Algemene Verordening NadeelcompensatieInhoud Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities In het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt verstaan onder: het bestuursorgaan: het orgaan dat het schadeveroorzakende besluit heeft genomen of onder wiens verantwoordelijk de schadeveroorzakende handeling is verricht, zijnde: de raad, het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester van Amsterdam; schade: weloverwogen schade, veroorzaakt door bepaalde overheidsbesluiten of -handelingen, waar een afweging van belangen aan is voorafgegaan, waaronder valt geleden verlies, winst- of inkomensderving, of het derven van huurinkomsten dan wel een lagere opbrengst bij verkoop van een onroerende zaak of een bedrijf. Paragraaf 2 Het recht op nadeelcompensatie en uitzonderingen hierop Artikel 2 Recht op nadeelcompensatie 1. Het bestuursorgaan kent op aanvraag van degene die schade heeft geleden ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak een vergoeding toe, voor zover de benadeelde daardoor in het bijzonder en in abnormale mate wordt getroffen. 2. Niet voor vergoeding komt in aanmerking schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico. 3. In verband met het normaal ondernemersrisico, wordt schade als bedoeld in artikel 4 niet vergoed wanneer deze het gevolg is van een omzetdaling die niet uitkomt boven de drempelwaarde van 8 % op jaarbasis van de gemiddelde jaaromzet. 4. In verband met het normaal ondernemersrisico, wordt de schade die bestaat uit extra kosten , niet vergoed wanneer deze niet uitkomt boven de drempelwaarde van 6 % van de gemiddelde kosten op jaarbasis. 5. In verband met het normaal maatschappelijk risico dan wel het normaal ondernemersrisico blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade. 6. In verband met het normaal ondernemersrisico dan wel het maatschappelijk risico kan het bestuursorgaan daarnaast per schadeveroorzakend besluit of handeling van de vastgestelde schade die boven de drempelwaarden uitstijgt een percentage hanteren dat voor rekening van de benadeelde blijft.. 7. Het bestuursorgaan kan per schadeveroorzakend besluit of handeling in bijzondere omstandigheden bepalen dat van het in het derde, vierde lid en vijfde lid bepaalde percentage wordt afgeweken dan wel een periode vaststellen waarna geen aftrek plaatsvindt wegens het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico. 8. Indien een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 1 voor de aanvrager naast schade tevens voordeel oplevert, dan wordt dit, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering gebracht. Artikel 3 Weigeringsgronden 1. Het bestuursorgaan wijst een aanvraag om vergoeding van de schade geheel of gedeeltelijk af, indien: de schade redelijkerwijs niet kan worden toegerekend aan een door hem genomen besluit of verrichte handeling; de benadeelde van het risico van het ontstaan van de schade op de hoogte was of had kunnen zijn; de schade het gevolg is van een omstandigheid die geheel of gedeeltelijk aan de aanvrager kan worden toegerekend; de benadeelde heeft verzuimd redelijke maatregelen te treffen ter voorkoming of beperking van de schade, of de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd. 2. Het bestuursorgaan kan de aanvraag tot vergoeding van de schade afwijzen, indien deze wordt ingediend langer dan vijf jaren na de dag waarop de benadeelde op de hoogte is geraakt van de schade. 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een schade veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, vangt de termijn van vijf jaren niet aan voordat dit besluit onherroepelijk is geworden. 4. Het bestuurorgaan wijst de aanvraag tot vergoeding van de schade af indien de schade minder bedraagt dan € 750. Artikel 4 Winst- of inkomstenderving 1. Indien de schade bestaat uit winst- of inkomstenderving, wordt de omvang daarvan in beginsel bepaald door: de gemiddelde omzet gedurende een periode van zo mogelijk drie jaar te vergelijken met de omzet in het jaar waarin de schade is geleden. Daarbij wordt een inflatiecorrectie toegepast en waar mogelijk een branchecorrectie of een trendcorrectie; van de vastgestelde gemiste omzet worden afgetrokken de kosten van het product of de dienst alsmede de kosten die ten gevolge van de omzet- of inkomstenderving bespaard zijn of redelijkerwijs bespaard hadden kunnen worden. 2. Indien sprake is van omzetverplaatsing wordt dat bij de vaststelling van de winst- of inkomstenderving in aanmerking genomen. Artikel 5 Huurderving 1. Indien de schade bestaat uit gederfde huurinkomsten, wordt de omvang daarvan bepaald door het verschil tussen de huurprijs, die redelijkerwijs had kunnen worden gevraagd indien er geen sprake was van een schadeveroorzakend besluit of handeling en de huurprijs die redelijkerwijs kan worden gevraagd in de situatie waarin daarvan wel sprake is. 2. Niet voor schadevergoeding komen in aanmerking de gederfde huurinkomsten gedurende de periode waarin onroerende zaken in de omgeving van het verhuurde, gemiddeld leeg staan. Artikel 6 Lagere opbrengst bij verkoop bedrijf of onroerende zaak Indien de schade bestaat uit een lagere opbrengst bij de verkoop van een bedrijf of onroerende zaak, komt voor vergoeding in aanmerking het verschil tussen deze opbrengst, voor zover deze opbrengst reëel is te achten en de opbrengst die redelijkerwijze had kunnen worden verkregen, indien geen sprake was geweest van een nadelige invloed op de opbrengst door het schadeveroorzakend besluit of handeling. Artikel 7 Andere voor nadeelcompensatie in aanmerking komende kosten Voor vergoeding komen tevens in aanmerking: de kosten van het inschakelen van deskundigen tot een door het bestuursorgaan vast te stellen bedrag, voor zover het inroepen van bijstand van deskundigen redelijkerwijze noodzakelijk was; de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag of indien het nadeel op een later tijdstip is ontstaan, vanaf dat tijdstip; de redelijke kosten van maatregelen ter beperking of voorkoming van schade; het betaalde recht, als bedoeld in artikel 9, vierde lid, indien er geheel of gedeeltelijk nadeelcompensatie is toegekend. Artikel 8 Nadeelcompensatie in geld of in natura 1. De vergoeding wordt vastgesteld in geld, tenzij het bestuursorgaan deze anders dan in geld wenselijk acht. 2. Indien de vergoeding anders dan in geld wordt vastgesteld, kan de waarde daarvan niet meer bedragen dan deze in geld zou hebben bedragen. Paragraaf 3 De aanvraag Artikel 9 Aanvraag om nadeelcompensatie 1. Het bestuursorgaan is bevoegd de aanvraag tot nadeelcompensatie in ontvangst en in behandeling te nemen. 2. De aanvrager van nadeelcompensatie maakt gebruik van een door het bestuursorgaan vastgesteld formulier. 3. De aanvrager verstrekt de gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van: indien het schade betreft wegens winst- of inkomstenderving als bedoeld in artikel 4: een gewaarmerkte jaarrekening over het jaar waarin schade is geleden alsmede zo mogelijk van de jaarrekeningen over een periode van drie jaar voorafgaande aan het jaar waarin de schade is geleden. De jaarrekeningen moeten zijn voorzien van een verklaring van een accountant; indien het schade betreft wegens gederfde huurinkomsten als bedoeld in artikel 5: een afschrift van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en een eigendomsakte; indien het schade betreft wegens de lagere opbrengst bij de verkoop van een bedrijf of een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6: de eigendomsakte van de onroerende zaak dan wel indien het de verkoop van een bedrijf betreft, van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel alsmede in beide gevallen een taxatierapport van een onafhankelijke deskundige. 4. Van de aanvrager wordt een recht van € 300 geheven. Indien het bedrag niet binnen vier weken na indiening van de aanvraag op de rekening van de gemeente is bijgeschreven wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest. Artikel 10 Aanvraag goedkeuring schadebeperkende maatregelen 1. Degene die in aanmerking wil komen voor vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, vraagt het bestuursorgaan goedkeuring voor het maken van de met die maatregelen gemoeide kosten onder overlegging van alle voor de beoordeling van zijn aanvraag noodzakelijke gegevens. 2. Geen goedkeuring is vereist, indien de benadeelde aannemelijk kan maken dat de maatregelen met spoed moesten worden getroffen. 3. Indien het bestuursorgaan een formulier voor het doen van de aanvraag heeft vastgesteld, maakt de aanvrager hiervan gebruik. Artikel 11 Aanvraag voorschotverlening 1. Het bestuursorgaan kan de benadeelde op diens aanvraag een voorschot verlenen van ten hoogste 90% van de te verwachten vergoeding. 2. Het bestuursorgaan kan, voordat het overgaat tot de verlening van een voorschot, een zekerheidsstelling van de aanvrager verlangen. 3. Indien het bestuursorgaan een formulier voor het doen van de aanvraag heeft vastgesteld, maakt de aanvrager hiervan gebruik. Artikel 12 Ontvangstbevestiging 1. Het bestuursorgaan stuurt de in de artikelen 9 tot en met 11 bedoelde aanvrager binnen twee weken na ontvangst van zijn aanvraag een ontvangstbevestiging waarin de aanvrager op de hoogte wordt gesteld van de te volgen procedure. 2. Indien de verstrekte gegevens of bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid zijn aanvraag binnen vier weken aan te vullen. 3. Het bestuursorgaan kan deze termijn op schriftelijk verzoek van de aanvrager eenmaal met vier weken verlengen. Paragraaf 4 Advies en beslissing Artikel 13 Advies deskundigen 1. Het bestuursorgaan stelt een adviescommissie in waaraan een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2, 9, eerste lid, 10, eerste lid, dan wel artikel 11, eerste lid, kan worden voorgelegd. 2. Het college stelt een reglement vast waarin de taken, bevoegdheden, wijze van benoeming van leden en werkwijze van de commissie worden vastgelegd. 3. Het bestuursorgaan vraagt aan de adviescommissie advies indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is vanwege de complexiteit van de aanvraag. 4. In elk geval is geen advies vereist, indien het bestuursorgaan: besluit een aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet in behandeling te nemen; van oordeel is dat zich een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 3, dan wel de aanvraag grotendeels overeenkomt met andere aanvragen waarover de adviescommissie advies heeft uitgebracht. van oordeel is dat kennelijk sprake is van het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, eerste tot en met vijfde lid.. Artikel 14 Behandeling aanvraag om nadeelcompensatie 1. Het bestuursorgaan stuurt het conceptbesluit en indien van toepassing het conceptadvies van de adviescommissie naar de aanvrager. 2. Het bestuursorgaan dat de beslissing op de aanvraag neemt stelt, de aanvrager in de gelegenheid schriftelijk dan wel mondeling zijn zienswijze in te dienen over het conceptbesluit en conceptadvies. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen bedraagt vier weken. Deze termijn kan op verzoek van de aanvrager met maximaal twee weken verlengd worden. 3. In de gevallen als bedoeld in artikel 13, vierde, lid kan de zienswijze alleen schriftelijk worden gegeven. Artikel 15 Afwijken van advies Indien de beslissing op de aanvraag afwijkt van het advies van de adviescommissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden. Artikel 16 Beslistermijn 1. Indien het bestuursorgaan de aanvraag om nadeelcompensatie voorlegt aan de adviescommissie, beslist het uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Van deze verdaging wordt schriftelijke mededeling gedaan. 2. Indien op grond van artikel 13, vierde lid, onder b en c, geen advies wordt ingewonnen, beslist het bestuursorgaan binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Van deze verdaging wordt schriftelijke mededeling gedaan. 3. Het bestuursorgaan beslist op een aanvraag om goedkeuring als bedoeld in artikel 10 of een aanvraag tot verlening van een voorschot als bedoeld in artikel 11, binnen acht weken na ontvangst daarvan. 4. Indien het bestuursorgaan besluit de in het derde lid bedoelde aanvraag voor te leggen aan de adviescommissie, beslist het binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 4 Overige bepalingen en slotbepalingen Artikel 17 Nadere regels Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels vaststellen met betrekking tot: het bepalen van de omvang en de hoogte van nadeelcompensatie, alsmede de wijze van vaststelling daarvan; de branchecorrectie; het al dan niet inschakelen van deskundigen of de adviescommissie; de bij de in de artikelen 9 tot en met 11 bedoelde aanvragen in te dienen stukken, alsmede de daaraan te stellen eisen. Artikel 18 Hardheidsclausule Het bestuursorgaan kan bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang dat deze verordening beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 19 Bijzondere projecten De gemeenteraad kan voor bijzondere projecten een afzonderlijke regeling treffen waarin de bepalingen van deze verordening worden aangevuld dan wel daarvan wordt afgeweken. Artikel 20 Reikwijdte Deze verordening is van toepassing op schade die is ontstaan na de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 21 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip. Artikel 22 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) Toelichting Toelichting bij Algemene Verordening Nadeelcompensatie ALGEMENE TOELICHTING 1.1. Inleiding Nadeelcompensatie in Nederland is een (vooralsnog) niet wettelijk geregelde verplichting van de overheid om schadevergoeding te betalen bij rechtmatig handelen. De basis van deze schadevergoedingsplicht berust op een beginsel uit de rechtspraak, namelijk dat een bestuursorgaan, onder voorwaarden, verplicht is tot het vergoeden van onevenredige nadelen die het rechtmatig overheidshandelen in het kader van de uitoefening van een publiekrechtelijke taak bij belanghebbenden heeft veroorzaakt (égalitébeginsel). De plicht tot nadeelcompensatie is dus ontleend aan het égalitébeginsel. Het gaat hier om een juridische aanspraak, niet om een gunst. De grondgedachte bij dit beginsel is dat de publieke lasten evenredig over de burgers verdeeld moeten worden. Een zekere mate van overlast of financieel nadeel ten gevolge van rechtmatig overheidshandelen dient te worden beschouwd als een normale maatschappelijke gebeurtenis, waarmee iedereen kan worden geconfronteerd. Vooropgesteld wordt dat de overheid niet verplicht is om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, (in zijn geheel) te vergoeden. Dat ingrijpen van de overheid voor sommige burgers en ondernemingen nadelige gevolgen kan hebben, is onvermijdelijk. Daarbij mag van de betrokkenen én van de overheid worden verwacht dat zij proberen het eventuele nadeel waar mogelijk te beperken of te voorkomen. Dit neemt niet weg dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een feitelijke handeling of maatregel dermate zwaar wordt getroffen dat dit nadeel redelijkerwijs niet ten laste van de getroffene kan blijven. 1.2Reden om verordening vast te stellen In Amsterdam bestaat wel een specifieke regeling voor schade als gevolg van (de aanleg van) de Noord-Zuidlijn. Deze verordening geldt echter niet voor andere schadeveroorzakende handelingen of besluiten. Voor zowel de burgers van Amsterdam, als voor de gemeente zelf, is het van belang dat er een laagdrempelig en eenduidige regeling komt voor de gehele gemeente. 1) een algemene regeling draagt bij aan een éénduidige wijze van behandeling Door het in het leven roepen van een Algemene Verordening Nadeelcompensatie (hierna: AVN) wordt bereikt dat burgers en ondernemers weten aan de hand van welke criteria een verzoek om nadeelcompensatie wordt beoordeeld en waar een verzoek om nadeelcompensatie moet worden ingediend. Voorkomen moet worden dat burgers zelf hun weg moeten vinden binnen de gemeente Amsterdam, met als risico dat de verschillende stadsdelen en diensten een burger onnodig doorverwijzen. Voorts moet worden voorkomen dat bijvoorbeeld stadsdelen en diensten eigen regelingen gaan vaststellen met elk een eigen behandelingsmethodiek en afwijkende inhoudelijke afwegingscriteria. Het bestaan van verschillende regelingen op het gebied van nadeelcompensatie binnen de gemeente, dan wel het geheel ontbreken daarvan, kan leiden tot rechtsongelijkheid. De vaststelling van een AVN voorkomt onvoldoende deskundig optreden door de verschillende gemeentelijke onderdelen en bevordert het bundelen van expertise. 2) een algemene regeling draagt bij aan een laagdrempelige bestuursrechtelijke rechtsbeschermingprocedure Het invoeren van een algemene regeling leidt ertoe dat een publiekrechtelijke grondslag ontstaat voor schadebesluiten, ook als de schade veroorzaakt is door feitelijk handelen. Dit heeft tot gevolg dat de burger in beginsel bij de bestuursrechter terecht komt, waarmee zowel de burger als de overheid hoge advocaatkosten besparen. Een algemene regeling waarborgt daarmee een betere, goedkopere en eenduidige rechtsbescherming. Daarbij is het van belang dat de burger wat betreft nadeelcompensatie - anders dan wanneer het gaat om onrechtmatig overheidshandelen - geen vrije keuze heeft om de civielrechtelijke weg te bewandelen als er een rechtsgang openstaat bij de bestuursrechter (of heeft opengestaan). 1.3 Reikwijdte en uitgangspunten De uitgangspunten van deze verordening zijn, ten eerste een breed toepassingsbereik te creëren, door de bevoegdheid tot vaststelling van de AVN op de A-lijst te plaatsen en de verordening van toepassing te verklaren op allerlei vormen van rechtmatig schadeveroorzakend handelen. Daarnaast wordt beoogd de uniformiteit in en de kwaliteit van de besluitvorming te bevorderen door een Stedelijke Adviescommissie in het leven te roepen die over verzoeken om nadeelcompensatie zal adviseren. De bevoegdheid om een aanvraag om nadeelcompensatie voor advies voor te leggen aan de Stedelijke adviescommissie wordt ook op de A-lijst geplaatst. De verordening is van toepassing indien de schade wordt veroorzaakt in de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Feitelijke handelingen, beschikkingen, besluiten van algemene strekking, beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften, kunnen een schadeoorzaak vormen naar aanleiding waarvan een schadeverzoek kan worden ingediend. Voorbeelden zijn infrastructurele projecten van een zekere omvang en duur. Daarnaast kan worden gedacht aan de verlening van een vergunning voor een groot evenement of de intrekking van bijvoorbeeld een ligplaatsvergunning of exploitatievergunning wegens gewijzigde inzichten of omstandigheden. Onder deze AVN kan ook de aantasting van het woongenot ten gevolge van (ernstige) overlast vallen. Die overlast moet wel in een geldsom zijn uit te drukken. Schade als gevolg van de aanleg van de Noord/Zuidlijn valt niet onder de ANV, omdat voor de aanleg van de Noord/Zuidlijn een specifieke nadeelcompensatieverordening geldt. 1.4 Relatie met andere regelgeving en beleid Bij het opstellen van deze AVN is aansluiting gezocht bij het Wetsvoorstel "Nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten". In dit wetsvoorstel staan nieuwe regels voor het overheidsaansprakelijkheidsrecht. Het wetsvoorstel bevat een algemene grondslag voor de vergoeding van schade door rechtmatig overheidsoptreden en is een codificatie van de bevoegdheid tot het toekennen van nadeelcompensatie in de Algemene wet bestuursrecht (hierna; Awb). 1.5 Relatie met BLVC en ‘werk met werk maken' Nadeelcompensatie staat in relatie tot de BLVC-methode (Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid, Communicatie), omdat het is in feite als het sluitstuk van overheidsmaatregelen fungeert. Bureau Stadsregie houdt zich bezig met de vraag hoe projecten zo goed mogelijk kunnen worden voorbereid en uitgevoerd. De relatie met nadeelcompensatie is, dat hoe beter het werk is voorbereid en hoe zorgvuldiger het werk wordt uitgevoerd hoe geringer de kans is dat sprake is van een nadeelcompensatieplicht. Daarnaast kan het de hoogte van de claims verminderen. De vraag welke procedures een project moet doorlopen voordat aan de uitvoering daarvan kan worden begonnen is afhankelijk van soort project, de locatie van het project en de duur van het project. Kern is dat voor alle projecten in ieder geval voorzien moet zijn in een vergunning, een instemmingsbesluit of een melding Meldpunt Opbrekingen openbare Ruimte (MOOR). Voor 'normale' werkzaamheden kan een vergunning worden verleend op basis van de Verordening Werken In de Openbare Ruimte (WIOR). Aan de vergunning kunnen voorwaarden en uitvoeringsvoorschriften worden verbonden. 1) Voor projecten op één van de Amsterdamse hoofdnetten is een BLVC-plan vereist. Voor kleine en kortlopende projecten met weinig impact hoeft geen BLVC-plan te worden gemaakt. 2) De stadsregisseur bepaalt in welk tijdvak het werk mag worden uitgevoerd. Dat is geregeld in de Verordening op de stadsdelen. Jaarlijks legt de stadsregisseur een Meerjarenanalyse voor aan het bestuur met tijdvakken en koppelingen van projecten. Daarnaast adviseert hij over BLVC-beleid. In Amsterdam is het beleid er daarnaast op gericht om verschillende werkzaamheden te combineren. De straat hoeft dan niet telkens open voor ieder apart project. Dit is geregeld in het Coördinatiestelsel Werken aan de Weg. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen Onder a, bestuursorgaan Met bestuurorganen worden bedoeld de organen als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. De burgemeester kan besluiten nemen, zoals de verlening, intrekking of wijziging van vergunningen in de openbare ordesfeer die tot nadeel voor derden of vergunninghouders kunnen leiden. Een aantal van deze bevoegdheden staat onder meer in de Algemene Plaatselijke Verordening. Voorbeelden zijn de verlening van exploitatievergunningen en evenementenvergunningen. Daarnaast kan het college van burgemeester en wethouders beslissingen en besluiten nemen die als schadeoorzaak kunnen worden aangemerkt. Hierbij kan gedacht worden aan infrastructurele maatregelen zoals hiervoor genoemd. Tot slot is het voorstelbaar dat de gemeenteraad besluiten neemt die schade kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld het vaststellen en wijzigen van verordeningen en beleidsnotities. Onder b, Schade Bij nadeelcompensatie wordt voor het schadebegrip aansluiting gezocht bij artikel 6:96 van het BW, de vermogensschade. Deze kan bestaan uit geleden verlies en gederfde winst (het achterwege blijven van vermogenvermeerdering), alsmede de redelijke kosten van schadebeperking, schadevoorkoming en schadevaststelling. Schade is een verslechtering of een vermindering ten opzichte van een bepaalde toestand, waarbij die vermindering aan een bepaald object (het vermogen of iets anders) wordt gerelateerd. Daaruit valt af te leiden dat de schade zich slechts laat vaststellen door een vergelijking te maken; het gaat om vermindering ten opzichte van een bepaalde toestand. Het gaat om een vergelijking tussen de financiële situatie waarin een persoon of instelling zich thans bevindt en de (hypothetische) financiële situatie waarin deze zich zou hebben bevonden indien de bewuste schadeveroorzakende gedraging achterwege zou zijn gebleven. Aan de hand van die vergelijking kan een indruk van het bestaan van schade en de omvang daarvan worden verkregen. Van nadeelcompensatie is alleen sprake als het nadeel weloverwogen is veroorzaakt. Het nadeel moet een noodzakelijk dan wel onvermijdelijk gevolg zijn van de betreffende overheidshandeling. Als er schade is als gevolg van bijvoorbeeld vernielingen tijdens de Ajax huldiging dan is veeleer sprake van een risicogeval. In zo'n geval kan niet worden gezegd dat dergelijke schade weloverwogen is veroorzaakt. Deze schade is meer het gevolg van het zich verwezenlijken van een bepaald risico. In risicosituaties is het intreden van nadelige gevolgen altijd onbekend en afhankelijk van een onzekere, toekomstige gebeurtenis. Dat element van onzekerheid is bij nadeelcompensatie afwezig. De belangen van de benadeelden zijn in een dergelijke casus niet bewust opgeofferd aan het algemeen belang van een huldiging. De gemeente heeft het ontstaan van de schade immers niet ‘op de koop toe' genomen, omdat in casu niet kan worden gezegd dat dit nadeel nu eenmaal een overmijdelijk gevolg is van de keuze om met de Ajax huldiging een algemeen (deel)belang te behartigen. Met art. 1 sub b is niet beoogd een uitputtende omschrijving te geven van de verschillende schadesoorten. Het is derhalve niet uitgesloten dat ook schade in de vorm van waardedaling of - in zeer uitzonderlijke gevallen - ‘ander nadeel' (dat niet uit vermogensschade bestaat) op grond van de verordening voor compensatie in aanmerking komt. Het recht op nadeelcompensatie op basis van deze verordening strekt zich slechts uit tot situaties waarin aan het schadeveroorzakende handelen een rechtmatige afweging van belangen is voorafgegaan en dus ook kon voorafgaan. Deze relatie tussen art. 3:4 lid 2 Awb en het égalitébeginsel is in vaste jurisprudentie gelegd. Aangezien het égalitébeginsel het belangrijkste ‘dragende' principe is achter de AVN is dit materiële verband tussen het égalitébeginsel en art. 3:4 lid 2 Awb ook in de tekst van de verordening tot uitdrukking gebracht. Waar het gaat om de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden, ligt aan de schade per definitie een (rechtmatige) afweging van belangen ten grondslag. Echter ook bij de uitoefening van publieke taken in de vorm van feitelijk handelen kan het verband met art. 3:4 lid 2 Awb worden gelegd. Wanneer bijvoorbeeld in het kader van de gemeentelijke vervoerstaak sprake is van het verleggen van een tram- of buslijn en een ondernemer stelt daarvan nadeel te ondervinden wegens afname aantal bezoekers, dan is ook deze schade het gevolg van een belangenafweging (vgl. art. 3:1 lid 2 Awb). Dat het om feitelijk handelen gaat, maakt daarbij geen verschil: ook dan is de égalité zonder meer van toepassing. Paragraaf 2 Het recht op nadeelcompensatie en de uitzonderingen hierop Artikel 2 Recht op nadeelcompensatie Lid 1 Égalitébeginsel en speciale last In dit lid is de grondslag van nadeelcompensatie (het égalitébeginsel) en de speciale last verwerkt. Met het vereiste van de speciale last wordt bedoeld, dat sprake moet zijn van een last die op een beperkte groep burgers of instellingen onevenredig zwaar drukt, zodat de gelijke behandeling met een vergelijkbare groep (de referentiegroep),die door de handeling wordt getroffen, wordt verstoord. In de AVN is niet gekozen om de referentiegroep in te vullen. Het kan voorkomen dat sprake is van een grotere groep getroffenen. In zo'n geval (bij een grote groep) volgt als vuistregel uit de jurisprudentie dat de benadeelde met zijn ‘groepsgenoten' moet worden vergeleken. De getroffene moet dus worden vergeleken met personen die zich bevinden in dezelfde positie als zij, maar de bijzondere last niet dragen. Alleen indien men behoort tot een grotere omlijnde groep die een bepaald kenmerk gemeen heeft en binnen deze groep ten opzichte de anderen bijzonder hard wordt getroffen, kan men stellen speciaal te zijn benadeeld. Nadeelcompensatie komt in beginsel dus niet toe aan een hele categorie van personen die een bepaald kenmerk gemeen hebben, maar alleen aan een subgroep uit deze categorie die door de overheidsmaatregel wordt getroffen. Artikel 2, eerste lid, laat de mogelijkheid om bij groepen benadeelden in beginsel de claim af te wijzen omdat er geen sprake is van ‘bijzonderheid' als de benadeelde zich in zijn nadeel niet van anderen onderscheidt. Een voorbeeld is dat door een overheidsmaatregel zoals de invoering van sluitingstijden voor horeca-exploitanten nadeel wordt geleden. De horeca-exploitant die om nadeelcompensatie vraagt moet aantonen dat zijn bedrijf in vergelijking met andere horecabedrijven onevenredig zwaar is getroffen, alvorens hij in aanmerking kan komen voor nadeelcompensatie. Geen vergoeding wordt toegekend indien de benadeelde zich onvoldoende onderscheidt van anderen die door dezelfde maatregel of vergelijkbaar overheidshandelen schade lijden of hebben geleden. Wanneer een groep ondernemers schade lijdt als gevolg van bijvoorbeeld normale onderhoudswerkzaamheden in een straat dan moet in de eerste plaats worden bekeken welke ondernemers uit die groep het meest zijn benadeeld. De plicht tot nadeelcompensatie bestaat jegens hen die het meest worden getroffen. Nadeelcompensatie betekent in feite dat met de tegemoetkoming aan degenen die de grootste schade hebben geleden in feite de ongelijkheid binnen de groep van getroffenen weer wordt hersteld. De ratio van nadeelcompensatie is dat iedereen in beginsel de ‘normale' schade die het gevolg is van rechtmatige overheidsmaatregelen zelf moet dragen, maar wanneer iemand uit de groep van benadeelden aantoont dat hij méér dan "normale"schade heeft geleden dan bestaat alleen jegens hem een nadeelcompensatieplicht. Voorbeeld Wanneer sprake is van een herprofilering en werkzaamheden aan het riool komt het regelmatig voor dat de betreffende weg moet worden afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Wanneer een winkelier dan een verzoek indient voor nadeelcompensatie moet voorop worden gesteld dat een dergelijke verkeersmaatregel een normale maatschappelijke ontwikkeling is. De nadelige gevolgen behoren daarom in beginsel voor rekening van de winkelier te blijven. Er kan echter sprake zijn van onevenredige schade ten opzichte van andere benadeelden, maar die moet benadeelde dan wel aannemelijk maken. Als de winkelier niet zwaarder is getroffen dan de andere winkeliers in de straat dan voldoet hij niet aan het vereiste van een speciale last. Dit betekent dat hij binnen de groep van getroffen winkeliers in die straat niet in het bijzonder is getroffen. Lid 2 (normaal maatschappelijk- of normaal ondernemersrisico) Het begrip normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico maakt onderdeel uit van het koepelbegrip "vereiste van de abnormale last" Dit vereiste houdt in dat de schade buiten het normale maatschappelijke of normale bedrijfsrisico moet vallen om voor vergoeding in aanmerking te komen. Onevenredig zwaar getroffen (abnormale last) Burgers en ondernemers dienen de ‘normale lasten' van het rechtmatig functioneren van de overheid voor eigen rekening te nemen. De rechtvaardiging voor het stellen van deze eis is gelegen in de gedachte dat burgers als lid van de gemeenschap ook profiteren van de overheidsdienst. Zo goed als zij de voordelen accepteren, moeten zij in beginsel ook de nadelen daarvan accepteren. Ontstaat er een wanverhouding tussen lusten en lasten, dan is geen sprake meer van ‘normale' en dus te dulden maatschappelijke risico's. Het begrip normaal maatschappelijk risico moet worden ingevuld aan de hand van abstracte en concrete omstandigheden. Omstandigheden die van belang zijn, zijn omvang van het in concreto geleden nadeel en de (on)voorzienbaarheid van het nadeel, mede gelet op de wijze van uitvoering van het rechtmatig handelen of het tijdstip waarop dit handelen plaatsvond. In situaties van rechtmatig toegebrachte hinder wordt de ernst van de schade afgemeten aan de hand van de duur, intensiteit en omvang van de hinder. Voorbeelden van in beginsel normale overheidshandelingen zijn (onderhouds)werkzaamheden aan de weg, bruggen, riolering, dijken en kademuren en het verlenen van vergunningen voor evenementen. Met deze nadelen moet men in zijn algemeenheid rekening houden ook al bestaat er geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zal concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien. Daarnaast is van belang op welke wijze een "normale" maatregel in een concreet geval is geëffectueerd en welke concrete gevolgen dit heeft gehad. Zo kan een normale maatregel zoals rioleringsherstel als gevolg van bijzondere omstandigheden onevenredige schade veroorzaken. In dit verband is van groot belang dat toepassing wordt gegeven aan de BLVC-methodiek om eventueel nadeel zoveel mogelijk te beperken. Aan bedrijven wordt normaal bedrijfs- of ondernemersrisico tegengeworpen. Uitgangspunt is dat elke zelfstandige ondernemer zijn onderneming drijft voor zijn eigen risico en ook zelf verantwoordelijk is voor zijn beslissingen. Tot het normale ondernemersrisico behoren nadelen die direct samenhangen met de keuze voor een bepaald type bedrijfsvoering of een bepaalde inrichting van het bedrijf inclusief de keuze voor een bepaalde locatie. Ondernemers hebben te maken met een uitgebreidere risicotoerekening. Alleen als de maatregel sterk afwijkt van het normale verwachtingspatroon, waarop elke ondernemer bedacht dient te zijn, kan een aanspraak op nadeelcompensatie bestaan. De benadeelde moet aannemelijk maken dat een rechtmatige overheidsmaatregel desondanks naar tijd, plaats, ontstaanswijze en begeleidende omstandigheden en/of aard, ernst, duur en/of omvang van de daardoor veroorzaakte schade, een dermate uitzonderlijk en ongebruikelijk karakter heeft, dat een redelijk denkende en handelende ondernemer een dergelijke gedraging niet van de overheid had behoeven te verwachten. Voorzienbaarheid In de praktijk speelt de voorzienbaarheid een belangrijke rol om te bepalen of een nadeel als een ‘normaal maatschappelijk/ondernemers risico' kan worden aangemerkt. Wanneer schade in algemene zin te verwachten is, omdat zij inherent is aan de activiteit die de getroffene ontplooit, kan men spreken van voorzienbaarheid in abstracto. Het gaat dan om de vraag of een bepaald nadeel naar ervaringsregels te verwachten was, mede gelet op eigenschappen van de getroffene, de plek waar hij woont, dan wel het bedrijf dat hij uitoefent. Zo moeten bijvoorbeeld horecaexploitanten in een dichtbevolkte stad eerder rekening houden met een beperking van openingstijden, dan wanneer het gaat om een horecabedrijf in het buitengebied dat is gelegen, op grote afstand van een woonwijk. Een ander voorbeeld is dat de bewoner van een druk bevolkte binnenstad zich dient in te stellen op ongemakken in zijn omgeving, zoals werkzaamheden aan de infrastructuur en evenementen. Voorzienbaarheid in abstracto neemt niet weg dat telkens dient te worden bezien of ook de uitwerking van een op het eerste gezicht ‘normale' maatregel ‘normaal' was. Bij voorzienbaarheid in concreto gaat het erom of de getroffene daadwerkelijk heeft voorzien of in elk geval had behoren te voorzien dat een maatregel van een bepaalde strekking zou worden genomen. Ook hierin komt het belang van de zogeheten BLVC methodiek naar voren, omdat volgens deze methode aandacht wordt besteed aan onder meer communicatie met belanghebbenden over op handen zijnde overheidsmaatregelen. Lid 3 (de drempelwaarde) Feitelijk geven drempelpercentages uitdrukking aan de gedachte dat schade van een bepaalde omvang voor rekening van de burger zelf blijft, in het licht van de onvermijdelijke nadelen die men soms zal moeten dulden in een samenleving op een beperkt grondgebied. De drempelwaarde is een ondergrens in de vorm van een normaal maatschappelijk risico, die vooraf gaat aan het berekenen van de schade en aan een mogelijke korting die uit hoofde van maatschappelijk risico (alsnog) op de geleden schade in mindering wordt gebracht. De gedachte is dat bij schade van een bepaalde omvang nog geen sprake is van een wanverhouding tussen lusten en lasten. Wanneer een bedrijf een omzetdaling van 2% op jaarbasis ondervindt ten gevolge van rioleringswerkzaamheden (voorzienbaar) dan kan dat mede worden verklaard door het uitgangspunt dat een dergelijk, geringe daling niet uitzonderlijk is en behoort tot de nadelen waarmee een bedrijf in abstracto rekening dient te houden en die niet uitstijgen boven de normale, eens in de zoveel tijd te verwachten nadelen, waarmee elk bedrijf rekening dient te houden. Ten aanzien van de koppeling aan de omzet kan worden gezegd dat het werken met omzetdrempels de afgelopen jaren algemeen gebruikelijk is geworden. De Amsterdamse praktijk sluit op dit punt onder meer aan op de praktijk in Utrecht (HOV-baan), Den Haag (Souterrain-project) en bij de aanleg van de Betuweroute (Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute). Het aanhaken bij de omzet is ook door de Afdeling in meerdere uitspraken goedgekeurd. In de verordening is gekozen voor een omzetdrempel van 8% op jaarbasis van de gemiddelde jaaromzet om een concreet criterium te geven voor de praktijk, dat aangeeft in welk geval schade in elkgeval niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat wil niet zeggen dat een schadebedrag dat boven de drempelwaarde uitkomt per definitie voor vergoeding in aanmerking komt. Zie in dit verband de toepassing van kortingspercentages in artikel 2, zesde lid, van deze Verordening. Het toepassen van een vast drempelpercentage biedt rechtszekerheid en sluit goed aan bij de gedachte dat burgers de lasten die voortvloeien uit rechtmatig overheidshandelen in beginsel zelf dienen te dragen. Lid 4 (kostendrempel) In plaats van schade als gevolg van een daling van de omzet, kan schade ook het gevolg zijn van een verhoging van de kosten, bijvoorbeeld indien bedrijven als gevolg van een verkeersmaatregel gedurende lange tijd lang en ver moeten omrijden. De AVN bevat ook voor die gevallen een drempelwaarde (een percentage van de totale kosten op jaarbasis). Lid 5 (Drempel bij waardevermindering) Het is mogelijk dat een ‘gewone' burger schade lijdt ten gevolge van - bijvoorbeeld - het omleggen van een weg, waardoor waardevermindering van zijn onroerend goed optreedt. Deze vermindering zal permanent van aard moeten zijn, nu tijdelijke waardevermindering in het algemeen, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet voor nadeelcompensatie in aanmerking komt. Wanneer deze vermindering optreedt onafhankelijk van de wijziging van een bestemmingsplan (in welk geval art. 6.1 Wro immers van toepassing
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.