HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: Monument (monumentenwet 1988, artikel 1 lid b): onroerende zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1 lid 1 onder a. Archeologisch verwachtingsgebied of -terrein: gebied of terrein dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is aangewezen vanwege zijn betekenis voor de Rijks of gemeentelijke archeologische monumentenzorg en als zodanig geregistreerd is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Bodemarchief: alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. College: college van Burgemeester en Wethouders. Monumentencommissie: de door het college van Burgemeester en Wethouders (op basis van art.15 Monumentenwet 1988) ingestelde commissie of aangewezen instantie, die als taak heeft het college van Burgemeester en Wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Vergunninghoudende partij: een dienst, bedrijf of instelling (of de RCE zelf), beschikkend over een door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) afgegeven opgravingsvergunning. Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg: een door het college van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg (op het moment van vaststelling van deze verordening zijn dit de Regioarcheologen Regio WestBrabant). Bevoegde overheid: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo. Vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wabo. Gemeentelijke archeologische beleidskaart: kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke archeologische waarde- en verwachtingsgebieden, de in het verleden vastgestelde waarden en het te voeren beleid, vastgesteld door de bevoegde overheid. AMK: Archeologische Monumentenkaart. De Archeologische Monumentenkaart is een gezamenlijk product van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort en de provincies. AMZ-proces: Archeologische Monumentenzorg. Het geheel van (ruimtelijke) procedures waarmee archeologisch onderzoek, als verwoord in de wet op de Archeologische Monumentenzorg is verankerd in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten. Wettelijk beschermd archeologisch Rijksmonument: archeologisch vastgesteld en aangewezen terrein dat ex artikel 3 van de Monumentenwet als beschermd monument is aangeduid. Gemeentelijk archeologisch monument: Terrein of gebied vanaf maaiveld dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening kan worden of is aangewezen en geregistreerd als gemeentelijk monument na een adequate waardestelling. Archeologische monumenten (niet beschermd): gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is aangeduid als categorie 1 (Archeologische monumenten (niet beschermd)) waar archeologische waarden, door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd. Gebied of terrein met een archeologisch verwachting: gebied of terrein dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is aangewezen vanwege zijn betekenis voor de gemeentelijke archeologische monumentenzorg en geregistreerd is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Historische kern: gebied of terrein dat op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is aangeduid als historische kern en valt onder categorie 2 op deze kaart. Vanwege de (verwachte) rijkdom aan archeologische resten kunnen de historische kernen elk afzonderlijk beschouwd worden als één grote archeologische vindplaats. Randzone historische kern: gebied of terrein dat op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is aangeduid als randzone historische kern en valt onder categorie 3 op deze kaart. Rondom de historische kernen is een randzone aangewezen, waarin naar verwachting randactiviteiten en incidentele bewoning hebben plaatsgevonden. Archeologische vindplaats: is een zone met een straal van 50 meter waarin de aanwezigheid van archeologische resten is vastgesteld, die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau valt in categorie 2. Archeologische verwachting hoog: gebied of terrein dat zich bevindt in categorie 2 en/of 3 van de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau en waarvan op basis van historische, geologische en of bodemkundige opbouw, een hoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht. Natte context, bijzondere archeologische dataset: gebied of terrein dat zich bevindt in categorie 3 van de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau en een kans bestaat op het voorkomen van een bijzondere dataset specifiek aan de natte omstandigheden gerelateerde archeologische resten. Archeologische verwachting middelhoog: gebied of terrein dat zich bevindt in categorie 4 van de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau en waarvan op basis van historische, geologische en of bodemkundige opbouw, een middelhoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht. Archeologische verwachting onbekend: gebied of terrein dat zich bevindt in categorie 4 van de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau en waar de benodigde gegevens voor het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting ontbreken. Onderzoeksmeldingen (lopend AMZ-proces): gebied of terrein dat zich bevindt in categorie 5 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau waar de archeologische monumentenzorg nog loopt en waar vervolgonderzoek nog noodzakelijk is. Deze onderzoeken worden formeel afgerond met een selectiebesluit door de bevoegde overheid; Onderzoeksmeldingen (afgerond AMZ-proces): gebied of terrein dat zich bevindt in categorie 6 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau en waar de archeologische monumentenzorg is doorlopen en afgerond. Archeologische verwachting laag: gebied of terrein dat zich bevindt in categorie 6 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau en waarvan op basis van historische, geologische en of bodemkundige opbouw, een lage dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht. Ontgronde percelen: gebied of terrein dat zich bevindt in categorie 6 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau en waar ontgronding of afgraving heeft plaatsgevonden. De trefkans op intacte archeologische resten komt overeen met de archeologische verwachting laag. Archeologisch vooronderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd inventariserend onderzoek naar de geschiedenis en de archeologische waarden van een locatie in overeenstemming met de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)(of diens rechtsopvolger), in de vorm van archeologisch bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek. Archeologisch bureauonderzoek: vorm van archeologisch onderzoek waarbij de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit van archeologische waarden worden bepaald aan de hand van bestaande bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald gebied al bekend zijn of worden verwacht, opgesteld conform de protocollen uit de vigerende KNA. Inventariserend veldonderzoek (IVO): vorm van onderzoek waarbij extra informatie wordt verworven om het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologische bureauonderzoek is gebaseerd aan te vullen en te toetsen door middel van waarnemingen in het veld. Een IVO wordt verricht door een vergunninghoudende partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 (incl. de RCE) en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij de uitvoering van niet-archeologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid. Het proces kan 3 doelen dienen: Om bij afwezigheid van adequaat vooronderzoek door fysieke belemmeringen alsnog een vorm van inventariserend veldonderzoek te kunnen verrichten (cf. IVO-proefsleuven); Om eventueel aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven); Om bij (beperkte) ingrepen in gewaardeerde terreinen aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven). Een archeologische begeleiding dient regulier te worden uitgevoerd door een vergunningverhoudende partij en is per definitie PvE plichtig. Opgraving: het vlakdekkend onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de informatie te behouden ex situ die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Opgravingen worden verricht door een vergunninghoudende partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 (incl. de RCE) en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Programma van Eisen (PvE): het Programma van Eisen is een door de bevoegde overheid opgesteld maar tenminste bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. Het stelt vooraf de kaders waaraan het uit te voeren onderzoek en de op te stellen producten tenminste dienen te voldoen ten einde een selectiebesluit te kunnen opstellen aan de hand een een onderzoeksrapportage. Plan van Aanpak (PvA): een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het PvE te voldoen met een voorstel voor de werkwijze waarmee de in het PvE geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. De bevoegde overheid mag verlangen deze te toetsen voorafgaand aan de uitvoer van het feitelijke onderzoek Bodemingreep of bodemverstoring: alle grondwerkzaamheden/activiteiten die een bedoeld of onbedoeld effect hebben op het voortbestaan van archeologische waarden in situ. Artikel2Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. HOOFDSTUK2ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSGEBIEDEN Artikel3Aanwijzing archeologische verwachtingsgebieden 1.De gemeenteraad stelt op voordracht van het college een gemeentelijke archeologische beleidskaart vast, die dient als basis voor: deze verordening; aanwijzing van archeologische verwachtingsgebieden als bedoeld in dit artikel; de opstelling en de inhoud van bestemmingsplannen conform artikel 38a van de Monumentenwet 1988. 2.Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart worden de volgende archeologische categorieën aangewezen: Categorie 1, waaronder valt ‘Archeologische monumenten (niet beschermd)’. Categorie 2, waaronder vallen ‘Historische kernen, Archeologische vindplaatsen, Archeologische verwachting hoog; hoog jagerverzamelaars, hoog landbouwers, Archeologische verwachting hoog; hoog jagerverzamelaars, middelhoog landbouwers en Archeologische verwachting hoog; hoog jagerverzamelaars, laag landbouwers’. Categorie 3, waaronder vallen ‘Historische kernen – randzone, Archeologische verwachting hoog; laag jagerverzamelaars, hoog landbouwers en Natte context; bijzondere archeologische dataset’. Categorie 4, waaronder vallen ‘Archeologische verwachting middelhoog; laag jagerverzamelaars, middelhoog landbouwers en Archeologische verwachting onbekend’. Categorie 5, waaronder valt ‘Onderzoeksmeldingen: lopend AMZ-proces’. Categorie 6, waaronder vallen ‘Archeologische verwachting; laag jagerverzamelaars, laag landbouwers, Onderzoeksmeldingen: vrijgegeven of afgerond AMZ proces en Ontgronde percelen’. Artikel4Instandhoudingbepaling 1.Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van het college, zoals beschreven in artikel 2.2. van de Wabo, het archeologische bodemarchief in categorie 1, 2, 3, 4, 5 of 6 zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau te verstoren, te beschadigen of te vernielen. 2.Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 40cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 50m² in categorie 1 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau. Dit m.u.v. deze zone binnen de bewoningskern van Baarle-Nassau waarvoor dezelfde diepte, maar een omvang van minder dan 100m² geldt; bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 40cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 100m² in categorie 2 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau; bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 40cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 500m² in categorie 3 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau; bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 40cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 1.000m² in categorie 4 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau; bij bodemingrepen in categorie 6 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau; bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 10cm onder maaiveld voor gebieden die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau zijn aangegeven als bosgebied. De toegestane omvang hangt af van de categorie waarin de voorgenomen bodemingreep zich bevindt op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau; indien een rapport of document is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van de bevoegde overheid in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. indien kan worden aangetoond dat in het gebied reeds bodemverstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. 3.Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien: wordt gehandeld in overeenstemming met de bepalingen in het geldende bestemmingsplan voor zover de bepalingen die hierin zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg in overeenstemming zijn met deze verordening; er sprake is een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° en tweede lid, van de Wabo en in de omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. 4.Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden moet, als sprake is van meerdere bodemingrepen binnen een tijdsbestek van 1 jaar op hetzelfde kadastrale perceel, gerekend worden met het totaal van de bodemingrepen en niet iedere ingreep afzonderlijk worden beoordeeld. Artikel5Wijzigen kwalificatie van een locatie Op grond van een melding ingevolge artikel 53 van de Monumentenwet 1988 en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek is het college bevoegd een terrein of locatie alsnog aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument, gebied van archeologische waarde, of gebied met een hoge of middelhoge verwachting. De aanwijzing zal via afdeling 3.4 van de Algemen wet bestuursrecht worden voorbereid, waarbij de eigenaar van de aanwijzing schriftelijk op de hoogte wordt gesteld. Artikel6Vergunning archeologische verwachtingsgebieden 1.Het college kan vergunning verlenen voor graafwerk en bodemingrepen in archeologische categorieën zoals omschreven in artikel 4, lid 2, sub lid a tot en met f. 2.Een omgevingsvergunning voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wabo, kan slechts worden verleend indien vooraf door aanvrager van de vergunning door middel van archeologisch vooronderzoek conform de KNA en het PvE naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen: de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of er geen archeologische waarden aanwezig zijn of redelijkerwijs mogen worden verwacht; of de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. 3.Het college kan aan de verlening van de vergunning de volgende voorschriften verbinden: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek of een opgraving; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een hiervoor vergunninghoudende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 4.De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven. 5.Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen als beschermd archeologisch (rijks)monument (op de archeologische beleidskaart aangegeven als categorie 1). Artikel7Vergunningaanvraag 1.Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 6, lid 1, moet worden ingediend bij het college en moet de volgende gegevens bevatten: een kaartje waarop de exacte plangebiedbegrenzing voor de ontwikkeling staat aangegeven, bij voorkeur een kadastrale tekening met alle percelen die betrokken worden in de aanvraag voor een vergunning ontheffing of planrealisatie; de aard van de ontwikkeling: sloop en nieuwbouw, nieuwbouw op onbebouwd terrein of gedeeltelijke sloop en gedeeltelijke nieuwbouw; de oppervlakte van het totale plangebied en de oppervlakte van totaal te bebouwen gebied. De eerste maat is de maat van alle betrokken perceelsnummers en de tweede maat is de maat van de locatie waar de verstoorder voornemens is te gaan bouwen of anderszins te ontwikkelen; de reële diepte van de voorgenomen verstoring. De verstoorder dient bij schatting deze aan te geven in meters onder maaiveld en geeft deze ook aan bij ingrepen die alleen bovengronds verwacht worden. Deze kunnen van invloed zijn op het uiteindelijk te volgen onderzoekstraject; de termijnen waarop de ontwikkeling gaat spelen, met andere woorden waar bevindt de verwachte verstoring zich in de procedure; informatie over uitgevoerde bodemverstorende activiteiten of mogelijke belemmeringen bekend van het plangebied. Daarbij kan gedacht worden aan milieuverontreinigingen en/of reeds uitgevoerde saneringen. 2.Het college kan ter beoordeling van de aanvraag nadere gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder een archeologische waardering, zoals opgenomen in een archeologisch vooronderzoek. 3.Uit de vergunningsaanvraag moet duidelijk blijken wat de bestaande en de door de aanvrager reëel gewenste situaties zijn. 4.Het college beslist op de aanvraag binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. 5.Het college kan de in het vierde lid genoemde termijn van twaalf weken met ten hoogste zes weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan kennis geeft binnen de in het eerste lid genoemde termijn van twaalf weken. 6.Bij het niet in behandeling nemen van de aanvraag vanwege onvolledigheid is artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het college kan hiertoe nadere regels geven met betrekking tot bescherming van de archeologische waarden. 7.In geval van een aanvraag om een vergunning vraagt het college advies aan de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg waar het bodemingrepen betreft. Artikel8Ruimtelijke ontwikkeling 1.In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de ontheffing of vergunning, als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo, voorwaarden gesteld worden overeenkomstig artikel 39 lid 3 van de Monumentenwet 1988. 2.In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een vergunning op grond van artikel 2.1 onder a t/m c van de Wabo, eventueel met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 41 van de Monumentenwet 1988. 3.In geval van een aanvraag om een vergunning dient het college advies te vragen aan de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Artikel9Opgravingen en begeleiding 1.Indien binnen het grondgebied van de gemeente Baarle-Nassau onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h van de Monumentenwet 1988, dient onverminderd de overige bepalingen van deze wet: de verstoorder, voorafgaand aan het onderzoek, een PvE als bedoeld in artikel 1 van deze verordening ter goedkeuring aan het college te overleggen, waarbij het college nadere eisen kan stellen aan het onderzoek; de verstoorder, voorafgaand aan het onderzoek, een PvA als bedoel in artikel 1 van deze verordening ter goedkeuring aan het college te overleggen. 2.In de nadere eisen kan het college bepalingen opnemen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het PvA. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3.Om te kunnen beoordelen of het PvA aan het PvE en eventuele nadere eisen voldoet, dient het college advies vragen aan de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 4.Het is verboden om gravend archeologisch onderzoek te verrichten binnen de gemeente Baarle-Nassau zonder een opgravingsvergunning en een door het college goedgekeurd PvE op grond van artikel 38 van de Monumentenwet 1988. Artikel10Meldingsplicht Voor projecten waarin het verstoringsoppervlak onder de oppervlaktenorm zoals opgenomen in het vastgestelde archeologiebeleid van de gemeente Baarle-Nassau ligt of die na een correct archeologisch voortraject zijn vrijgegeven of die niet onder de onderzoeksplicht vallen, en waarbij tijdens werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen geldt een meldingsplicht (artikel 53 Monumentenwet 1988) bij het college binnen 1 dag nadat deze waarden bij de verstoorder bekend zijn geworden. Artikel11Procedure Voor de bepalingen uit artikel 4 geldt dat geen advies van de monumentencommissie is vereist, maar wel van de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. HOOFDSTUK3GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE MONUMENTEN Artikel12De aanwijzing tot gemeentelijk archeologisch monument 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument zoals gedefinieerd in artikel 1 aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument. 2.Degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en / of beperkt gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire schuldeisers en - als om de aanwijzing is verzocht - de verzoeker worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. 3.Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument ontvangt, tot het moment dat de registratie als bedoeld in artikel 15 plaats heeft of vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 18 en 19 bij wijze van voorbescherming van overeenkomstige toepassing. 4.Het college kan bepalen, dat ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk archeologisch monument een ondestructief archeologisch onderzoek wordt verricht. 5.De aanwijzing als beschermd gemeentelijk archeologisch monument kan geen object betreffen dat onherroepelijk is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988. Artikel13Termijn van advies en aanwijzingsbesluit 1.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt vraagt het een niet bindend advies aan de monumentencommissie en aan de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 2.De monumentencommissie en deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg adviseren schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college. 3.Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie en de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag. Artikel14Mededeling van de aanwijzing 1.De aanwijzing als bedoeld in artikel 12 wordt medegedeeld aan degenen, die in de kadastrale registratie als eigenaar en/of beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker. 2.Het college brengt de gemeenteeraad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk archeologisch monument. Artikel15Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1.Het college registreert het gemeentelijke archeologische monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2.De registratie van een gemeentelijke archeologisch monument op de gemeentelijke monumentenlijst omvat: de plaatselijke aanduiding; .de datum van de aanwijzing; .de kadastrale aanduiding; .de tenaamstelling en .een beschrijving van het gemeentelijke archeologische monument. 3.Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming en registratie zich tot dat specifieke deel. In de beschrijving dient dit tot uitdrukking te komen. Artikel16Wijzigen van de aanwijzing 1.Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende wijzigen. 2.Artikel 12, lid 2 t/m 6 evenals artikel 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging. 3.Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, kan het in lid 2 gestelde achterwege blijven. 4.De inhoud en de datum van wijziging worden aangetekend op de gemeentelijke monumentenlijst. 5.De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en/of beperkt gerechtigde staan vermeld en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers. Artikel17Intrekken van de aanwijzing 1.Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 12, lid 2, lid 3 en lid 5 evenals artikel 13 van overeenkomstige toepassing. 2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988. 3.De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd. Artikel18Verbodsbepalingen gemeentelijke archeologische monumenten 1.Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, te beschadigen of te vernielen, evenals er te zoeken naar archeologische voorwerpen en resten, zowel handmatig als met een metaaldetector of andere opsporingsapparatuur. 2.Het is verboden zonder vergunning van het college: een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Artikel19Vergunning gemeentelijke archeologische monumenten 1.Het college kan vergunning verlenen voor graafwerk en bodemingrepen in gemeentelijke archeologische monumenten. 2.Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in lid 1, wint het college advies in van een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 3.Het college kan alleen vergunning verlenen indien het toezicht en de bescherming van het gemeentelijke archeologische monument is geregeld door: de mogelijkheid van toegang van door het college aan te wijzen personen op het terrein; de mogelijkheid van de onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.