VERORDENING VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE KERKRADE 2012Hoofdstuk1.Begripsomschrijvingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. Wet Wet maatschappelijke ondersteuning. b. College College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade. c. Beperkingen Beperkingen: belemmeringen die een persoon ondervindt met het uitvoeren van activiteiten. d. Aanvraag Aanvraag: het verzoek van een belanghebbende om in aanmerking te komen voor één of meerdere voorzieningen om een resultaat te bereiken in het kader van deze verordening. e. Belanghebbende Belanghebbende: een persoon met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem die behoefte heeft aan compensatie om zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren te bevorderen en die voor zichzelf een aanmelding of een aanvraag doet of dit - met behulp van een machtiging - door een ander laat doen. f. Psychosociaal probleem Psychosociaal probleem: een situatie van verlies van zelfstandigheid en een belemmering tot deelname aan het maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door belemmeringen die iemand ondervindt in zijn relatie met anderen. g. Algemene voorziening Algemene voorziening: een voorziening die die normaal in de maatschappij aanwezig en beschikbaar is en door iedereen die daar behoefte aan heeft op eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure. h. Algemeen gebruikelijke voorziening Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat belanghebbende daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken i. Individuele voorziening Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt. j. Gebruikelijke zorg Gebruikelijke zorg: de zorg die op het gebied van het voeren van het huishouden voor huisgenoten als algemeen aanvaardbaar wordt beschouwd. k. Voorziening in natura Voorziening in natura: een voorziening, in te zetten om het resultaat te bereiken, in de vorm van goederen in (bruik)leen of in eigendom, of in huur of als persoonlijke dienstverlening. l. Persoonsgebonden budget (pgb) Persoonsgebonden budget: een geldbedrag, zoals bedoeld in artikel 6 en 6a van de wet, waarmee de belanghebbende een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening, het Besluit en het Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van toepassing zijn. m. Financiële tegemoetkoming Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de belanghebbende, en waarop de in deze verordening, het Besluit en het Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van toepassing zijn. n. Hoofdverblijf Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de belanghebbende zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal staan. Indien de gehandicapte met een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal staan, gaat het om het feitelijk woonadres. o. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. p. Maatschappelijke participatie Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven. q. Eigen bijdrage Eigen bijdrage: een door het CAK vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget voor rekening van de belanghebbende komt. r. Eigen aandeel Eigen aandeel: een door het college vast te stellen eigen aandeel, dat bij de verstrekking van een financiële tegemoetkoming (zie m.) voor rekening van de belanghebbende komt. s. Huisgenoot Huisgenoot: iedere persoon met wie de belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont; t. Budgethouder: Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is; u. Besluit Het door het college vastgestelde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade. v. Besluit maatschappelijke ondersteuning Het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning (oorspronkelijke publicatie Staatsblad 2006, 450). Hoofdstuk2.Resultaatgerichte compensatie Artikel2De te bereiken resultaten De op basis van artikel 4 lid 1 van de wet via compenserende maatregelen te bereiken resultaten zijn: een schoon en leefbaar huis; wonen in een geschikt huis; beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding; het (thuis) kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; zich verplaatsen in en om de woning; zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. HOOFDSTUK3.HOE TE KOMEN TOT DE TE BEREIKEN RESULTATEN Artikel3De aanvraag De aanvraag van een individuele voorziening moet in beginsel schriftelijk of elektronisch plaatsvinden. Voor de aanvraag van een voorziening stelt het college een formulier ter beschikking. Artikel4Scheiding aanmelding en aanvraag 1.In de volgende gevallen is het in ieder geval van belang dat belanghebbende zich aanmeldt voor een gesprek, voordat hij een (officiële) aanvraag voor een individuele voorziening indient: de aanvraag is afkomstig van een belanghebbende die nog niet eerder een aanvraag in het kader van de wet heeft gedaan; de aanvraag is afkomstig van een belanghebbende die al eerder een gesprek heeft gevoerd maar waarbij sprake is van gewijzigde omstandigheden of gewijzigde te bereiken resultaten; de belanghebbende of het college verzoekt daarom. 2.Indien belanghebbende aangeeft direct een aanvraag in te willen dienen vervalt het gestelde in het eerste lid. Hoofdstuk4.Beoordeling van de te bereiken resultaten Paragraaf1.Algemene regels Artikel5Het maken van een afweging 1.Bij het beoordelen welke voorzieningen nodig en mogelijk zijn, gaat het college uit van de behoeften en persoonskenmerken van de belanghebbende. Met zo veel als nodig maatwerk wordt een optimaal resultaat behaald. 2.Het college betrekt bij zijn beoordeling omtrent de noodzaak een voorziening te verstrekken in ieder geval: de vastgestelde beperkingen die belanghebbende ondervindt op één of meerdere resultaatsgebieden als genoemd in hoofdstuk 2; de eigen mogelijkheden om de beperkingen te compenseren; de beschikbaarheid van mantelzorg en overige hulp; de woon- en gezinssituatie van belanghebbende en de verdere sociale structuur om de belanghebbende heen; de keuzes die belanghebbende maakt in het leven, waarbij verwacht mag worden dat hij keuzes maakt die maatschappelijk gezien passend en verantwoord zijn gelet op zijn individuele situatie. 3.Alle algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen die beschikbaar en bruikbaar zijn, worden eerst beoordeeld. Paragraaf2De te bereiken resultaten - een schoon en leefbaar huis Artikel6Een schoon en leefbaar huis 1.Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een huis dat schoon en leefbaar is. Dit geldt vooral voor de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten. 2.Met het oog op een schoon en leefbaar huis kan een individuele voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware huishoudelijke werk. Bij die individuele voorziening wordt onderscheid gemaakt tussen: HH1 (Eenvoudig schoonmaakwerk) HH2 (HH1 + Regie van het huishouden) 3.De individuele voorziening als bedoeld in lid 2 wordt niet verstrekt indien en voor zover de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die het huishoudelijke werk kunnen verrichten. Artikel7Vorm De individuele voorziening als bedoeld in artikel 6 lid 2 wordt verstrekt in natura, of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Artikel8Omvang van de voorziening De omvang van de voorziening als bedoeld in artikel 6 wordt uitgedrukt in minuten. Artikel9Omvang van het persoonsgebonden budget De bedragen die per tijdseenheid , zoals genoemd in artikel 8, in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden door het college vastgesteld en opgenomen in het (gemeentelijk) Besluiten kunnenjaarlijks worden bijgesteld. Paragraaf3De te bereiken resultaten - Wonen in een geschikt huis Artikel10Normaal gebruik kunnen maken van de woning 1.Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Dit geldt ten aanzien van de woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, berging, tuin of balkon. 2.Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele voorziening worden getroffen voor de door het college in het (gemeentelijk) Besluit nader te bepalen kosten ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid, veiligheid en bruikbaarheid van de woning. Indien de aanpassing van de huidige woning een door het college in het (gemeentelijk) Besluit vastgesteld bedrag te boven gaat, wordt het primaat van verhuizen toegepast. Dit houdt in dat: als de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning of een goedkoper geschikt te maken woning en die verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, worden ten aanzien van de huidige woning geen individuele voorzieningen verstrekt, anders dan een eventuele verhuiskostenvergoeding en de aanpassingen aan de nieuwe woning. Artikel11Vorm De individuele voorziening als bedoeld in artikel 10 lid 2 wordt verstrekt in: natura, of in de vorm van een persoonsgebonden budget, of in de vorm van financiële tegemoetkoming (bijvoorbeeld verhuiskostenvergoeding). Artikel12Bezoekbaar maken 1.In afwijking van de in artikel 10 lid 1 gestelde voorwaarde dat de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning, kan een voorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling. 2.De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. 3.De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in lid 1 bedoelde woonruimte, met een door het college in het (gemeentelijk) Besluit vast te leggen maximumbedrag. 4.Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een voorziening bewerkstelligen dat de belanghebbende de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Artikel13Weigeringgronden 1.Het college weigert de voorziening als bedoeld in deze paragraaf indien: de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe, op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de voorziening samenhangt met / betrekking heeft op een verhuizing naar de niet voor de beperkingen van belanghebbende op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; de voorziening samenhangt met / betrekking heeft op een verhuizing vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; de voorziening samenhangt met/betrekking heeft op een verhuizing naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. 2.Het college weigert een verhuiskostenvergoeding indien de belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Artikel14Uitsluitingen De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op: het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; het treffen van voorzieningen in woongebouwen, die specifiek gericht zijn op mensen met een beperking en ouderen, voor zo ver het betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Paragraaf4De te bereiken resultaten - beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften Artikel15Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften 1.Het derde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijks benodigde hoeveelheid etenswaren en drank, toiletartikelen en schoonmaakartikelen en zo nodig de bereiding van maaltijden. 2.Met het oog op het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het doen van boodschappen, voor wat betreft levensmiddelen, schoonmaakmiddelen en toiletartikelen, alsmede het bereiden en aanreiken van maaltijden. 3.Het college weigert de individuele voorzieningen als bedoeld in lid 2 voor zover: de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die de boodschappen kunnen doen en/of de maaltijden kunnen bereiden, of de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare boodschappenservice of maaltijdvoorziening, als bedoeld in lid 2, die in de individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat. Artikel16Vorm De individuele voorziening als bedoeld in artikel 15 lid 2 wordt verstrekt in: natura, of de vorm van een persoonsgebonden budget. Paragraaf5De te bereiken resultaten - beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding, bed-en linnengoed Artikel17Beschikken over kleding, bed-en linnengoed 1.Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van schone, draagbare en doelmatige kleding en van schoon bed- en linnengoed. 2.Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en schoon bed- en linnengoed kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het wassen, drogen en strijken en opruimen van de dagelijkse was. 3.De belanghebbende komt niet in aanmerking voor een individuele voorziening als bedoeld in lid 2 voor zover de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die de kleding of het bed- en linnengoed kan wassen, drogen, strijken of opruimen. Artikel18Vorm De individuele voorziening als bedoeld in artikel 17 lid 2 wordt verstrekt in: natura, of de vorm van een persoonsgebonden budget. Paragraaf6De te bereiken resultaten - Het (thuis) kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Artikel19Het (thuis) kunnen zorgen voor kinderen van het gezin 1.Het vijfde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit de dagelijkse, noodzakelijke zorg voor in het huishouden aanwezige kinderen. 2.Met het oog op het (thuis) kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren, kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het –tijdelijk ter overbrugging van een periode noodzakelijk voor het nemen van meer definitieve maatregelen – vervangen van de ouder die in principe voor de kinderen zorgt. 3.Het college weigert een individuele voorziening als bedoeld in lid 2 voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de belanghebbende kunnen leiden tot het te bereiken resultaat. Artikel20Vorm De individuele voorziening als bedoeld in artikel 19 lid 2 wordt verstrekt in: natura, of de vorm van een persoonsgebonden budget. Paragraaf7De te bereiken resultaten - zich verplaatsen in en om de woning Artikel21Zich verplaatsen in en om de woning 1.Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen in en om de woning bestaat uit het in staat zijn om de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, de keuken en de sanitaire ruimten, de berging, de tuin of het balkon te kunnen bereiken en er zich zodanig te kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is. 2.Met het oog op het zich verplaatsen in en om de woning kan een individuele voorziening worden getroffen. Artikel22Vorm De individuele voorziening als bedoeld in artikel 21 lid 2 wordt verstrekt in: natura, of in de vorm van een persoonsgebonden budget, of de vorm van een financiële tegemoetkoming. Artikel23Weigeringgronden 1.Het college weigert de voorziening als bedoeld in deze paragraaf indien: de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe, op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de voorziening samenhangt met / betrekking heeft op een verhuizing naar de niet voor de beperkingen van belanghebbende op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; de voorziening samenhangt met / betrekking heeft op een verhuizing vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; de voorziening samenhangt met/betrekking heeft op een verhuizing naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. 2.Het college weigert een verhuiskostenvergoeding indien de belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Artikel24Uitsluitingen De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op: het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; het treffen van voorzieningen in woongebouwen, die specifiek gericht zijn op mensen met een beperking en ouderen., voor zo ver het betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Paragraaf8De te bereiken resultaten - zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel25Zich verplaatsen per vervoermiddel 1.Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie, kennissen en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de directe woon- en leefomgeving. 2.Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand binnen de directe woon en leefomgeving. 3.Bij de te verstrekken voorziening als bedoeld in lid 2 wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke deelname uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. 4.De te verstrekken voorziening als bedoeld in lid 2 zal maatschappelijke deelname door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer tot maximaal 2000 kilometer mogelijk maken. Artikel26Het recht op een voorziening voor het zich lokaal verplaatsen Een belanghebbende kan voor de in artikel 25 lid 2 vermelde voorzieningen in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen het gebruiken of bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken. Artikel27Het primaat van het collectief vervoer Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur en dit leidt tot het te bereiken resultaat, wordt belanghebbende voor dit collectief vraagafhankelijk vervoer in aanmerking gebracht en niet voor andere individuele voorzieningen. Artikel28Vorm 1.De individuele voorziening als bedoeld in artikel 25 lid 2 wordt verstrekt in: natura, of in de vorm van een persoonsgebonden budget, of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (indien het vergoeding van vervoerskosten betreft). 2.In afwijking van lid 1 wordt het collectief vervoer alleen in natura verstrekt. Paragraaf9De te bereiken resultaten - Contacten met medemensen en deelname aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten Artikel29De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten 1.Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten bestaat uit het zo mogelijk kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het deelnemen aan gewenste activiteiten. 2.Met het oog op de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het vervoer naar de gewenste bestemmingen en het deelnemen aan gewenste activiteiten. 3.Het college weigert de individuele voorziening als bedoeld in lid 2 voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een of meer aanwezige en bruikbare (vrijwilligers)organisaties die in de individuele situatie van belanghebbende kunnen leiden tot het te bereiken resultaat. 4.Indien de individuele voorziening als bedoeld in lid 2 louter is bedoeld om te sporten, dan wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt tot een door het college in het (gemeentelijk) Besluit vast te leggen maximumbedrag. Artikel30Vorm 1.De individuele voorziening als bedoeld in artikel 29 lid 2 wordt verstrekt in: natura, of in de vorm van een persoonsgebonden budget, of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (indien het vergoeding van vervoerskosten betreft). 2.In afwijking van lid 1 wordt het collectief vervoer alleen in natura verstrekt. Hoofdstuk5Verstrekkingsvormen, eigen bijdrage en eigen aandeel Paragraaf1Verstrekking van voorzieningen Artikel31Overwegende bezwaren Het college legt in het (gemeentelijk) Besluit vast in welke situaties sprake is van overwegende bezwaren zodat er geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Paragraaf2Verstrekking als persoonsgebonden budget (pgb) Artikel32Bepalingen Op het persoonsgebonden budget, zoals genoemd in artikelen 6 lid 1 en 6a van de wet, zijn de volgende bepalingen van toepassing: een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen; de bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een materiële voorziening worden bepaald als tegenwaarde van de voorziening die de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het (gemeentelijk) Besluit; Het college kan controleren of het verstrekte persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is, volgens de voorschriften zoals door het college in het (gemeentelijk) Besluit opgenomen. Indien een belanghebbende met een persoonsgebonden budget een voorziening in eigendom heeft verworven, en hij de voorziening binnen de afschrijvingstermijn van de voorziening, zoals door het college vastgesteld in het (gemeentelijk) Besluit, niet meer gebruikt, omdat deze niet verwijtbaar meer adequaat is, kan de waarde van de desbetreffende voorziening worden verrekend met een eventueel nieuw toe te kennen persoonsgebonden budget. De waarde van de voorziening is gebaseerd op de door het college in het (gemeentelijk) Besluit vastgestelde afschrijvingssystematiek. Verrekening zoals bedoeld in lid 3 vindt niet plaats, indien de belanghebbende de desbetreffende voorziening binnen een redelijke termijn aan de gemeente schenkt. Paragraaf3Eigen bijdrage en eigen aandeel Artikel33Eigen bijdrage en eigen aandeel 1.Bij het verstrekken van individuele voorzieningen in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget is de belanghebbende een eigen bijdrage verschuldigd en bij het verstrekken van individuele voorzieningen in de vorm van financiële tegemoetkoming is de belanghebbende een eigen aandeel verschuldigd. Het college legt in het (gemeentelijk) Besluit de de criteria voor berekening van deze eigen bijdrage en eigen aandeel vast. Hoofdstuk6.Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en besluitvorming, intrekking en terugvordering Artikel34Voorwaarden en weigeringgronden 1.Een voorziening kan worden toegekend indien: deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen - op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en/of bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan - op te heffen of te verminderen, en deze als de goedkoopst compenserende voorziening aan te merken is, en deze in overwegende mate op het individu is gericht, en geen algemene weigeringgronden als bedoeld in lid 2 of specifieke weigeringgronden als geformuleerd bij de artikelen die betrekking hebben op de te bereiken resultaten van toepassing zijn. 2.Het college weigert een voorziening: indien de voorziening voor een persoon als de belanghebbende algemeen gebruikelijk is. indien de belanghebbende niet woonachtig is in de gemeente Kerkrade. voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. voor zover er aan de zijde van de belanghebbende geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of deze voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst compenserend aan te merken valt. Deze weigeringgrond kan niet worden gehanteerd indien het college uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven tot het maken van de kosten voorafgaand aan het moment van beschikken. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder - krachtens deze verordening, dan wel krachtens voorafgaande Verordeningen Wet maatschappelijke ondersteuning en Verordeningen voorzieningen gehandicapten - is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening, zoals door het college vastgesteld in het (gemeentelijk) Besluit, nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan of niet langer adequaat is door omstandigheden die niet aan de belanghebbende zijn toe te rekenen. 3.Lid 2 onderdeel b is niet van toepassing indien: de aanvraag het bezoekbaar maken van een woning, als bedoeld in artikel 12, betreft, en de belanghebbende een woning in de gemeente Kerkrade heeft gehuurd of gekocht en hij deze woning niet eerder kan betrekken dan nadat die woning is aangepast. 4.Het college verleent de voorzieningen als bedoeld in de artikelen 10 lid 2 en 21 lid 2, indien ze betrekking hebben op een woonwagen, indien: de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar is; én de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt; én de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag op een binnen de gemeente Kerkrade formeel als zodanig aangemerkte standplaats stond. 5.Het college verleent slechts een persoonsgebonden budget voor de voorzieningen als bedoeld in de artikelen 10 lid 2 en 21 lid 2 ten behoeve van een binnenschip indien die voorzieningen betrekking hebben op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987, 466), van een binnenschip, dat: a.in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel te boek gestelde schepen 1992; én bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het metingbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde personen. 6.De specifieke voorwaarden en weigeringgronden als geformuleerd bij de artikelen die betrekking hebben op de te bereiken resultaten zijn onverkort van toepassing. Artikel35Advisering 1.Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, de belanghebbende of bij gebruikelijke zorg diens relevante huisgenoten: Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2.Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien: het handelt om een aanvraag een persoon betreffend die nog niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening heeft ingediend en waarbij de medische situatie onduidelijk is. . de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen; het college dat voor het overige gewenst vindt. 3.Bij de advisering zoals genoemd in het tweede lid wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functioning, Disability and Health, de ICF classificatie. Artikel36Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten De aanvraag dient te worden ingediend bij de gemeente of bij het sociaal wijkteam, waar aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook aanvragenzorg inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend. Artikel37Samenhangende afstemming Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de belanghebbende, laat het college onderzoek verrichten naar de situatie van de belanghebbende. Artikel38Wijzigingen in situatie De verkrijger van een toegewezen voorziening is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. Artikel39Intrekking en herziening 1.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken of herzien indien: niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Wet, het (landelijk) Besluit Maatschappelijke Ondersteuning of deze verordening,; op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren, dat, als de juiste gegevens bekend geweest waren, een andere beslissing zou zijn genomen. 2.Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel40Terugvordering en verrekening 1.Indien het besluit tot toekenning van het recht op een voorziening is ingetrokken of herzien kan het college op basis daarvan een reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget terugvorderen. 2.Ingeval het besluit tot toekenning van het recht op een in eigendom of in natura (bruikleen) verstrekte voorziening is ingetrokken kan het college deze voorziening terugvorderen indien de voorziening is toegekend op grond van zodanig onjuiste gegevens dat, als de juiste gegevens bekend geweest waren, een andere beslissing zou zijn genomen. 3.De in artikel 4.8 Besluit maatschappelijke ondersteuning genoemde bevoegdheid wordt gedelegeerd aan het college, inclusief de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels terzake. HOOFDSTUK7.SLOTBEPALINGEN Artikel41Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel42Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze Verordening berustende (gemeentelijk) Besluit geldende bedragen verhogen of verlagen. Artikel43Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2012 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Kerkrade 2009, vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 22 april 2009. Artikel44Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2012. Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering d.d. 26 september 2012.De voorzitter van de raad, De interim-griffier,J.J.M. Som mr. G.J.A. van DorstNota-toelichting Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Kerkrade 2012 Inleiding De voorliggende conceptverordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Kerkrade en bijbehorende concepttoelichting (mei 2012) zijn gebaseerd op de modellen van de VNG en enkele aanpassingen van Schulinck. Vrij vlot na de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) op 1 januari 2007, heeft de VNG het initiatief genomen om de modelverordening door te ontwikkelen. De nieuwe modelverordening (versie december 2010) is de weerslag van twee zaken: de resultaten van het project “De Kanteling” en de jurisprudentie, vooral die van de Centrale Raad van Beroep. Bij het opstellen van de nieuwe landelijke modelverordening hebben de gemeente Kerkrade en het Wmo-platform Kerkrade een belangrijke adviesrol gespeeld. De opbouw van deze modelverordening is geheel anders dan die van de voorafgaande modelverordening en die van de Wvg was. In de nieuwe modelverordening ligt het zwaartepunt op de te behalen resultaten in plaats van op voorzieningen. Na de begripsomschrijvingen licht de focus op de te bereiken resultaten. Daarin is per onderdeel van de Wmo, zoals geschetst in artikel 4 lid 1 van de wet (een huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan) uitgewerkt wat daarbij als resultaat bereikt moet worden. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele aspecten. Algemene voorzieningen hebben in deze verordening voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de belanghebbende. Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in een Besluit. Het Besluit wordt, evenals de Verordening, gebaseerd op een model van de VNG. Nadere bepalingen omtrent de uitvoering / toepassing van de verordening (uitvoeringsbeleid) worden opgenomen in de Beleidsregels. Voorliggend concept is aangepast aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dd 18-1-2012 inzake “verbod op inkomensgrenzen”, in die zin dat geen bepalingen omtrent inkomensgrenzen zijn opgenomen (staan ook niet in de modelverordening). De adviesraden en het Wmo-platform van Kerkrade hebben intensief meegewerkt aan de totstandkoming van deze verordening, zowel naar inhoud als naar taalgebruik. Algemene toelichting. De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen. Het is met name de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt: “Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Function, Disability and Health (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen. De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.” Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen Ad a. Wet Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet. Ad b. College Deze bepaling spreekt voor zich. Ad c. Beperkingen De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde Naties). Ad d. Aanvraag De aanvraag kan schriftelijk of elektronisch gedaan worden. Zie verder artikel 3. Ad e. Belanghebbende Deze definitie is afgeleid van de personen als genoemd in artikel 1 lid 1 onderdeel g Wmo aan wie het college voorzieningen moet verlenen ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer. Ad f. psychosociaal probleem Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009. LJN: BI6832). Het betreft met name en verlies van zelfstandigheid of deelname aan het maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo. Ad g. Algemene voorziening Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De verstrekkingprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op verzoek zal er aan de belanghebbende wel een beschikking kunnen worden afgegeven, zodat rechtsbescherming gewaarborgd is. Ad h. Algemeen gebruikelijke voorziening Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder de Wmo niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij niet gehandicapt was, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG en CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de belanghebbende ziet op het beantwoorden van de vraag of de belanghebbende over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij niet gehandicapt zou zijn geweest. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal criteria een rol spelen, zoals: de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar; de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten bedoeld; de voorziening is niet aanzienlijk duurder dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel. Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder n. Ad i. Individuele voorziening Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de belanghebbende. Door het college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en personenalarmering. Voorbeelden van individuele voorzieningen per resultaatgebied: een huishouden te voeren: HH1 en HH2, woningaanpassing, zich te verplaatsen in en om de woning: rolstoel, woningaanpassing zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel: scootmobiel, reductiepas Regiotaxi, medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan: idem. Ad j Gebruikelijke zorg Huisgenoten hebben gezamenlijk de taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de verdeling en dit uitgangspunt heeft een verplichtend karakter. Dit wordt gebruikelijke zorg genoemd. Ad k Voorziening in natura Voorzieningen die niet in de vorm van financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening. Ad l Persoonsgebonden budget (pgb) Dit lid beschrijft het persoonsgebonden budget als een geldbedrag dat de belanghebbende onder door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een of meer voorzieningen waarmee het te bereiken resultaat wordt bereikt. Ad m Financiële tegemoetkoming Een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet per sé een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. Ad n Hoofdverblijf De compensatieplicht strekt zich uit tot de inwoners van de gemeente. De feitelijke verblijfssituatie geeft hierover uitsluitsel. De inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) kan daarbij een indicatie zijn. Als de persoon met beperkingen naar een andere gemeente wil verhuizen moet duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning staat. Deze gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de woning de goedkoopst compenserende oplossing is of dat al een geschikte woning beschikbaar is. De gemeente waaruit de persoon met beperkingen vertrekt, heeft hier geen inzicht in. Ook in die gevallen dat een aanvraag wordt gedaan voor het bezoekbaar maken van een woonruimte voor de belanghebbende die in een AWBZ-instelling verblijft, is bovenstaande formulering van belang. Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten gemeente. Ad o. Zelfredzaamheid Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd. Ad p. Maatschappelijke participatie Deze begripsomschrijving is ontleend aan de toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd. Ad q Eigen bijdrage Artikel 15 lid 1 van de wet verleent de gemeente de bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat op grond van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels (Besluit maatschappelijke ondersteuning) zijn gesteld. Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van de eigen bijdrage. Het belangrijkste onderscheidende kenmerk van de eigen bijdrage ten opzichte van het eigen aandeel, is dat een eigen bijdrage alleen mogelijk is bij een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget en dus niet bij een financiële tegemoetkoming. Ad r. Eigen aandeel Artikel 19 lid 1 van de wet bepaalt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot. Hierbij wordt in de toelichting op artikel 19 van de wet gesproken over een “eigen aandeel in de kosten van een voorziening” (TK 2004-2005, 30 131, nr. 3). Op grond van artikel 19 lid 2 van de wet zijn in het Besluit maatschappelijke ondersteuning nadere regels gesteld met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van het eigen aandeel. Ad s. Huisgenoot Nadere bepalingen omtrent (beperkte) inzetbaarheid van minderjarige personen worden in de Beleidsregels uitgewerkt. Ad t. Budgethouder De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen. Ad u. Besluit Deze definitie spreekt voor zich. Ad v. Besluit maatschappelijke ondersteuning. Deze definitie spreekt voor zich. Hoofdstuk 2 RESULTAATGERICHTE COMPENSATIE Artikel 2 De te bereiken resultaten Hoofdstuk 2 is het hart van de verordening. Hoofdstuk 2 betreft de te bereiken resultaten, die afgeleid zijn uit de in artikel 4 genoemde doelstellingen van de compensatieplicht. Er zijn hieruit 8 te bereiken resultaten afgeleid: a. een schoon en leefbaar huis; b. wonen in een geschikt huis; c. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; d. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding; e. het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; f. zich verplaatsen in en om de woning; g. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en h. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Op deze 8 terreinen heeft het college een resultaatverplichting: door de te nemen algemene of individuele maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt kunnen worden. Deze resultaten zijn afkomstig uit de eerste bouwsteen die het resultaat was van het VNG-project `De Kanteling` en is als brochure onder de titel `Denken in resultaten. Bouwsteen voor een nieuwe modelverordening Wmo` uitgebracht. Hoofdstuk 3 HOE TE KOMEN TOT DE TE BEREIKEN RESULTATEN Artikel 3 De aanvraag In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling van de kant van de belanghebbende noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen. Over het algemeen zal een aanvraag ingediend worden bij de gemeente waar de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft. Een uitzondering hierop geldt indien de belanghebbende een woning in de gemeente Kerkrade heeft gehuurd of gekocht en hij deze woning niet eerder kan betrekken nadat die woning is aangepast. Voor groepen personen die geen vaste woonplaats hebben (zoals schippers van binnenvaartschepen en kermisexploitanten) geldt dat zij hun aanvraag indienen bij de gemeente waar zij staan ingeschreven of een briefadres hebben. Hoofdstuk 4. BEOORDELING VAN DE TE BEREIKEN RESULTATEN Hoofdstuk 4 van de verordening heeft een speciale opbouw. In paragraaf 1 worden de algemene regels die voor alle 8 te bereiken resultaten gelden, opgesomd. Het betreft dan vooral het maken van een afweging. Waarom de ene maatregel of voorziening wél en de andere niet. Zeker als de te verstrekken voorziening niet (precies) datgene is wat betrokkene wenst, is dit van groot belang: het gaat immers om het te bereiken resultaat en het college zal dan aan moeten kunnen geven waarom dit toch als maatwerk kan gelden. De paragrafen 2 tot en met 9 vermelden per resultaatgebied wat de globale kaders zijn. Er is bewust gekozen voor het niet noemen van de voorzieningen die mogelijk zijn. Allereerst laat de wet deze mogelijkheid toe. Vervolgens is het principe van De Kanteling dat niet van meet af aan een bepaalde voorziening centraal in de procedure moet staan maar het te bereiken resultaat en hoe dat mogelijk is. Focussen op een bepaalde voorziening kan de aandacht daarvan zodanig afleiden dat de verkeerde voorziening wordt toegekend. Artikelgewijs Paragraaf 1 Algemene regels Artikel 5. Het maken van een afweging In lid 1 van artikel 5 is vastgelegd dat het college bij de beoordeling van de vraag welke voorzieningen getroffen gaan worden uitgaat van de persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende, zoals artikel 4 lid 2 Wmo voorschrijft. "Uitgaan van" betekent dat het college die persoonskenmerken en behoeften als vertrekpunt van het onderzoek en de afweging neemt. Bij het onderzoek zal gekeken worden naar wat nodig is, wat mogelijk is en hoe maatwerk ten aanzien van de te bereiken resultaten mogelijk is. Het College kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden van belanghebbende om het resultaat zelf te bereiken, bijvoorbeeld met een bepaald hulpmiddel. Lid 3 bepaalt dat alle (wettelijk) voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen die voor belanghebbende beschikbaar en in praktijk ook daadwerkelijk bruikbaar zijn, eerst beoordeeld dienen te worden. Dat wil zeggen dat allereerst bekeken moet worden of via deze, in de maatschappij logischerwijs voorhanden voorzieningen, de te bereiken resultaten ook daadwerkelijk bereikt kunnen worden. Dat kan nodig zijn omdat men niet weet welke voorzieningen er normaal voorhanden zijn. Als deze voorzieningen toch niet leiden tot het te bereiken resultaat zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen individuele voorzieningen ter beoordeling in perspectief. Paragraaf 2 De te bereiken resultaten - een schoon en leefbaar huis Artikel 6 Een schoon en leefbaar huis. In lid 1 van artikel 6 wordt geschetst wat het te bereiken resultaat is ten aanzien van een schoon en leefbaar huis. Dit resultaat houdt in dat iedereen moet kunnen wonen in een huis dat schoon is volgens de normen zoals die tot nu toe zijn gehanteerd. Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn vooral te rekenen: een woonkamer, de aanwezige en gebruikte slaapkamers, de keuken en de sanitaire ruimten. In lid 2 van artikel 6 wordt geschetst welke individuele voorzieningen beschikbaar gesteld kunnen worden om het schone en leefbare huis te bereiken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen eenvoudig schoonmaakwerk (HH1) en HH1 plus regie van het huishouden (HH2). Lid 3 van artikel 6 gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst bezien of en in hoeverre eventueel huisgenoten zelf de problemen kunnen oplossen. In de door het college vast te stellen beleidsregels wordt bepaald hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden. Daarbij past de gemeente het (onder de AWBZ tot stand gekomen) Protocol Gebruikelijke Zorg toe, met de uitzondering dat de gemeente alleen huisgenoten van 18 jaar en ouder meetelt voor de gebruikelijke zorg. Beschikbaarheid ziet op het daadwerkelijk aanwezig zijn van de huisgenoot (een nadere uitwerking staat in de beleidsregels). Compensatieplicht bestaat er uiteraard ook als de huisgenoot zelf ook niet in staat is het huishoudelijk werk te verrichten. Hiertoe zal al dat onderzoek gedaan moeten worden om dit vast te stellen. Daarnaast regelt lid 3 dat, indien en voor zover een of meer huisgenoten het huishoudelijk werk kunnen verrichten (gebruikelijke zorg), er er in principe geen individuele voorziening toegekend zal kunnen worden. Omdat het om maatwerk gaat, zal ook hiernaar nauwkeurig onderzoek gedaan moeten worden. Hetzelfde geldt de in artikel 4 lid 2 gestelde uitzondering voor voorliggende en andere voorzieningen die gewoon in de maatschappij beschikbaar zijn. Artikel 7 Vorm Hulp bij het huishouden kan in twee vormen als voorziening worden aangeboden. Onder a. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Het gaat hier om een vorm van persoonlijke dienstverlening. Onder b. wordt genoemd het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden. Met dit pgb moet de belanghebbende zelf hulp inhuren. Artikel 8 Omvang van de voorziening De hulp bij het huishouden worden uitgedrukt in minuten. De criteria voor het bepalen van de omvang zijn beschreven in de Beleidsregels (uitvoeringsbeleid). Artikel 9 Omvang van het persoonsgebonden budget Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op artikel 8. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met prijsindexering, zoals genoemd in artikel 42. Paragraaf 3. De te bereiken resultaten - Wonen in een geschikt huis Artikel 10. Normaal gebruik kunnen maken van de woning Lid 1. Als het gaat om het wonen in een geschikte woning hebben we het over de woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig. Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat een gemeente voor een woning moet zorgen: dat is een eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende. De gemeente kan wel ondersteunen of bemiddelen bij het zoeken naar een (geschikte) woning. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard passend bij het bestedingspatroon. Heeft iemand een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat eventuele problemen met het normale gebruik van de woning opgelost worden. Daarbij kan veelal gekozen worden uit meerdere mogelijke oplossingen. Ook nu gaat het weer om woningen op het niveau sociale woningbouw. De ruimten zijn dan ook weer de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten. Er kan altijd afgeweken worden naar boven of beneden, maar omvangrijke woningen en zeer grote ruimten zullen niet als uitgangspunt voor compensatie gelden. Uit lid 1 volgt dat een woonvoorziening slechts wordt verleend ten aanzien van de woning waar de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen voor situaties waarin de belanghebbende naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. Lid 2. Als het gaat om een geschikte woning is er een reeks aan mogelijke wijzen van compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan het mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is, of een woning die gemakkelijker geschikt te maken is. In die situatie zal een afweging moeten worden gemaakt van de diverse mogelijkheden. Uitgangspunt daarbij zijn de behoeften van de belanghebbende. Maar aan de andere kant is er ook de noodzaak tot een doelmatige besteding van gemeenschapsgelden, waardoor zo veel mogelijk belanghebbenden gecompenseerd kunnen worden met de beschikbare middelen. Door hier gericht beleid op te maken kan het college sturen in de mogelijkheden. De verschillende regels die gelden bij het maken van afwegingen zijn in de beleidsregels opgenomen. Ten aanzien van de vraag of er aangepast dient te worden of dat het plaatsen van een herplaatsbare woonunit ook een oplossing kan zijn, spelen afwegingen over afschrijving van de voorziening en over de vraag of de voorziening later hergebruikt kan worden een belangrijke rol. Lid 3 Verhuizing naar een geschikte woning of een goedkoper geschikt te maken woning kan een snelle(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.