BELEIDSREGEL ANTENNES VOOR MOBIELE TELECOMMUNICATIE HELMOND 2012Het college van burgemeester en wethouders van Helmond, Gelet op artikel 1.2 van de invoering Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.1 en 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, artikel 2 en 4, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Besluit vast te stellen “Beleidsregel antennes voor mobiele telecommunicatie Helmond 2012”; (Antennebeleid 2012). in te trekken “Antennebeleid 2007 Gemeente Helmond’’. Beschrijving onderwerp Door de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is de wettelijke basis voor het plaatsen van antenne-installaties veranderd. De op dit moment geldende beleidsregel ‘’Antennebeleid 2007 Gemeente Helmond’’ is voor de inwerkingtreding van de Wabo vastgesteld en nog gebaseerd op de Woningwet, Wet milieubeheer, Monumentenwet 1988, de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het Besluit bouwvergunningsvrije en licht- bouwvergunningplichtige bouwwerken. Het doel van de voorgestelde wijziging van de beleidsregel is het actualiseren hiervan. Inhoudelijk zijn er weinig wijzigingen in de beleidsregel, deze zijn met name gelegen in de wettelijke grondslag en de daarmee gepaard gaande terminologie. 1. Inleiding Mobiel telefoneren en het gebruik van internet zijn niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Naast de sociale functie, draagt een mobiele telefoon voor veel mensen bij aan hun veiligheidsgevoel. Ziekenhuizen en andere (zorg)instellingen maken ook massaal gebruik van mobiele oplossingen, bijvoorbeeld om sneller te beschikken over patiëntonderzoeksgegevens en om te kunnen communiceren tijdens het vervoer van patiënten. Ook door de politie en andere hulpdiensten wordt mobiele communicatie ingezet, bijvoorbeeld om burgers te kunnen waarschuwen bij rampen en calamiteiten. Zonder antennes kan er niet mobiel gecommuniceerd worden. Door het toenemende aantal gebruikers en aanbieders van mobiele communicatienetwerken is er sprake van een groeiende vraag naar plaatsingsmogelijkheden voor antenne-installaties. Vaak kunnen antenne-installaties geplaatst worden op bestaande bouwwerken, waardoor deze (meestal) omgevingsvergunningvrij kunnen worden geplaatst. Indien er geen bestaande hoge bouwwerken aanwezig zijn, moeten dergelijke installaties in speciale masten worden geplaatst. Het plaatsen van vrijstaande masten voor antenne-installaties hoger dan vijf meter is omgevingsvergunningplichtig. De meeste bestemmingsplannen voorzien echter niet in de mogelijkheid om masten ten behoeve van antenne-installaties te bouwen. Wel kan de gemeente met behulp van juridische afwijkingsmogelijkheden medewerking verlenen ondanks strijd met het bestemmingsplan voor de plaatsing van een antennemast. Om te komen tot een verantwoorde stedenbouwkundige, landschappelijke en maatschappelijk inpassing van deze masten is beleid ten aanzien van de locatiekeuze noodzakelijk. In deze ‘nota’ staan criteria die de gemeente Helmond toepast bij het verlenen van afwijkingen van het bestemmingsplan of opgenomen kunnen worden in nieuwe bestemmingsplannen. Dit vergroot de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van zowel burgers als aanvragers. 2. Doelstelling Het beleid dient een kader te scheppen binnen welke het college van burgemeester en wethouders van de haar in de Wabo toegekende bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning ten aanzien van de plaatsing van antenne-installaties voor telecommunicatie, gebruik mag maken. 3. Wettelijk kader Hieronder wordt het wettelijk kader uitgelicht ten aanzien van het plaatsen van antenne-installaties voor telecommunicatie. 3.1Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens In de discussie rondom de plaatsing van antenne-installaties wordt artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (Hierna: EVRM) genoemd. Dit artikel is in zoverre van toepassing, dat een algemeen verbod om antenne-installaties op te richten zich in beginsel niet met dit artikel verdraagt. Beperkingen ten behoeve van de bescherming van de belangen van anderen en in het bijzonder omwonenden zijn toelaatbaar. Artikel 10 tast de verplichting tot het aanvragen van een vergunning krachtens de Wabo niet aan. 3.2Telecommunicatiewet De belangrijkste wet in Nederland betreffende telecommunicatie is de Telecommunicatiewet (hierna: Tw). Hierin wordt onder andere de uitgifte van frequenties en nummers, de sector specifieke mededinging, bescherming van de consument, veiligheid en het toezicht geregeld. In de Tw zijn eveneens regels opgenomen over het aanbieden van openbare telecommunicatie-infrastructuur en vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte. In deze wet wordt ook de verplichting tot het delen van antenne-opstelpunten geregeld. Het delen van antenne-opstelpunten wordt site-sharing genoemd en betreft een afstemming (technisch, constructief, financieel en juridisch) tussen operators indien zij voor de plaatsing van hun antenne-installaties gebruik maken van een bouwwerk dat in eigendom is van één van de operators. Meestal gaat het dan om een antennemast die door een operator is gebouwd en waar een andere operator zijn installatie in hangt. 3.3Wabo Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Of er voor het bouwen van een antenne-installatie een omgevingsvergunning nodig is, hangt af van de hoogte van de installatie. Voor het bouwen van antenne-installaties die niet hoger dan vijf meter zijn, is onder bepaalde voorwaarden geen omgevingsvergunning nodig. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Het bestemmingsplan Aanvragen voor een omgevingsvergunning worden getoetst aan het bestemmingsplan. Artikel 2.1, eerste lid, sub c van de Wabo geeft aan dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Er bestaan echter verschillende afwijkingsmogelijkheden om de activiteit strijd met het bestemmingsplan op te heffen. Binnenplans afwijken In het bestemmingsplan kan aangegeven zijn in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de voorschriften afgeweken kan worden. In dergelijke gevallen kan een omgevingsvergunning worden verleend waarin staat dat er binnenplans afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De wettelijke basis hiervoor is te vinden in artikel 2.1, eerste lid, sub c van de Wabo juncto 2.12, eerste lid, sub a, onder 1 van de Wabo. Buitenplans afwijken voor kruimelgevallen In artikel 4 van bijlage II van het Bor is een lijst met zogenaamde planologische kruimelgevallen opgenomen. Voor deze relatief kleine afwijkingen van het bestemmingsplan kan een aparte procedure worden doorlopen. Artikel 2.1, eerste lid, sub c van de Wabo juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wabo maakt het mogelijk om ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan gemotiveerd de in artikel 4 van bijlage II van het Bor genoemde kruimelgevallen te realiseren. Buitenplans afwijken (uitgebreid) Voor alle overige gevallen kan een gemeente alleen afwijken van het bestemmingsplan als het een activiteit betreft die niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en de motivering van het betreffende besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Om in deze gevallen een omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen te worden. Artikel 2.1 eerste lid sub c van de Wabo juncto artikel 2.12 eerste lid sub a, onder 3 van de Wabo biedt de mogelijkheid hiertoe. Buitenplans afwijken van tijdelijke aard In geval van tijdelijke situaties in strijd met een goede ruimtelijke ordening kan ook van het bestemmingsplan. Een aanvrager moet met een verklaring of met een toelichting aangeven voor welke periode en waarvoor de tijdelijke voorziening dan wel strijdigheid noodzakelijk is. Alleen als de tijdelijkheid van het plan duidelijk aantoonbaar is, kan de gemeente tijdelijk van het bestemmingsplan afwijken. Vervolgens moet men het tijdelijk geplaatste bouwwerk weer verwijderen of het tijdelijke gebruik beëindigen. De buitenplanse tijdelijke afwijkingsmogelijkheid is geregeld in de artikelen 2.1, eerste lid, sub c juncto artikel 2.12, tweede lid van de Wabo. Monumenten Het plaatsen van een antenne-installatie op een monument of in een beschermd stad- of dorpsgezicht is omgevingsvergunningplichtig. Dit geldt zowel voor rijksmonumenten als voor provinciale en gemeentelijke monumenten. Het enige verschil is dat bij het plaatsen van een antenne-installatie op een rijksmonument de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en bij provinciale en gemeentelijke monumenten de reguliere voorbereidingsprocedure geldt. 3.3.1 Procedure Er zijn twee procedures om een omgevingsvergunning voor te bereiden, namelijk de reguliere voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. In beginsel wordt voor alle aanvragen om omgevingsvergunningen de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd tenzij anders is bepaald. De reguliere voorbereidingsprocedure dient binnen 8 weken te worden doorlopen (plus eventueel een verlenging van 6 weken). Indien deze wettelijke termijn wordt overschreden dan ontstaat er een van rechtswege verleende vergunning. In paragraaf 3.2 van de Wabo is de reguliere voorbereidingsprocedure geregeld. De uitgebreide voorbereidingsprocedure heeft deze zogenaamde ‘positief fatale’ termijn niet. 3.4Wro In het algemeen passen antenne-installaties niet binnen de van toepassing zijnde bestemmingen en bebouwingsvoorschriften van vigerende bestemmingsplannen. In die gevallen is een planologische afwijkingsmogelijkheid (ruimtelijke ontheffing) van het bestemmingsplan op basis van de Wabo nodig. Artikel 3.6 Wro stelt dat bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. 3.5Bor Het Bor is een besluit dat onder de Wabo hangt. Het Bor fungeert als een wettelijk kader voor het omgevingsvergunningsvrij bouwen en gebruiken. In artikel 1, eerste lid van het Bor is de definitie van een antenne-installatie opgenomen. Dit is een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. Omgevingsvergunningvrije antenne-installaties Wanneer een antenne-installatie voor mobiele telecommunicatie niet hoger is dan 5 meter geldt daarvoor onder bepaalde voorwaarden geen omgevingsvergunningplicht voor zowel de bouwactiviteit als de planologisch strijdige gebruiksactiviteit. In welke gevallen antenne-installaties omgevingsvergunningsvrij zijn hangt onder meer af van de vraag waar de antenne–installatie, evenals de bedrading wordt geplaatst, de hoogte van de antenne (inclusief antennedrager) en in geval de antenne-installatie op of aan een bouwwerk wordt geplaatst, de hoogte waarop de antenne-installatie aan of op het bouwwerk wordt geplaatst. Antenne-installaties voor het communicatiesysteem C2000 zijn echter altijd omgevingsvergunningvrij. Een uitzondering op de regeling voor omgevingsvergunningvrije antenne-installaties geldt voor het bouwen van antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie op of aan monumenten en in beschermde dorps- of stadsgezichten. Dit is omgevingsvergunningplichtig. Aan een deel van de vergunningsvrije antenne-installaties zijn aanvullende voorwaarden gesteld in het Antenneconvenant (wordt hierna nog besproken). Omgevingsvergunningplichtige antenne-installaties In artikel 4 van bijlage II van het Bor staan kleine planologische afwijkingen (kruimelgevallen) van het bestemmingsplan beschreven. Artikel 4, vijfde lid van bijlage II van het Bor geeft aan dat met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2˚ Wabo een planologische afwijking mogelijk is voor een antennemast tot een hoogte van 40 meter. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3˚ Wabo kan van de maximale hoogte van 40 meter zoals aangegeven in artikel 4, vijfde lid van bijlage II van het Bor worden afgeweken (uitgebreide ruimtelijke procedure). Voor antenne-installaties hoger dan 5 meter is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig. De enige uitzondering hierop zijn de installaties voor het communicatiesysteem C2000 (zie artikel 2, vijftiende lid sub a onder 1 en zestiende lid van het Bor). 3.6 Ministeriele Regeling omgevingsrecht Met de inwerkingtreding van de Wabo is het Besluit indieningvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab) komen te vervallen. Het hierdoor ontstane gat is opgevuld door de Ministeriële regeling omgevingsrecht (hierna: Mor). Het Mor richt zich met name op indieningsvereisten van een aanvraag van de omgevingsvergunningplichtige activiteiten. Het Mor is van toepassing op vergunningplichtige bouwwerken en dus van toepassing op antenne-installaties. Deze regelgeving dient in acht te worden genomen rondom de aanvraag van een antenne-installatie (bouwwerk). 4.Beleidscriteria Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden getoetst aan het bestemmingsplan, milieu, monumenten, nationaal en regionaal antennebeleid en welstandsaspecten. Achter in deze beleidsregel is schematisch weergegeven wanneer er wel of niet een omgevingsvergunning vereist is. 4.1Nationaal Antennebeleid Het kabinet heeft ervoor gekozen om een gericht antennebeleid te voeren om de juiste randvoorwaarden te scheppen, die een snelle en zorgvuldige plaatsing van antennes mogelijk maken. De belangen van de volksgezondheid, het leefmilieu, de veiligheid en van een voorspoedige economische ontwikkeling komen daarbij in evenwicht tot hun recht. Dit beleid is vastgelegd in het Nationaal Antennebeleid. Het doel van het Nationaal Antennebeleid is het binnen duidelijke kaders van volksgezondheid, leefmilieu en veiligheid stimuleren en faciliteren van voldoende ruimte voor antenne-opstelpunten. Het Nationaal Antennebeleid concentreert zich op een drietal beleidsthema’s: Het aanpassen van relevante wet- en regelgeving. Het meer in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van opstelpunten. De communicatie en informatieverspreiding. 4.2Welstandsnota Conform artikel 6.2 van het Bor vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de welstandscommissie, dan wel de stadsbouwmeester, tenzij er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van de welstand gelden of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond wordt geweigerd. De volgende algemene welstandseisen worden in de welstandsnota opgenomen welke van toepassing kunnen zijn op antenne-installaties aangezien er geen specifieke welstandeisen voor gelden: Alle onderdelen moeten in principe een zodanige kleurstelling krijgen dat deze zo veel mogelijk wegvallen tegen de achtergrond. In specifieke gevallen kan in overleg tussen gemeente en operator worden afgesproken dat de antenne juist een afwijkende kleurstelling zal krijgen. De constructie moet zodanig worden vormgegeven dat de installatie een zo onopvallend mogelijk silhouet vormt, door o.a. aandacht te besteden aan de vorm en architectuur van het gebouw. Door site-sharing kan het voorkomen dat er meerdere techniekkasten bij een installatie worden geplaatst. Deze moeten dan dezelfde kleur en bij voorkeur dezelfde buitenmaten hebben. Bij plaatsing van apparatuurkasten op maaiveld dient beplanting of een andere aantrekkelijke afscherming te worden aangebracht zodat de apparatuur uit het zicht blijft. Bij voorkeur clustering van de installatie met bestaande elementen op een plat dak of aan een dakopbouw voor klimaatinstallaties of liften. Plaatsing van een antenne-installatie op of aan een gebouw mag tijdens en na gebruik nooit blijvende schade of zichtbare aanpassingen aan het gebouw veroorzaken. 4.3Gemeentelijke uitgangspunten Daar waar vergunningsvrije oplossingen te realiseren zijn, zoals op hoogspanningsmasten, lichtmasten, silo’s en hoge gebouwen of andere hoge bouwwerken, zullen de operators vanzelfsprekend gebruik maken van deze mogelijkheden. Voor de locaties waar een nieuwe mast of opstelpunt dient te worden opgericht, is het zaak om ervoor te zorgen dat deze zo goed mogelijk in de omgeving wordt ingepast. In hoeverre een mast in zijn omgeving is in te passen, zal sterk afhangen van de omgevingsfactoren en de exacte locatie van de mast. Algemene eisen: Operators moeten daar waar mogelijk zoveel mogelijk gebruik maken van elkaars masten (site-sharing). Als er een nieuwe mast wordt geplaatst, dan moet deze hiervoor geschikt zijn. De plaatsing op bestaande zendmasten of andere bestaande bouwwerken zoals hoogspanningsmasten, windturbines, lichtmasten en verkeersportalen heeft nadrukkelijk de voorkeur. Bij een aanvraag voor een bouwvergunning moet de operator aannemelijk maken dat het niet mogelijk is de antenne op een gebouw of bestaande antenne-installatie te plaatsen. Ter voorkoming van onevenredige landschappelijke/ruimtelijke verstoring, bestaat de voorkeurvoor plaatsing van enkele hogere masten boven meerdere lagere masten; technisch noodzakelijke afwijkingen van deze voorkeur moeten voldoende worden gemotiveerd. Er mag geen bezwaar zijn vanuit de verkeersveiligheid of in verband met de ontsluiting van percelen. Er mag geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Plaatsing van een antenne-installatie op of aan een gebouw mag tijdens en na gebruik nooit blijvende schade of zichtbare aanpassingen aan het gebouw veroorzaken. De antenne-installaties, evenals de bijbehorende technische installaties en de bedrading, moeten door middel van zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving worden ingepast. Bebouwde kom Binnen de bebouwde kom ligt het realiseren van antenne-installaties op maaiveldniveau in woongebieden, uit het oogpunt van woongenot, over het algemeen stedenbouwkundig zeer gevoelig. Het plaatsen van antenne-installaties op bedrijventerreinen, sportterreinen en langs de hoofdinfrastructuur ligt gezien het overwegend functionele karakter stedenbouwkundig minder gevoelig, behoudens daar waar sprake is van (bedrijfs)woningen. Speciale aandacht gaat hierbij uit naar de ruimtelijke kwaliteit van zichtlocaties. Zowel vanuit stedenbouwkundig oogpunt als vanuit een effectief zendbereik zal ervoor gekozen worden antenne-installaties op hoge gebouwen aan te brengen. Landelijk gebied Het plaatsen van antenne-installaties in het buitengebied ligt vanuit landschappelijk oogpunt doorgaans gevoelig. Vanuit deze landschappelijke beleving is een situering van masten bij reeds gebouwde of gerealiseerde elementen in het gebied het meest gewenst. Bijvoorbeeld plaatsing langs grote verkeerswegen, bij voorkeur bij parkeerplaatsen, pompstations, knooppunten, viaducten, bedrijfsterreinen, sportterreinen en horecagelegenheden. Ook in combinatie met hoogspanningsmasten of bij agrarische bedrijfscentra is plaatsing te overwegen. Uiteraard wordt gestreefd naar een zo gunstig mogelijk landschappelijke inpassing en mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden in de directe omgeving. Antenne-installaties dienen op zo´n manier en op zo´n locatie gerealiseerd te worden dat ze zo min mogelijk verstoring van de horizon opleveren. Stedenbouwkundige inpassing Om een kader te scheppen waarmee omgevingsvergunningen voor de plaatsing van antennemasten snel en efficiënt kunnen worden afgehandeld, worden in deze paragraaf de ruimtelijke uitgangspunten uitgewerkt die bij het verlenen van de omgevingsvergunning en de daarvoor benodigde afwijking van het bestemmingsplan worden gehanteerd. Voor de duidelijkheid worden de volgende type gebieden onderscheiden (zie ook bijlage A): Woongebied; Bedrijventerrein; Sportterrein; Infrastructuur; Landschap. Zoals hiervoor reeds is geschetst, is een onderscheid te maken tussen gebieden met een hoge en een lage stedenbouwkundige gevoeligheid. Bepalend is de inbreuk op het woongenot en landschapswaarden. Niet alleen binnen een type gebied wordt een belangenafweging gemaakt op grond van specifieke randvoorwaarden, maar ook tussen de gebieden met een hoge en lage gevoeligheid. Daarbij dient het plaatsen van antenne-installaties binnen gebieden met een hoge gevoeligheid zoveel mogelijk te worden vermeden. Daar tegenover staat dat de randvoorwaarden in gebieden met een lage gevoeligheid soepeler zijn. 1.Woongebied (gevoeligheid hoog) Algemeen uitgangspunt is om het aantal vrijstaande masten in woongebieden zoveel mogelijk te beperken. In woonstraten en open locaties midden in de wijk mogen geen vrijstaande masten worden gerealiseerd. Bij plaatsing op daken moet rekening worden gehouden met het zicht vanaf de straat, bijvoorbeeld bij pleinen een ruime afstand vanaf de dakrand. Antennes die hoger zijn dan 40 meter worden in woongebieden niet toegestaan. Voorkeursvolgorde: Plaatsing van antennes op daken van niet woongebouwen. Plaatsing op woongebouwen. Vrijstaande antenne-installaties. Als alleen een vrijstaande mast mogelijk is, kunnen locaties aan de rand van de woongebieden zeer kritisch worden bekeken. Hierbij moeten de volgende afstanden worden toegepast. Een antennemast tot 25 meter moet op minimaal 25 meter afstand van de dichtstbijzijnde woonbebouwing worden gerealiseerd. Voor antennes tussen 25 en 40 meter geldt een minimale afstand van 50 meter tot woningbouw. Tot overige bebouwing in de woonomgeving geldt in principe een minimale afstand van 25 meter. Er moet minimaal 15 meter afstand worden gehouden tot de openbare weg. 2. Bedrijventerrein (gevoeligheid laag) De verstoring van de uitstraling van een bedrijventerrein door een antennemast is bij zorgvuldige plaatsing minimaal. Bij plaatsing op daken moet een ruime afstand tot de dakrand aangehouden worden, zodat de mast(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.