Maatschappelijke ondersteuning, beleidsregels gemeente Oud-Beijerland 2006Burgemeester en wethouders van de gemeente Oud-Beijerland Besluiten: Vast te stellen de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland
(3)De overige gemeenten in de Hoeksche Waard kunnen wel een vergoeding geven. Paragraaf4.10Omvang tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten De hoogte van het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 15 onder a van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2006 bestaat uit een vast bedrag voor de kosten van stoffering en verven/behangen van de nieuwe woning. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de gezinsgrootte; een bedrag voor de kosten van verhuizing.In het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Oud-Beijerland 2006 wordt aangegeven welke bedrag maximaal kan worden verstrekt voor ad a. en ad b. Bij ad a. gaat het om een vast bedrag en bij ad b. om een maximum bedrag Bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor verhuizing zal worden nagegaan welke kosten noodzakelijk zijn. Daarbij wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing. Bij de beoordeling daarvan wordt onder meer met het inschakelen van het eigen netwerk rekening gehouden maar ook het hergebruik van de inrichting uit de oude woning.Tot slot wordt bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming uitgegaan van de werkelijke kosten. Het verhuizen kan leiden tot dubbele huur. Bij de financiële tegemoetkoming kan voorts maximaal één maand dubbele huur vergoed worden. Daarbij wordt uitgegaan van de werkelijke kosten van de woonruimte met de laagste huurlasten. Is er slechts sprake van een gedeelte van een maand waarin de huur overlapt dan wordt bij de vaststelling uitgegaan wordt van de werkelijke kosten. Hoofdstuk5Lokaal verplaatsen per vervoermiddel Paragraaf5.1Vormen van vervoersvoorzieningen Artikel 22 van de verordening luidt:De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening; een vervoersvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening; een financiële tegemoetkoming op declaratiebasis in het geval de vervoersbehoefte niet is vast te stellen. Dat betekent dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 23 blijkt verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met daarna een primaat voor het collectief vervoer.Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden, indien dat niet het geval is wordt eerst gekeken of collectief vervoer het probleem kan oplossen, is dat ook niet het geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking. De algemene voorzieningenAlgemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen lossen.De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen moeten veelal nog ontwikkeld worden. Te denken valt aan een scootermobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootermobiels. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk.Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. Dan geldt echter de reguliere aanvraagprocedure. De gemeente Oud-Beijerland heeft nog geen algemene voorzieningen ontwikkeld. Primaat collectief vervoerAls een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of als naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het collectief vervoer. Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer. In de gemeente Oud-Beijerland is geen collectief vervoer. Paragraaf5.2Algemene beleidsregels In het algemeen wordt een vervoersvoorziening getroffen als het verplaatsingsgedrag van de gehandicapte in belangrijke mate is verstoord vanwege de ondervonden belemmeringen. Van een dergelijke verstoring is geen sprake als slechts incidenteel verplaatsingsmoeilijkheden optreden. De selectie van de goedkoopst-adequate vervoersvoorziening hangt af van: de ondervonden belemmeringen; het verplaatsingsmotief van de gehandicapte; de verplaatsingsbestemming; de frequentie van verplaatsen; de wijze van verplaatsen. Openbaar vervoer niet kunnen bereiken en/of gebruikenDe uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstands-criterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking.Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(
- re)afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden. Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het dwingend voorgeschreven! Vaststelling directe woon- en leefomgeving.Voor de vervoersvoorzieningen , geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 26 lid 1 van de verordening bepaalt hierover: Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.”Voor een sluitend systeem van vervoer kan aangesloten worden bij de uitvoering van het zogenaamde bovenregionale vervoer, waarvoor de rijksoverheid verantwoordelijk is.Het bovenregionaal vervoer – uitgevoerd door Valys - opereren vanaf de zesde OV-zone.Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoerbehoefte voor de maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alle dag. De gemeente Oud-Beijerland heeft de directe woon- en leefomgeving vastgesteld o1. De Hoeksche Waard;2. Bestemmingen tot maximaal 20 kilometer, enkele reis, vanaf het woonadres.De afstand wordt berekend op basis van de kortste route op basis van de ANWB-routeplanner. Overige bestemmingen vallen buiten de directe woon- en leefomgeving en komen niet voor vergoeding in aanmerking. Een vergoeding voor gebruik van de eigen auto wordt alleen verstrekt als de aanvrager, of een meerderjarige huisgenoot van de aanvrager, beschikt over een geldig rijbewijs en een tenaamgestelde auto.Artikel 26, lid 2 van de verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ook nog aan welke omvang in kilometers geboden moet worden. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken.” Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer, met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Voorzover deze vervoersbehoefte aanwezig. Ligt de vervoersbehoefte lager dan wordt de voorziening daarop afgestemd. Voor de verplaatsing op de lange afstanden kan gedacht worden aan een geldbedrag bedoeld voor een zelf te regelen voorziening (autokostenvergoeding, taxikostenvergoeding, rolstoeltaxikostenvergoeding). Of in uitzonderlijke situaties een voorziening in natura (een bruikleenauto, een auto aanpassing, een gesloten buitenwagen). Voor de verplaatsingen op de korte afstand kan gedacht worden aan een scootermobiel of een driewielfiets. Of een persoonsgebonden budget om dergelijke voorzieningen aan te schaffen. Geen verstrekking algemeen gebruikelijke voorzieningHet begrip 'algemeen gebruikelijk' wordt bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen ingevuld door voor enkele voorzieningen een inkomensgrens te stellen. Heeft men een inkomen onder de inkomensgrens, dan kan men in principe in aanmerking komen voor deze voorzieningen. Heeft men een inkomen boven de inkomensgrens, dan is een auto en de daarmee samenhangende kosten algemeen gebruikelijk. Men kan dan wel in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de meerkosten van een rolstoeltaxi ten opzichte van een taxi. Voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn, zoals aanpassingen van een auto of een speciaal voertuig voor gehandicapten, kunnen worden verstrekt aan gehandicapten met een inkomen boven de inkomensgrens. De hoogte van de inkomensgrens staat vermeld in het besluit maatschappelijke ondersteuning. Artikel 25 lid 1 biedt de mogelijkheid een inkomensgrens te stellen voor bepaalde vervoersvoorzieningen. Het zijn dan de voorzieningen die de auto betreffen of voorzieningen die daaraan gelijk te stellen zijn. Dat zijn bijvoorbeeld de kosten van een taxi. In de gemeente Oud-Beijerland is deze inkomensgrens vastgesteld op 1,5 x de geldende inkomensgrens Aanvragers met een inkomen boven deze grens kunnen deze vervoersvoorzieningen niet krijgen, dan is de auto en de daarmee samenhangende kosten algemeen gebruikelijk. Heeft men een inkomen onder de 1,5 geldende inkomensgrens, dan kan men in principe in aanmerking komen voor deze voorzieningen. Voor een rolstoeltaxi geldt, dat als de auto algemeen gebruikelijk is, van de rolstoeltaxi alleen het taxigedeelte algemeen gebruikelijk is. Dat wil zeggen dat als vergoeding of persoonsgebonden budget uitsluitend het verschil tussen beide vergoedingen kan worden toegekend. Paragraaf5.3Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer in de eigen woon- of leefomgeving Het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Bij het verstrekken van een vervoersvoorziening – bijvoorbeeld een scootmobiel – bestaat ook de mogelijkheid dat als bij-effect ook recreatieve verplaatsingen kunnen worden verricht. Een vervoersvoorziening die (uitsluitend) wordt gevraagd met het oog op recreatie en ontspanning wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht. De gemeente dient een zorgvuldig onderzoek te doen naar het verplaatsingspatroon van de gehandicapte. Op die manier kan vastgesteld worden welke verplaatsingen voor de gehandicapte van belang zijn voor het onderhouden van de voor hem noodzakelijke sociale contacten. Zijn de door de gehandicapte regelmatig af te leggen afstanden uitzonderlijk hoog en/of is de frequentie waarmee die afstanden worden afgelegd uitzonderlijk hoog, dan wordt daarmee bij het vaststellen van de goedkoopst-adequate voorziening rekening gehouden. Ook kan de situatie zich voordoen dat het verplaatsingsgedrag van de gehandicapte uitzonderlijk laag is. Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. Vervoer in verband met vrijwilligerswerk Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad van Beroep gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of bezoek aan medische behandelaars Vervoer van en naar medische behandelaars viel niet onder de Wvg en valt evenmin onder de Wmo. Het is niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Bovendien zijn er voor bepaalde situaties voorliggende voorzieningen, zoals de Regeling Zorgverzekering. Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet te ontdekken, omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen ging. Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen. Vervoer van kinderen door ouders met een beperking Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep. Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, voor wat betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners. Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen. Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling kan bijvoorbeeld een gehalveerd PGB voor vervoerskosten worden verstrekt. Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is. In paragraaf 5.4. onder subparagraaf “afhankelijk van vervoersbehoefte” wordt dit verder uitgewerkt. Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht c.q. compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding. Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners Onder de Wvg is de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners door jurisprudentie geconcretiseerd. Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie. De compensatieplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel compensatieplicht is voor lokaal en regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - compensatieplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van grote instellingen wordt in deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie de bewijslast omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de compensatieplicht valt. Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk huis. Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt niet onder de Wvg-zorgplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Paragraaf5.4Financiële tegemoetkomingen/ pgb in de kosten van vervoer Met betrekking tot een financiële tegemoetkoming worden de volgende criteria aangehouden: Indien cliënt reeds rolstoelgebruiker is (wellicht volgens een andere regeling dan de Wmo) en niet in staat lopend een afstand van 400 meter af te leggen. niet in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen. wel in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen maar niet aansluitend 10 minuten staande kunnen wachten. wel in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen, ook aansluitend 10 minuten staande kunnen wachten, maar niet in staat de instaphoogte van het openbaar vervoer (ca. 32
- cm)te overbruggen. niet in staat zich in een snel wegrijdend voertuig staande te houden visueel het voertuig niet kunnen onderscheiden. wegens gebrek aan zitplaatsen niet in staat in het spitsuur van het openbaar vervoer gebruik te maken (vervoer i.v.m. werk valt niet onder de Wvg). cliënt kan om fysieke redenen niet zelfstandig de buitenvoordeur aan de straat bereiken. Tegemoetkoming voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of een eigen auto. Indien de betrokkene geen gebruik kan maken van het collectief vervoersysteem of zo'n systeem niet aanwezig is, is de goedkoopst-adequate oplossing doorgaans het verstrekken van een financiële tegemoetkoming/pgb in de kosten van het gebruik van een taxi of een eigen auto. Afhankelijk van vervoersbehoefteDe hoogte van de voorziening (bv. een standaard persoonsgebonden budget voor vervoer) kan afhankelijk zijn van de vervoersbehoefte. Daarvoor gelden de navolgende nadere uitvoeringsregels en wordt een relatie gelegd tussen de vervoersbehoefte van de betrokkene en: de leeftijd; de woonsituatie; het gebruik van andere vervoersvoorzieningen; extreem hoge vervoersbehoefte. als verplaatsingen van cliënt onduidelijk zijn. In alle gevallen wordt getoetst of er in het voorliggende individuele geval aanleiding is om van de beleidsregels af te wijken. Ad 1 de leeftijdIndien in individuele gevallen het tegendeel niet blijkt wordt ervan uitgegaan dat: er bij kinderen jonger dan 5 jaar geen sprake is van vervoersproblemen, omdat de ouders hen meenemen, zoals ook gebruikelijk is met niet-gehandicapte kinderen. kinderen van 5 tot 12 jaar een geringe zelfstandige vervoersbehoefte hebben, omdat zij veelal door hun ouders worden begeleid, zoals ook gebruikelijk is met niet-gehandicapte kinderen. kinderen van 12 tot 15 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte ontwikkelen en vanaf 18 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben die overeenkomt met die van volwassenen. Deze uitgangspunten hebben tot gevolg dat in de regel: aan gehandicapte kinderen tot 5 jaar geen tegemoetkoming in de kosten van vervoerskosten wordt verstrekt; aan gehandicapte kinderen van 5 tot 12 jaar een halve tegemoetkoming in de kosten van vervoer wordt verstrekt; aan gehandicapte kinderen van 12 tot 15 jaar een tegemoetkoming wordt verstrekt ter hoogte van 3/4 deel van het forfaitaire bedrag; aan gehandicapte kinderen van 15 tot 18 jaar een volledige forfaitaire tegemoetkoming wordt verstrekt. Ad 2 de woonsituatieAanvragers die in een complex wonen waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instelling de maaltijden bereidt. Met deze situatie wordt bij de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming rekening gehouden.Voor bewoners van een intramurale instelling wordt in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alled