← Nederland

Beleidsplan armoede en participatie Sittard-Geleen (Sittard-Geleen)

Beleidsplan armoede en participatie Sittard-GeleenArtikel0Dit artikel moet nog worden gesplitst Armoede en participatie Visie en uitvoering Armoedebeleidsplan Sittard-Geleen Versie 23-10-2007 Piet Schoonbrood Marcel Poeckling 2 Inleiding................................................................................................................. 4 Leeswijzer ............................................................................................................. 4 Leidraad voor het nieuwe armoedebeleid.............................................................. 5 Missie ................................................................................................................ 5 Ambitie van de gemeente.................................................................................. 5 Uitgangspunten ................................................................................................. 5 Extern beleid van invloed op het gemeentelijke armoedebeleid............................. 6 Visie op participatie ............................................................................................... 7 Uitvoeringsnota ......................................................................................................... 8 I.Participatie (besluiten 2 tm 10) ........................................................................... 8 Onderzoeksopdrachten ..................................................................................... 8 Vormgeving Regie: via twee stromen ................................................................ 8 Stroom 1: reïntegratie naar regulier werk........................................................... 8 Stroom 2: participatie......................................................................................... 8 Wat is nodig....................................................................................................... 9 Huis van de Participatie................................................................................... 10 De methodiek .................................................................................................. 10 Doelgroepen (ontkokering) .............................................................................. 12 Netwerken en wijkgericht werken .................................................................... 12 Ladder van participatie .................................................................................... 13 Excellente dienstverlening ............................................................................... 13 Actoren binnen een participatiehuis................................................................. 13 Regie; naar een afgebakend opdrachtnemersmodel ....................................... 14 Financiering en ontschotting............................................................................ 15 De kosten van zorg.......................................................................................... 15 De kosten van participatie ............................................................................... 15 Beoogd resultaat van het Participatiehuis........................................................ 16 Ontwikkelmodel: schema................................................................................. 16 II. Bureaucratie (besluiten 11 tm 20).................................................................... 16 Onderzoeksopdracht 5: Begeleiding cliënten met meervoudige problematiek . 17 Onderzoeksopdracht 6: Maatwerk door maatschappelijke organisaties........... 17 Onderzoeksopdracht 7: Uitvoering zorgtaken.................................................. 18 Onderzoeksopdracht 8: Permanente educatie medewerkers........................... 19 Onderzoeksopdracht 9: Deelname aan netwerken .......................................... 20 Onderzoeksopdracht 10: Digitale mogelijkheden............................................. 20 Onderzoeksopdracht 11: Van ervaring naar beleid .......................................... 21 III. Schuldhulpverlening en preventie (besluiten 21 tm 26)................................... 22 Onderzoeksopdracht 12: Vroegsignalering...................................................... 22 Onderzoeksopdracht 13: Centraal meldpunt.................................................... 22 Onderzoeksopdracht 14: Sluitende aanpak door ketensamenwerking............. 23 Onderzoeksopdracht 15: Preventie ................................................................. 23 IV. Inkomensondersteunende maatregelen en terugdringing niet gebruik (besluiten 27 tm 48) ............................................................................................................. 24 Onderzoeksopdracht 16: Inkomensgrens bijzondere bijstand.......................... 24 Onderzoeksopdracht 17: Maatschappelijke participatie door kinderen............. 25 Onderzoeksopdracht 18: Terugdringing niet-gebruik ....................................... 26 Onderzoeksopdracht 19: Ondersteuning na uitstroom..................................... 30 Onderzoeksopdracht 20: Verstrekkingen in natura .......................................... 31 3 Beslispuntenoverzicht per Hoofdopdracht/Onderzoeksopdracht.......................... 33 Uitgangspunten van beleid ........................................................................... 33 Participatie.................................................................................................... 33 II. Bureaucratie ................................................................................................ 34 III. Schuldhulpverlening en preventie............................................................... 35 IV. Inkomensondersteunende maatregelen en terugdringing niet gebruik........ 35 Financiële paragraaf............................................................................................ 37 Kosten van een Participatiecentrum: beeld van de organisatie........................ 37 4 Inleiding Op 15 januari 2007 besloot het College voor de ontwikkeling van het armoedebeleid 2008-2011 een interactief ontwikkelingsproces op te starten. Vervolgens zijn in het voorjaar van 2007 twee bijeenkomsten belegd met vertegenwoordigers van belangenorganisaties en intermediairs betreffende de richting van een nieuw armoedebeleid. De bevindingen zijn geland in een zogenaamde Notitie van Bevindingen (bijlage 1) die na vaststelling in het College en daaropvolgende discussie in de raadscommissie leidend is voor de voorstellen rond het nieuwe beleid rond armoede en participatie in Sittard-Geleen. In de Notitie van Bevindingen worden tien uitgangspunten voor beleid genoemd. Het betreft uitgangspunten rond klantbejegening, maatwerk en doorbreking van bureaucratie. Verder geeft de notitie vier hoofdopdrachten die in hoofdlijnen worden uitgewerkt in deze nota. Per hoofdopdracht wordt een aantal onderzoeksopdrachten geformuleerd. De uitwerking van deze opdrachten moet leiden tot een concrete invulling van de hoofdopdracht en op rond van de uitkomsten kan het gemeentebestuur uiteindelijk keuzes maken voor het nieuwe beleid . De conceptnota Armoede en Participatie, visie en uitvoering, zoals die voor nu voor u ligt is op 2 oktober jongstleden door het College behandeld. Het College stemt in met de inhoud, uitgangspunten en beslispunten van de nota met dien verstande dat vooruitlopend op de integrale afweging door het College met betrekking tot de besteding van de vrije beleidsruimte, kennis wordt genomen van het voorgenomen beslag van €85.000,=. Leeswijzer Deze nota van Visie en Uitvoering begint met een Leidraad voor het nieuwe beleid. Daarin wordt meteen het eerste beslispunt geformuleerd. Daarna wordt een visie op participatie geschetst die van belang is voor de uitwerking van de eerste hoofdopdracht. Vervolgens worden de hoofdopdrachten uitgewerkt die in de Nota van Bevindingen zijn gepresenteerd. Er zijn 4 hoofdopdrachten: I.Participatie II. Bureaucratie III. Schuldhulpverlening en preventie IV. Inkomensondersteuning en terugdringing nietgebruik Bij de behandeling van de eerste hoofdopdracht: Participatie wordt de eerder geformuleerde visie op Participatie uitgewerkt. In deze uitwerking worden de behandeling van de onderzoeksopdrachten verweven. Tot slot wordt een aantal beslispunten gegeven. Bij de behandeling van de overige hoofdopdrachten worden de onderzoeksopdrachten per stuk behandeld en voorzien van beslispunten. Tot slot van de notitie worden de beslispunten nog eens op een rij gezet en de financiën behandeld. 5 Leidraad voor het nieuwe armoedebeleid Missie Of het nu gaat om reïntegratie, participatie, zorg of diverse vormen van armoedebestrijding we doen, waar nodig, niet anders dan het bevorderen van (de maximaal mogelijke) zelfredzaamheid van onze burgers. Ambitie van de gemeente o voor delen van het zogenaamde granieten bestand worden methodieken ontwikkeld en toegepast waardoor ook voor hen een reguliere arbeidsplaats wordt gerealiseerd o ook degenen voor wie regulier werk niet (meer) bereikbaar is gaan actief participeren in de samenleving en worden hiertoe zo nodig gefaciliteerd o er wordt een methodiek ontwikkeld waarin parallel aan toeleiding naar (de hoogst mogelijke) vormen van participatie gewerkt wordt aan de vaak meervoudige problematiek van uitkeringsgerechtigden o het beleid en uitvoering betreffende participatie en armoede voldoet aan de geformuleerde uitgangspunten Uitgangspunten De uitgangspunten van armoedebeleid zijn: o De burger wordt met respect en vertrouwen tegemoet getreden o Maar misbruik wordt aangepakt o Maatwerk moet leiden tot zelfredzaamheid o Geen betutteling o Voorkomen is beter dan genezen o Deregulering en laagdrempeligheid o Prioriteit voor kinderen in armoede o Integraliteit met andere beleidsvelden en met het uitgangspunt van wijkgericht werken o Rijksbeleid: waar het rijk weer verantwoordelijkheid op pakt kan de gemeente terug treden o Werk en participatie: participatie als regulier werk niet haalbaar is Besluit 1: De uitgangspunten van armoedebeleid zijn: o De burger wordt met respect en vertrouwen tegemoet getreden o Misbruik wordt aangepakt o Maatwerk moet leiden tot zelfredzaamheid o Geen betutteling o Voorkomen is beter dan genezen o Deregulering en laagdrempeligheid o Prioriteit voor kinderen in armoede o Integraliteit met andere beleidsvelden en met het uitgangspunt van wijkgericht werken o Rijksbeleid: waar het rijk weer verantwoordelijkheid op pakt kan de gemeente terug treden o Werk en participatie: participatie als regulier werk niet haalbaar is 6 Extern beleid van invloed op het gemeentelijke armoedebeleid Eén van de speerpunten van het huidige regeerakkoord is participatie. Er staan nog steeds te veel mensen langs de kant, zoals de eerder genoemde bijstandgerechtigden die tot het granieten bestand behoren. Geringe arbeidsproductiviteit, grote afstand tot de arbeidsmarkt en/of het persoonlijke arbeidsverleden kunnen toetreding tot de arbeidsmarkt in de weg staan. Het kabinet heeft daarom samen met sociale partners en gemeenten een “participatietop” gehouden, met het doel oplossingen te vinden voor de aanpak van de problematiek aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de begeleiding van moeilijk bemiddelbare groepen naar de arbeidsmarkt. Participatie is in dit regeerakkoord geen vrijblijvende optie meer voor mensen die een uitkering “genieten”, maar wordt gezien als een verplichting die je hebt om bij te dragen aan de samenleving. Het idee hierbij is dat iemand misschien door omstandigheden niet kan werken, maar in ieder geval wel op een andere manier iets kan bijdragen. Dit uitgangspunt komt ook helemaal terug in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning waarbij het doel is dat burgers zorg en ondersteuning in hun eigen omgeving organiseren. Twee belangrijke afspraken die uit het bestuursakkoord voortkomen, zijn: o Gemeenten zorgen deze kabinetsperiode voor een reductie van de WWB met 75.000 personen ( dit is 25% van het totaal). o Daarnaast activeren zij 25.000 niet-uitkeringsgerechtigden naar werk of maatschappelijke participatie Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) steunt het kabinet de gemeenten bij het realiseren van deze ambities met de volgende maatregelen: o De budgetten voor het I- en W-deel worden meerjarig vastgezet, zodat gemeenten op financieel gebied weten waar zij aan toe zijn en daarmee beter in staat zijn om een meerjarig beleid te voeren; o Er komt een participatiefonds waarin de budgetten voor reïntegratie (Wdeel), educatie (WEB)en integratie (WI) worden opgenomen. Hierdoor vallen de schotten tussen deze verschillende budgetten weg, waardoor een meer samenhangens reïntegratie- en participatiebeleid kan worden gevoerd; o Er komt meer geld (80 mln) voor armoedebeleid en schuldhulpverlening; o Gemeenten krijgen de mogelijkheid om voor mensen met geen of een kleine kans op uitstroom naar werk langdurige arrangementen met behulp van uitkering (of gesubsidieerde arbeid) te ontwikkelen; o VNG, kabinet en sociale partners bieden ondersteuning bij het gezamenlijk tot een effectievere regionale samenwerking kunnen komen. Opvallend in deze lijst van maatregelen is dat gesubsidieerde arbeid opnieuw als belangrijk middel gezien wordt ter bevordering van re-integratie op de arbeidsmarkt, of in ieder geval ter bevordering van participatie in de samenleving. Ook wordt extra geld beschikbaar gesteld voor armoedebestrijding. Beoogd wordt hiermee dat de mogelijkheden voor gemeenten tot het voeren van een gericht armoedebeleid worden verruimd, waar mogelijk in samenhang met de bevordering van arbeidsparticipatie. Aandacht wordt ook besteed aan de onderlinge samenwerking tussen UWV, CWI en gemeenten. Via prestatieafspraken wil het kabinet gemeenten aansporen om hun werkzaamheden beter op elkaar af te stemmen en de effectiviteit en kwaliteit van de dienstverlening en re-integratie te verbeteren. 7 Visie op participatie We streven naar een maximale zelfredzaamheid en ontplooiing van onze burgers. We zijn van mening dat alle burgers moeten participeren in de samenleving. Ook bijstandsgerechtigden en andere inactieven mogen niet aan de kant (blijven) staan. Onder participatie verstaan we naast de “normale” deelname aan het maatschappelijk verkeer het actief verrichten van maatschappelijk nuttige arbeid. Actieve participatie voorkomt sociaal isolement en verschaft de deelnemers een betere conditie om te komen tot meer zelfredzaamheid. Daarnaast is er in de samenleving behoefte aan het invullen van een scala van maatschappelijk nuttige activiteiten: van het verrichten van vrijwilligerswerk, het invullen van projecten, het ondersteunen van maatschappelijke organisaties tot het invullen van reguliere vacatures. We menen deze prestaties te mogen vragen als tegenhanger van het verschaffen van uitkeringen en andere bijdragen vanuit de overheid. Bij het streven naar een maximale zelfredzaamheid erkennen we dat er individuen en groepen zijn die nog niet toe zijn aan volledige zelfstandigheid. Maar we willen per individu wel het maximaal haalbare bereiken. We constateren dat veel mensen in de WWB maar ook anderen in het streven naar zelfredzaamheid hierin geremd worden door de aanwezigheid van diverse vormen van problematiek. Waar noodzakelijk dienen deze burgers dan ook te worden gefaciliteerd. Dat kan financieel met de middelen uit het armoedebeleid en andere regelingen; dat kan ook door parallel aan de actieve deelname te werken aan de problematiek (bijvoorbeeld door de instellingen in de zorg). Waar sprake is van meervoudige problematiek dient de activering en zorgverlening zodanig te worden georganiseerd dat de burger centraal staat en dat gezamenlijk aan de doelstelling zelfredzaamheid wordt gewerkt. Waarbij de effecten en resultaten steeds door een hoofdverantwoordelijke (regisseur) worden bewaakt, gemonitord en waar nodig bijgestuurd. 8 Uitvoeringsnota I. Participatie (besluiten 2 tm 10) OnderzoeksopdrachteOnderzoeksopdrachten 1. Onderzoek de zin en mogelijkheid van de oprichting van een “huis van de participatie” waarin de combinatie van zorg- en participatietrajecten gestalte krijgt en waarin gewerkt wordt conform de geformuleerde uitgangspunten; 2.Onderzoek op welke wijze hier de integraliteit (verknoping) van de beleidsterreinen armoedebeleid, participatie, reïntegratie,WSW en WMO vorm kan worden gegeven; 3.Onderzoek de financieringsmogelijkheden (waaronder subsidies) en kom binnen de wettelijke mogelijkheden tot ontschotting van de diverse geldstromen; 4.Onderzoek de wijze waarop participatie een plaats krijgt op de sociale kaart en bij de hulpvraag van cliënten Vormgeving Regie: via twee stromen Om inhoud te geven aan onze missie beschikken we over een keur van instrumenten en samenwerkingsverbanden in verschillende ketens. Stroom 1: reïntegratie naar regulier werk Nieuw is dat mede als gevolg van het nieuwe rijksbeleid (een aantal) gemeenten de regierol krijgen of opeisen in het regionale arbeidsmarktbeleid. Sittard-Geleen heeft de ambitie deze rol te in te vullen voor de Westelijke Mijnstreek. Een belangrijke aanzet (in de vorm van een pilot) is de oprichting en doorontwikkeling van het Mobiliteitscentrum ; in dit samenwerkingsverband met CWI en UWV staat de klant en diens toeleiding naar regulier werk (dan wel opleiding in combinatie met werk) centraal. Regels en procedures zijn hieraan ondergeschikt. De werkzoekende heeft één aanspreekpunt en merkt niet uit welke organisatie de medewerker stamt. Binnen het MC bevinden zich de instrumenten om die hoge stap op de participatieladder (regulier werk) te bereiken. Het MC dat nu nog de vorm van een pilot heeft moet uiteindelijk leiden tot de oprichting van een ondernemershuis. Voor het zover is zal er tussen de diverse deelnemende kolommen het nodige moeten worden ontschot en ontkokerd. Stroom 2: participatie We erkennen dat voor veel burgers de hoge trede op de ladder (reguliere arbeid) niet of nog niet haalbaar is. We constateren bovendien dat dit meestal samenhangt met de aanwezigheid van diverse vormen van problematiek bij burgers. Ook gebrek aan passende werkgelegenheid en acceptatie door werkgevers speelt hier een rol. Stijgen op de ladder van zelfredzaamheid is in het algemeen niet mogelijk als niet tegelijkertijd wordt gewerkt aan de problemen. We hebben de ambitie de burger die 9 nog niet aan regulier werk toe is te laten participeren in de maatschappij. Omdat we vinden dat niemand aan de kant mag blijven. We constateren ook dat er een enorme vraag bestaat naar “maatschappelijke arbeidskrachten”. Er is een keur van instellingen verenigingen en (semi-) overheidsinstellingen die hier plaats aan kunnen en willen bieden. Daarnaast zijn er tal van projecten geïnitieerd door gemeente en particulieren. Wat is nodig In de huidige werkwijze wordt op basis van gevraagde profielen binnen het WWBbestand gezocht naar geschikte kandidaten. Waar sprake is van meervoudige problematiek bij cliënten is vaak de conclusie van de casemanager of de uitvoerder van een project dat de cliënt ongeschikt is. Dat levert een situatie op waarin de projecten en maatschappelijke arbeidsplaatsen onvoldoende gevuld worden terwijl grote delen van het WWB-bestand niet actief deelnemen. We willen naar een situatie met: een gestructureerde en consistente toeleiding naar vormen van participatie waarbij meteen wordt gewerkt aan de eventuele aanwezige problematiek terwijl door begeleiding en/of opleiding de cliënt “geschikt wordt gemaakt” voor -projecten in de samenleving die voor ons bestand in eerste instantie laagdrempelig zijn met maatwerk in bemiddeling, plaatsing en begeleiding en doorplaatsing naar een “hoger”niveau zogauw dit mogelijk is Om deze situatie te bereiken zullen we de krachten en capaciteiten op gebied van diagnose, mensontwikkeling, zorg en toeleiding naar en begeleiding in participatie moeten bundelen. Deze bundeling zal het meest effectief zijn wanneer ze gedeeltelijk ook fysiek vorm krijgt. Dit is ook de ervaring die opgedaan is in het Mobiliteitscentrum Automotive: zorg dat de instrumenten en partijen met hun specifieke kennis en kunde die nodig zijn voor de gewenste resultaten bij elkaar zitten, maak geen onderscheid naar klanten per regeling, stel het eindresultaat voorop. Zoals het Mobiliteitscentrum instrument en methodiek is op het terrein van reguliere reïntegratie, zo biedt een “huis van de participatie” de mogelijkheid van een gestructureerde aanpak op het gebied van participatie. Vanuit een aantal wettelijke verplichtingen (WMO, WWB, WSW, Wet Collectieve Preventie) heeft de gemeente de plicht het voortouw te nemen; maar zoals gesteld is het ook onze ambitie. Daarmee ligt de regierol bij de gemeente. Wanneer we het hebben over het totale takenpakket van een sociale dienst dan is hierbij steeds inbegrepen onze dienstverlening in het Mobiliteitscentrum (reïntegratie) en de dienstverlening in het Participatiehuis (participatie en zorg). 10 Huis van de Participatie Een “huis van de participatie” biedt de mogelijkheid van een gestructureerde aanpak op het gebied van participatie. Het Participatiehuis is er vooral voor alle burgers voor wie de afstand naar werk nog te groot is. Het Participatiehuis en haar specifieke methode is meer dan een mensontwikkelbedrijf of leer-werkbedrijf dat alleen gericht is op werk. Het participatiehuis is gericht op diverse vormen van participatie en maakt onderdeel uit van de gestructureerde aanpak van multi-problematiek in de keten van Zorg. Tegelijkertijd is het Huis gericht op een beweging “van binnen naar buiten”. Het daadwerkelijk participeren gebeurt zo veel en zo snel mogelijk in de stad en de wijk. Het participatiehuis is daarbij startpunt en uitvalsbasis . Besluit 2: Er wordt een “huis van de participatie” opgericht voor alle burgers. Het participatiehuis is gericht op diverse vormen van participatie en heeft, voor wie de afstand naar werk nog te groot, is een gestructureerde aanpak van multi-problematiek in haar methodiek. De methodiek Elke klant die zich meldt of die aangemeld wordt krijgt een hiertoe ontwikkeld competentie-onderzoek dat de individuele mogelijkheden op het terrein van participatie onderzoekt. Onderdeel van dit onderzoek is het in kaart brengen van eventueel aanwezige vormen van problematiek. Vervolgens krijgt de cliënt een vaste participatie-coach die aan de hand van een persoonlijk plan van aanpak dat samen met de cliënt wordt opgesteld, het traject richting een participatie vorm geeft; hierbij hoort tevens het in gang zetten, bewaken en afstemmen van hulp- of zorgverlening. Hiertoe neemt het Participatiehuis actief deel in de zogenaamde Zorgketen. De start: onderzoek en participatie-coach Elke klant die zich meldt of die aangemeld wordt krijgt een competentie-onderzoek dat de individuele mogelijkheden op het terrein van participatie onderzoekt. Onderdeel van dit onderzoek is het in kaart brengen van eventueel aanwezige vormen van problematiek. Vervolgens krijgt de cliënt een begeleider (participatiecoach) die de bevindingen van het onderzoek met hem bespreekt. Er wordt gezamenlijk een persoonlijk plan van aanpak opgesteld waarin niet alleen het traject richting een vorm en niveau van participatie wordt aangegeven, maar waarbij de begeleider ook de noodzakelijke hulpverlening inschakelt en dit onderdeel van het traject (op inhoud en op tijdigheid) bewaakt. De begeleider zorgt tevens voor de start van het traject richting participatie. Hij bewaakt ook dit onderdeel op inhoud en tijdigheid. Bij meervoudige problematiek schakelt de coach de zorgketen in. In de zorgketen wordt met betrekking tot het zorgtraject een sluitende aanpak gerealiseerd. Met de partijen in de zorg worden hier afspraken over gemaakt hetgeen leidt tot het afsluiten van een convenant, waarin het proces binnen de zorgketen wordt vastgelegd. Zorgtraject Binnen de zorgketen is bij meervoudige problematiek steeds één regisseur verantwoordelijk voor het verloop van het proces. 11 Het zorgtraject kan heel divers zijn: schuldhulpverlening, maatschappelijk werk, psychische en/of medische ondersteuning, verslavingszorg en combinaties hiervan. Het traject is tijdelijk en kent een omschreven einddoel en eindtijdstip. Periodiek wordt de cliënt en met inachtneming van privacy-protocollen de participatiecoach op de hoogte gesteld van de vorderingen. Participatietraject Dit traject loopt altijd parallel aan een eventueel zorgtraject (eventueel, omdat een zorgtraject niet altijd noodzakelijk zal blijken). Ook bij aanwezige meervoudige problematiek is het uitgangspunt dat een bepaalde vorm en niveau van participatie toch mogelijk is. Het traject kan waar noodzakelijk starten met een training en werkzaamheden in huis. Voor sommigen (denk aan burgers met een psychiatrische aandoening) kan dit het maximaal haalbare zijn. Doel is echter zoveel en zo snel mogelijk van binnen naar buiten te werken; participatie in de wijk en in de stad. Bij elke vorm van participatie is een verantwoordelijk werkbegeleider die periodiek terugrapporteert aan de participatiecoach. Die begeleider is meestal een externe partner maar kan ook deel uitmaken van een onderdeel van het Leer werkbedrijf binnen het Participatiehuis; afhankelijk van de fase in het traject en de plek waar wordt gewerkt. Ook hier zijn eindtermijn en einddoel van te voren bepaald en wordt het eindresultaat afgezet tegen het eerder geformuleerde einddoel. De participatiecoach bepaalt samen met cliënt of een vervolgstap hoger op de ladder mogelijk is (en soms of een stap lager noodzakelijk is). Hiertoe wordt dan een nieuw persoonlijk plan van aanpak opgesteld. Als geconstateerd wordt dat reguliere arbeid weer aan de orde is en de voormalige inlener heeft geen mogelijkheid tot in dienst name wordt het Mobiliteitscentrum ingeschakeld; de participatiecoach blijft ook dan het traject richting werk bewaken en wordt hierover geïnformeerd. Bij reguliere werkaanvaarding wordt in overleg met cliënt en MCB bepaald of en in welke vorm nazorg noodzakelijk is. Meer dan Leer Werkbedrijf Het Participatiehuis is meer dan een mensontwikkelbedrijf of leer-werkbedrijf dat alleen gericht is op werk. Het participatiehuis is ook gericht op andere vormen van participatie en is onderdeel van een nieuwe gestructureerde aanpak van multiproblematiek (in de Zorgketen). Ook biedt het huis ruimte voor een atmosfeer en cultuur die breder is dan wat we aantreffen in productie-omgevingen. Deelnemers moeten er zich “thuis”voelen; er is ruimte voor het organiseren van events die aansluiten bij kwaliteiten van deelnemers (presentaties/ tentoonstellingen / cursussen enz). Tegelijkertijd is het Huis gericht op een beweging “van binnen naar buiten”. Het daadwerkelijk participeren gebeurt zo veel en zo snel mogelijk in de stad en de wijk. Het participatiehuis is daarbij startpunt en uitvalsbasis . Besluit 3: Er wordt een methodiek ontwikkeld waarbij na een competentie aan de hand van een persoonlijk plan van aanpak vorm wordt gegeven aan actieve participatie en waar nodig gecombineerd met zorgcoaching door een vaste participatiecoach. Voor bijzondere doelgroepen worden specifieke methodes gehanteerd 12 Doelgroepen (ontkokering) Het Participatiehuis is er voor alle burgers voor wie de afstand naar werk nog te groot is; maar ook voor werkenden en werkzoekenden die naast hun reguliere werk iets willen betekenen in de maatschappij bijvoorbeeld door het verrichten van vrijwilligerswerk . Bepalend is niet de regeling waaronder iemand ressorteert (WWB/ WSW/ Wajong) maar de afstand tot de arbeidsmarkt en de mogelijkheid tot maatschappelijke participatie. Bevorderen van zelfredzaamheid is een missie die op al deze groepen van toepassing kan zijn. Binnen het klantenbestand valt wel een aantal bijzondere groepen te onderscheiden: verslaafden, psychiatrische cliënten, afnemers Voedselbank enz. Per groep kan een bijzondere aanpak noodzakelijk zijn al is het maar in de intensiteit van begeleiding en in de toe te passen methodiek. Binnen het participatiehuis is ruimte voor diversiteit. In het kader van de gewenste ontkokering staat het instrument open voor uitkeringsgerechtigden uit diverse regelingen (UWV, WWB, WSW, AWBZ, PGB’s WMO). Niet bepalend immers is de regeling waar iemand onder valt maar de afstand tot de arbeidsmarkt (ontkokering). Voor specifieke doelgroepen is er ruimte voor een specialistische aanpak bijvoorbeeld: ???(ex-) psychiatrische patiënten; ???verslaafden; ???groepen die bij instellingen als Voedselbank en Bie Zefke bekend zijn; ???vluchtelingen Besluit 4: In het kader van de gewenste ontkokering is niet bepalend de regeling waaronder iemand valt maar de mogelijkheden en beperkingen in relatie tot arbeidsmarkt en actieve participatie. Netwerken en wijkgericht werken Vanuit het Participatiehuis wordt de keten van wonen welzijn en zorg en het Platform Ketenzorg bezocht; het slaat de brug naar de keten van sociale zekerheid en reïntegratie; stemt af en coördineert. Het neemt deel aan overlegvormen, zorgt voor een goede communicatie, signaleert op gebied van dienstverlening van de eigen en andere instellingen; zorgt waar nodig dat partijen elkaar vinden in het belang van de burger. Een van de beleidsuitgangspunten van dit college is het zogenaamde wijkgerichte werken. Het is van groot belang dat er tussen de projecten in wijken, dorpen en stadsdelen en het participatiehuis een zeer hechte samenwerking plaatsvindt. Het huis werkt in dit verband nauw samen met stadsdeelmanagers en projectleiders in de wijken (vaak van Zo Wonen en PIW). Het regelt dat projecten ook daadwerkelijk “gevuld”worden en ontwikkelt met stadsdeelmanagers projecten gericht op zogenaamde probleemwijken of kansbuurten. Besluit 5: Vanuit het Participatiehuis wordt actief met de keten van wonen welzijn en zorg en de keten van sociale zekerheid samen gewerkt; Een zelfde functie heeft het naar stadsdeelmanagement en projecten in de wijk (wijkgericht werken). 13 Ladder van participatie De opdracht aan het Participatiehuis is de zelfredzaamheid maximaal te vergroten en te investeren in ontplooiïng van de deelnemer. Op de ladder van de participatie zijn diverse treden: ???training en werk in de beschermde omgeving ???vrijwilligerswerk (en mantelzorg) ???deelname aan projecten bijv. op gebied van “schoon, heel en veilig” veelal in de wijken ???begeleid werken met uitkering bij instellingen ???begeleid werken met loonwaardebepaling (terugverdieneffecten) ???detachering tegen inleenvergoeding ???Steeds opnieuw wordt bezien of een volgende trede op de ladder kan worden bestegen. Besluit 6: de opdracht aan het Participatiehuis is de zelfredzaamheid maximaal te vergroten en te investeren in ontplooiïng van de deelnemer. Participeren kan op zeer diverse niveaus. Steeds opnieuw wordt bezien of een volgende trede op de “ladder van participatie” kan worden bestegen. Excelente dienstverlening Aanmelding gebeurt door burgers zelf, door uitkeringsinstanties, door voorzieningen als Voedselbank , CAD , Bie Zefke maar ook vanuit instellingen van de geestelijke gezondheidszorg en maatschappelijk werk. En niet te vergeten het Mobiliteitscentrum. De voorziening is laagdrempelig; de klant staat centraal. Er vindt geen dubbele gegevensaanvraag plaats; dat wat al bij instellingen bekend is en wat met toestemming van de cliënt kan worden geleverd wordt bij instellingen opgevraagd. Er wordt gestreefd naar een excellente vorm van dienstverlening. De voorziening is er voor de burger en niet andersom. Met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt wordt rekening gehouden met de mogelijkheden en beperkingen. Doorverwijzingen en overdrachten worden steeds door een participatiecoach bewaakt en begeleid. De uitgangspunten zoals geformuleerd in het armoedeonderzoek worden volledig gehanteerd (zie notitie van bevindingen). Besluit 7: Er wordt gestreefd naar een excellente vorm van dienstverlening. De voorziening is er voor de burger en niet andersom. De 10 uitgangspunten van beleid worden uitdrukkelijk gehanteerd. Actoren binnen een participatiehuis Kern wordt gevormd door een aantal participatiecoaches en werkbegeleiders . Er zal nauwgezet worden samengewerkt met de uitvoerder van de diagnostiek en de competentie-onderzoeken. Een onderdeel bestaat uit een leer werkbedrijf (waarin intern en extern werkervaring kan worden opgedaan). Dit komt dicht bij de nieuwe WSW-systematiek maar staat ook open voor niet-WSW-ers. De organisatie die de WSW uitvoert is dus nauw betrokken bij het Huis. 14 Maar ook hier geldt dat voor bepaalde projecten andere spelers een rol spelen. Voor vrijwilligerswerk kan gedacht worden aan PIW; voor bijzondere projecten kunnen bijzondere opdrachtnemers worden ingeschakeld. Deze diversiteit geeft al aan dat er niet een externe partij valt aan te wijzen die het hele centrum “draait”. Fysiek aanwezig zijn (op afroep of via vaste spreekuren) maatschappelijk werk , schuldhulpverlening, geestelijke gezondheidszorg maar ook de klussendienst, de vrijwilligersvacaturebank en een aantal maatschappelijke instellingen die een rol in ons armoedebeleid hebben of krijgen (Leergeld, Raad en Daad, Bie Zefke) Fysiek buiten het huis bevinden zich natuurlijk de talrijke projecten en instellingen waar de deelnemers in gaan participeren. Besluit 8: Binnen het Participatiehuis wordt actief samengewerkt met actoren in de zorg- en welzijnsketen, met partners in de sociale zekerheid en met maatschappelijke instellingen die een rol spelen in het armoedebeleid. Regie; naar een afgebakend egie; opdrachtnemersmodel Zoals op het gebied van arbeidsmarktbeleid (waaronder reïntegratie) de regie steeds meer komt te liggen bij (centrum-)gemeenten, zal de gemeente ook hier de regierol op zich nemen. Enerzijds omdat deze opdracht in diverse wetten is opgenomen (WMO, WWB enz) anderzijds omdat participatie onlosmakelijk verweven is met reïntegratie (de hogere stap op de ladder) en het armoedebeleid (faciliterend). De keuze voor een participatiehuis houdt in dat de aansturing een gemeentelijke taak is (mogelijk in samenwerking met de andere gemeenten in de Westelijke Mijnstreek). Uiteindelijk dient de relatie tussen gemeente en Ondernemershuis en tussen gemeente en Participatiehuis het karakter te krijgen van een verhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Daarbij zijn taken enverantwoordelijkheden duidelijk afgebakend; taakstellingen worden vooraf benoemd en vervolgens wordt op basis van resultaat “afgerekend”. Beide “huizen” zullen fasegewijs worden gerealiseerd waarbij de opbouw en inrichting van het Participatiehuis voor rekening van de afdeling Werk en Inkomen komt (geen aanbesteding maar inbesteding). Ook bij de opbouw van het Ondernemershuis is deze afdeling in uitvoerende zin betrokken; de kern van de uitvoeringsorganisatie wordt mede ingevuld door UWV en CWI . Met betrekking tot de juridische vormgeving, inbesteding, de fasegewijze opbouw en de uiteindelijke vormgeving van het opdrachtgevers- en opdrachtnemersmodel zal een apart projectplan worden opgesteld. Besluit 9: Gelet op de samenhang met andere beleidsterreinen waar de gemeente een verantwoordelijkheid heeft neemt de gemeente de regie, inrichting en aansturing van het Participatiehuis op zich. 15 Financiering en ontschoting Het Participatiehuis kan worden opgezet als een voorziening in het kader van reïntegratie en participatie; vanuit de gemeente kan een deel van het Werkdeel hiervoor worden ingezet. Ook vanuit de WSW liggen hier mogelijkheden. Op onderdelen zullen er terugverdieneffecten zijn. Door het berekenen van een trajectprijs kunnen andere instanties en instellingen per deelnemer mee financieren. Dit geldt voor cliënten van uitkeringsinstanties en zorginstanties (via AWBZ en persoonsgebonden budgetten). Men wil meer cliënten uit deze hoek in projecten midden in de samenleving in plaats van (of naast) projecten binnen beschermde muren. Ook komt het nu al voor dat persoonsgebonden budgetten uit de WMO worden ingezet voor vormen van sociale activering. Niet-uitkeringsgerechtigden (Nuggers) vallen onder verantwoordelijkheid van de gemeente (Werkdeel). Getracht zal worden op voorhand taakstellingen (aantal aan te melden deelnemers) af te spreken met bovengenoemde partijen (met name WSW-bedrijf, UWV en gezondheidsinstellingen). Dan hebben we op voorhand een totaalinzicht in de beschikbare middelen (aantal klanten maal een trajectprijs per jaar) Dit verkleint het financiële risico. Met boven omschreven werkwijze komen we tot een eerste stap in de ontschotting van financiële middelen . Besluit 10: Het Participatiehuis wordt opgezet als een voorziening in het kader van reïntegratie en participatie (Werkdeel). Voor deelnemers vanuit andere instanties wordt een trajectprijs gehanteerd. De kosten van zorg Er zullen met instanties zoals PIW en Kredietbank afspraken moeten worden gemaakt over gezamenlijke excellente en tijdige dienstverlening. We maken gebruik van reguliere bestaande middelen. Zo gauw ervaring is opgedaan met de nieuwe aanpak kan worden bezien of en waar financiële koppelingen met andere budgetten kunnen worden gelegd (inclusief mogelijke efficiencyvoordelen). De kosten van participatie Mogelijk kan met betrekking tot de infra structuur gebruik worden gemaakt van huisvesting e.d. van het WSW-bedrijf. Hetzelfde geldt voor de inzet van personeel voor testen en begeleiding in het leer werk-bedrijf. 16 Beoogd resultaat van het Participatiehuis ???participatie en ontplooiing deelnemers; verhogen zelfredzaamheid ???gestructureerde invulling maatschappelijke arbeid en projecten ???ondersteuning particulier initiatief ???een methodiek waarin activering gecombineerd wordt met zorgcoaching (aansluitend bij de nieuwe sluitende aanpak van de Zorgketen) ???invulling van een aantal beleidswensen van belendende beleidsterreinen; bijdrage aan wijkgericht werken ???actieve deelname aan netwerk wonen, zorg en welzijn (en ketensamenwerking) Bovenstaand lijstje is in overeenstemming met de beleidswensen zoals geformuleerd in de diverse gemeentelijke programma’s en op het terrein van de WMO en bij de ketensamenwerking OGGZ. Er wordt tevens meegelift op de doorontwikkeling van de WSW-organisatie als mensontwikkelbedrijf. Ontwikkelmodel: schema Diagnose Zittend bestand Werk & Inkomen Ondernemershuis Competentieonderzoek Regie Gemeente, UWV & CWI Reïntegratietraject(

  1. en)Instrumenten oa. loonsubsidie en werken mbv. uitkering Partners KvK Werkgeversloket Leerwerkloket ROC’s Uitzendbureaus Kenniscentra Reïntegratiebedrijven Participatiehuis Competentieonderzoek Regie participatiecoaches werkbegeleiders Partners leer werkbedrijf WSW-bedrijf Participatietraject(
  2. en)ook specifieke methodes voor bijzondere doelgroepen Hulpverleningstrajecten bij enkelvoudige problematiek Instrumenten o.a.Vrijwilligers Vacaturebank Projecten “Van binnen naar buiten” Nieuwe cliënt Projecten Specifieke vrijwilligersprojecten waarvoor diverse partners ingeschakeld kunnen worden Zorgketen Inschakeling Zorgketen bij meervoudige problematiek. Combinaties van hulpverlening door: Schuldhulpverlening, maatschappelijk werk, verslavingszorg, medische en/of psychische hulpverleners Stroom 1 Stroom 2 Stijging of daling op de ladder van de participatie bepaalt de plaatsing in het ene of het andere huis. Partners op afroep/spreekuur Maatschappelijk werk Schuldhulpverlening (Geestelijke) gezondheidszorg Klussendienst Stg.Leergeld Raad en Daad Bie Zefke Keten van Werk en Inkomen Vanuit de optiek dat de klant centraal staat, dienstverlening op het gebied van werk en inkomen. Samenwerking om instroom te beperken, reïntegratie te bevorderen en te handhaven Onderwijsketen Zorgen voor voldoende gekwalificeerd personeel. Een leven lang leren;, EVC, Bêta en techniek, voorkomen voortijdige uitval et cetera. PARTICIPATIE Arbeidsparticipatie Maatschappelijke participatie 17 II. Bureaucratie (besluiten 11 tm 20) Onderzoeksopdracht 5: Begeleiding cliënten met meervoudige problematiek Onderzoek de wijze waarop voor cliënten die te kampen hebben met meervoudige problematiek (maar alleen voor hen) een systeem van coaching of begeleiding vorm kan worden gegeven. Bureaucratie met name (maar niet alleen) bij overheidsinstellingen wordt als bijzonder storend ervaren. Vaak raken cliënten het spoor bijster in het woud van regels en instellingen. Met name in situaties waarin sprake is van meervoudige problematiek heeft de klant te maken met doorverwijzingen naar andere loketten waar weer gewacht moet worden op een volgende intake. Het probleem moet weer helemaal opnieuw worden uitgelegd. Samenwerking tussen instellingen wordt belemmerd door de eigen regels en procedures en de eigen wijze waarop elke organisatie wordt afgerekend. Met de maatschappelijke partners in de Zorgketen is afgesproken dat bij meervoudige problematiek steeds een functionaris van een partij binnen de keten de hoofdverantwoordelijke voor een cliënt is. Hij of zij is steeds de gene die in overleg met de burger en de andere betrokken partijen het voortouw neemt in het traject dat een cliënt in de zorg doorloopt. Op deze wijze wordt recht gedaan aan de eigen verantwoordelijkheid die iedere partij op haar specifieke terrein heeft terwijl er ook steeds een partij is die verantwoordelijk is voor het monitoren van het zorgtraject en voor het toezien op een naadloos verloop hiervan (bewaken van tijdigheid en goede onderlinge overdracht en afstemming). Partijen zullen zich ook committeren aan de beleidslijn van de gemeente dat maatschappelijke deelname steeds een belangrijk doel is (op een haalbaar niveau). Vanuit het in te richten participatiehuis wordt deelgenomen aan het ketenoverleg in de zorg. In veel gevallen zullen cases die besproken worden bekend zijn bij het Participatiehuis. Zo niet kan per case bezien worden of het Huis een rol kan en dient te spelen als het gaat om activering. Besluit 11: Met de ketenpartners in de zorg wordt afgesproken dat steeds een functionaris van een partij binnen de keten hoofdverantwoordelijk voor een cliënt is; deze is aanspreekpunt en procesbewaker en intervenieert waar nodig. Onderzoeksopdracht 6: Maatwerk door maatschappelijke organisaties Onderzoek in hoeverre het mogelijk is hier de maatschappelijke organisaties nadrukkelijker en ook in uitvoerende zin bij te betrekken. Met maatschappelijke organisaties wordt hier gedoeld op instellingen die niet onder een via wet geregelde financieringsstructuur vallen (particulier initiatief). Te denken valt aan instelling als Bie Zefke, de Voedselbank en Stichting Leergeld. Genoemde partijen zitten uitdrukkelijk regelmatig aan tafel met de verantwoordelijken in het “Huis van de Participatie”. Op basis van case-bespreking worden net als binnen de 18 zorgketen heldere afspraken gemaakt over een plan van aanpak per klant en over de onderlinge taakafbakening. Soms doen zich situaties voor waarin het wenselijk is dat de genoemde organisaties wat meer mogelijkheden krijgen voor een intensievere begeleiding van hun cliënten die immers in zeer specifieke omstandigheden verkeren. Bij wijze van experiment is het vooralsnog gedurende een periode van een jaar mogelijk dat zo’n maatschappelijke organisatie de taak van intensieve begeleiding op zich neemt; steeds op basis van een plan van aanpak (met tijdpad) en een helder geformuleerd doel (bijvoorbeeld herhuisvesting met acceptabel leefgedrag). Dit zal zich met name voordoen als om welke reden dan ook de cliënt niet kan deelnemen in het Participatiehuis. Het is in zo’n situatie mogelijk aan de instelling een bedrag voor de intensieve begeleiding toe te kennen. Besluit 12: Bij wijze van experiment is het vooralsnog gedurende een periode van een jaar mogelijk dat een door particulier initiatief werkende maatschappelijke organisatie de taak van intensieve begeleiding op zich neemt. Het betreft met name om specifiek maatwerk voor bijzondere situaties. Onderzoeksopdracht 7: Uitvoering zorgtaken Onderzoek de mogelijkheid casemanagers van de afdeling Werk & Inkomen de zorgtaak voor cliënten op te dragen; breng de gevolgen met betrekking tot breedte van de functie en de financiële aspecten in beeld. Bij de inrichting van de organisatie is met betrekking tot de afdeling Werk en Inkomen gekozen voor het zogenaamde integrale casemanagement; de casemanager is verantwoordelijk voor inkomen(smutaties), terugvordering, regie op reïntegratie en een juiste verwijzing naar andere (o.a. hulpverlenende) instanties. Het zelf invulling geven aan de zorgtaak valt hier dus niet onder. Bij de bepaling van de formatie (in vergelijking tot de caseload) en ook bij werving en selectie is dus ook geen rekening gehouden met het uitoefenen van een zorgtaak. Een formatie-onderzoek van BMC (mei tot juli 2007) leert dat om de zorgtaak alleen al voor de bijstandscliënten in het takenpakket in te bouwen een formatieve uitbreiding met 6 fte bij Werk en Inkomen noodzakelijk is. Dit op basis van kengetallen die BMC hanteert . Een vergelijking met andere sociale diensten leert dat er weinig diensten zijn die de coaching in zorg in de eigen uitvoering laten uitoefenen. Nemen we als uitgangspunt gemeenten die case managers intensieve bemiddeling en begeleiding op terrein van reïntegratie laten doen onder de veronderstelling dat het uitoefenen van zorgtaken een vergelijkbare tijdsinvestering vergt dan zou een uitbreiding 7 of 8 fte aan de orde zijn. Wanneer een taakuitbreiding puur om zorgtaken gaat zijn alle kosten voor de gemeente; wanneer er een duidelijke relatie ligt met reïntegratie (waarvan participatie de voorloper kan zijn) kan het Werkdeel worden aangewend. Het College kiest er dan ook voor de gewenste inzet op zorgtaken te laten verlopen via het Participatiehuis (een zogenaamde voorziening in termen van het Werkdeel en tegelijkertijd onderdeel van de ketenzorg). De invulling is omschreven in het hoofdstuk betreffende het Participatiehuis. 19 Deze keuze betekent uitdrukkelijk niet dat er met betrekking tot zorg voor cliënten bij de afdeling werk en Inkomen niets gebeurt. (Zie opdracht IV hieronder) Besluit 13: Het College kiest er voor de gewenste inzet op zorgtaken te laten verlopen via het Participatiehuis. Onderzoeksopdracht 8: Permanente educatie medewerkers Onderzoek de wijze waarop medewerkers van Werk & Inkomen en andere instellingen getraind en ondersteund kunnen worden in de aspecten: respectvolle bejegening van de cliënt, doelmatig doorverwijzen en vroegtijdige signalering. Betrek hierbij ook de werkwijze op het CWI. In wezen is de boodschap te werken naar een andere cultuur binnen Werk & Inkomen. De boodschap die besloten ligt in de geformuleerde uitgangspunten moet tussen de oren van medewerkers en op de werkvloer worden geïmplementeerd. Die boodschap en onze missie zal met name door de leiding binnen de afdeling worden uitgedragen. De beoordeling van het werk van medewerkers wordt afgestemd op missie en doelen en op de wijze waarop met de burger wordt omgegaan. Deze aspecten worden vaste onderdelen van de agenda van de diverse teamvergaderingen. Daarnaast is er een systeem van permanente educatie waarin bovenstaande aspecten vast in worden verweven. In de jaarlijkse trainings- en scholingskalender wordt een programma opgenomen waarin alle medewerkers van Werk & Inkomen die met publiek te maken hebben worden “meegenomen”. Het programma gaat niet alleen over de kunst van signaleren en doorverwijzen en de hulpmiddelen die we daarbij hanteren, maar ook over onze missie en de wijze waarop we met onze cliënten omgaan. In het programma worden bezoeken aan en gesprekken met maatschappelijke partners en cliëntorganisaties ingebouwd. Ook wordt gebruik gemaakt van het landelijke programma Ketenspiegel waarin de actieve deelnemer geconfronteerd wordt met de bureaucratie in de SUWI-keten. Richting een aantal organisaties initiëren we deelname van medewerkers en middle management aan (een aantal van) de programma’s. De aspecten waar de afdeling Werk en Inkomen verbeterslagen kan maken zijn immers in meerdere of mindere mate ook aan de orde bij een aantal ketenpartners. Onze centrale missie en de nieuwe uitgangspunten worden ook bij medewerkers en management van de andere instellingen onder de aandacht gebracht. Zeker waar de gemeente een opdrachtgevende of subsidiërende rol heeft mogen we van de partners verwachten dat men zich van hoog tot laag committeert aan de missie en de uitgangspunten. Besluit 14: De boodschap die besloten ligt in de geformuleerde uitgangspunten wordt geïmplementeerd via een opleidings- en trainingsschema. In het kader van “permanente educatie” worden missie, doelen en klantbejegening vast onderdeel van teamoverleg en casusbespreking. Missie en nieuwe uitgangspunten worden ook bij medewerkers en management van de andere instellingen onder de aandacht gebracht. 20 Onderzoeksopdracht 9: Deelname aan netwerken Onderzoek de mogelijkheden en gevolgen van een betere ketensamenwerking waaronder het actief deelnemen in netwerken en het ter beschikking stellen van contactpersonen. Er is voor gekozen dat actieve deelname aan de netwerken gebeurt vanuit het Participatiehuis (namens Werk & Inkomen). Tot de inrichting van het Participatiehuis zal door Werk & Inkomen wel aan netwerken worden deelgenomen wanneer dit zinnig is. Er zijn inmiddels vaste contactpersonen benoemd binnen de afdeling. Besluit 15: Er wordt voor gekozen dat actieve deelname aan de netwerken gebeurt vanuit het Participatiehuis (namens Werk & Inkomen). Er worden vaste contactpersonen benoemd binnen de afdeling Werk & Inkomen. Onderzoeksopdracht 10: Digitale mogelijkheden Onderzoek de mogelijkheid en gevolgen van een optimaler gebruik van de huidige digitale mogelijkheden waarbij een aantal deelaspecten wordt meegenomen: digitale sociale kaart, dossier, bestandskoppelingen en gebruik internet. Met betrekking tot bestandskoppeling en gebruik van internet is inmiddels een extern bureau gestart. De bestandskoppelingen zullen meer en betere gegevens opleveren betreffende onze doelgroepen; het adressenbestand van de ons bekende minima zal hiermee tevens worden uitgebreid. Met betrekking tot de digitale sociale kaart zal vooralsnog worden gestart met gebruikmaking van de internet site van de gemeente. In de keten van de sociale zekerheid (Gemeentelijke basisadministratie, UWV, CWI, RDW en sociale diensten)) wordt het digitaal klantdossier (DKD) voorbereid. Het wordt de uitvoeringsorganisaties verboden de klant meer dan een maal dezelfde informatie op te vragen. De gegevens van de diverse instellingen leiden samen tot een virtueel opgebouwd klantdossier dat voor instellingen en klant inzichtelijk is. Cliënten hoeven minder in te vullen en alle informatie is binnen seconden voorhanden. Dat scheelt tijd papier en rompslomp (voor de bijstand is 60% minder aan bewijsdocumenten nodig). En er wordt geen werk meer dubbel gedaan. In de toekomst gaan alle overheidsinstanties met dit dossier werken. Tevens komt er voor elke burger een persoonlijke Internet Pagina waarmee hij veel zaken met de overheid kan regelen. Landelijk komt er een Contact Centrum Overheid (CCO) als knooppunt tussen burger, overheid en bedrijfsleven. In het kader van de zorg en overdrachtsproblemen zullen we op deze ontwikkeling in haken. Het DKD voor de sociale zekerheid moet in 2008 operationeel zijn. De uitbreiding naar de hele overheid zal naar verwachting in 2009 plaats vinden. Besluit 16 Bestandskoppeling en maximaal gebruik van internet: dit wordt op Zuid Limburgse schaal opgepakt via een specialistisch bureau. Besluit 17 Een digitale sociale kaart wordt vormgegeven met gebruikmaking van de internet site van de gemeente Besluit 18 Er wordt ingehaakt op de ontwikkeling van het landelijke DKD 21 Onderzoeksopdracht 11: Van ervaring naar beleid Onderzoek de mogelijkheden om de ervaringsdeskundigheid van uitvoerders en cliënten te gebruiken bij beleidsontwikkeling en de vertaling hiervan naar de uitvoering. Zowel de beleidsontwikkeling als de vertaling naar uitvoering dient interactief plaats te vinden. In het verleden werden bij de beleidsontwikkeling vooral cliënten of cliëntorganisaties betrokken; de vertaling er van werd vooral als uitvoeringsprobleem gezien. De wijze van uitvoering van een regeling is echter ook een manier waarop de burger wordt bejegend. Hij heeft immers baat bij een vriendelijke, respectvolle, eenvoudige, transparante en efficiënte werkwijze. En als de cliënt gevraagd wordt om informatie te leveren of een formulier in te vullen heeft hij er recht op te weten waarom en of het onvermijdelijk is. Door kritisch naar deze zaken te laten kijken kunnen we aardig wat paarse krokodillen afschaffen. En het heeft meerwaarde om meteen en tegelijkertijd uitvoerders hierbij te betrekken. We organiseren in samenspraak met het Sociaal Overleg een cliëntenpanel waarin een aantal ervaringsdeskundigen (vrijwilligers) samen met uitvoerders naar de procedures kijken met de bedoeling , waar mogelijk, tot vereenvoudiging en klantvriendelijkheid te komen. Bij beleidsontwikkeling wordt het Sociaal Overleg (raadpleging en advies) en afhankelijk van het onderwerp de meest betrokken organisaties geraadpleegd. Besluit 19 Beleidsontwikkeling vindt interactief plaats met sociaal overleg en meest betrokken organisaties. Besluit 20 Samen met Sociaal Overleg wordt een cliëntenpanel opgericht dat betrokken wordt bij uitvoering. 22 III. Schuldhulpverlening en preventie (besluiten 21 tm 26) Onderzoeksopdracht 12: Vroegsignalering Onderzoek hoe de alertheid van uitvoerenden van instellingen en organisaties op het terrein van vroegtijdige signalering van schulden kan worden verhoogd. Medewerkers in de uitvoering moeten zich bewust worden van de schrijnende situaties die problematische schulden uiteindelijk kunnen creëren. Daarnaast tast het de stabiele basis aan die nodig is voor het welslagen van een traject. Het is daarom van belang dat uitvoerenden kunnen inschatten of schuld problematisch kan worden of zich binnen de aflossingsmogelijkheden van de betreffende cliënt bevindt. Om de uitvoerenden van de organisaties en instellingen die een rol kunnen spelen in het vroegtijdig signaleren van problematische schulden deze vaardigheden bij te brengen en ook het besef te geven van het belang deze schulden te melden of op te pakken wordt samenwerking gezocht met de Kredietbank Limburg voor een voorlichtingsronde aan de organisaties en instanties die een rol kunnen spelen in de vroegsignalering. Besluit 21 Er wordt een voorlichtingsprogramma ontwikkeld voor de uitvoerenden van de relevante instellingen en organisaties ter vergroting van de alertheid op de aanwezigheid van schulden of risico’s op het ontstaan van schulden. Onderzoeksopdracht 13: Centraal meldpunt Onderzoek de meerwaarde en mogelijkheid van een centraal meldpunt. In het conceptbeleidsplan WMO “Niet alleen balen maar zelf meebepalen” wordt gepleit voor de realisatie van een Platform Ketenzorg. Hierin participeren alle instanties die voor een sluitende aanpak van de doelgroepen (in wezen alle burgers) van de WMO kunnen zorgen. Belangrijk is ook dat de eerste lijn in dit overleg wordt betrokken hetgeen een praktische insteek gericht op directe uitvoering garandeert. Dit platform wordt naast de diverse instanties op OGGZ-vlak ook gevormd door de samenwerkende woningcorporaties, en de Kredietbank Limburg waar de energiebedrijven zich reeds melden wanneer er betalingsachterstanden zijn. Bovendien zal vanuit het Participatiehuis een contactpersoon deelnemen aan dit platform (zie opdr.5 “Bureaucratie). Gezien het feit dat alle relevante organisaties deelnemen aan het Platform Ketenzorg is het logisch om de signalen ook daar te behandelen. De meerwaarde is duidelijk, gezien het operationele karakter van het Platform: er kan ter plekke een plan van aanpak worden opgesteld. Inmiddels zijn er met betrekking tot het voorkomen van huisuitzetting en energieafsluiting afspraken met de betreffende partners gemaakt. Besluit 22 Het Platform Ketenzorg te realiseren en uit te nodigen als centraal meldpunt voor schuldenproblematiek te functioneren. 23 Onderzoeksopdracht 14: Sluitende aanpak door ketensamenwerking Onderzoek hoe een sluitende aanpak door verbeterde ketensamenwerking bij meervoudige problematiek vorm kan worden gegeven. Betrek hierbij de wijze waarop de ketensamenwerking rond OGGZ gestalte krijgt. In het beleidsplan WMO wordt met betrekking tot de WMO-taakvelden 7,8 en 9, waarin zich de “moeilijke” gevallen bevinden met meervoudige problematiek, wordt gesteld dat het voor maatschappelijk herstel essentieel is dat er een inkomen is en dat schulden worden opgelost en voorkomen. Daarnaast wordt gesteld dat de OGGZ doelgroep een activeringsprogramma krijgt aangeboden om de stap naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid mogelijk te maken. Gezien het feit dat de afdeling Werk en Inkomen als partner genoemd wordt is deelname aan het Platform een logische optie. Vanuit het Participatiehuis wordt dit vorm gegeven. Besluit 23 Er wordt van uit het Participatiehuis namens Werk en Inkomen actief deelgenomen aan het Platform Ketenzorg om met de daar aanwezige ketenpartners te komen tot een sluitende aanpak in gevallen van meervoudige problematiek (onder andere door te werken met vaste contactpersonen per cliënt.) Onderzoeksopdracht 15: Preventie Onderzoek de wijze waarop preventie het beste gestalte kan krijgen. Betrek hierbij aspecten als voorlichting en inzet van cursussen aan doelgroepen (waaronder jongeren en gezinnen met kinderen) en combinaties met trajecten. Preventie moet zich richten op de groepen die naar verhouding het meest te maken kunnen krijgen met problematische schulden. Deze doelgroepen zijn: ???Jongeren; ???Gezinnen met een minimuminkomen; ???Mensen (die instromen) in de WWB; ???Asielmigranten. Besluit 24 In samenwerking met scholen en de Kredietbank Limburg en Nibud wordt voorlichting op scholen georganiseerd. Besluit 25 (nieuwe) Bijstandsgerechtigden wordt zo gauw hier aanleiding toe is een budgetteringscursus aangeboden als onderdeel van het reïntegratie- of participatietraject. Besluit 26 Asielmigranten die door de gemeente een Inburgeringstraject krijgen aangeboden wordt waar gewenst een budgetteringscursus aangeboden. 24 IV. Inkomensondersteunende maatregelen en terugdringing niet gebruik (besluiten 27 tm 48) Onderzoeksopdracht 16: Inkomensgrens bijzondere bijstand Onderzoek de (financiële) gevolgen van het verhogen van de inkomensgrens voor de bijzondere bijstand van 105 naar 110%. Tevens worden de gevolgen onderzocht van de verlaging van het eigen bijdragepercentage. Voor financiële gevolgen zie de financiële paragraaf. Bijzondere bijstand Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor kosten die niet gedragen kunnen worden door het inkomen. Bij de bepaling van het recht op bijzondere bijstand wordt gekeken naar het vermogen en het inkomen. Als de aanvrager van bijzondere bijstand een inkomen heeft tot 105% van het voor de aanvrager geldende bijstandsnorm is er volgens het huidige beleid geen draagkracht. Er wordt geen eigen bijdrage van de aanvrager verlangd. Als er een inkomen is dat hoger is dan de genoemde 105% dan wordt verwacht dat de aanvrager een deel van de bijzondere kosten zelf betaald. Deze eigen bijdrage wordt vastgesteld middels een draagkrachtberekening en bedraagt 35% van het beschikbare inkomen boven de 105% (van het voor de aanvrager geldende bijstandsnorm). Dit is het beleid t/m 2007. Mapar Ook de “tegemoetkoming kosten Maatschappelijke Participatie en aanvulende schoolkosten (Mapar)” kent een draagkrachtberekening. De draagkrachtberekening verschilt van de berekening van de “normale” bijzondere bijstand. Er wordt ook gewerkt met de drempel van 105%. Van het inkomen boven de 105% wordt echter alles in aanmerking genomen voor de draagkracht. Dit betekent dat er al snel zoveel (berekende) draagkracht is dat er geen bijdrage meer wordt verstrekt. Het is wenselijk dat de draagkrachtberekening voor de Mapar-regeling op de zelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de “normale” bijzondere bijstandbeoordeling. Reden verruiming Door de verhoging van de inkomensgrens naar 110% wordt het bedrag dat de gemeente aan bijzondere bijstand of Mapar verstrekt hoger. Door het eigen bijdragepercentage te verlagen van 35% naar 25% (en voor de Mapar-regeling van 100% naar 25%) wordt de eigen bijdrage van de aanvrager kleiner. Deze beide wijzigingen hebben tot gevolg dat aanvragers met een minimaal inkomen een hogere bijdrage krijgen aan bijzondere bijstand of Mapar. Besluit 27 De inkomensgrens bijzondere bijstand en regeling maatschappelijke participatie wordt vastgesteld op 110%. Besluit 28 Het eigen bijdrage percentage wordt vastgesteld op 25% 25 Onderzoeksopdracht 17: Maatschappelijke participatie door kinderen Onderzoek de wijze waarop beter vorm kan worden gegeven aan de maatschappelijke participatie door kinderen die in armoedesituaties leven (zonder dat dit tot stigmatisering leidt) Algemeen De regeling maatschappelijke participatie (Mapar) is vormgegeven om de maatschappelijke participatie te bevorderen van kinderen die in een gezin leven dat van een minimum inkomen moet rondkomen. Hiertoe wordt voor de volgende kosten een tegemoetkoming verstrekt: lidmaatschap sportvereniging, sportkleding abonnement kindertijdschrift bezoek theater of muziekoptreden schoolbijdrage (extra leermiddelen of schoolreisje) Voor kinderen in het basisonderwijs bedraagt de bijdrage max. €91,=. Voor kinderen in het voortgezet onderwijs bedraagt de bijdrage max. €160,= Van deze regeling is in 2006 door 428 gezinnen gebruik gemaakt. De Mapar wordt per kind verstrekt. Binnen een gezin kunnen dus meerdere bedragen worden toegekend. In totaal is €116.732, = uitgekeerd. Uitbreiding en aanvulling De regeling is duidelijk en de genoemde kosten waarvoor een vergoeding kan worden aangevraagd komen de doelgroep ten goede. Gezien het aantal gezinnen dat is ondersteund kan worden vastgesteld dat niet iedereen die recht heeft op deze voorziening hiervan gebruik maakt. In het WWB bestand alleen al bevinden zich 590 alleenstaande ouders en een onbekend aantal gezinnen met kinderen. Daarnaast zijn er nog de gezinnen met kinderen die geen uitkering ontvangen maar ook een minimuminkomen hebben. Veel aandacht zal dus moeten gaan naar het bereiken van de doelgroep. Verhogen van de efficiency bij de uitvoering van deze regeling Om het gebruik van deze regeling te bevorderen moet het mogelijk zijn de doelgroep actief te benaderen door bestandsanalyse. Hierdoor is het mogelijk om het gebruik van deze regeling door cliënten van de afdeling Werk en Inkomen te verhogen. Ambtshalve vervolgtoekenning kan ook ingevoerd worden: wanneer een persoon reeds Mapar heeft ontvangen en er geen wijzigingen in de omstandigheden zijn zou dit van toepassing moeten zijn. Samenwerking Stichting Leergeld WM Deze stichting verstrekt een bijdrage voor de zelfde kosten als waarvoor de Mapar is bedoeld. Het verschil is dat Stichting Leergeld ook een bijdrage verstrekt aan mensen die niet (geheel) aan de voorwaarden van de Mapar voldoen, maar waar toch sprake is van een schrijnend geval of een noodsituatie. Doordat met een groep vrijwilligers wordt gewerkt die zich alleen met deze taak bezig houden is deze verregaande individualisering mogelijk. Mapar blijft echter een voorliggende voorziening waar de stichting naar verwijst indien van toepassing. Stichting Leergeld wordt door de gemeente ondersteund (in 2006 met €17.000). Ieder jaar vindt overleg plaats met de stichting over de ondersteuning (binnen het financiële kader van het armoedebeleid). Uit overleg met de Stichting is verder naar voren gekomen dat de afstemming met de gemeente verbeterd kan worden door aanwijzing van een vast contactpersoon die 26 signalen vanuit de stichting kan oppakken en zorg kan dragen voor een doeltreffende afhandeling. Besluit 29: Actievere benadering van de doelgroep wordt mogelijk gemaakt door de bestandsanalyse. Besluit 30 Er wordt een systeem van ambtshalve vervolgtoekenning ingevoerd. Besluit 31 Er wordt een vast contactpersoon bij afdeling Werk en Inkomen voor de stichting Leergeld (en andere partners). Onderzoeksopdracht 18: Terugdringing niet-gebruik Onderzoek de mogelijkheden tot terugdringen van het niet-gebruik; betrek hierbij in elk geval de aspecten: ???categoriale toekenning; ???training en ondersteuning medewerkers; ???bestandskoppeling; ???productencatalogus voor medewerkers en intermediairs; ???verstrekkingen via intermediairs. Categoriale toekenning van (bijzondere) bijstand De gemeente toegepast verstrekt daar waar de wet dat expliciet toestaat op categoriale basis bijzondere bijstand. Het gaat dan om de groepen ouderen en chronisch zieken en gehandicapten. Voor het overige mag er slechts bijzondere bijstand worden verstrekt op individuele basis. Dat betekent dat iedere aanvraag apart dient te worden beoordeeld en dat de kosten waarvoor bijstand wordt aangevraagd aantoonbaar zijn. De verstrekking op individuele basis heeft het voordeel dat het geld dat toegekend direct terug te voeren is op werkelijk gemaakte kosten en dus terecht is uitgekeerd. Het nadeel echter is dat het zeer arbeidsintensief is terwijl er gevallen voor te stellen zijn waarin de vaststelling van de noodzaak en het recht op bijzondere bijstand eenvoudiger vast te stellen is. Deze eenvoudige wijze gebeurt op basis van groepskenmerken. Dit houdt in dat een bepaalde groep wordt geacht om bepaalde kosten te hebben. Wanneer iemand voldoet aan de groepskenmerken dan wordt ook aangenomen dat hij de daaraan verbonden kosten heeft gemaakt of zal maken. De eerdergenoemde Mapar-regeling lijkt op de verstrekking van categoriale bijzondere bijstand op basis van groepskenmerken. Het gaat namelijk om ouders met kinderen waarvan aangenomen wordt dat ze extra kosten hebben die te maken hebben met de school of (sport)activiteiten van de kinderen. Het enige waarin de Mapar verschilt van categoriale bijzondere bijstand is dat er betaald wordt op basis van offertes en facturen. Gezien het uitgangspunt “Aandacht voor kinderen en armoede” van het armoedebeleid voor 2008 is het wenselijk om de Mapar alle kenmerken te geven van een categoriale bijzondere bijstandsverstrekking op basis van groepskenmerken. Dit houdt in dat mensen in de bijstand die schoolgaande kinderen hebben automatisch de Mapar-uitkering krijgen. Dit leidt tot 100% gebruik door de doelgroep binnen het WWB-bestand, het vermindert de bureaucratische belasting zowel bij de aanvrager als casemanager, geeft invulling aan het uitgangspunt “Aandacht voor kinderen en armoede” en is mogelijk op grond van de wet. 27 Ook gezinnen met kinderen die geen WWB ontvangen maar wel een inkomen op bijstandsniveau hebben profiteren hiervan. Ook voor hun zal de aanvraagprocedure vereenvoudigen door het wegvallen van de verplichting om bonnetjes en offertes te overleggen. Dit wordt ondersteund door de uitkomst van de armoedebijeenkomsten waarin de Mapar-regeling wordt genoemd als een goede regeling om de doelgroep te bereiken, mede ook omdat deze regeling relatief grote bekendheid in de doelgroep geniet. Wel werd aangegeven dat de Mapar-bedragen in geen verhouding staan tot de werkelijke kosten die schoolgaande kinderen met zich meebrengen. Het is dus het meest efficiënt om de bestaande Mapar-regeling om te bouwen tot een categoriale bijzondere bijstandsregeling en af te zien van het invoeren van een nieuwe regeling. Het is daarmee wel gerechtvaardigd om de maximaal uit te keren bedragen te verhogen. Een verhoging naar €150,= voor kinderen in het basisonderwijs en €265,= voor kinderen in het voortgezet onderwijs is op zijn plaats. Besluit 32 Gelet op het uitgangspunt “Aandacht voor kinderen en armoede” van het armoedebeleid voor 2008 wordt de regeling Mapar uitgevoerd in de vorm van een categoriale bijzondere bijstand op basis van groepskenmerken Besluit 33 De bedragen op basis van de Mapar-regeling worden verhoogd van €91,= naar 150,= voor kinderen in het basisonderwijs en van €160,= naar €265,= voor kinderen in het voortgezet onderwijs. Productencatalogus voor cliënten, medewerkers en intermediairs “Onbekend maakt ongebruikt”, is in het kader van deze onderzoeksopdracht een toepasselijke variant op het bekende spreekwoord. Uit onderzoek blijkt dat er altijd een hoeveelheid burgers blijft die niet op de hoogte is van de inkomensondersteunende maatregelen die er zijn (binnen een gemeente). Het kost veel inspanning om iedereen te bereiken die mogelijk tot de doelgroep van deze regelingen behoort. Wat echter verbazing wekt is dat er ook maatschappelijke instellingen zijn die niet op de hoogte zijn van het arsenaal van regelingen en voorzieningen. Het idee is dat een productencatalogus waar alle gemeentelijke regelingen, maar ook landelijke mogelijkheden tot inkomensondersteuning een effectief instrument kan zijn in het bekend maken van de mogelijkheden bij zowel de burger als de maatschappelijke organisaties en de intermediars die op hun beurt contacten hebben in de samenleving. Bij de hier voorgestelde productencatalogus wordt gedacht aan een internetpagina die wordt toegevoegd aan de gemeentelijke internetsite en die geheel wordt gewijd aan armoedebestrijding en inkomensondersteunende regelingen. Hierbij beperken we ons niet tot gemeentelijke regelingen maar nemen we ook voorliggende of aanvullende landelijke regelingen op of verwijzen daarnaar (mét een duidelijke uitleg of gebruiksaanwijzing). Ook kunnen we informatie geven over intermediairs waar de gemeente mee samenwerkt. Ook zal deelgenomen aan de internetsite www.berekenuwrecht.nl. Op deze site kan de burger berekenen welke financiële ondersteuning hij kan krijgen van landelijke en gemeentelijke organisaties. Op dit moment verspreidt de afdeling Werk en Inkomen een cliëntinformatiebrief onder WWB-ontvangers, intermediairs en via openbare instellingen zoals bibliotheken en gemeenteloketten. Deze cliëntinformatiebrief wordt integraal opgenomen op de internetpagina maar de papieren versie blijft bestaan naast de 28 internetpagina. Deze twee informatie-instrument kunnen naar elkaar verwijzen en elkaars effect versterken. Door middel van links op de gemeentelijke internetpagina kan ook worden verwezen naar de sites van maatschappelijke organisaties. De doelgroep die we voor de informatie die we op de pagina verstrekken voor ogen hebben zijn de burgers, maar duidelijk ook alle intermediairs die daardoor op hun beurt geïnformeerd en “bijgeschoold” worden voor een optimale dienstverlening naar hun doelgroepen. De pagina zal de mogelijkheid bieden om aanvraagformulieren te downloaden. Ook zullen er duidelijke aanwijzingen voor het invullen ervan. Ook zal het mogelijk worden gemaakt via deze internetpagina aanvragen te doen. Naast aandacht voor informatie op inkomensondersteunend vlak is het ook mogelijk op dit medium uit te breiden met informatie over reïntegratie of participatie. Daarbij valt te denken aan vacatures op het gebied van werkervaringsplaatsen, werk met behoud van uitkering of vrijwilligerswerk. Besluit 34 Aan de gemeentelijke internetsite wordt een pagina toegevoegd die gewijd is aan participatie, armoedebestrijding cq. Inkomensondersteuning; een productencatalogus voor cliënten, intermediairs en medewerkers. Ook zal gebruik worden gemaakt van de internetsite www.berekenuwrecht.nl Zorgintake Bij de aanvraag van een WWB-uitkering wordt er veel aandacht besteed aan het feit of de aanvrager recht heeft op de uitkering. De aanvrager moet bewijsstukken overhandigen ter beoordeling van dit recht. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan de mogelijkheid van reïntegratie. Hiertoe worden diagnostische instrumenten ingezet zoals Work First bij Vixia (nu via het Transferium, straks via het Participatiehuis dan wel het Mobiliteitscentrum). Wij stellen voor om naast de aandacht die besteed wordt aan inkomens- en reïntegratieaspecten ook een aan de zorgbehoefte te bepalen. Deze zorg”intake”, die geen aparte intake is maar een integraal onderdeel van de aanvraagbehandeling, moet een beeld geven van de behoefte aan ondersteuning van de aanvrager. Dit kan financieel zijn, met bijvoorbeeld verstrekking van bijzondere bijstand of het kan een doorverwijzing zijn naar de Kredietbank. Daarnaast kan het ook zijn dat door de verandering van werk naar uitkering de fiscale situatie gewijzigd is en toeslagen dienen te worden aangevraagd of stopgezet. De casemanager kan de cliënt vervolgens gericht verwijzen en de uitkomst daarvan monitoren. Wanneer de cliënt ook een traject gaat volgen in het participatiehuis zal de zorgmanager de vervolgacties coördineren. De zorgaspecten worden op dit moment niet in beschouwing genomen bij een uitkeringsaanvraag. Het is echter belangrijk dat we een goed beeld krijgen van deze aspecten omdat ze een belemmerende factor kunnen vormen in traject naar uitstroom. De inventarisatie van de zorgbehoefte wordt toegevoegd aan de behandeling van de WWB-aanvraag. Besluit 35 De inventarisatie van de zorgbehoefte wordt (stelselmatig) toegevoegd aan de behandeling van de WWB-aanvraag. 29 Gecombineerde aanvraagformulieren Wanneer een persoon een aanvraag bijzondere bijstand doet zijn er wellicht ook andere voorzieningen waarvoor hij in aanmerking komt. Een gecombineerd aanvraagformulier vestigt de aandacht op de overige inkomensondersteunende maatregelen die de gemeente te bieden heeft. In het combinatieformulier worden ook andere regelingen opgenomen zoals kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Om een indruk van de vormgeving te geven: De belastingdienst heeft formulieren die via een stroomschema aangeeft voor welke toeslagen je in aanmerking komt. Er wordt een aanvraagformulier in gebruik genomen waarmee meerdere voorzieningen kunnen worden aangevraagd. Ook gemeentelijke regelingen die niet door de afdeling Werk en Inkomen worden uitgevoerd worden daarin opgenomen. Besluit 36 Er wordt een aanvraagformulier in gebruik genomen waarmee meerdere voorzieningen kunnen worden aangevraagd. Ook gemeentelijke regelingen die niet door de afdeling Werk en Inkomen worden uitgevoerd worden daarin opgenomen. Eén aanspreekpunt voor de intermediairs Vanuit de intermediairs wordt regelmatig de klacht geuit dat ze niet weten bij welke casemanager ze terecht kunnen voor vragen of problemen. Hierdoor ontstaat een drempel die de samenwerking niet ten goede komt en per definitie niet goed is voor de dienst- of hulpverlening aan de burger. Eerder is al geadviseerd om de stichting Leergeld een vaste contactpersoon binnen de gemeente te geven. Dit advies is van toepassing zijn voor alle intermediairs. De contactpersoon fungeert als eerste aanspreekpunt en kan indien van toepassing het contact leggen met een casemanager van de afdeling Werk en Inkomen als het een cliënt betreft. Besluit 37 Alle intermediairs van partners krijgen een vast contactpersoon binnen de afdeling Werk en Inkomen. Verstrekking via intermediairs In het verlengde van het vorige punt is het wenselijk om de gemeentelijke contactpersoon een snelfonds of spoedbudget ter beschikking te stellen. Hieruit kan geput worden wanneer er actuele hulpvragen zijn waar de intermediair mee komt. Een paar voorbeelden: Geld voor een legitimatiebewijs om een aanvraag mogelijk te maken, geld voor een set “nette kleren” voor een sollicitatie, of voor een tandartsbehandeling voor hetzelfde doel, borg voor de huur van een kamer, geld voor een (tweedehands) fiets om naar het werk/opleiding/reïntegratietraject te kunnen gaan. Het gaat hier om zaken waar misschien ook bijzonder bijstand kan worden aangevraagd maar waarvoor de procedure te lang duurt waarmee de verstrekking te laat komt. De gemeentelijke contactpersoon zal aan de hand van voorschriften werken en altijd de afweging moeten maken tussen noodzaak, spoedeisendheid en de mogelijkheid “regulier” bijzondere bijstand aan te vragen. Uitgangspunt is dat met het snelfonds/spoedbudget pragmatisch, doeltreffend en dus vooral snel gewerkt wordt en daarmee probleemdoorbrekend is. Besluit 38 Aan de gemeentelijke contactpersoon voor intermediairs wordt een budget ter beschikking gesteld waaruit in spoedgevallen geld verstrekt kan worden op aanwijzing van de intermediairs. 30 Onderzoek Besluit 39 Aan een onderzoeks- en adviesbureau wordt de opdracht gegeven een doelgroepenonderzoek uit te voeren; de doelgroep wordt aangeschreven en gewezen op hun rechten. Ontbureaucratisering Er is bij de hiervoor besproken onderwerpen al aandacht aan besteed: acties die de procedures eenvoudiger maken. Onder de kop “Ontbureaucratisering” willen we deze acties nog eens op een rij zetten en aanvullen. ???vereenvoudiging van formulieren; ???meervoudige uitvraag voorkomen (niet telkens weer de zelfde gegevens moeten tonen); ???ambtshalve vervolgtoekenning verstrekken bij ongewijzigde situatie; ???gebruik maken van bestandsanalyses waardoor actieve benadering van de doelgroep mogelijk is; ???bestanden koppelen waardoor het gebruik van de ene voorziening leidt tot de verstrekking van de andere voorziening die van toepassing is. Besluit 40 aanvraagformulieren worden vereenvoudigd Besluit 41 meervoudige uitvraag wordt voorkomen (niet telkens weer de zelfde gegevens hoeven te worden getoond) Besluit 42 ambtshalve vervolgtoekenning wordt toegepast bij ongewijzigde situatie Besluit 43 er wordt gebruik gemaakt van bestandsanalyses waardoor actieve benadering van de doelgroep mogelijk is Besluit 44 bestanden worden gekoppeld waardoor gebruik van een voorziening kan leiden tot ingang naar een andere voorziening. Onderzoeksopdracht 19: Ondersteuning na uitstroom Onderzoek een wijze waarop cliënten die uitstromen uit de uitkering waar noodzakelijk nog ondersteuning kunnen krijgen. Voor mensen met een uitkering op minimumniveau is het vaak balanceren om rond te komen. Mensen met een WWB uitkering kunnen zich voor hulp daarbij nog wenden tot hun casemanager die kennis heeft van inkomensondersteunende regelingen en kan assisteren bij het aanvragen daarvan. Mensen die uitstromen uit de uitkering krijgen te maken met een wijziging die invloed heeft op deze delicate financiële balans. Wanneer je werk krijgt wijzigen er namelijk veel dingen en een groot deel daarvan ligt op het financiële vlak. Natuurlijk wordt er meer verdient (hoewel dit in de categorie banen waar bijstandsgerechtigden naar uitstromen vaak tegenvalt), maar er zijn ook vergoedingen die verminderen of zelfs weg kunnen vallen. Denk daarbij aan huurtoeslag, zorgtoeslag en andere inkomensafhankelijke vergoedingen. Ook zijn er financiële toeslagen die aangevraagd moeten worden. Wanneer er kinderen zijn moet kinderopvang geregeld worden en vergoedingen in het kader van de Wet Kinderopvang (WKO) geregeld worden. Verder “kost” werken ook geld: er worden eisen gesteld aan kleding en presentatie en er zijn reiskosten. 31 Kortom: genoeg wijzigingen die de balans kunnen verstoren. Dit is extra bedreigend omdat de doelgroep (over het algemeen) niet over een reserve beschikt om financiële tegenslagen op te vangen. Daarnaast ontbreken vaak de kennis en vaardigheden om aanspraak te maken op de financiële voorzieningen voor werkenden of om bureaucratische hindernissen te nemen. Daarom is het wenselijk om voor de uitstromers een contactpersoon aan te wijzen die bij bovengenoemde zaken ondersteuning kan bieden indien gevraagd of ook zelf actief informeert naar de stand van zaken. Deze contactpersoon kan zijn taak in ieder geval beginnen met een exitgesprek waarin de uitstromer op de hoogte wordt gesteld van alle (financiële) gevolgen en (fiscale) mogelijkheden van de nieuwe situatie. Hiervoor zal een werkinstructie worden ontwikkeld en mogelijk een brochure. De contactpersoon kan iemand van de gemeente zijn maar kan ook in het kader van nazorg door het reïntegratiebureau worden verzorgd wanneer de uitstromer na het volgen van een traject een baan heeft gevonden. Effectieve nazorg voorkomt financiële problemen door de gewijzigde inkomenssituatie en vergroot de kans op een succesvolle reïntegratie. Goede nazorg hoort deel uit te maken van een goed reïntegratiebeleid. Besluit 45 Aan uitstromers uit bijstand wordt nazorg geboden door bij reïntegratie een contactpersoon aan te wijzen die ondersteuning biedt in de gewijzigde inkomenssituatie. Onderzoeksopdracht 20: Verstrekkingen in natura Onderzoek de mogelijkheden van verstrekkingen in natura. Wanneer momenteel iemand met een minimuminkomen of minimumuitkering een aanvraag doet voor bijzondere bijstand voor bijvoorbeeld een wasmachine of woninginrichting wordt de Kredietbank Zuid Limburg als voorliggende voorziening gezien. De aanvrager wordt daar naartoe verwezen om een lening aan te vragen voor de aanschaf van de benodigde spullen, al dan niet met een borgstelling van de afdeling Werk en Inkomen. We willen de cliënt echter ook een alternatief bieden waardoor er geen lening hoeft te worden afgesloten. Hiervoor schakelen we het kringloopcentrum BIS-BIS in. Het kringloopcentrum kan een belangrijke rol spelen in het verstrekken van goederen in natura zonder dat het de betrokkene geld kost. Te denken valt aan witgoed of woninginrichting. Een andere vorm van verstrekking in natura waar het kringloopcentrum een rol kan spelen is een computerproject. BIS-BIS kan actief bedrijven benaderen met het verzoek om overtollige computers, of computers die vervangen worden bij hun in te leveren. Deze computers kunnen vervolgens aan de “doelgroepen” worden verstrekt. Dit project komt bijvoorbeeld kinderen in een armoedesituatie ten goede. Uitgangspunt is om deze regeling zonder kosten voor de gemeente of de cliënt uit te voeren. Om dit te bewerkstelligen zal met BIS-BIS gekeken worden of er afspraken gemaakt kunnen worden over de inzet van maatschappelijke arbeid waaraan voor BIS-BIS geen kosten verbonden zijn. Verstrekking in natura hoeft niet materieel te zijn. Het kunnen ook diensten zijn. Een project dat onder andere in het kader van de arbeidstoeleiding door PIW, Zo Wonen, CBB en de gemeente is opgezet is de klussendienst “Wel Zo Handig. Deze 32 klussendienst heeft als doel dienstverlening te beiden aan ouderen, (chronisch) zieken en gehandicapten waardoor deze langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Deze doelgroep kan uitgebreid worden met mensen met een minimuminkomen. De bedoeling is dat hiertoe dienstencheques worden uitgegeven onder de doelgroepen. Kringloopcentrum BIS-BIS wordt uitgenodigd een systeem van verstrekking in natura voor minima te laten ontwikkelen; bovendien wordt Kringloopcentrum BIS-BIS gevraagd een computerproject te laten opzetten; Daarnaast wordt PIW verzocht een systeem van diensten voor minima van klussendienst Wel Zo Handig te laten ontwikkelen. Besluit 46 Kringloopcentrum BIS-BIS wordt uitgenodigd een systeem van verstrekking in natura voor minima te laten ontwikkelen als keuze optie voor het aangaan van leningen voor duurzame goederen. Besluit 47 Kringloopcentrum BIS-BIS uit te nodigen een computerproject voor minima te laten opzetten. Besluit 48 PIW uit te nodigen een systeem van diensten voor minima van klussendienst Wel Zo Handig te laten ontwikkelen. 33 Beslispuntenoverzicht per Hoofdopdracht/Onderzoeksopdracht Uitgangspunten van beleid Beslispunt De uitgangspunten van armoedebeleid zijn: ???De burger wordt met respect en vertrouwen tegemoet getreden ???Misbruik wordt aangepakt ???Maatwerk moet leiden tot zelfredzaamheid ???Geen betutteling ???Voorkomen is beter dan genezen ???Deregulering en laagdrempeligheid ???Prioriteit voor kinderen in armoede ???Integraliteit met andere beleidsvelden en met het uitgangspunt van wijkgericht werken ???Rijksbeleid: waar het rijk weer verantwoordelijkheid op pakt kan de gemeente terug treden ???Werk en participatie: participatie als regulier werk niet haalbaar is. Participatie Beslispunten Er wordt een “huis van de participatie” opgericht voor alle burgers voor wie de afstand naar werk nog te groot is. Het participatiehuis is gericht op diverse vormen van participatie en heeft een gestructureerde aanpak van multi-problematiek in haar methodiek. 3.Er wordt een methodiek ontwikkeld waarbij na een competentie aan de hand van een persoonlijk plan van aanpak vorm wordt gegeven aan actieve participatie gecombineerd met zorgcoaching door een vaste participatiecoach. Voor bijzondere doelgroepen worden specifieke methodes gehanteerd 4.In het kader van de gewenste ontkokering is niet bepalend de regeling waaronder iemand valt maar de mogelijkheden en beperkingen in relatie tot arbeidsmarkt en actieve participatie. 5.Vanuit het Participatiehuis wordt actief met de keten van wonen welzijn en zorg en de keten van sociale zekerheid samen gewerkt; Een zelfde functie heeft het naar stadsdeelmanagement en projecten in de wijk (wijkgericht werken). 6.de opdracht aan het Participatiehuis is de zelfredzaamheid maximaal te vergroten en te investeren in ontplooiïng van de deelnemer. Participeren kan op zeer diverse niveaus. Steeds opnieuw wordt bezien of een volgende trede op de “ladder van participatie” kan worden bestegen. 34 7.Er wordt gestreefd naar een excellente vorm van dienstverlening. De voorziening is er voor de burger en niet andersom. De 10 uitgangspunten van beleid worden uitdrukkelijk gehanteerd. 8.Binnen het Participatiehuis wordt actief samengewerkt met actoren in de zorg- en welzijnsketen, met partners in de sociale zekerheid en met maatschappelijke instellingen die een rol spelen in het armoedebeleid. 9.Gelet op de samenhang met andere beleidsterreinen waar de gemeente een verantwoordelijkheid heeft neemt de gemeente de regie, inrichting en aansturing van het Participatiehuis op zich. 10. Het Participatiehuis wordt opgezet als een voorziening in het kader van reïntegratie en participatie (Werkdeel). Voor deelnemers vanuit andere instanties wordt een trajectprijs gehanteerd. I.Bureaucratie Beslispunten 11. Met de ketenpartners in de zorg wordt afgesproken dat steeds een functionaris van een partij binnen de keten hoofdverantwoordelijk voor een cliënt is; deze is aanspreekpunt en procesbewaker en intervenieert waar nodig. 12. Bij wijze van experiment is het vooralsnog gedurende een periode van een jaar mogelijk dat een door particulier initiatief werkende maatschappelijke organisatie de taak van intensieve begeleiding op zich neemt; specifiek maatwerk voor bijzondere situaties. 13. Het College kiest er voor de gewenste inzet op zorgtaken te laten verlopen via het Participatiehuis. 14. De boodschap die besloten ligt in de geformuleerde uitgangspunten wordt geïmplementeerd via een opleidings- en trainingsschema. In het kader van “permanente educatie” worden missie, doelen en klantbejegening vast onderdeel van teamoverleg en casusbespreking. Missie en nieuwe uitgangspunten worden ook bij medewerkers en management van de andere instellingen onder de aandacht gebracht. 15. Er wordt voor gekozen dat actieve deelname aan de netwerken gebeurt vanuit het Participatiehuis (namens Werk & Inkomen). Er worden vaste contactpersonen benoemd binnen de afdeling Werk & Inkomen. 16. Bestandskoppeling en maximaal gebruik van internet: dit wordt op Zuid Limburgse schaal opgepakt via een specialistisch bureau. 17. Een digitale sociale kaart wordt vormgegeven met gebruikmaking van de internet site van de gemeente. 18. Er wordt ingehaakt op de ontwikkeling van het landelijke Digitale Klant Dossier. 35 19. Beleidsontwikkeling vindt interactief plaats met sociaal overleg en meest betrokken organisaties. 20. Samen met Sociaal Overleg wordt een cliëntenpanel opgericht dat betrokken wordt bij uitvoering. I.Schuldhulpverlening en preventie Beslispunten 21. Er wordt een voorlichtingsprogramma ontwikkeld voor de uitvoerenden van de relevante instellingen en organisaties ter vergroting van de alertheid op de aanwezigheid van schulden of risico’s op het ontstaan van schulden 22. Het Platform Ketenzorg te realiseren en uit te nodigen als centraal meldpunt voor schuldenproblematiek te functioneren. 23. Er wordt van uit het Participatiehuis namens Werk en Inkomen actief deelgenomen aan het Platform Ketenzorg om met de daar aanwezige ketenpartners te komen tot een sluitende aanpak in gevallen van meervoudige problematiek (onder andere door te werken met vaste contactpersonen per cliënt.) 24. In samenwerking met scholen en de Kredietbank Limburg en Nibud wordt voorlichting op scholen georganiseerd. 25. (nieuwe) Bijstandsgerechtigden wordt zo gauw hier aanleiding toe is een budgetteringscursus aangeboden als onderdeel van het reïntegratie- of participatietraject. 26. Asielmigranten die door de gemeente een Inburgeringstraject krijgen aangeboden wordt waar gewenst een budgetteringscursus aangeboden. IV. Inkomensondersteunende maatregelen en terugdringing niet gebruik Beslispunten 27. De inkomensgrens bijzondere bijstand en regeling maatschappelijke participatie wordt vastgesteld op 110%. 28. Het eigen bijdrage percentage wordt vastgesteld op 25% 29. Actievere benadering van de doelgroep wordt mogelijk gemaakt door de bestandsanalyse. 30. Er wordt een systeem van ambtshalve vervolgtoekenning ingevoerd. 31. Er wordt een vast contactpersoon bij afdeling Werk en Inkomen voor de stichting Leergeld (en andere partners). 32. Gelet op het uitgangspunt “Aandacht voor kinderen en armoede” van het armoedebeleid voor 2008 wordt de regeling Mapar uitgevoerd in de vorm van een categoriale bijzondere bijstand op basis van groepskenmerken 36 33. De bedragen op basis van de Mapar-regeling worden verhoogd van €91,= naar 150,= voor kinderen in het basisonderwijs en van €160,= naar €265,= voor kinderen in het voortgezet onderwijs. 34. Aan de gemeentelijke internetsite wordt een pagina toegevoegd die gewijd is aan participatie, armoedebestrijding cq. Inkomensondersteuning; een productencatalogus voor cliënten, intermediairs en medewerkers. Ook zal gebruik worden gemaakt van de internetsite www.berekenuwrecht.nl 35. De inventarisatie van de zorgbehoefte wordt (stelselmatig) toegevoegd aan de behandeling van de WWB-aanvraag. 36. Er wordt een aanvraagformulier in gebruik genomen waarmee meerdere voorzieningen kunnen worden aangevraagd. Ook gemeentelijke regelingen die niet door de afdeling Werk en Inkomen worden uitgevoerd worden daarin opgenomen. 37. Alle intermediairs van partners krijgen een vast contactpersoon binnen de afdeling Werk en Inkomen. 38. Aan de gemeentelijke contactpersoon voor intermediairs wordt een budget ter beschikking gesteld waaruit in spoedgevallen geld verstrekt kan worden op aanwijzing van de intermediairs. 39. Aan een onderzoeks- en adviesbureau wordt de opdracht gegeven een doelgroepenonderzoek uit te voeren; de doelgroep wordt aangeschreven en gewezen op hun rechten 40. Aanvraagformulieren worden vereenvoudigd. 41. Meervoudige uitvraag wordt voorkomen (niet telkens weer de zelfde gegevens hoeven te worden getoond). 42. Ambtshalve vervolgtoekenning wordt toegepast bij ongewijzigde situatie; 43. Er wordt gebruik gemaakt van bestandsanalyses waardoor actieve benadering van de doelgroep mogelijk is. 44. Bestanden worden gekoppeld waardoor gebruik van een voorziening kan leiden tot ingang naar een andere voorziening. 45. Aan uitstromers uit bijstand wordt nazorg geboden door bij reïntegratie een contactpersoon aan te wijzen die ondersteuning biedt in de gewijzigde inkomenssituatie. 46. Kringloopcentrum BIS-BIS wordt uitgenodigd een systeem van verstrekking in natura voor minima te laten ontwikkelen als keuze optie voor het aangaan van leningen voor duurzame goederen. 47. Kringloopcentrum BIS-BIS uit te nodigen een computerproject voor minima te laten opzetten. 48. PIW uit te nodigen een systeem van diensten voor minima van klussendienst Wel Zo Handig te laten ontwikkelen. 37 Financiële paragraaf Kosten van een Participatiecentrum: beeld van de organisatie Kern van de organisatie: Coördinator Receptie/secretariaat Administratieve kracht Participatiecoaches : -spil en hoofdverantwoordelijke; het ene aanspreekpunt van de klant; Netwerkmakelaar zorg,wonen en welzijn Projectmedewerker wijken Competentietesters Werkbegeleiders en trainers Mensontwikkelbedrijf / Leer werk bedrijf Zorgverleners in huis (fysiek, op afroep of op spreekuur) Schuldhulpverlening (Kredietbank) Maatschappelijk werk (PIW) Riagg (PCC) Voorzieningen in huis Klussendienst (door deelnemers) Raad en Daad Kantine (door deelnemers) Naturaverstrekkingen i.s.m. Kringloop en Leergeld Vrijwilligerscentrale (PIW) Vacaturebank van alle projecten, gesubsidieerde banen enz (VIXIA?) Opleidingen (Vixia en ROC) Uitgangspunt in onderstaande financiële indicatie is dat de deelnemende WSW-ers volledig worden betaald uit de WSW-budgetten en loonwaarde die in het bedrijf of daarbuiten wordt gerealiseerd. Deelname uit AWBZ-sfeer en van andere uitkeringsinstanties wordt betaald via het berekenen van een trajectprijs. Indien mogelijk worden hierover taakstellingen afgesproken hetgeen financieel zekerheid biedt. Onderstaande berekening (indicatie) is sec gebaseerd op deelname en doorstroom van 300 WWB-ers per jaar (te bekostigen uit het Werkdeel) Per jaar (indicatie) Coördinator (inclusief overhead en huisvesting) € 90.000 Participatiecoaches bij 300 deelnemers is incl deelname netwerken en overhead 9 x €90.000 € 810.000 Competentietesters 1,5 fte (300 per jaar >1 dag per deelnemer) € 105.000 Administratie en secretariaat 5 fte (subsidiebaan + overhead) € 130.000 Werkbegeleiders / trainers /projecten 7 fte € 570.000 Frictiebudget € 100.000 Materialen € 50.000 Totaal per jaar uit Werkdeel €1.855.000 38 Gemiddelde trajectprijs per deelnemer per jaar €6.200 De intensieve aanpak in combinatie met het onderdeel coaching op zorg rechtvaardigt de inzet van middelen uit het Werkdeel. Realisatie zal stapsgewijs gebeuren; in 2008 is voorzien dat ongeveer de helft van de geraamde kosten worden gemaakt. Binnen de huidige aanbesteding maar ook in die van andere gemeenten liggen de trajectprijzen voor intensieve begeleiding tussen €5.000 en €12.000. Het vervangt grotendeels de trajecten voor nog niet bemiddelbare WWB-ers bij particuliere reïntegratie-bedrijven (ongeveer €500.000) . Daarnaast wordt het Transferium (work first methode) omgebouwd naar een verfijnder instrument voor de doelgroep. Kosten van het Participatiehuis komen grotendeels in de plaats van de kosten van het Transferium (ongeveer €400.000) Daarnaast zijn er inverdien effecten zoals: inleenvergoedingen na loonwaardebepalingen (voorzichtige raming 15 uitkeringsjaren per jaar is €180.000) en vervanging van huidige diagnostische instrumenten (€50.000). Dit alles in aanmerking genomen zijn de extra kosten die gemaakt worden voor het Participatiehuis ten opzichte van het huidige beleid rond de €500.000. Dit is met name terug te voeren tot de kosten van de methodiek participatiecoaches; dit is immers de vernieuwingsslag in beleidsmatige zin (naast een eenduidige methodiek en structuur). Zouden we in de huidige opzet (beleid tot en met 2007) per jaar 300 sociale activeringstrajecten wegzetten bij particuliere Reïntegratiebedrijven dan zou dit afhankelijk van de intensiteit tussen €1.5 en €2.8 miljoen kosten Kosten van de aanpak bureaucratie Hierbij wordt gebruik gemaakt van de “normale” begrote budgetten. Extra inzet zit vooral in verbetering afstemming. Waar het gaat om opleiding en training wordt een beroep gedaan op reguliere opleidingsbudgetten. Schuldhulpverlening Extra kosten op het gebied van preventie: Voorlichtingsbijeenkomsten 20 x € 600 € 12.000 Spreekuur op lokatie 30 x € 300 € 9.000 Inkomensondersteunende voorzieningen Extra kosten tengevolge van nieuw beleid: ???uitbreiding doelgroep en groter bereik doelgroep externen 20% van €160.000= € 32.000 ???wijziging draagkrachtregel 10% externen € 16.000 ???maatschappelijke participatie stijging bedragen 60% van €95.000 € 57.000 ???mapar externen €16.000 + 60% + 20% (uitbreiding doelgroep) € 12.800 ???effect nieuwe werkwijze (vervolgtoekenningen; dereguleringsmaatregelen) + 2% totaal budget € 20.000 ???budget tbv intermediairen € 10.000 totaal toename €170.000 39 In 2008 is de verwachting dat in verband met het implementatietraject hiervan € 85.000 wordt gerealiseerd. Voor 2009 en verder verwachten we dat ten gevolge van de daling van het bijstandsvolume de uitgaven voor bijzondere bijstand op het niveau van 2008 zullen blijven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.