Bevelsbeleid bodemsanering gemeente Leeuwarden Totstandkoming notitie Door een werkgroep van provincies, gemeentes, het ministerie van VROM en het kantoor van de Landsadvocaat is in december 2002 de notitie “Project afstemming bevel/kostenverhaal Wbb” uitgebracht. Beoogd is om in die notitie het bevelsbeleid voor de 42 bevoegde gezagen Wbb en de kostenverhaalmogelijkheden van het ministerie van VROM in overeenstemming te brengen. Hiervoor zijn 26 richtlijnen opgesteld die de bevoegde gezagen kunnen volgen t.a.v. het bevelsbeleid. Op 28 maart 2001 heeft de IPO Adviesgroep Bodembeheer ingestemd met de inhoud van de notitie. Daarvoor hebben zowel het Landelijk Juristenoverleg Bodemsanering als het Vakberaad Bodemsanering aangegeven met de inhoud in te stemmen. In onderhavige notitie zijn de 26 richtlijnen vastgelegd als beleidsregels. Door bekrachtiging van deze notitie door burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden wordt er duidelijkheid gegeven omtrent de toepassing van de bevelsmogelijkheden. Opbouw van deze notitie Deze notitie bestaat uit 3 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk geeft de algemene uitgangspunten voor het bevelsbeleid weer. Hoofdstuk 2 beschrijft de beleidsregels ten aanzien van de veroorzaker van de verontreiniging. Als laatste worden in Hoofdstuk 3 de beleidsregels t.a.v. eigenaar, erfpachter en gebruiker uiteengezet. INHOUD Inleiding Inhoud 1 Algemene uitgangspunten voor inzet van het bevelsinstrumentarium 1 1.1. Inleiding 1 1.2. Overwegingen 1 1.2.1. het jaartal 1975 1 1.2.2. het onderscheid veroorzakers en eigenaren/veroorzakers 3 1.2.3. het vervallen van het onderscheid tussen onderzoeks- en saneringsbevelen 2 1.2.4. onderzoeksbevelen 3 2 Beleidsregels t.a.v. de vervuiler 4 2.1. Het begrip "vervuiler" 4 2.2. Onderzoeksbevel 4 2.3. Bevel tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) 5 2.4. Saneringbevel 5 3.De eigenaar/erfpachter/gebruiker 7 3.1. De eigenaar/erfpachter/gebruiker die tevens de vervuiler is 7 3.2. Onderzoeksbevel 7 3.3. Bevel tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) 8 3.4. Saneringbevel 8 3.4.1. duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker 8 3.4.2. betrokkenheid bij de veroorzaking 9 3.4.3. wetenschap van de verontreiniging op moment van verkrijging 9 3.4.4. jaartallen van verkrijging 10 3.4.5. overige vereisten - omvang van het saneringsbevel 12 4.Bijzondere categorieën 13 4.1. Bewoners 13 4.2. Erfgenamen 13 1 Overwegingen voor inzet van het bevelsinstrumentarium 1.1. Inleiding Hieronder worden de algemene uitgangspunten en overwegingen ten aanzien van de 26 beleidsregels nader uiteengezet. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen: de vervuiler; de eigenaar of gebruiker; bijzondere categorieën (bewoners en erfgenamen). In de navolgende hoofdstukken worden de beleidsregels voor deze categorieën separaat beschreven. Deze notitie volgt de "voorkeursvolgorde" voor de inzet van het bevelsinstrumentarium zoals die geformuleerd is in de parlementaire behandeling. Primair wordt gekeken of er een vervuiler is, die kan worden aangesproken. Dit betekent echter niet dat het instrumentarium eerst tegen de vervuiler is ingezet, voordat de eigenaar of erfpachter wordt aangesproken. 1.2. Algemene overwegingen 1.2.1. het jaartal 1975; begrip "vervuiler" De wet stelt bepaalde eisen, waaraan moet worden voldaan voordat een bevel kan worden gegeven. Daarnaast bestaat er jurisprudentie ten aanzien van de praktische uitvoering van deze wetsartikelen. Ten aanzien van het jaartal waarop het verontreinigen van de bodem als onrechtmatige daad worden gesteld heeft de Hoge Raad beslist dat wie vóór 1 januari 1975 bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, er in beginsel geen rekening mee hoefde te houden dat de overheid zich op enig moment het belang van bescherming van de bodem zou gaan aantrekken. Dus heeft degene, die vóór 1 januari 1975 bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, niet onrechtmatig gehandeld en is hij niet aansprakelijk. In de notitie “knopen doorhakken kostenverhaal” van het ministerie van VROM is aangegeven dat kostenverhaal op grond van onrechtmatige daad achterwege blijft indien de verontreiniging in zijn geheel vóór 1-1-1975 is ontstaan. Indien de verontreiniging deels vóór en deels ná 1-1-75 is ontstaan, vindt kostenverhaal voor het deel dat ná 1-1-75 is veroorzaakt, "pro rata temporis" plaats. Op grond van art. 75 lid 6 kan een bedrijf - in uitzonderlijke omstandigheden - aansprakelijk kan zijn jegens de overheid voor de bodemsaneringskosten. Dat is dan echter geen aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, maar een op zich zelf staande aansprakelijkheid ("sui generis"). 1.2.2. het onderscheid veroorzakers en eigenaren/veroorzakers In deze notitie wordt aanbevolen om degene, die bodemverontreiniging in zijn geheel vóór 1 januari 1975 heeft veroorzaakt, geen bevel te geven tenzij hij (nog) eigenaar is van het terrein. Over de ratio van dit onderscheid het volgende: onderzoeks- en saneringsbevelen richten zich primair tot degene, die in staat is deze bevelen na te komen. Los van de vraag of degene, tot wie het bevel is gericht, ook alle daaruit voortvloeiende schade en kosten voor zijn rekening moet nemen. Uit jurisprudentie van de Raad van State met betrekking tot aanschrijvingen op grond van de Woningwet blijkt dat de eigenlijke aanschrijving tot het verrichten van voorzieningen (het "bevel") en de vraag voor wiens rekening de daarmee gepaard gaande kosten komen, scherp van elkaar moeten worden onderscheiden. Bij de aanschrijving (het bevel) staat de vraag centraal, wie deze (het beste) kan nakomen (doelmatigheid).Bij bepaling van de kostenverdeling staat de vraag centraal wie redelijkerwijs de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat kan erin resulteren dat de kosten gedeeltelijk of geheel voor rekening moeten blijven van de overheid, die het bevel heeft gegeven; het is duidelijk dat de eigenaar van een terrein veel beter in staat is het bevel na te komen dan degene die dat niet is. Een bevel aan een veroorzaker/niet-eigenaar (of gebruiker) kan tot allerlei ingewikkelde en juridisch omslachtige situaties leiden. Zeker indien de eigenaar of de gebruiker dwarsligt, kan dat kan ertoe leiden dat het bevoegde gezag gedoogbevelen, e.d. moet opleggen; in het allerslechtste geval moet misschien zelfs de eigendom of het gebruik worden gevorderd. Geen situatie die een snelle en voorspoedige sanering waarborgt; de eigenaar van een terrein dat wordt gesaneerd, profiteert van de waardestijging die daarvan het gevolg is. Dat is een groot verschil met de veroorzaker/niet-eigenaar. Die profiteert nergens van; de eigenaar van een terrein, die de vervuiling heeft veroorzaakt, is niet-onschuldig ook al is dat vóór 1-1-75 gebeurd. Indien de sanering ten laste van het Wbb-budget is uitgevoerd, kan kostenverhaal op grond van ongerechtvaardigde verrijking plaatsvinden, in tegenstelling tot het kostenverhaal wegens onrechtmatige daad. In het kostenverhaal wordt (dus ook) het onderscheid gehanteerd tussen de vervuiler "sec"(die niet meer wordt aangesproken) en de vervuiler-eigenaar; bij het saneringsbevel aan de vervuiler-eigenaar van vóór 1-1- 75 kan bestuurscompensatie worden aangeboden. Die compensatie kán - afhankelijk van de beoordeling - de volledige onderzoeks- en saneringskosten minus de waardestijging (en eventuele samenlopende kosten) omvatten. Daarmee wordt materieel dezelfde situatie bereikt als in het geval dat de overheid de sanering uitvoert en daarna overgaat tot kostenverhaal wegens ongerechtvaardigde verrijking. 1.2.3. het laten vervallen van het onderscheid tussen onderzoeks- en saneringsbevelen Deze notitie sluit aan bij het in de Wbb gehanteerde onderscheid tussen onderzoeks- en saneringsbevelen. Onderzoeksbevelen kunnen worden gegeven aan (bedrijfsmatige) gebruikers, eigenaren/erfpachters en veroorzakers. Saneringsbevelen zijn geclausuleerd; ze worden alleen gegeven aan de niet-onschuldige eigenaar/erfpachter en/of de veroorzaker. Het verschil is te verklaren uit het feit dat het saneringsbevel (veel) verstrekkender gevolgen heeft dan de andere bevelen. De praktijk leert echter dat als de verontreiniging in zijn geheel dateert van vóór 1-1-75, evenmin onderzoeksbevelen worden gegeven aan de veroorzaker (voor zover die geen eigenaar is). 1.2.4. onderzoeksbevelen De Wbb onderscheidt, voor zover hier van belang, het bevel tot het verrichten van nader onderzoek (bevel NO) en tot het verrichten van saneringsonderzoek (bevel SO). Wat met betrekking tot het bevel NO wordt opgemerkt, geldt ook voor het bevel SO zodat dit niet als aparte categorie wordt behandeld. Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat de Wbb niet de mogelijkheid kent tot het geven van bevelen tot het verrichten van oriënterend onderzoek (OO). Wél maakt art. 72 en het daarop gebaseerde Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen (VERBOND) mogelijk dat het bevoegd gezag een aanwijzing geeft tot het verrichten van verkennend onderzoek aan een BSB-bedrijf. Het besluit VERBOND wordt hier niet verder behandeld. 2 Beleidsregels ten aanzien van de vervuiler 2.1. Het begrip "vervuiler" Het begrip "vervuiler” wordt in deze notitie breed opgevat. Daarbij gaat het niet alleen om degene, die door zijn feitelijke handelingen vervuiling heeft veroorzaakt, bijvoorbeeld door het laten leeglopen van vaten met vloeibaar chemisch afval of het storten/opslaan van chemisch afval op het eigen bedrijfsterrein of elders etc., maar ook om degene, die door zijn handelingen een bepaald gevaar in het leven heeft geroepen of nalatig is geweest bepaalde voorzorgsmaatregelen te treffen die - indien wel getroffen - verontreiniging zou hebben voorkomen of verminderd. Onder deze categorie valt dus ook degene, die er een vervuilende bedrijfsvoering op na heeft gehouden, die olietanks in de grond heeft doen aanbrengen, die heeft nagelaten regelmatig controle te houden op zijn olietanks of heeft nagelaten controle uit te oefenen op storting van bedrijfsafval ed. Ook degene, onder wiens bedrijfsvoering een calamiteit heeft plaatsgevonden, met als gevolg bodemverontreiniging, wordt beschouwd als de vervuiler. Tenzij - in dat laatste geval - sprake was van overmacht (bijvoorbeeld door oorlogshandelingen of uitzonderlijk natuurgeweld). 2.2. Onderzoeksbevel Beleidsregel 1: bevel NO bij veroorzaking voor 1-1-‘75 Het bevel NO kan worden gegeven aan de vervuiler. Indien vaststaat dat de vervuiling in zijn geheel vóór 1-1-75 is ontstaan, wordt geen bevel NO gegeven aan de vervuiler, tenzij hij eigenaar of erfpachter is van het verontreinigde terrein of indien de vervuiler in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75 lid 6 Wbb. Het bevoegd gezag kan besluiten de vervuiler te compenseren indien het achterwege laten daarvan tot onevenredig nadeel zou leiden. Indien de vervuiler voldoet aan de criteria van art. 75 lid 6 Wbb wordt geen compensatie aangeboden. Beleidsregel 2: bevel NO bij veroorzaking gedeeltelijk vóór 1-1-‘75 Indien blijkt dat de vervuiling deels vóór en deels na 1 januari 1975 is ontstaan, kan een bevel NO worden gegeven aan de vervuiler. Het bevoegd gezag kan besluiten hem deels te compenseren voor de kosten. Die compensatie kan pro rata temporis worden berekend. Indien de vervuiler in materiële zin voldoet aan de criteria van art. 75 lid 6 wordt hem geen compensatie aangeboden. Indien de vervuiler tevens eigenaar is, blijft compensatie in beginsel eveneens achterwege, tenzij dat zou leiden tot onevenredig nadeel. Beleidsregel 3: bevel NO bij veroorzaking na 1-1-1975 Indien de vervuiling geheel of grotendeels (voor 80% of meer) ná 1-1-75 is ontstaan, kan aan de vervuiler een bevel NO worden gegeven, zonder dat hem compensatie wordt aangeboden. Los van de vraag of hij al dan niet eigenaar is van het terrein. Beleidsregel 4: reikwijdte van het bevel NO Het bevel aan de vervuiler strekt tot onderzoek naar het hele geval van bodemverontreiniging. 2.3. Bevel tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) Beleidsregel 5: Bevel TBM bij veroorzaking voor 1-1-‘75 Indien de vervuiling in zijn geheel vóór 1 januari 1975 is ontstaan wordt geen bevel TBM gegeven aan de vervuiler, tenzij hij eigenaar of erfpachter is van het door hem vervuilde terrein of indien hij materieel voldoet aan de criteria van art. 75 lid 6 Wbb. Het bevoegd gezag kan besluiten de vervuiler te compenseren, indien het achterwege laten daarvan zou leiden tot onevenredig nadeel. Indien de vervuiler voldoet aan de criteria van art. 75 lid 6 Wbb wordt geen compensatie aangeboden. Beleidsregel 6: Bevel TBM bij veroorzaking gedeeltelijk vóór 1-1-‘75 Indien de vervuiling deels vóór en deels na 1 januari1975 is ontstaan kan een bevel TBM worden gegeven aan de vervuiler. Het bevoegd gezag kan besluiten hem deels te compenseren voor de kosten daarvan. De compensatie kan pro rata temporis worden berekend. Indien de vervuiler materieel voldoet aan de criteria van art. 75 lid 6 Wbb, wordt hem geen compensatie aangeboden. Indien de vervuiler tevens eigenaar is, blijft compensatie eveneens achterwege, tenzij dat zou leiden tot onevenredig nadeel. Beleidsregel 7: Bevel TBM bij veroorzaking na 1-1-‘75 Indien de vervuiling geheel of grotendeels (80% of meer) ná 1-1- 75 is ontstaan, kan aan de vervuiler een bevel TBM worden gegeven, zonder dat compensatie wordt aangeboden. Het maakt daarbij geen verschil of de vervuiler al dan niet tevens eigenaar is van het verontreinigde terrein. Beleidsregel 8: reikwijdte van het bevel NO Het bevel TBM aan de vervuiler strekt tot beveiliging van het gehele geval van bodemverontreiniging. 2.4. Saneringbevel Beleidsregel 9: saneringsbevel bij veroorzaking voor 1-1-‘75 Indien de vervuiler bodemverontreiniging in zijn geheel vóór 1-1-75 heeft veroorzaakt, wordt hem geen saneringsbevel gegeven. Tenzij hij eigenaar of erfpachter is van het verontreinigde terrein of als hij voldoet aan de criteria van art. 75 lid 6 Wbb. Het bevoegd gezag kan besluiten de vervuiler te compenseren voor de kosten. Indien het bevoegd gezag daartoe besluit, moeten op de compensatie de waardestijging van het terrein als gevolg van sanering en eventuele andere voordelen (zoalssamenlopende kosten) in mindering worden gebracht. Indien de vervuiler voldoet aan de criteria van art. 75 lid 6 Wbb wordt hem geen compensatie aangeboden. Beleidsregel 10: saneringsbevel bij veroorzaking rond 1-1-‘75 Indien de vervuiler bodemverontreiniging deels vóór en deels na 1-1-75 heeft veroorzaakt, kan hem een saneringsbevel worden gegeven. Het bevoegde gezag kan besluiten hem deels te compenseren voor de kosten. De compensatie kan pro rata temporis worden berekend. Eventuele voordelen, zoals waardestijging van het terrein (voor zover de vervuiler tevens eigenaar is van het terrein), samenlopende kosten e.d. worden in mindering gebracht op de compensatie. Indien de vervuiler voldoet aan de criteria van art. 75 lid 6 Wbb wordt hem geen compensatie aangeboden. Beleidsregel 11: saneringsbevel bij veroorzaking na 1-1-‘75 Indien de vervuiler bodemverontreiniging geheel of grotendeels (voor 80% of meer) na 1-1-75 heeft veroorzaakt, kan het bevoegde gezag hem een saneringsbevel geven. Daarbij maakt het geen verschil of de vervuiler al dan niet eigenaar is van het verontreinigde terrein. In deze gevallen wordt geen compensatie aangeboden. Beleidsregel 12: reikwijdte van het saneringsbevel Het saneringsbevel strekt tot de sanering van het hele geval van ernstige bodemverontreiniging. 3. De eigenaar/erfpachter/gebruiker 3.1. De eigenaar/erfpachter/gebruiker die tevens de vervuiler is Beleidsregel 13: vervuiler en eigenaar De eigenaar of erfpachter, die tevens de vervuiler is, valt onder de regels zoals die zijn aangegeven voor de vervuiler. Zie hoofdstuk 2. 3.2. Onderzoeksbevel Blijkens de wettelijke regeling van de Wbb kunnen bevelen tot het verrichten van Nader onderzoek (NO) worden gegeven aan de vervuiler, de eigenaar/erfpachter en verder aan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker die het terrein bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt. Daarnaast kunnen bevelen tot het verrichten van een Saneringsonderzoek (SO) worden gegeven aan de vervuiler en de eigenaar/erfpachter. Beleidsregel 14: bevel NO aan eigenaar Ook ten aanzien van de onschuldige eigenaar geldt dat het bevel NO kan worden gegeven. De eigenaar heeft in beginsel geen aanspraak op een bijdrage in de kosten. Het is immers ook zijn belang om de omvang van de verontreiniging op zijn perceel te kennen. Het bevoegd gezag kan niettemin besluiten compensatie aan te bieden indien het achterwege laten daarvan - gegeven de omstandigheden van het betreffende geval - onevenredig nadelig zou uitpakken (evenredigheidsbeginsel). Beleidsregel 15: bedrijfsmatige gebruiker Ten aanzien van de "bedrijfsmatige" gebruiker (zoals de huurder) geldt in versterkte mate dat sprake kan zijn van compensatie in de onderzoekskosten, mits hij strikt "onschuldig" is (geen veroorzaker, niet betrokken bij de verontreiniging, ten tijde van het verkrijgen van het gebruiksrecht niet weten of kunnen weten dat het terrein was verontreinigd etc.). Het ligt dan echter meer in de rede om aan de eigenaar een bevel op te leggen. Beleidsregel 16: reikwijdte van het bevel NO Gezien de formulering van art. 43 Wbb, waar wordt aangegeven dat bevoegd gezag/B&W een onderzoeksbevel kunnen geven met betrekking tot het grondgebied waar de verontreiniging of de directe gevolgen daarvan zich voordoen, wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek betrekking heeft op het eigen terrein van de eigenaar/gebruiker. Indien de verontreiniging perceelsoverschrijdend is, zal het bevoegd gezag meerdere perceelseigenaren/gebruikers tegelijk moeten benaderen. Of gedeeltelijke compensatie (voor het deel buiten het eigen terrein) moeten aanbieden Een uitzondering geldt - wellicht - voor het geval de bron van de verontreiniging zich bevindt op een bepaald perceel. De eigenaar/gebruiker kan wellicht een bevel krijgen om (ook) de verontreiniging die zijn terrein overschrijdt te onderzoeken . Jurisprudentie moet op dat punt meer duidelijkheid verschaffen. 3.3. Bevel tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) Een bevel tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen kan worden gegeven aan dezelfde partijen als het bevel NO. Beleidsregel 17: bevel TBM aan onschuldig eigenaar De onschuldige eigenaar kan eveneens een bevel TBM krijgen. Voor de eigenaar geldt in het algemeen dat hij een groot belang kan hebben bij het treffen van tijdelijk beveiliging. Bijvoorbeeld om te voorkomen dat hijzelf of zijn werknemers wordt/worden blootgesteld aan verontreiniging of om verspreiding van de verontreiniging te voorkomen. Het aanbieden van compensatie ligt in deze gevallen niet in de rede tenzij dat gegeven de omstandigheden onevenredig nadelig zou uitpakken. Beleidsregel 18: bevel TBM aan onschuldig gebruiker Ten aanzien van de onschuldige gebruiker geldt in mindere mate hetzelfde als gesteld in beleidsregel 17. 3.4. Saneringbevel Blijkens de formulering van de Wbb kan een saneringsbevel worden gegeven aan de vervuiler en de schuldige eigenaar. Voor de vervuiler wordt verwezen naar hoofdstuk 2. Blijkens art. 46 lid 1 Wbb is de eigenaar onschuldig indien hij: gedurende de periode van verontreiniging geen duurzame rechtsbetrekking heeft gehad met de veroorzaker; geen (in)directe betrokkenheid heeft bij de veroorzaking van de verontreiniging; en op het moment dat hij het grondgebied verkreeg niet op de hoogte was en redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen zijn van de bodemverontreiniging. Hieronder worden de beleidsregels t.a.v. bovenstaande nader toegelicht. 3.4.1. duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker Beleidsregel 19: duurzame rechtsbetrekking Degene, die een duurzame rechtsbetrekking heeft (gehad) met de vervuiler wordt als niet-onschuldige eigenaar aangemerkt, indien de rechtsbetrekking ingrijpen in de bedrijfsvoering van de vervuiler mogelijk maakt(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.