← Nederland

Maatschappelijke ondersteuning, beleidsregels gemeente Oud-Beijerland 2006 (Oud-Beijerland)

Maatschappelijke ondersteuning, beleidsregels gemeente Oud-Beijerland 2006Burgemeester en wethouders van de gemeente Oud-Beijerland Besluiten: Vast te stellen de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland

  1. Hoofdstuk1Inleiding In deze nota zijn de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 verwerkt. De Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht: “
  2. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.” Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen eenvoudig naar worden verwezen. Uiteraard is het wel zo dat besluiten volgens de beleidsregels moeten worden genomen. Dit sluit uiteraard niet uit om bij gewijzigd beleid de beleidsregels aan te passen. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 wordt door de gemeenteraad vastgesteld. Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 en de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 worden door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Dit betekent dat het Besluit en de Beleidsregels niet in strijd mogen komen met de Verordening. De Beleidsregels volgen in principe de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop individuele voorzieningen worden verstrekt: hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoersvoorzieningen) en het verplaatsen in en rond de woning (rolstoelen). Daarnaast beginnen de Beleidsregels met een hoofdstuk over de vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen (hoofdstuk 2 van de verordening). Het eerste hoofdstuk van de Verordening (Algemene bepalingen, en met name het onderdeel beperkingen) is opgenomen in hoofdstuk 7, het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten. Tot slot is er een nieuw hoofdstuk dat handelt over het medische advies. In dit hoofdstuk zal ook ingegaan worden op het ICF. Hoofdstuk2Vorm van de te verstrekken voorzieningen Paragraaf2.1Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende:“ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekkingen van individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. Artikel 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo:“Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.”In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt – in navolging van de Wvg – de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget genoemd worden. Ook zal soms een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding die op declaratiebasis wordt verstrekt. Op grond van de wetswijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning van 23 juni 2009 wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt voor de vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, 1ste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (Alfahulp). Hiertoe is artikel 6 van de Wmo uitgebreid met artikel 6a. Dit artikel bepaalt het volgende: Het college van burgemeester en wethouders licht de personen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vooraf in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen in over de gevolgen van de keuze voor een individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, door het college van burgemeester en wethouders geïnformeerd wordt over de keuze die deze persoon heeft tussen de individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden budget waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming.” Financiële tegemoetkoming AlfahulpVoor de bemiddeling tussen de burger en de Alfahulp en de loonbetaling (de kassiersfunctie) heeft de gemeente een contract afgesloten met de Zorgaanbieders.Voor deze dienstverlening worden de tarieven gehanteerd van de inschrijving van de zorgaanbieders op de aanbesteding van de hulp bij het huishouden in
  3. De dienstverlening bestaat uit: de uitbetaling van het uurloon van de Alfahulp voor alleen schoonmaakwerkzaamheden; de werving van de Alfahulpen; de bemiddeling bij het maken van afspraken; het toezicht op de verleende hulp bij het huishouden; de vervanging bij ziekte, verlof en vakantie; de controle op de levering van de hulp door de Alfahulp; de betaling aan de cliënt; de afrekening en verantwoording met de gemeente; de kassiersfunctie. De cliënt moet schriftelijk verklaren in te stemmen met de bemiddeling en de kassiers-functie door de zorgaanbieder, zonder dat er sprake is van een werkgeversrelatie.Ook dient de cliënt een verklaring te ondertekenen waardoor de gemeente gemachtigd wordt om de financiële vergoeding voor de Alfahulp direct over te maken naar de zorgaanbieder. Het persoonsgebonden budgetArtikel 3 van de verordening bepaalt:“Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college stelt aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland neergelegde criteria.vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden”.Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan.In een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een naturavoorziening wegvallen.Daarom is in de Verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het hoofdstuk vervoer nog nader worden uitgewerkt. Artikel 6 van de Verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget.De eerste voorwaarde daarbij is dat een persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld.De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Omvang van het persoonsgebonden budgetDe omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden.Bij de toekenning en de vaststelling van een persoonsgebonden budget ten behoeve van hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van de volgende (bruto) uurtarieven: hulp bij het huishouden 1 € 15,90 hulp bij het huishouden 2 € 19,08 hulp bij het huishouden 3 € 21,68 Deze categorieën zijn als volgt uitgewerkt: alleen schoonmaakwerkzaamheden (Hbh1) Veel cliënten hebben hulp nodig in de huishouding voor het schoonmaken van het huis en eventueel het overnemen van licht huishoudelijke taken. Voor deze categorie cliënten gelden de volgende functies: - licht huishoudelijk werk; - zwaar huishoudelijk werk; - de was doen; - huishoudelijke spullen in orde houden. - boodschappen doen; - broodmaaltijd bereiden; - warme maaltijd bereiden. Er wordt verondersteld dat de cliënt in staat is tot zelfregie over de planning van activiteiten. Als er voor de activiteiten boodschappen doen en warme maaltijd bereiden een voorliggende voorziening is in de gemeente (in de vorm van een boodschappenservice en Tafeltje dekje), wordt hiervoor geen tijd toegekend. schoonmaakwerkzaamheden met andere (lichte) ondersteuning in de organisatie van huishouding (Hbh2) Een deel van de cliënten heeft hulp nodig bij het organiseren van het huishouden. Voor deze categorie cliënten gelden de volgende functies: - huishoudelijk werk (functies zoals bedoeld onder Hbh1); - anderen in huis helpen met zelfverzorging; - anderen helpen in huis bij het bereiden van de broodmaaltijd; - dagelijkse organisatie van het huishouden (bijv. lichte administratieve werkzaamheden). schoonmaakwerkzaamheden met ondersteuning binnen een ontregelde huishouding (Hbh3). Bij een deel van de cliënten is sprake van een ontregelde huishouding. Voor deze categorie cliënten gelden de volgende functies: - huishoudelijk werk (functies zoals bedoeld onder Hbh1); - instructie geven hoe zaken te organiseren (bijvoorbeeld dagelijkse routine); - advies geven (bijvoorbeeld administratieve werkzaamheden); - voorlichting geven (bijvoorbeeld hygiëne); - eenvoudige psychosociale begeleiding. Na de verantwoording zoals bedoeld in artikel 2 lid 4 onder a. wordt het Persoonsgebonden budget vastgesteld op basis van de rechtmatige besteding vermeerderd met het vrij besteedbare bedrag. Het vastgestelde Persoonsgebonden budget bedraagt maximaal het toegekende Persoonsgebonden budget. Het vrij besteedbare bedrag bedraagt 1,5% van het toegekende persoonsgebonden budget met een minimum van € 250,00 en een maximum van € 1.250,00 per kalenderjaar Het persoonsgebonden budget wordt op basis van het aantal toegekende uren per week en op basis van het uurtarief van de van toepassing zijnde categorie zoals opgenomen onder sub a berekend. Het persoonsgebonden budget wordt op jaarbasis berekend. Het persoonsgebonden budget wordt vervolgens per periode van 4 weken betaalbaar gesteld. Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. De kosten van de voorziening, als de voorziening in natura zou worden verstrekt. zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd.Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Uitbetaling persoonsgebonden budgetAls het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is.Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en (meer precies) aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven program van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een program van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. Na ontvangst van de beschikking voor het verstrekken van een persoonsgebonden budget voor Hulp bij het huishouden dient de budgethouder een kopie van de overeenkomst, welke is afgesloten met de persoon die hulp bij het huishouden gaat verlenen, aan de gemeente te overleggen. De overeenkomst moet vergelijkbaar zijn met de modelovereenkomst zoals die door de Sociale VerzekeringsBank wordt verstrekt. Na ontvangst van de kopie van de overeenkomst dan kan het persoonsgebonden budget betaalbaar worden gesteld. Het persoonsgebonden budget wordt in de regel in termijnen van 4 weken (parallel aan de termijn die het Centraal AdministratieKantoor hanteert) uitgetaald.Bij andere voorzieningen kan het persoonsgebonden budget - indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden) – in één keer uitbetaald worden. In de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 is aangegeven op welke wijze de verantwoording plaatsvindt.Als bij de verantwoording en/of controle blijkt dat het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Voor tot terugvordering van het Persoonsgebonden budget wordt overgegaan wordt de budgethouder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze kenbaar te maken aan het college over het voorgenomen besluit. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. Eigen bijdrageArtikel 7 van de Verordening bepaalt dat bij een te verstrekken persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn.Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2006 doet men aangifte over 2005, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2004 in 2006 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd. Wordt een voorziening niet als persoonsgebonden budget verstrekt, maar in natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Ook nu geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de gemeente meestal slechts aangekondigd kan worden aangezien berekening en inning plaats zal vinden via het CAK. Bij Hulp bij het huishouden wordt de eigen bijdrage berekend over het kalender (of wanneer de voorziening in de loop van het jaar is toegekend het resterende deel van het kalenderjaar). De eigen bijdrage kan alleen gewijzigd worden als er sprake is van een langdurige opname in een ziekenhuis, AWBZ-instelling of iets dergelijks. De eigen bijdrage dient gedurende deze periode afgedragen te worden, ook in het geval zo nu en dan er geen of minder van het Pgb gebruik gemaakt wordt. Hoofdstuk3Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het huishouden Paragraaf3.1Inleiding De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over het “een huishouden te voeren” waaronder in de Verordening zowel hulp bij het huishouden wordt verstaan als de woonvoorzieningen uit de Wvg. Bij deze Beleidsregels zijn vier bijlagen opgenomen die bij dit hoofdstuk horen: Reserveren; Handreiking normering hulp bij het huishouden; Protocol gebruikelijke zorg; Protocol indicatiestelling voor Huishoudelijke verzorging. Paragraaf3.2Mogelijke voorzieningen Artikel 8 van de verordening geeft een drietal mogelijk te verstrekken voorzieningen aan: een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden.Hieronder kan ook verstaan worden een financiële vergoeding voor het inschakelen van een Alphahulp. Algemene hulp bij het huishoudenUit artikel 9 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. Zo’n algemene hulp bij het huishouden is (nog) niet aanwezig in Oud-Beijerland (01-01-2007). Mocht in de toekomst zo’n algemene hulp bij het huishouden gerealiseerd worden dan gaat het, zo meldt de toelichting op artikel 8, om een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte.De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Wat betreft het eerste aspect zal beoordeeld moeten worden of het gaat om een kortdurende voorziening.Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe zorg, zoals bijvoorbeeld tijdelijke hulp bij het huishouden na een ziekenhuisopname.Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele zorgbehoefte, eveneens zoals een periode na een ziekenhuisopname. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door de behandelend arts van het ziekenhuis. De duur is beperkt, ook de omvang is beperkt. Een uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te lange periode dat men op hulp moet wachten. Met de vorm algemene hulp bij het huishouden kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men meldt zich met de verwijsbrief bij het loket. Daar wordt gecontroleerd of de verwijzing er is, of die duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Hierbij is geen sprake van een keuze voor een persoonsgebonden budget. Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de AWBZ: ook onder de AWBZ werd bij een vraag die naar verwachting niet langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid voor een persoonsgebonden budget geboden.Om te realiseren dat er weinig administratieve rompslomp is worden er geen eigen bijdragen gevraagd. Er vindt derhalve een eenvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, hetgeen in een brief wordt bevestigd.Mocht men aan het loket aangeven niet met deze vorm van hulp in te kunnen stemmen, dan wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het gebruikelijke onderzoek. Deze vorm van algemene hulp bij het huishouden wordt dus alleen gerealiseerd indien met het daar mee eens is. De brief is dan alleen maar een bevestiging en geen beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaat. Wil men een beschikking, bijvoorbeeld omdat men een persoonsgebonden budget wil, dan wordt die afgegeven. Er moet dus altijd overeenstemming bestaan over deze vorm van hulp.Te meer daar er geen eigen bijdrage wordt gevraagd, zal deze vorm van hulp altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend. Daarbij moet gedacht worden aan situaties die maximaal drie tot zes maanden voortduren. Hulp bij het huishouden in natura, door middel van een persoonsgebonden budget of een financiële vergoeding voor het inschakelen van een Alphahulp.Artikel 9 van de verordening bepaalt dat indien de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen voor hulp bij het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager. Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden. In artikel 11 van de Verordening wordt uitgegaan van 3 categorieën: alleen schoonmaakwerkzaamheden (Hbh1); schoonmaakwerkzaamheden met andere (lichte) ondersteuning in de organisatie van de huishouding (Hbh2); schoonmaakwerkzaamheden met ondersteuning binnen een ontregelde huishouding (Hbh3).In paragraaf 2.
  4. is reeds een nadere omschrijving van deze categorieën gegeven. De omvang van de hulp bij het huishouden wordt vastgesteld op basis van de handreiking normering hulp bij het huishouden en de protocollen “Gebruikelijke zorg” en “Indicatiestelling voor huishoudelijke verzorging”. De omvang wordt aangegeven in de vorm van een aantal minuten of uren hulp bij het huishouden per week. De cliënt kan kiezen op welke wijze de hulp bij het huishouden geleverd wordt: door een zorgaanbieder. De zorgaanbieder regelt alles, de cliënt hoeft zelf niets te regelen. door middel van een persoonsgebonden budget. De cliënt krijgt een geldbedrag en regelt ’t zelf. door middel van een alphahulp. Daarbij wordt de cliënt ondersteund door een zorgaanbieder, die zorg draagt voor de werving van een alphahulp, ondersteuning bij de overeenkomst tussen cliënt en alphahulp, voor controle van de zorg. Daarnaast kan de zorgaanbieder – op basis van een machtiging – ook de kassiersfunctie op zich nemen en voor de betaling van de alphahulp zorg dragen. Voor de persoonsgebonden budgetten wordt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 aangegeven. Dat geldt ook voor de verantwoording. Bij die verantwoording zal rekening worden gehouden met een vrij besteedbare ruimte zoals dat voor 1 januari 2007 onder de AWBZ geldt. Een klein deel van het Pgb is vrij besteedbaar en wordt niet in de verantwoording en eventuele terugvordering betrokken. Het is 1,5% van het netto-budget met een minimum van € 250,00 en een maximum van € 1.250,
  5. Dit bedrag kan gebruikt worden voor het plaatsen van personeelsadvertenties, telefoonkosten of andere kosten in het kader van het Pgb. Of voor de huishoudelijke hulp.Ook mag een budgethouder de hulp verspreid over het lopende kalenderjaar flexibel inzetten en de ene periode meer hulp inkopen dan een andere periode.Het budget mag ook in het buitenland worden ingezet, maar er wordt dan wel een korting toegepast naar het prijsniveau van het betreffende land, het zogenoemde ‘aanvaardbaarheidspercentage’. Bovendien mogen budgethouders ten hoogste drie maanden per jaar in het buitenland verblijven. Bij permanent verblijf in het buitenland vervalt het recht op een Pgb. Budgethouders mogen niet ‘schuiven’ en het persoonsgebonden budget niet voor andere zorgfuncties inzetten. Budgethouders kunnen bij de besteding van hun Pgb ondersteuning zoeken. Onder meer de Sociale VerzekeringsBank verleent deze ondersteuning. De ondersteuning kan betrekking hebben op: kenniscentrum; facturering salarisadministratie; collectieve verzekeringen. Deze ondersteuning is mogelijk op basis van een aansluitingsovereenkomst die gemeente met de SVB afsluit. De kosten verbonden aan de dienstverlening onder b. wordt aan de budgethouder doorberekend en in mindering op het Pgb gebracht. De cliënt die gebruik maakt van een financiële tegemoetkoming voor een Alfahulp kan een beroep doen op ondersteuning van zorgaanbieders, waarmee de gemeente voor dat doel een overeenkomst heeft afgesloten. De ondersteuning komt voor rekening van de gemeente. Onderdeel van die dienstverlening is dat de cliënt de gemeente een machtiging geeft om de tegemoetkoming over te maken aan de zorgaanbieder en tegelijkertijd de zorgaanbieder machtigt om de Alfahulp te betalen. Gelet daarop kan de zorgaanbieder verantwoording afleggen over de besteding van de middelen. Dit voorkomt dat elke cliënt zelf verantwoording moet afleggen en het voorkomt dus een behoorlijke administratieve last bij de cliënt en een groot aantal administratieve handelingen bij de gemeente. Gelet daarop wordt een financiële tegemoet-koming alleen verstrekt als tegelijkertijd gebruik gemaakt wordt van de diensten van een zorgaanbieder, waarmee de gemeente een overeenkomst heeft afgesloten. Paragraaf3.3Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden Artikel 10 van de Verordening bepaalt dat,”in afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten”. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie HV in de AWBZ tot de invoering van de Wmo. Het gaat daarbij om het protocol gebruikelijke zorg. Het protocol gebruikelijke zorg wordt in het kader van deze Beleidsregels overgenomen en is als bijlage 3 bijgevoegd. Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren.Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen.Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie.Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding te zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen.In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd! Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien met dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden.De in de bijlage 2 aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol indicatiestelling voor Huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten (zie bijlage 2).Het protocol huishoudelijke verzorging wordt in het kader van deze Beleidsregels overgenomen en is als bijlage 4 bijgevoegd.Bijlage 2 vormt in principe het kader voor de normering (en prevaleert) voor de beoordeling. Bijlage 3 en 4 moeten gezien worden als een verdere vertaling. “Niet-adequate woning”In bijlage 2 wordt bij zwaar huishoudelijk werk voor de omvang van de hulp bij het huishouden primair uitgegaan van standaardsituaties: een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers; meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers Tegelijkertijd wordt aangegeven dat extra uren ingezet kunnen worden. Dit wordt als volgt aangeduid: “In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd.”Dit houdt in dat de grootte van een woning – zonder dat er bijzondere omstandigheden zijn - niet betekent dat er extra uren hulp bij het huishouden worden verstrekt. Ook dat bij woningen met meerdere badkamers of een inefficiënte inrichting er – zonder dat er bijzondere omstandigheden zijn – geen extra uren hulp bij het huishouden worden verleend.” Paragraaf3.4Voorliggende voorzieningen Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken. Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in de bijlage 2 kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan toegekend worden. De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz. De voorliggende voorziening moet in de eigen gemeente beschikbaar zijn of aangeboden worden. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Hiertoe is het nodig rekening te houden met de sociale kaart. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe is besloten – de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen bijdragen int. Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien aan het gestelde in artikel 6 is of kan worden voldaan en er geen overwegende bezwaren bestaan, het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend en kan ingevolge lid 4 van artikel 6 tot uitbetaling worden overgegaan. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing. Hoofdstuk4Woonvoorzieningen Artikel 4 Wmo spreekt van: “a. een huishouden te voeren;” , onder welke regel in de verordening zowel wordt verstaan de woonvoorziening als de hulp bij het huishouden. Paragraaf4.1Uitsluitingen en beperkingen “Voor alles zal bepaald moeten worden of één of meer van de uitsluitingen van artikel 18 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 en/of één of meer van de beperkingen van artikel 20 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 van toepassing zijn. In artikel 18 is aangegeven: De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen. Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld automatische deuropeners, goede toegankelijkheid (geen drempels) en doorgankelijkheid (voldoende manoeuvreerruimte) voor onder meer gebruikers van rolstoelen en scootmobielen, stallingruimte voor scootmobielen e.d. Maar er kan ook gedacht worden aan bijvoorbeeld wandbeugels bij een lift. Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. In artikel 20 worden beperkingen genoemd waarbij de aanvraag voor een woonvoorziening geweigerd kan worden. In de toelichting van de verordening worden ze nader toegelicht. De betekenis van één van de beperkingen wordt hier kort naar voren gehaald., namelijk d: d. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; In een situatie zoals bedoeld onder d. wordt de woonvoorziening in beginsel geweigerd. Zo’n woonvoorziening kan – bijvoorbeeld – betrekking hebben op een woningaanpassing of op een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Hieronder volgt een nadere uitleg. Op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie kan voorzien worden dat in de toekomst de situatie ontstaat waarin voorzieningen nodig zijn danwel – bijvoorbeeld – er een andere woonsituatie (bijvoorbeeld een gelijkvloerse woning) noodzakelijk is (een verhuizing die dus te voorzien is). Omdat het te voorzien is dat dit kan gebeuren bestaat er voor betrokkene tijd om te anticiperen op zo’n toekomstige situatie (bijvoorbeeld een verhuizing naar een gelijkvloerse woning). Een voorbeeld. Als traplopen voor een betrokkene nu al lastig is, dan weet de betrokkene dat bijvoorbeeld binnen 5 jaar of korter traplopen wellicht onmogelijk gaat worden. En dus mag verwacht worden dat de betrokkene op tijd maatregelen neemt en gaat zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan de eigen verantwoordelijkheid voorbij. Bij een aanvraag voor een woonvoorziening zal deze dan ook in beginsel worden afgewezen. Op dit punt wordt dus primair uitgegaan van de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Een situatie zoals in het voorbeeld komt vooral bij ouderen. Het op tijd anticiperen betekent dat ouderen (van bijvoorbeeld 70 jaar en ouder) in de praktijk niet of nauwelijks aanvragen voor woningaanpassingen indienen. Of indien ze niet geanticipeerd hebben daarmede zelf de keuze gemaakt hebben en de verantwoordelijkheid hebben noodzakelijke woningaanpassingen en/of verhuizing voor eigen rekening te laten komen. Voor zover het voor de hierboven bedoelde ouderen gaat om woonvoorzieningen die ook bij een gelijkvloerse woning noodzakelijk zijn blijft een woonvoorziening tot de mogelijkheden behoren. Het betekent tegelijkertijd dat wanneer iemand er niet voor kiest om zijn/haar woonsituatie aan te passen én er door plotseling optredende beperkingen ten gevolge van een ziekte of aandoening voor de betrokkene alsnog of acute noodzaak ontstaat voor een verhuizing danwel aanpassing van zijn/haar woning de verantwoordelijk daarvoor bij de betrokkene ligt. In die situatie wordt een aanvraag voor een woonvoorziening in beginsel afgewezen. In de praktijk kunnen verschillende woonvoorzieningen gefaseerd aan de orde komen. Het verstrekken van eenvoudige (bijvoorbeeld een niet bouwkundige) woonvoorziening betekent niet automatisch dat andere meer vérstrekkende woonvoorzieningen in een later stadium alsook verstrekt zouden moeten worden. Bij het verstrekken van een woonvoorziening geldt steeds een bepaalde afweging (zie bijvoorbeeld onder paragraaf 4.
  6. subparagraaf “primaat verhuizing). Bij het verstrekken van eenvoudige woonvoorzieningen is het in de meeste gevallen al voorzienbaar om vanuit de eigen verantwoordelijkheid in de komende periode maatregelen te nemen en de woonsituatie aan te passen. Toekomstige aanvragen voor woonvoorzieningen zullen derhalve in beginsel afgewezen worden. Paragraaf4.2Vormen van woonvoorzieningen Artikel 13 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken: als algemene woonvoorziening; als woonvoorziening in natura; als persoonsgebonden budget; als financiële tegemoetkoming. Artikel 14 van de verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan de criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op kan lossen. Algemene woonvoorzieningenDe algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de verordening bedoeld voor situaties betreffende oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg/ voorzieningen of betrekking hebben op incidentele (zorg)behoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Gaat het om een algemene voorziening, dan zal geen aanvraag worden ingediend. Een melding bij het steunpunt/loket is voldoende. Na een beperkte toets zal geregeld worden dat de algemene woonvoorziening wordt gerealiseerd. Als een algemene voorziening niet de oplossing is voor het woonprobleem, of als de aanvrager die niet wenst, zal een aanvraag voor een woonvoorziening moeten worden ingediend. Omdat algemene woonvoorzieningen nog niet in de gemeente Oud-Beijerland zijn ontwikkeld komen vooralsnog alleen de onder b, c en d van artikel 13 van de verordening genoemde verstrekkingsmogelijkheden in aanmerking. Onder deze verstrekkingsmogelijkheden kunnen de volgende concrete voorzieningen vallen: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; een uitraasruimte; onderhoud, keuring en reparatie. Primaat verhuizingArtikel 16 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt.Aanvrager kan voor een aanpassing in aanmerking komen indien een verhuizing naar een aangepaste of makkelijker aan te passen woning niet te realiseren of niet de goedkoopst-adequate oplossing is. In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerdDe snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. Rekening houden met sociale factorenSociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen be¬drijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapteHet college maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimteHet college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; de kosten van het PGB voor verhuiskosten; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning; een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. De mogelijke gebruiksduur van de aanpassingEr wordt ook rekening gehouden worden met het feit dat een aan te passen koopwoning naaralle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking tekomen: Een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen; De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen; Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing of aanpassen. Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een verhuiskostenvergoeding zal veelal in de vorm van een persoonsgebonden budget worden toegekend. Dit is in drie situaties mogelijk aan de orde: De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Een persoonsgebonden budget in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren. Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 20, aanhef en onder e van de verordening wordt bepaald. Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep om een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten.Een bijzondere categorie zijn de zogenaamde ADL-woningen. Deze ADL-woningen zijn woningen die specifiek zijn bedoeld voor mensen met een ernstige lichamelijke handicap die zelfstandig willen wonen en daarbij hulp nodig hebben bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen. In de directe omgeving van de woningen ligt een ADL-centrum van waaruit 24 uur per dag op afroep assistentie kan worden verleend. De aanpassingen voor een ADL-woning vallen niet onder de Wvg, maar onder een specifieke subsidieregeling die uitgevoerd wordt door het College voor Zorgverzekeringen. De ADL-woningen kunnen alleen verhuurd worden aan mensen die voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden.Bij een verhuizing naar een ADL-woning zal nagegaan moeten worden of de kosten van verhuizing deel uitmaken van de specifieke regeling. Is dat het geval dan is er sprake van een voorliggende voorziening en kan in het kader van de Wmo geen verhuiskostenvergoeding verleend worden. Uiteraard dient bij het verlenen van een eventuele verhuiskostenvergoeding altijd ten opzichte van de huidige woning de noodzaak van een verhuizing vastgesteld te worden. Een verhuiskostenvergoeding wordt ook niet verstrekt als de gehandicapte voor het eerst zelfstandig gaat wonen (iedereen gaat immers eens zelfstandig wonen en die kosten zijn derhalve algemeen gebruikelijk). Het college verstrekt in beginsel geen persoonsgebonden budget voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. Verhuiskosten bij het vrijmaken van een woningHet kan voorkomen dat een (aangepaste of geschikte) woning met behulp van een stimuleringspremie (de verhuiskostenvergoeding) aan de zittende (niet-gehandicapte) bewoner(s) vrijgemaakt kan worden ten behoeve van een gehandicapte waardoor een aanpassing van een andere woning overbodig wordt. Hierbij geldt de beperking dat de kosten van de aanpassing in de huidige woonruimte van de gehandicapte een bepaald bedrag te boven zouden moeten gaan, omdat anders het (financiële) rendement te laag is. Verhuizing en algemeen gebruikelijkIn de Verordening is het verhuisprimaat vastgelegd. Dit betekent dat een gehandicapte pas voor een woningaanpassing in aanmerking kan komen indien verhuizen naar een geschikte woning niet te realiseren is of niet de goedkoopst adequate oplossing is (zie hierboven).Indien de verhuizing voor de aanvrager als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd, wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend. Dit is het geval wanneer de noodzaak tot verhuizen al langere tijd tevoren was te voorzien. Bijvoorbeeld , zoals bij verhuizing naar een kleinere, meer comfortabele woning, al dan niet met zorgaccommodatie, wanneer men op leeftijd is gekomen. Alleen als de noodzaak tot verhuizen het gevolg is van plotseling opgetreden beperkingen ten gevolge van een ziekte of aandoening, welke in redelijkheid niet waren te voorzien, kan een tegemoetkoming worden verstrekt. Zie ook artikel 20 onder d. van de Verordening.Voor een nadere uitleg wordt verwezen naar “Paragraaf 4.
  7. Uitsluitingen en beperkingen”. Verhuiskostenvergoeding inzetten voor een woningaanpassingIndien een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is toegekend kan de belanghebbende besluiten deze vergoeding in te zetten voor de aanpassing van zijn woning. Dit is mogelijk onder de volgende voorwaarden: de belanghebbende door de woningaanpassing een adequate voorziening realiseert. Eventuele meerkosten komen voor rekening van de belanghebbende; de belanghebbende afziet van aan de huidige voorziening gerelateerde vervolgaanvragen in het kader van de Wvg. Het betreft dan mogelijke vervolgaanvragen, die indien de belanghebbende naar een geschikte woning zou zijn verhuisd, niet aan orde zouden zijn geweest. Het betreft dan vervolgaanvragen over het gehele terrein van de Wvg. Bv. ook een vervolgaanvraag voor een extra rolstoel omdat de slaapkamer of douche zich op de verdiepingsvloer bevindt. Vervolgaanvragen, die ook bij een verhuizing aan de orde kunnen zijn, worden wel in behandeling genomen. Primaat losse woonunitKomt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 17): “Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan”. Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het program van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. Overige (bouwkundige) voorzieningenDe aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte.Aanpassingen kunnen gericht zijn op verbeteringen in het bereiken van de woning, de stalling van verplaatsingshulpmiddelen, de bruikbaarheid van de woning en/of de bediening van de woning. Het bereiken van de woningRolstoelgebruik vergt in veel gevallen aanpassingen aan de woning, zoals het verbreden van het toegangspad tot de woning en het verbreden van de toegangsdeur. Uitgangspunt is dat één toegangsdeur bereikbaar en verbreed wordt. Doorgaans is dat de voordeur van de woning. Stalling van noodzakelijke verplaatsingshulpmiddelen.Indien voor een vervoershulpmiddel een stalling noodzakelijk is, kan in een stallingmogelijkheid en aanleggen van elektriciteit voor het opladen van de accu’s worden voorzien. Voor zover er geen stallingmogelijkheid aanwezig is of niet gerealiseerd kan worden, kan worden volstaan met een afdekzeil. In sommige gevallen kan een bestaande stalling aangepast worden. De bruikbaarheid van de woningOok kunnen aanpassingen op de verdieping getroffen worden. Voorbeelden zijn het weghalen van drempels, het verbreden van doorgangen en het aanbrengen van (vaste) patiëntentilliften.Het bereiken van verschillende woonlagen in de woning wordt veelal gerealiseerd door middel van een traplift. De gemeente maakt op deze manier verdiepingen bereikbaar waar woonruimten liggen waar men noodzakelijke woonactiviteiten verricht (slapen, wassen, eten, koken). Doorgaans maakt de gemeente de eerste verdieping bereikbaar. Liggen die woonactiviteiten verspreid over meerdere woonlagen, dan doet de gemeente in eerste instantie een appèl op het reorganisatievermogen van de betrokkene en diens sociale omgeving.Het verbeteren van de bruikbaarheid van de woning betreft het aanbrengen van aanpassingen die de gehandicapte in staat stellen de keuken, toilet, was- en douchegelegenheid zo zelfstandig mogelijk te gebruiken. Welke voorzieningen dat precies zijn, hangt af van de beperkingen en belemmeringen van de betrokkene en het gebruik dat de gehandicapte van die woonruimten moet maken. De bediening van de woningOok de bediening van de woning kan problemen opleveren vanwege ondervonden ergonomische belemmeringen. Voorbeelden van aanpassingen die de bediening van de woning betreffen, zijn het hang- en sluitwerk van ramen en deuren. Ook het aanbrengen van een intercom om de voordeur te kunnen openen en afstandsbediening van licht, gordijnen en zonwering kan tot de mogelijkheden behoren. Daarbij doet zich allereerst de vraag voor of de betrokkene ergonomische belemmeringen ondervindt en zonder zo'n woningaanpassing niet zelfstandig in de woning kan functioneren.Voor zover bediening van de woning algemeen gebruikelijk is wordt er geen tegemoetkoming verleend. Daarnaast wordt er geen vergoeding verstrekt voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen aan of in de betrokken woonruimte(n) in woongebouwen, die mede op huisvesting van gehandicapten en ouderen zijn gericht. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Ook voor het treffen van een voorziening uit oppas- of verzorgingsoogpunt worden geen compenserende voorzieningen getroffen. Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobby-, recreatie of werkruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Voor het gebruik van hobby-, werk- of recreatieruimte kunnen ook voorzieningen geboden worden. Bij de beoordeling wordt betrokken de noodzaak, de mogelijkheid van alternatieven (bv. gebruik andere ruimten voor een hobby) en de afweging goedkoopst-adequaat. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt – conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg - beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. Aanpassen de goedkoopst adequate voorzieningIndien het aanpassen van de woonruimte de goedkoopst adequate voorziening is, moet worden aangegeven op welke wijze invul¬ling aan deze keuze wordt gegeven. Hieronder gaan we op enkele aspecten in: alleen toekennen indien de kosten van een "maatwerk"- woningaanpassing niet hoger zijn dan de verhuiskostenvergoeding inclusief eventueel benodigde aanpassing van de nieuwe woning. in sommige gevallen afwegen hoe lang een voorziening adequaat zal zijn gezien de prognose van de handicap. Wanneer cliënt om ergonomische redenen (rolstoelgebruiker, slecht ter been, andere redenen) belemmeringen in de huidige woning ondervindt, te denken valt aan trappen binnen de woning, bruik¬baarheid van toilet, badkamer en keuken, slaapkamer, etc. criterium voor keukenaanpassingen: deze moeten noodzakelijk zijn voor degene die in de keuken de meeste werkzaamheden verricht. Dit sluit niet uit dat eenvoudige verrichtingen in de keuken mogelijk moeten zijn, bijvoorbeeld koffie of thee zetten, brood klaarmaken. Specifieke beleidsregels voor in woonschepen en woonwagensAanpassen met behoud van het karakter van woonschepen en woonwagens. Aangebrachte voorzieningen moeten passen in het karakter van woonschepen en woonwagens. Aanvragen voor een overdekte gang van de woonwagen naar het douche/wc-gebouw komen bijvoorbeeld niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Paragraaf4.3Beperkingen Hoofdverblijf.Artikel 19 van de verordening bepaalt in lid 1:“Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.” Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 19 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel:
  8. In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.
  9. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat.
  10. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 vast te leggen maximumbedrag.
  11. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Deze afwijking is optioneel, overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de Verordening opgenomen, aangezien met invoering van de Wmo niet is beoogd het regime van de Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend de in lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat niet om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, hetgeen niet past bij een bovenwettelijke taak. Overige beperkingen woonvoorzieningen.Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals in de verordening vastgelegd in artikel 20: “De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden”. De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder punt c vastgelegd. Daarbij geldt dat ook getoetst wordt aan het gestelde in artikel 18 van de Verordening:“Artikel
  12. Uitsluitingen.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden”. Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, weet dat dat bijvoorbeeld binnen 5 jaar of korter onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Het laatste punt, onder e, tenslotte, is bij de verhuiskostenvergoeding al besproken. Voor een nadere uitleg wordt verwezen naar “Paragraaf 4.
  13. Uitsluitingen en beperkingen”. Paragraaf4.4Overige woonvoorzieningen Uitbreiding van ruimtenAls het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden: Afmetingen per ruimteSoort vertrek Bij aanbouw in m2 Bij uitbreiding in m2 woonkamer 30 6 keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 toiletruimte 2 1 badkamer wastafelruimte 2 1 doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 berging 6 4 Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningenOf de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vast voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen die in een slooppand wonen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om (patiënten)tilliften en badliften; douchehulpmiddelen zoals douche/toiletstoelen, douchestretchers, bad-transferplanken etc. ad. a. (Patiënten)tilliften en badliftenHet verticale transport van een gehandicapte vanuit bed naar de rolstoel kan in een aantal gevallen problemen opleveren. Niet in alle gevallen kan een hoog-laag bed het probleem oplossen en biedt een patiëntenlift wel een oplossing. Een patiëntenlift wordt in een aantal gevallen ook gebruikt voor het verplaatsen van bijvoorbeeld bed naar de douche of het bad. Patiëntenliften zijn hulpmiddelen voor het boven en buiten de inrichtingselementen brengen van personen, die niet zelf voor de duur van dit transport, de totale lichaamsondersteuningskracht kunnen leveren. Er zijn zowel vaste als mobiele patiëntenliften. Een patiëntenlift wordt niet verstrekt als deze alleen bestemd is ten behoeve van professionele hulpverleners. In dat geval is de patiëntenlift een arbo-voorziening. De keuze voor een bepaalde patiëntenlift is afhankelijk van een tweetal factoren: de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare ruimte; de noodzakelijke lichaamsondersteuning. De keuze voor een bepaald type patiëntenlift wordt voor een groot deel bepaald door de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare ruimte. Indien er voldoende ruimte is dan kan de keus vallen op een mobiele patiëntenlift. Als de situatie het niet toelaat dan kan een vaste patiëntenlift worden verstrekt.Daarnaast speelt bij deze keuze natuurlijk ook een rol de eisen die aan de lift moeten worden gesteld uitgaande van de functiebeperkingen van betrokkene. Doordat een bepaalde vorm van lichaamsondersteuning gebonden is aan een bepaalde uitvoering van een patiëntenlift is het niet uit te sluiten dat bij de keuze voor een bepaald type patiëntenlift beide afwegingen leiden tot een niet te combineren oplossing. In dat geval moet worden bepaald welke factor doorslag-gevend moet zijn. ad. b. DouchehulpmiddelenEvenals de patiëntenliften vallen ook de douchehulpmiddelen, als roerende woonvoor-zieningen, onder de Wmo. In het algemeen kan tussen de AWBZ en Wmo betreffende ADL-hulpmiddelen de volgende scheiding worden aangehou¬den: hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" valt onder verantwoordelijkheid van de gemeente (het gaat daarbij om badzitjes, bad(transfer)planken, douche/toiletstoelen, douchewagens, -stretchers en -brancards). De overige ADL-hulpmiddelen (voor het aan- en uitkleden, slapen, eten en drinken en zitten) vallen onder de verantwoordelijkheid van de AWBZ.Aan de adviseur kan gevraagd worden dat hij aangeeft welke voorziening van deze natte-cel hulpmiddelen de goedkoopst adequate oplossing biedt. Zo zou een keus kunnen worden ge-maakt tussen een (aard- en nagel-)vast douchezitje of een losse douchestoel waarbij de adviseur aan kan geven welke voorziening nog adequaat is, gezien de handicap en/of de bouwkundige situatie. Bij deze hulpmiddelen gelden de volgende criteria: criterium voor wat betreft de douchestoel: cliënt kan niet staande douchen. criterium voor wat betreft de verrijdbare patiëntentilliften: cliënt is niet in staat zelfstandig in en uit bed te gaan, noch zelfstandig in de rolstoel plaats te nemen. Vervangen gewone vloerbedekking door rolstoelvast tapijt.In de regel vindt het vervangen van gewone vloerbedekking door rolstoelvast tapijt plaats in de woonkamer.Bij vervangen vloerbedekking gelden de volgende criteria: criterium voor wat betreft de rolstoelvaste vloerbedekking: gekoppeld aan verstrekking van handbewogen rolstoel of elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd, al dan niet aangepast (zie ook hoofdstuk 4). criterium voor wat betreft de rolstoelvaste vloerbedekking: in geval cliënt plotseling rolstoelgebruiker wordt, wordt rekening gehouden met een afschrijvingstermijn voor de huidige vloerbedekking (in principe 8 jaar). Woningsanering in verband met CARA Financiële tegemoetkoming voor woningsaneringMen kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkenen zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten. In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen vergoeding wordt verstrekt indien: het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager jonger is dan vier jaar. AfschrijvingstermijnEen vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is afgeschreven (in de regel na 8 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode: 100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar; 75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen vergoeding verstrekt; Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. Onderhoud, keuring en reparatieBurgemeester en wethouders verlenen een financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud keuring en reparatie aan woonvoorzieningen die in het kader van de Wvg dan wel de BSHG, RGSHG of Wmo zijn aangebracht. Deze financiële tegemoetkoming wordt verleend indien de gehandicapte ten tijde van het onderhoud, keuring of reparatie de woonruimte als hoofdverblijf bewoont.De tegemoetkomingen voor onderhoud en keuring staan vermeld in een bijlage bij het Besluit maatschappelijke ondersteuning. In overleg met verhuurders kan over onderhoud e.d. een aparte afspraak gemaakt worden.De gemeente kan ook met een bedrijf voor het onderhoud en keuring van liften in diverse woningen een onderhoudscontract afsluiten. Voor de daarbij betrokken voorzieningen vervalt dan de mogelijkheid voor individuele tegemoetkomingen. De uitraasruimteDe uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf, maar is onder de Wmo omschreven in de verordening. Artikel 15, aanhef en onder d luidt dan ook: “De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: (……) d. een uitraasruimte.”Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. Paragraaf4.5Procedure bij bouwkundige aanpassing Procedure aanvraag woningaanpassing (PGB of financiële tegemoetkoming): Vaststellen programma van eisen.Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid of een externe adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. De woningeigenaar vraagt op basis van dat programma van eisen enkele offertes bij een aannemer op. Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt.De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming of als basis geldt voor het vaststellen van het PGB. Het college geeft toestemming.Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget betrekking heeft. De eigenaar voert uit.De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen. Het college controleert.Het college verleent slechts een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing indien de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats.De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren. Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding.De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de woningeigenaar.Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 15 maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding).Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming of de controle op en vaststelling van het Pgb.De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is verleend.Diegene aan wie het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. Paragraaf4.6Voorwaarden voor verstrekking pgb en uitbetaling financiële tegemoetkoming Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college; Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 15 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (PvE); De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming of controle op en vaststelling van het Pgb; De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd. Paragraaf4.7Kosten van woningaanpassingen De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van (het persoonsgebonden budget of) de financiële tegemoetkoming: De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen. De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; De leges voorzover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens bijgaande tabel. De door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening;Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder wil vergoeden kan het volgende opgenomen worden: De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1000,- bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van € 350,-. Paragraaf4.8Opstalverzekering Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. Paragraaf4.9Tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van voorzieningen De gemeente Oud-Beijerland verstrekt geen vergoeding voor het verwijderen van voorzieningen.

(3)
(3)De overige gemeenten in de Hoeksche Waard kunnen wel een vergoeding geven. Paragraaf4.10Omvang tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten De hoogte van het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 15 onder a van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 bestaat uit een vast bedrag voor de kosten van stoffering en verven/behangen van de nieuwe woning. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de gezinsgrootte; een bedrag voor de kosten van verhuizing.In het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Oud-Beijerland 2006 wordt aangegeven welke bedrag maximaal kan worden verstrekt voor ad a. en ad b. Bij ad a. gaat het om een vast bedrag en bij ad b. om een maximum bedrag Bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor verhuizing zal worden nagegaan welke kosten noodzakelijk zijn. Daarbij wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing. Bij de beoordeling daarvan wordt onder meer met het inschakelen van het eigen netwerk rekening gehouden maar ook het hergebruik van de inrichting uit de oude woning.Tot slot wordt bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming uitgegaan van de werkelijke kosten. Het verhuizen kan leiden tot dubbele huur. Bij de financiële tegemoetkoming kan voorts maximaal één maand dubbele huur vergoed worden. Daarbij wordt uitgegaan van de werkelijke kosten van de woonruimte met de laagste huurlasten. Is er slechts sprake van een gedeelte van een maand waarin de huur overlapt dan wordt bij de vaststelling uitgegaan wordt van de werkelijke kosten. Hoofdstuk5Lokaal verplaatsen per vervoermiddel Paragraaf5.1Vormen van vervoersvoorzieningen Artikel 22 van de verordening luidt:De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening; een vervoersvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening; een financiële tegemoetkoming op declaratiebasis in het geval de vervoersbehoefte niet is vast te stellen. Dat betekent dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 23 blijkt verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met daarna een primaat voor het collectief vervoer.Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden, indien dat niet het geval is wordt eerst gekeken of collectief vervoer het probleem kan oplossen, is dat ook niet het geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking. De algemene voorzieningenAlgemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen lossen.De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen moeten veelal nog ontwikkeld worden. Te denken valt aan een scootermobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootermobiels. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk.Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. Dan geldt echter de reguliere aanvraagprocedure. De gemeente Oud-Beijerland heeft nog geen algemene voorzieningen ontwikkeld. Primaat collectief vervoerAls een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of als naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het collectief vervoer. Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer. In de gemeente Oud-Beijerland is geen collectief vervoer. Paragraaf5.2Algemene beleidsregels In het algemeen wordt een vervoersvoorziening getroffen als het verplaatsingsgedrag van de gehandicapte in belangrijke mate is verstoord vanwege de ondervonden belemmeringen. Van een dergelijke verstoring is geen sprake als slechts incidenteel verplaatsingsmoeilijkheden optreden. De selectie van de goedkoopst-adequate vervoersvoorziening hangt af van: de ondervonden belemmeringen; het verplaatsingsmotief van de gehandicapte; de verplaatsingsbestemming; de frequentie van verplaatsen; de wijze van verplaatsen. Openbaar vervoer niet kunnen bereiken en/of gebruikenDe uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstands-criterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking.Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(
  1. re)afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden. Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het dwingend voorgeschreven! Vaststelling directe woon- en leefomgeving.Voor de vervoersvoorzieningen , geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 26 lid 1 van de verordening bepaalt hierover: Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.”Voor een sluitend systeem van vervoer kan aangesloten worden bij de uitvoering van het zogenaamde bovenregionale vervoer, waarvoor de rijksoverheid verantwoordelijk is.Het bovenregionaal vervoer – uitgevoerd door Valys - opereren vanaf de zesde OV-zone.Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoerbehoefte voor de maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alle dag. De gemeente Oud-Beijerland heeft de directe woon- en leefomgeving vastgesteld o1. De Hoeksche Waard;2. Bestemmingen tot maximaal 20 kilometer, enkele reis, vanaf het woonadres.De afstand wordt berekend op basis van de kortste route op basis van de ANWB-routeplanner. Overige bestemmingen vallen buiten de directe woon- en leefomgeving en komen niet voor vergoeding in aanmerking. Een vergoeding voor gebruik van de eigen auto wordt alleen verstrekt als de aanvrager, of een meerderjarige huisgenoot van de aanvrager, beschikt over een geldig rijbewijs en een tenaamgestelde auto.Artikel 26, lid 2 van de verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ook nog aan welke omvang in kilometers geboden moet worden. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken.” Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer, met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Voorzover deze vervoersbehoefte aanwezig. Ligt de vervoersbehoefte lager dan wordt de voorziening daarop afgestemd. Voor de verplaatsing op de lange afstanden kan gedacht worden aan een geldbedrag bedoeld voor een zelf te regelen voorziening (autokostenvergoeding, taxikostenvergoeding, rolstoeltaxikostenvergoeding). Of in uitzonderlijke situaties een voorziening in natura (een bruikleenauto, een auto aanpassing, een gesloten buitenwagen). Voor de verplaatsingen op de korte afstand kan gedacht worden aan een scootermobiel of een driewielfiets. Of een persoonsgebonden budget om dergelijke voorzieningen aan te schaffen. Geen verstrekking algemeen gebruikelijke voorzieningHet begrip 'algemeen gebruikelijk' wordt bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen ingevuld door voor enkele voorzieningen een inkomensgrens te stellen. Heeft men een inkomen onder de inkomensgrens, dan kan men in principe in aanmerking komen voor deze voorzieningen. Heeft men een inkomen boven de inkomensgrens, dan is een auto en de daarmee samenhangende kosten algemeen gebruikelijk. Men kan dan wel in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de meerkosten van een rolstoeltaxi ten opzichte van een taxi. Voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn, zoals aanpassingen van een auto of een speciaal voertuig voor gehandicapten, kunnen worden verstrekt aan gehandicapten met een inkomen boven de inkomensgrens. De hoogte van de inkomensgrens staat vermeld in het besluit maatschappelijke ondersteuning. Artikel 25 lid 1 biedt de mogelijkheid een inkomensgrens te stellen voor bepaalde vervoersvoorzieningen. Het zijn dan de voorzieningen die de auto betreffen of voorzieningen die daaraan gelijk te stellen zijn. Dat zijn bijvoorbeeld de kosten van een taxi. In de gemeente Oud-Beijerland is deze inkomensgrens vastgesteld op 1,5 x de geldende inkomensgrens Aanvragers met een inkomen boven deze grens kunnen deze vervoersvoorzieningen niet krijgen, dan is de auto en de daarmee samenhangende kosten algemeen gebruikelijk. Heeft men een inkomen onder de 1,5 geldende inkomensgrens, dan kan men in principe in aanmerking komen voor deze voorzieningen. Voor een rolstoeltaxi geldt, dat als de auto algemeen gebruikelijk is, van de rolstoeltaxi alleen het taxigedeelte algemeen gebruikelijk is. Dat wil zeggen dat als vergoeding of persoonsgebonden budget uitsluitend het verschil tussen beide vergoedingen kan worden toegekend. Paragraaf5.3Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer in de eigen woon- of leefomgeving Het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Bij het verstrekken van een vervoersvoorziening – bijvoorbeeld een scootmobiel – bestaat ook de mogelijkheid dat als bij-effect ook recreatieve verplaatsingen kunnen worden verricht. Een vervoersvoorziening die (uitsluitend) wordt gevraagd met het oog op recreatie en ontspanning wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht. De gemeente dient een zorgvuldig onderzoek te doen naar het verplaatsingspatroon van de gehandicapte. Op die manier kan vastgesteld worden welke verplaatsingen voor de gehandicapte van belang zijn voor het onderhouden van de voor hem noodzakelijke sociale contacten. Zijn de door de gehandicapte regelmatig af te leggen afstanden uitzonderlijk hoog en/of is de frequentie waarmee die afstanden worden afgelegd uitzonderlijk hoog, dan wordt daarmee bij het vaststellen van de goedkoopst-adequate voorziening rekening gehouden. Ook kan de situatie zich voordoen dat het verplaatsingsgedrag van de gehandicapte uitzonderlijk laag is. Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. Vervoer in verband met vrijwilligerswerk Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad van Beroep gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of bezoek aan medische behandelaars Vervoer van en naar medische behandelaars viel niet onder de Wvg en valt evenmin onder de Wmo. Het is niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Bovendien zijn er voor bepaalde situaties voorliggende voorzieningen, zoals de Regeling Zorgverzekering. Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet te ontdekken, omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen ging. Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen. Vervoer van kinderen door ouders met een beperking Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep. Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, voor wat betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners. Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen. Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling kan bijvoorbeeld een gehalveerd PGB voor vervoerskosten worden verstrekt. Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is. In paragraaf 5.4. onder subparagraaf “afhankelijk van vervoersbehoefte” wordt dit verder uitgewerkt. Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht c.q. compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding. Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners Onder de Wvg is de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners door jurisprudentie geconcretiseerd. Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie. De compensatieplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel compensatieplicht is voor lokaal en regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - compensatieplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van grote instellingen wordt in deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie de bewijslast omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de compensatieplicht valt. Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk huis. Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt niet onder de Wvg-zorgplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Paragraaf5.4Financiële tegemoetkomingen/ pgb in de kosten van vervoer Met betrekking tot een financiële tegemoetkoming worden de volgende criteria aangehouden: Indien cliënt reeds rolstoelgebruiker is (wellicht volgens een andere regeling dan de Wmo) en niet in staat lopend een afstand van 400 meter af te leggen. niet in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen. wel in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen maar niet aansluitend 10 minuten staande kunnen wachten. wel in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen, ook aansluitend 10 minuten staande kunnen wachten, maar niet in staat de instaphoogte van het openbaar vervoer (ca. 32
  2. cm)te overbruggen. niet in staat zich in een snel wegrijdend voertuig staande te houden visueel het voertuig niet kunnen onderscheiden. wegens gebrek aan zitplaatsen niet in staat in het spitsuur van het openbaar vervoer gebruik te maken (vervoer i.v.m. werk valt niet onder de Wvg). cliënt kan om fysieke redenen niet zelfstandig de buitenvoordeur aan de straat bereiken. Tegemoetkoming voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of een eigen auto. Indien de betrokkene geen gebruik kan maken van het collectief vervoersysteem of zo'n systeem niet aanwezig is, is de goedkoopst-adequate oplossing doorgaans het verstrekken van een financiële tegemoetkoming/pgb in de kosten van het gebruik van een taxi of een eigen auto. Afhankelijk van vervoersbehoefteDe hoogte van de voorziening (bv. een standaard persoonsgebonden budget voor vervoer) kan afhankelijk zijn van de vervoersbehoefte. Daarvoor gelden de navolgende nadere uitvoeringsregels en wordt een relatie gelegd tussen de vervoersbehoefte van de betrokkene en: de leeftijd; de woonsituatie; het gebruik van andere vervoersvoorzieningen; extreem hoge vervoersbehoefte. als verplaatsingen van cliënt onduidelijk zijn. In alle gevallen wordt getoetst of er in het voorliggende individuele geval aanleiding is om van de beleidsregels af te wijken. Ad 1 de leeftijdIndien in individuele gevallen het tegendeel niet blijkt wordt ervan uitgegaan dat: er bij kinderen jonger dan 5 jaar geen sprake is van vervoersproblemen, omdat de ouders hen meenemen, zoals ook gebruikelijk is met niet-gehandicapte kinderen. kinderen van 5 tot 12 jaar een geringe zelfstandige vervoersbehoefte hebben, omdat zij veelal door hun ouders worden begeleid, zoals ook gebruikelijk is met niet-gehandicapte kinderen. kinderen van 12 tot 15 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte ontwikkelen en vanaf 18 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben die overeenkomt met die van volwassenen. Deze uitgangspunten hebben tot gevolg dat in de regel: aan gehandicapte kinderen tot 5 jaar geen tegemoetkoming in de kosten van vervoerskosten wordt verstrekt; aan gehandicapte kinderen van 5 tot 12 jaar een halve tegemoetkoming in de kosten van vervoer wordt verstrekt; aan gehandicapte kinderen van 12 tot 15 jaar een tegemoetkoming wordt verstrekt ter hoogte van 3/4 deel van het forfaitaire bedrag; aan gehandicapte kinderen van 15 tot 18 jaar een volledige forfaitaire tegemoetkoming wordt verstrekt. Ad 2 de woonsituatieAanvragers die in een complex wonen waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instelling de maaltijden bereidt. Met deze situatie wordt bij de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming rekening gehouden.Voor bewoners van een intramurale instelling wordt in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alled

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.