeling Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan. Artikel
  14. De voorzieningen Onverminderd artikel 4, kan het college één of meer van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 11 van de Re-integratieverordening 2009 aanbieden. Daarnaast kan het college bijvoorbeeld één of meer van de volgende voorzieningen aanbieden: ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of medische zorg; ondersteuning bij maatschappelijke participatie; arbeidsactivering en –toeleiding; stages bij bedrijven of instellingen; opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen; gesubsidieerd werk; nazorg bij arbeidsinschakeling; voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid; diagnose-instrumenten; ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken doordeskundigen en taal- en beroepsgerichte scholing. Artikel
  15. Inzet van de voorzieningen
  16. Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt beoogd.
  17. Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.
  18. Het college vult de voorziening bedoeld in het eerste lid voor de jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat of onvoldoende bijdraagt aan vergroting van de kans op arbeidsinschakeling van de jongere. Artikel
  19. Combinatie arbeid en zorg Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het college bij de invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van de jongere. Artikel
  20. Gehandicapten Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het college het werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de jongere en draagt zorg voor passende voorzieningen ter ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. Artikel
  21. Uitvoering door derden Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van het werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken. Artikel
  22. Verplichtingen van de jongere Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. Artikel
  23. Intrekking werkleeraanbod Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit te verwijten valt. Artikel
  24. Budgetplafond
  25. Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.
  26. Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. HOOFDSTUK
  27. SUBSIDIE EN VERGOEDINGEN Artikel
  28. Subsidies
  29. Het college kan subsidie verlenen aan een werkgever die met een jongere een arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in de loonkosten en in de kosten van voorbereiding op een beoogd dienstverband met de jongere.
  30. Het college bepaalt via beleidsregels de voorwaarden voor de duur van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.
  31. De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt.
  32. Het college kan een subsidieplafond instellen. Artikel
  33. Vergoedingen Het college verstrekt aan een jongere die voor de uitvoering van een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die kosten. HOOFDSTUK
  34. SLOTBEPALINGEN Artikel
  35. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule
  36. In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
  37. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel
  38. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 oktober
  39. Aldus besloten in openbare vergadering van de raad van de gemeente Barendrecht van 14 september 2010 De griffier De voorzitter Mevrouw mr. G.E. Figge drs. J. van Belzen Algemene toelichting bij verordening werkleeraanbod 2010

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.