Verordening Wet kinderopvang§1.Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders; de wet: de Wet kinderopvang; §2.Vaststelling noodzaak van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie Artikel 2. Te verstrekken gegevens Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23 van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens: naam en adres van de ouder; indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft; overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door de partner. Artikel 3. Beslistermijn Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis. Artikel 4. Inhoud van de beschikking Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval: de geldigheidsduur van de indicatie; de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt geacht. Artikel 5. Weigeringsgronden Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie vast te stellen indien: de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet. §3.Aanvraag van de tegemoetkoming Artikel 6. Te verstrekken gegevens bij de aanvraag Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat: naam, adres en sofi-nummer van de ouder; indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft; een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de opvang; gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel 22 van de wet; overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door de partner. §4.Verlening van de tegemoetkoming Artikel 7. Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis. Artikel 8. Weigeringsgrond Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet. Artikel 9. Ingangsdatum van de tegemoetkoming De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is genomen. Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal plaatsvinden. Artikel 10. De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een tegemoetkomingsjaar. In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming voor een andere periode verlenen. Artikel 11. Omvang van de kinderopvang Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd. In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en zorg. Artikel 12. Inhoud van de beschikking Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat in ieder geval: de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de ouder behoort; de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de tegemoetkoming betrekking heeft; de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar de kinderopvang plaatsvindt; de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend; de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend; de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald; de verplichtingen van de ouder. Artikel 13. De bevoorschotting van de tegemoetkoming De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse termijnen uitbetaald. Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van bevoorschotting. §5.Vaststelling van de tegemoetkoming Artikel 14. Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode. Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst van het overzicht van de kosten vast. Artikel 15. Verrekening met de voorschotten De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. §6.Verplichtingen van de ouder Artikel 16. Inlichtingenplicht De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming. De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. §7.slotbepalingen Artikel 17. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Artikel18.Citeertitel De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang. Aldus besloten door de raad van de gemeente Zeewolde in zijn openbare vergadering van 28 oktober 2004.de griffier, de voorzitter,J.A.J. Aniba. R. ZijlstraBijlage3financiële gevolgen Wet kinderopvang (Wk) De Wet kinderopvang beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt aangeduid met de term ‘tegemoetkoming kosten kinderopvang'. Gevolgen voor het huidige gemeentelijk beleid De Wk vervangt alle bestaande financiële regelingen voor kinderopvang van de overheid. Dit betekent dat wij vanaf 2005 geen specifieke uitkeringen of subsidie meer krijgen voor uitbreiding of instandhouding kinderopvang. Verordening WkArtikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming. De verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke opdracht. Om gemeenten in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de modelverordening bepalingen omtrent de bijdragen in de kosten opgenomen. Budget kinderopvang 2005Vanaf 2005 wordt aan het gemeentefonds een bedrag toegevoegd, bedoeld voor de uitvoering van het eerstelijns toezicht en voor de bekostiging van het gemeentelijk aandeel in het kinderopvanggebruik van een aantal specifieke doelgroepen. De volgende wettelijke taken moeten van dit bedrag betaald worden: -het financieren van 1/6 en maximaal 1/3 deel van de kosten voor kinderopvang van de doelgroepen; het beoordelen en beschikken van alle aanvragen; de organisatie van de sociaal-medische indicatie; het inrichten van een register kinderopvang; het toezicht op de kwaliteit inclusief handhaving en sanctie. Budget kinderopvang 2004 Tot 2004 heeft de gemeente een uitkering voor kinderopvang via het gemeentefonds ontvangen. Per 1 januari 2004 is dit bedrag aan het gemeentefonds onttrokken en overgeheveld naar de begroting van het ministerie van SZW. Voor het kalenderjaar 2004 heeft het ministerie een tijdelijke specifieke uitkering kinderopvang uitgekeerd, gebaseerd op de ramingen algemene uitkering 2004. De volgende bedragen zijn in 2004 uitbetaald: subsidie kinderopvang € 93.000,--- tegemoetkoming in de kosten voor toezicht (GGD) € 2.257,--- Over de besteding van deze middelen hoeft geen verantwoording afgelegd te worden, zodat het restantbudget subsidie, ten bedrage van € 47.500,-- , niet aan het ministerie hoeft te worden terugbetaald. Van dit budget is € 15.000,-- gereserveerd voor de implementatie van de nieuwe Wk in 2005. Begroting 2005 Het is niet mogelijk om een realistische raming op te stellen van de uitgaven voor 2005, omdat niet bekend is hoeveel aanvragen op grond van de Wk worden ingediend en gehonoreerd. De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de gemeente. De uitvoering van de wet kan dus leiden tot grotere uitgaven dan de middelen die binnen het gemeentefonds beschikbaar worden gesteld. De totale rijksbijdrage die het ministerie in het gemeentefonds gestort heeft voor het uitkeringsjaar 2005 is bekend, maar de verdeling per gemeente heeft nog niet plaatsgevonden. Op grond van de huidige raming, de totale hoogte van de rijksbijdrage ten opzichte van vorige jaren, bedraagt de uitkering Wk 2005 ongeveer € 31.000,--. Totaal is voor 2005 € 46.000,-- begroot voor kinderopvang: geschatte inkomsten gemeentefonds € 31.000,--- reserve uit de middelen van 2004 € 15.000,--- N.B.: Uitgaande van een gemiddelde aanvraag voor subsidie van 2,5 dag kinderopvang per week, is het bovenstaande bedrag toereikend om ongeveer 30 aanvragen te financieren (met een gemeentelijke wettelijke bijdrage van 1/6 deel). Bijlage4Kosten Wet Kinderopvang 2005 In 2004 ontvangt Zeewolde van het rijk een bijdrage van € 51.380,-- voor de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders (KOA). De gemeente rekent het daadwerkelijk gebruik van KOA af met het Rijk en te veel ontvangen subsidie wordt terugbetaald. Op basis van het huidige gebruik zijn de kosten KOA voor 2004 geraamd op € 36.740,--. (NB Deze raming is een momentopname. Nieuwe aanmeldingen, afmeldingen en eventuele mutaties in het gebruik zijn niet te voorspellen en daarom niet meegenomen). Gebruik KOA 1 januari 2004 tot 31 augustus 2004: 10 alleenstaande ouders Gebruik KOA op 31 augustus 2004: 5 alleenstaande ouders Uitgaven KOA vertaald naar het systeem van de Wk: Voor alleenstaande ouders in de bijstand betaalt de gemeente in 2005 1/6 deel van de kosten van de opvang, het eigenlijke werkgeversdeel. Op basis van de verstrekte vergoeding in 2004 zouden de kosten in 2005 € 36.740.-- : 6 = € 6.124,-- bedragen. NB: Dit bedrag is een indicatie omdat geen rekening is gehouden met mutaties in het gebruik, nieuwe aanmeldingen en afmeldingen uit de doelgroep alleenstaande ouders. Verschillen KOA en Wk De Wk kent een veel ruimere doelgroep dan de huidige KOA-regeling. Vanwege die grotere doelgroep is het reëel te verwachten dat het aantal gebruikers toeneemt. Daarentegen nemen voor de gemeente de kosten per gebruiker af. Dit komt doordat de gemeentelijke bijdrage Wk lager is dan die van KOA. KOA: de gemeente betaalt de volledige prijs van de kinderopvang voor alleenstaande ouders. Wk: de gemeente betaalt 1/6 van ouders behorend tot de doelgroep. De overige kosten worden vergoed via de belastingdienst. Een ander verschil tussen KOA en Wk: gemeenten declareerden de kosten voor KOA bij het Rijk; Wk is een open eind regeling waarvoor gemeenten jaarlijks een bedrag in het gemeentefonds ontvangen. Doelgroepen De in de wet vastgelegde doelgroepen zijn ouders die in een arbeidstoeleidingstraject zitten en een uitkering ontvangen op grond van: • De Wet werk en bijstand (Wwb) inclusief tienermoeders; • Wet inkomensvoorziening Kunstenaars (Wik); • Algemene Nabestaanden Wet (ANW); • Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeelteli jk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); en verder: • Herintreders (met verdienende partner) met een trajectplan (NUG-er); • Nieuwkomers die een inburgeringstraject volgen (WIN); • Oudkomers vanaf het moment dat het verplicht is om een inburgeringstraject te volgen; • Tienermoeders/studenten die een opleiding/studie volgen; Gezinnen met een sociaal-medische indicatie Op 1 september 2004 ontvingen wij van het Implementatiebureau het volgende bericht. Op 18 augustus 2004 zond Minister de Geus, mede namens de staatssecretaris VWS en Financiën, een brief naar de Tweede Kamer over de Wk en het niet in werking treden in 2005 van de artikelen over de sociaal medische indicatie. Om budgettaire en efficiency redenen wil de Minister één organisatie aanwijzen voor de indicatieadvisering voor sociaal-medische problematiek. Deze gezinnen ontvangen geen tegemoetkoming van de overheid. Gemeenten kunnen zelf bepalen op welke manier zij financieel gezien huishoudens met sociaal-medische problematiek willen ondersteunen voor het kinderopvanggebruik. Indien zo'n huishouden nu gebruik maakt van een gesubsidieerde plaats, kan met deze maatregel voor dit gezin ook in 2005 kinderopvang worden bekostigd. De kosten hiervan komen ten laste van de bijdrage voor kinderopvang aan het gemeentefonds. De gemeente Zeewolde heeft in het huidige beleid geen gesubsidieerde kindplaatsen. Potentiële doelgroep Wk Zeewolde Het aantal aanvragenvoor kinderopvang van personen behorend tot de doelgroepen Wik, nieuwkomers, oudkomers, studenten, tienermoeders, IOAW en IOAZ zal in Zeewolde niet groot zijn. Ook het aantal NUG'ers en ANW'ers dat kinderopvang zal aanvragen zal gering zijn omdat ons reïntegratiebeleid prioriteit geeft aan trajecten voor bijstandsgerechtigden. Om het aantal potentiële kandidaten van de Wwb in kaart te brengen is het bestand uitkeringsgerechtigden geraadpleegd. Op 31 augustus 2004 zijn er 59 gezinnen met een Wwb uitkering en kinderen tot twaalf jaar . Het betreft 35 gezinnen met een alleenstaande ouder en 24 gezinnen met twee ouders. Binnen de KOA is alleen het gebruik van alleenstaande ouders bekend. In 2004 maakten tot 1 september 2004 10 van de 35 gebruik van KOA (28,6%). Het is reëel te verwachten dat het gebruik van kinderopvang door gezinnen met twee ouders lager zal zijn dan dat van eenoudergezinnen. Dit omdat in een gezin met twee ouders de tijden van de reïntegratietrajecten op elkaar kunnen worden afgestemd voor de opvang van de kinderen. Hiermee is aanspraak op de Wk te voorkomen. Bijlage1De gemeentelijke bijdrage aan doelgroepen Wettelijk vastgesteld beleid(Verwijzing naar Artikel 19 tot en met 26 en Artikel 33 en 36 van de Wk.) De in de wet vastgelegde doelgroepen zijn ouders die in een arbeidstoeleidingstraject zitten en een uitkering ontvangen: • De Wet werk en bijstand (Wwb) inclusief tienermoeders; • Wet inkomensvoorziening Kunstenaars (Wik); • Algemene Nabestaanden Wet (ANW); • Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); en verder: • Herintreders (met verdienende partner) met een trajectplan (NUG-er); • Nieuwkomers die een inburgeringstraject volgen (WIN); • Oudkomers vanaf het moment dat het verplicht is om een inburgeringstraject te volgen; • Tienermoeders/studenten die een opleiding/studie volgen; WW'ers en arbeidsgehandicapten vragen de ontbrekende werkgeversbijdrage aan bij de UWV. De genoemde doelgroepen kunnen een beroep doen op een tegemoetkoming van de gemeente. Als de betreffende ouder een partner heeft, kan slechts aanspraak worden gemaakt op een tegemoetkoming van de gemeente als deze partner: • betaalde arbeid verricht; • ook behoort tot de benoemde doelgroepen; • recht heeft op een tegemoetkoming van de UWV (en dus ook doelgroep in het kader van de Wk is). Vervolgens moet de aanvragende ouder inwoner van de gemeente Zeewolde zijn Bijlage2Uitvoeringsvarianten doelgroepenbeleid Het implementatiebureau Wet Kinderopvang onderscheidt drie uitvoeringsvarianten van de WK: A) Ouder regelt alles zelf, decentrale uitvoering binnen gemeente B) Ouder regelt zoveel mogelijk zelf, centraliseren betalingsproces binnen gemeente C) Ouder regelt weinig zelf, centraliseren van de uitvoering binnen gemeente Geen van deze varianten sluit aan bij ons inzicht, daarom hebben wij variant D toegevoegd. Uitgangspunten variant A De ouder is verantwoordelijk voor het vinden van een kindercentrum, het aanvragen van de tegemoetkoming en het betalen van het kindercentrum. Indien mutaties zich voordoen in de situatie van de ouder zal deze dit meteen doorgeven aan de gemeente, waarop een verrekening van subsidiegelden met de ouder kan plaatsvinden. Binnen de gemeentelijke organisatie worden zo min mogelijke wijzigingen doorgevoerd. Afdelingen die beleidsmatig verantwoordelijk zijn voor de benoemde doelgroepen zijn ook verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvragen voor een tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang. Wel moet de gemeente in dit geval besluiten bij welke afdeling het afhandelen van aanvragen sociaal-medisch geïndiceerde wordt ondergebracht, daar dit voor invoering van de Wk vaak geen gemeentelijke doelgroep is. Voordelen variant A: Sluit aan bij de uitgangspunten van de WK. Sluit aan bij de procesgang voor niet-doelgroepouders, ouders worden aangezet tot kostenbewust handelen. Weinig aanpassingen in gemeentelijke organisatie noodzakelijk. Nadelen variant A: Ouders moeten veel regelen, waardoor er kans is dat er een drempel ontstaat om deel te nemen aan het reïntegratietraject of inburgeringstraject. Dit is nadelig voor de ouder en brengt voor gemeenten het risico met zich mee dat zij niet kunnen voldoen aan de uitstroomtaakstelling. Financieel risico voor kinderopvangorganisatie: ouders ontvangen de tegemoetkoming wel maar betalen de rekening niet. Dit risico is voor ouders met bijvoorbeeld schuldenproblematiek reëel aanwezig. Financieel risico voor gemeente: terugvordering is noodzakelijk indien de ouder in de loop van het jaar niet meer tot de doelgroep behoort of er wijzigingen in het gebruik zijn. Casemanagers worden verantwoordelijk voor het verstrekken van de tegemoetkoming aan doelgroepouders en de gehele administratieve afhandeling. Dit betekent taakverzwaring. Variant B: Uitvoeringsvariant B gaat ervan uit dat de ouder zoveel mogelijk zelf een geschikt kindercentrum kiest en daarna ook voor de betaling zorgdraagt. Daar waar nodig zullen ambtenaren van de betrokken afdelingen de ouder hierin begeleiden. Het betalingsproces is zoveel mogelijk gecentraliseerd, in dit geval door het onder te brengen bij de uitkeringsadministratie van de afdeling Sociale Zaken. Op basis van maandelijks in te dienen facturen bij de gemeente, wordt de tegemoetkoming op de rekening van de ouder gestort. De ouder ontvangt de facturen maandelijks van het kindercentrum en declareert de kosten bij de gemeente. De ouder gebruikt de ontvangen tegemoetkoming, tezamen met het ouder- en rijksdeel, om het kindercentrum te betalen. Voordelen variant B: Ouder handelt zelfstandig en dit sluit aan bij basisgedachte WK; Gemeente hoeft niet meer te monitoren op rechtmatigheid van besteding van de tegemoetkoming, omdat de factuur de basis is voor het maandelijks subsidiebedrag. Nadelen variant B: Kindercentra moeten maandelijks een factuur sturen aan de ouders; Uitbreiding taken Sociale Dienst: Casemanagers zullen, indien nodig, cliënten moeten helpen met het zoeken van een kindplaats, het aanvragen van de tegemoetkomingen bij de belastingdienst en de gemeente Zeewolde; Medewerkers van de uitkeringsadministratie krijgen er een betalingsproces bij. Betalingsproces wordt vertraagd door extra stap van indienen declaraties. Financieel risico voor kinderopvangorganisatie: ouders ontvangen een tegemoetkoming maar betalen de rekening niet. Dit risico is voor ouders met bijvoorbeeld schuldenproblematiek reëel aanwezig. Variant C Uitgangspunt van deze uitvoeringsvariant is dat het contact met zowel ouders als kindercentrum plaatsvindt via een gecentraliseerde punt binnen of buiten de gemeente. Wanneer wordt gekozen voor uitbesteding van het loket kinderopvang is de meest voor de hand liggende optie de taken onder te brengen bij een intermediair. In deze uitvoeringsvariant is dit organisatieonderdeel benoemd als een loket Kinderopvang. Het loket werkt samen met de ambtenaren in de “back office”, waar zich de verantwoordelijke casemanagers bevinden. Het loket verzorgt alle stappen in het proces van aanvragen tot het uitbetalen van de tegemoetkoming en het betalen van het kindercentrum. Voordelen variant C Doelgroepouders wordt het zoeken naar een geschikt kindercentrum en de betaling aan het kindercentrum uit handen genomen. Het enige wat de ouder hoeft te doen is de juiste gegevens aanleveren. Een variant is dat ouders wel zelf een kindercentrum kiezen en hun keuze doorgeven aan het loket kinderopvang, dat voor de rest zorgt. Gemeenten hebben meer grip op doorlooptijden. Financieel risico kindercentrum wordt verkleind. Het gemeentelijk deel van de bijdrage wordt via het loket rechtstreeks aan het kindercentrum betaald. Bij uitbesteding aan een externe organisatie kan ook de financiering van de Belastingdienst op deze manier geschieden. -Monitoren van rechtmatigheid wordt vereenvoudigd. Het monitoren van de besteding van de tegemoetkoming loopt via het kindercentrum. Nadelen variant C: Extra uitvoeringskosten voor de gemeente voor het inrichten van een loket of het betalen van een intermediair voor diensten. Ouders moet het loket kinderopvang machtigen om de tegemoetkoming rechtstreeks over te maken Ouder wordt minder gestimuleerd tot kostenbewust gedrag. Variant D:Uitvoeringsvariant D gaat ervan uit dat de ouder zelf een geschikt kindercentrum kiest en dat de gemeente het gemeentelijke aandeel in de tegemoetkoming rechtstreeks betaalt aan de instelling voor kinderopvang. Voordelen variant D: Financieel risico kindercentrum wordt verkleind. De gemeente betaalt het gemeentelijk deel van de bijdrage rechtstreeks aan het kindercentrum. Garantie van betaling. Dit voorkomt niet betaalde rekeningen, het stopzetten van kinderopvang en voortijdige beëindiging van het reïntegratietraject. De gemeente kan de rechtmatigheid controleren door afspraken te maken over de directe betaling aan het kindercentrum en deze te koppelen aan het doorgeven van mutaties in het gebruik. Hiermee kan gemeente voorkomen dat terugvordering nodig is omdat mutaties in het gebruik niet of veel te laat worden doorgegeven. Nadelen variant D: Ouders moeten de gemeente machtigen om de gemeentelijke aandeel in de tegemoetkoming rechtstreeks over te maken naar de instelling voor kinderopvang. Ouder wordt minder gestimuleerd tot kostenbewust gedrag. De gemeente krijgt er een betalingsproces bij. Gemeente moet de rechtmatigheid monitoren via ouders, het kindercentrum en het bedrijf dat het reïntegratietraject uitvoert. Conclusie Vanwege de volgende redenen kozen wij voor uitvoeringsvariant D: variant D legt de verantwoordelijkheid bij de ouders en dat stemt overeen met de uitgangspunten van de Wk; variant D beperkt de taken voor de gemeentelijke organisatie en dus de kosten voor de administratieve organisatie. Variant D beperkt ongewenste neveneffecten als: het niet of te laat doorgeven van mutaties in het gebruik waardoor de gemeente geld moet terugvorderen; beëindiging van kinderopvang wegens niet betaalde rekeningen met alsgevolg beëindiging van reïntegratie; Toelichting Algemene toelichting op modelverordening VNGInleiding Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt aangeduid met de term 'tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)'. Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke opdracht. De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten drie regelingen van toepassing zijn: de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang; de Wet kinderopvang; de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb. De meeste gemeenten beschikken over een algemene subsidieverordening. De vraag is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang en de algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de algemene subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang. Deze modelverordening is zo opgezet dat deze geheel los staat van de algemene subsidieverordening. In dat geval is de algemene subsidieverordening niet van toepassing op de verstrekking van tegemoetkomingen. Het principe geldt dan dat de meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de algemene regeling. Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de tegemoetkomingenIn deze modelverordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn. Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te bevorderenDe gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten 'open-einde regeling'. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de gemeente. Om gemeenten in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de modelverordening de volgende bepalingen opgenomen: De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt aan beperkingen gebonden. In de modelverordening wordt bepaald dat bij deze groep ouders de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken. Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst is genomen. De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk kinderopvang plaatsvindt. De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten. Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die de gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt. Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaarEen tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur één kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat). Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappenDe verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens afdwingbare aanspraak. De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen. Aanwijzen van eigen doelgroepenDe verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities van gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen. Deze criteria zijn allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang opgenomen. Gemeenten hebben bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkoming dus geen beleidsvrijheid. Over de wijze waarop de aanspraak op- en de hoogte van de tegemoetkoming moet worden vastgesteld worden gemeenten in een later stadium apart geïnformeerd zodra alle relevante uitvoeringsregelingen bekend zijn. De gemeente kan er voor kiezen om naast de doelgroepen die in de wet zijn benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Daarbij kan gedacht worden aan ouders die vrijwilligerswerk doen of ouders die zich bezighouden met mantelzorg. Het verdient aanbeveling om de tegemoetkomingen aan eigen doelgroepen in deze verordening te regelen en niet in een aparte verordening. Dit voorkomt versnippering van regelgeving en bovendien worden de procedurele bepalingen in deze verordening automatisch ook van toepassing op de tegemoetkomingen die de gemeente aan eigen doelgroepen verstrekt. Als een gemeente besluit eigen doelgroepen aan te wijzen, zal ze in de verordening een aantal onderwerpen moeten regelen. Het toevoegen van eigen doelgroepen geschiedt op basis van de autonome verordenende bevoegdheid van gemeenten die is neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Dit betekent dat de aanhef van de verordening de bevoegdheidsgrondslag moet worden uitgebreid. In de aanhef moet de zinsnede 'gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang' worden aangevuld met 'en artikel 149 van de Gemeentewet'. Vanwege de vertraging in de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer kan het daarnaast noodzakelijk zijn om artikel 149 van de Gemeentewet in de aanhef als grondslag te vermelden. Dit hangt o.m. samen met het moment waarop deze verordening in de gemeenteraad behandeld wordt. Om deze reden is artikel 149 van de Gemeentewet in de modelverordening standaard als grondslag opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij het inwerkingtredingsartikel. Omdat de Wet kinderopvang niet van toepassing is op de door de gemeente aangewezen doelgroepen, zal de omschrijving van de doelgroep(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.