Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2012Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen; gelet op de Verordening Wmo 2012: besluit: I.Het Besluit Wmo 2012 per 2012 in te trekken. II Vast te stellen het gewijzigde Besluit Wmo 2012: III De inwerkingtreding van dit Besluit Wmo te stellen op 1 oktober 2012. Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1 Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: Verordening: de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Dongen 2012 Alle begrippen die in dit Besluit worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, Verordening en de Awb (Algemene wet bestuursrecht). Hoofdstuk 2 Persoonsgebonden budget Artikel 2.1 Regels rond verstrekking 1.Verstrekking van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. 2.Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: er tijdens het onderzoek, naar aanleiding van de aanvraag, twijfels ontstaan of de aanvrager in staat is om: - de verantwoordingelijkehid tot besteding van een persoonsgebonden budget aan de voorziening waarvoor deze wordt toegekend aan te kunnen of; - te kunnen voldoen aan de regels ter verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget, de aanvrager het budget niet of slechts ten dele heeft besteed aan de voorzieningen waarvoor dit budget was toegekend of zich niet heeft gehouden aan de regels ter verantwoording van de besteding van het persoongebonden budget 3.De voorziening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening (een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer) wordt uitsluitend in natura verstrekt. 4.Het persoonsgebonden budget wordt zo vastgesteld dat de aanvrager daarmee een voorziening kan kopen die gelijkwaardig is aan een voorziening in natura. Tenzij in dit Besluit anders is aangegeven, bedraagt het persoonsgebonden budget maximaal het bedrag dat het college aande gecontracteerde leverancier betaalt voor de goedkoopst compenserende voorziening, inclusief onderhoud, keuring en reparatie. 5.Het te verstrekken Pgb geldt voor de periode die gelijk is aan de technische levensduur van de voorziening; 6.Wanneer een goedkopere voorziening wordt aangeschaft, wordt het Pgb beperkt tot aankoopprijs van de gekochte voorziening; 7.Van de aanvrager wordt verwacht dat hij zorgvuldig met de voorziening omgaat en onnodige schade en slijtage voorkomt; 8.De aanvrager moet zelf zorg dragen voor een aansprakelijkheidsverzekering voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan; 9.Een voorziening die de aanvrager met een persoonsgebonden budget heeft aangeschaft, moet worden ingeleverd bij - of terugbetaald aan de gemeente, als er tussentijds geen recht meer op bestaat. 10.het Pgb-beleid is uitgewerkt in de nota pgb. Artikel 2.2 Regels rond verantwoording De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt plaats: voor hulp bij het huishouden: de gemeente kan steekproefsgewijs controleren of de voorziening voldoende compenseert en op de juiste wijze wordt gebruikt; voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen: na realisatie of aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt. Artikel 2.3 Regels rond uitbetaling 1.De uitbetaling van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden vindt plaats eenmaal in de vier weken waarin recht bestaat op een persoonsgebonden budget. 2.De uitbetaling van het persoonsgebonden budget bij woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen vindt plaats na het overleggen van de aankoopnota. Hoofdstuk 3 Eigen bijdrage en eigen aandeel Artikel 3.1 De eigen bijdrage, het eigen aandeel in de kosten 1.De gemeente Dongen vraagt voor alle individuele voorzieningen, waarvoor dit binnen het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning is toegestaan, een eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten tot het maximum dat op grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Staatsblad 2006, nr. 450 / Staatscourant 2010,nr. 18021 ) is toegestaan, tenzij in het vervolg van dit hoofdstuk hiervan wordt afgeweken. 2.Vaststelling en inning van de eigen bijdrage vindt plaats door het Centraal Administratiekantoor (CAK), zoals bedoeld in artikel 16 Wmo. 3.Vaststelling en inning van het eigen aandeel wordt overgedragen door het college aan het Centraal Administratiekantoor. Artikel 3.2 Omvang van de eigen bijdrage, het eigen aandeel 1.De eigen bijdrage / het eigen aandeel in de kosten dat de ongehuwde persoon jonger dan 65 jaar moet betalen bedraagt € 18,00 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 22.905 het bedrag van € 18,00 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en 22.905; 2.De eigen bijdrage / het eigen aandeel in de kosten dat de ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder moet betalen bedraagt € 18,00 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16.007 het bedrag van € 18,00 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 16.007; 3.De eigen bijdrage / het eigen aandeel in de kosten dat gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar moeten betalen bedraagt € 25,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 28.306 het bedrag van € 25,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 28.308; 4.De eigen bijdrage / het eigen aandeel in de kosten dat gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn moeten betalen bedraagt € 25,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 22.319 het bedrag van € 25,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 22.319. 5.De bedragen genoemd in artikel 3.2 sub 1 tot en met 4 worden met ingang van 1 januari 2013 jaarlijks aangepast conform de standaard parameters Wmo die worden bekend gemaakt door het Ministerie van Volkshuisvesting, Welzijn en Sport. Artikel 3.3. Bedrag per periode van vier weken 1.Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van een roerende zaak dan wel een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die in eigendom is van de aanvrager, dan wordt gedurende een periode van 39 maal vier weken een eigen bijdrage of een eigen aandeel in de kosten in rekening gebracht. Het bedrag per periode wordt berekend door de kosten van de voorziening te delen door 39. 2.Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen in bruikleen van een woonvoorziening die eigendom is van de gemeente, dan wel een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die de aanvrager huurt, dan wordt gedurende een periode van 39 maal vier weken een eigen bijdrage of een eigen aandeel in de kosten in rekening gebracht. Het bedrag per periode wordt berekend door de kosten van de voorziening te delen door 39. 3.Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen van een eenmalige financiële tegemoetkoming, dan wordt gedurende een periode van 39 maal vier weken een eigen aandeel in de kosten in rekening gebracht. Het bedrag per periode wordt berekend door de kosten van de voorziening te delen door 39. 4.Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen van een periodieke financiële tegemoetkoming, dan wordt per periode van vier weken een eigen aandeel in de kosten in rekening gebracht, zolang de verstrekking voortduurt. Het bedrag per periode is gelijk aan het periodiek verstrekte bedrag. 5.Indien een voorziening bestaat uit het verschaffen in bruikleen van een roerende zaak door een leverancier met wie de gemeente een contract heeft afgesloten, dan wordt per periode van vier weken een eigen bijdrage in rekening gebracht, zolang de verstrekking in bruikleen voortduurt. Het bedrag per periode is gelijk aan het periodiek verstrekte bedrag. Artikel3.4Overgangsbepaling 1.De persoon die vóór 1 mei 2012 een aanvraag voor een voorziening die voor of namens de gemeente in bruikleen wordt verstrekt, heeft ingediend, waarvoor hij op grond van het in 2012 geldende Besluit Wmo 2012 geen eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten verschuldigd was, is pas vanaf 6 maanden nadat hem in een beschikking is meegedeeld dat hij een eigen bijdrage of een eigen deel moet betalen voor die voorziening moet betalen, de eigen bijdrage of het eigen aandeel in de kosten verschuldigd. 2.De persoon die vóór 1 mei 2012 een aanvraag voor een voorziening in de vorm van een (forfaitaire) financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget heeft ingediend, die resp. dat periodiek (bijvoorbeeld maandelijks of jaarlijks wordt betaald wordt, waarvoor hij op grond van het in 2012 geldende Besluit Wmo 2012 geen eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten verschuldigd was, is pas vanaf 6 maanden nadat hem in een beschikking is meegedeeld dat hij een eigen bijdrage of een eigen deel moet betalen voor die voorziening moet betalen, de eigen bijdrage of het eigen aandeel in de kosten verschuldigd. 3.De persoon die vóór 1 mei 2012 een aanvraag voor een voorziening in de vorm van een eenmalige (forfaitaire ) financiële tegemoetkoming of als een persoongebonden budget heeft ingediend, waarvoor hij op grond van het in 2012 geldende Besluit Wmo 2012 geen eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten verschuldigd was, is voor deze voorziening ook vanaf 1 mei 2012 geen eigen bijdrage of aandeel in de kosten verschuldigd. Artikel3.5Beperkingen 1.De eigen bijdrage of het eigen aandeel in de kosten mag nooit meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening in natura, respectievelijk het bedrag van de PGB, het bedrag van de financiële vergoeding, het bedrag van de financiële tegemoetkoming, de maandhuur die de gemeente voor de verstrekte voorziening betaalt. Er wordt geen eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten meer gevraagd als degene aan wie de voorziening is verstrekt is overleden; is verhuisd en daardoor geen gebruik meer kan maken van de verstrekte woonvoorziening; te kennen heeft gegeven geen gebruik meer te willen maken van een andere dan de onder b genoemde voorziening en er ook feitelijk geen gebruik van maakt. 2.Een eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten van een voorziening wordt niet opgelegd als de voorziening bestaat uit een algemene voorziening (bijvoorbeeld een maaltijdvoorziening of scootermobielpool). 3. Een eigen bijdrage of het eigen aandeel in de kosten wordt niet opgelegd als de verstrekte voorziening bestaat uit Regiotaxi (collectief vraagafhankelijk vervoer) en bij weekendvervoer als bedoeld in artikel respectievelijk van dit Besluit. Artikel 3.6 Regels bij verzuim betaling eigen bijdrage en eigen aandeel 1.Het college kan over gaan tot opschorting, intrekking en terugvordering van het persoonsgebonden budget indien de door het Centraal Administratie Kantoor opgelegde verschuldigde eigen bijdrage niet of niet volledig door de budgethouder wordt voldaan. 2.Het college kan over gaan tot stopzetting van de zorg in natura indien de door het Centraal Administratie Kantoor aan de persoon met beperkingen opgelegde eigen bijdrage niet of niet volledig wordt betaald. Blijft de persoon met beperkingen volharden in zijn verzuim, dan kan het college overgaan tot terugvordering van de aan de zorgaanbieder verstrekte vergoeding voor de geboden zorg in natura. Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden Artikel 4.1 Vormen van hulp bij het huishouden 1.De voorziening die de gemeente kan verstrekken voor de hulp bij het huishouden bestaat uit drie onderdelen: Voorziening in natura. Hierbij onderscheid het college twee soorten dienstverlening: HBH 1: alleen schoonmaakwerkzaamheden. De uit te voeren werkzaamheden bestaan uit de volgende onderdelen: licht poetswerk in huis (bijvoorbeeld: kamers opruimen); zwaar huishoudelijk werk (bijvoorbeeld: stofzuigen, schoonmaken wc en badkamer); het doen van de was; huishoudelijke spullen in orde houden. HBH 2: Schoonmaakwerkzaamhedenmet organisatie van het huishouden De uit te voeren werkzaamheden in deze categorie bestaan naast licht en zwaar huishoudelijk werk, het doen van de was en in orde houden van huishoudelijke spullen, uit de volgende onderdelen: boodschappen doen; broodmaaltijd bereiden; warme maaltijd bereiden; anderen helpen in huis met zelfverzorging (verzorging van kinderen); anderen helpen in huis bij het bereiden van de maaltijd; dagelijkse organisatie van het huishouden (bijvoorbeeld eenvoudige administratieve werkzaamheden) De keuze voor een categorie wordt bepaald door de complexiteit van de gezinssituatie en de aan of afwezigheid van iemand die regie kan voeren. Een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. De ondersteuningsvrager kan in plaats van zorg in natura een pgb ontvangen voor de inkoop van HBH1 en HBH2 (zie bovengenoemde taken). De ondersteuningsvrager is dan zelf verantwoordelijk voor de inkoop van hulp bij het huishouden en het laten uitvoeren van de taken waarvoor hij/zij geïndiceerd is. Ook dient de ondersteuningsvrager een salarisadministratie bij te houden en de uitgegeven bedragen te verantwoorden wanneer de gemeente daarom vraagt. Een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget voor vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 De ondersteuningsvrager kan in plaats van zorg in natura of een pgb een pgb voor vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 lid 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 ontvangen. Het pgb wordt in de vorm van Alfacheques verstrekt in plaats van geld om de hulp in te kopen. De cheques kunnen worden ingewisseld bij aanbieders waarmee de gemeente Dongen een overeenkomst heeft gesloten. Om te bepalen of tot de leefeenheid waar een persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die in staat zijn tot het verrrichten van gebruikelijke zorg wordt gebruik gemaakt van het protocol gebruikelijke zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg van april 2005. Ondersteuning voor pgb-houders. Voor ondersteuning bij het beheer van het pgb kan de ondersteuningsvrager terecht bij de Sociale Verzekeringsbank. De gemeente Dongen heeft een contract gesloten met de Sociale Verzekeringsbank. Deze verzorgt op verzoek van de ondersteuningsvrager ondersteuning bij het beheer en de administratie van het pgb. Indicering. De hulp bij het huishouden wordt geïndiceerd in uren en minuten per week, conform het Indicatieprotocol gemeente Dongen. Artikel 4.2. Persoonsgebonden budget Het pgb voor hulp bij het huishouden wordt in dertien 4-wekelijkse perioden verstrekt. Artikel 4.3. Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden €13,12 per uur Tarief voor klanten met een HbH1 of HbH2 indicatie die hulp inkopen bij niet-professionele dienstverleners (familie, vrienden, bekenden e.d.) -> informele zorg € 20,15 per uur Tarief voor klanten met een HbH1 indicatie die hulp inkopen bij een thuiszorgorganisatie, schoonmaakbedrijf of een ZZP'er -> formele zorg €24,90 per uur Tarief voor klanten met een HbH2 indicatie die ondersteuning inkopen bij een thuiszorgorganisatie, schoonmaakbedrijf of een ZZP'er -> formele zorg Indien er sprake is van meerdere hulpverleners uit verschillende categorieën dan wordt een combinatie van tarieven gebruikt. Artikel 4.4 Maaltijdvoorziening 1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor een maaltijdvoorziening in aanmerking worden gebracht indien: hij zelfstandig woont en hij aantoonbare functiebeperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, hij als gevolg daarvan niet zelf in staat is een warme maaltijd te bereiden, hij geen huisgenoten of mantelzorgers heeft die in die behoefte kunnen voorzien. 2.De financiële tegemoetkoming wordt in de vorm van een korting rechtstreeks betaald aan door de gemeente erkende aanbieders. Artikel 4.5 Personenalarmering 1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening in de vorm van personenalarmering in aanmerking worden gebracht indien: hij zelfstandig woont en hij aantoonbare functiebeperkingen heeft als gevolg van ziekte of gebrek en hij in geval van nood voor hulpverlening een beroep moet kunnen doen op een alarmpost. 2.De financiële tegemoetkoming wordt in de vorm van een korting rechtstreeks betaald aan door de gemeente erkende aanbieders. Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen Artikel 5.1 Vaststellen hoogte financiële tegemoetkoming en pgb woonvoorzieningen 1.De financiële tegemoetkoming voor bouwkundige- of woontechnische woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van een door het college goedgekeurde offerte op basis van de kosten van de goedkoopst compenserende voorziening. 2.Het persoonsgebonden budget voor overige woonvoorzieningen bedraagt maximaal het bedrag dat het college aan de gecontracteerde leverancier betaalt voor de goedkoopst compenserende voorziening, inclusief onderhoud, keuring en reparatie. 3.De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen bedraagt maximaal € 25.000,-. 4.Bij het opstellen van de kostenberekening en bij de beoordeling van de offerte wordt rekening gehouden met hetgeen bepaald is in: Bijlage 1 bij dit besluit: Overzicht subsidiabele kostenposten woningaanpassingen; Bijlage 2 bij dit besluit: Extra bouw‑ en grondkosten. Artikel 5.2 Verhuis- en herinrichtingskosten De hoogte van de te verlenen financiële tegemoetkoming voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 11 lid 4 van de verordening, bedraagt € 2.485,= . Artikel 5.3 Woonvoorziening in natura De volgende voorzieningen worden uitsluitend in natura verstrekt (niet in eigendom): mobiele tilliften; trapliften Artikel 5.4 Woningsanering en rolstoelvloerbedekking 1.De financiële tegemoetkoming voor de kosten van woningsanering, die noodzakelijk is in verband met cara en/of allergische aandoeningen, en rolstoelvloerbedekking is eenmalig en vindt plaats aan de hand van onderstaande maximale vergoedingsbedragen: Stoffering Maximale bijdrage per eenheid Overgordijnen in de woonkamer € 32,- per m2 raamoppervlak Overgordijnen in de slaapkamer € 21,- per m2 raamoppervlak Vitrage woon- en slaapkamer € 21,- per m2 raamoppervlak Vloerbedekking (laminaat) in slaapkamer € 55,- per m2 2.De hoogte van de tegemoetkoming wordt afgestemd op de afschrijvingstermijn van de te saneren zaken en/of de te vervangen vloerbedekking. 3.Een financiële tegemoetkoming voor de kosten van rolstoelvloerbedekking wordt alleen verstrekt bij de initiële verstrekking van een rolstoel. Artikel 5.5 Kosten van tijdelijke huisvesting 1.De hoogte van de te verlenen financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting, bedraagt: De werkelijke kosten van de kale huur minus huurtoeslag met een maximum van zes maanden, als het gaat om kosten van het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte; de werkelijke kosten van de kale huur met een maximum van zes maanden, als het gaat om kosten van het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte. 2.de werkelijke kosten van de kale huur per maand mogen nimmer meer bedragen dan de maximale huurgrens die is vastgesteld in artikel 13 lid 1 Wet op de huurtoeslag, tenzij weigering van de woonvoorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 5.6 Kosten van huurderving De hoogte van de te verlenen financiële tegemoetkoming voor huurderving, bedraagt de kosten van de kale huur van de woonruimte, waarbij de maximale vergoeding van de kosten van kale huur gelijk is aan de maximale huurgrens waarvoor huurtoeslag wordt verstrekt. Artikel 5.7 Kosten onderhoud, keuring en reparatie 1.De kosten van onderhoud, keuring en reparatie worden in natura verstrekt indien daartoe afspraken zijn gemaakt met leveranciers, installateurs en onderhoudsbedrijven. 2.Indien de in het eerste lid bedoelde afspraken ontbreken, wordt de hoogte van de financiële tegemoetkoming vastgesteld op basis van de bedragen opgenomen in bijlage 3 bij dit Besluit. Artikel 5.8 Financiële tegemoetkoming bezoekbaar maken van een woonruimte Indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte. De hoogte van deze financiële tegemoetkoming bedraagt 100% van de werkelijke kosten met een maximum van € 2.385,00. Artikel 5.9 Financiële tegemoetkoming aanpassing woonwagen en woonschip De maximale financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van een woonwagen en woonschip bedraagt € 900,00. Artikel 5.10 Uitbetaling financiële tegemoetkoming 1De financiële tegemoetkoming in de kosten wordt uitbetaald aan de eigenaar van de woonruimte als het gaat om: bouwkundige of woontechnische woonvoorziening huurderving verwijderen van voorzieningen 2De financiële tegemoetkoming in de kosten wordt uitbetaald aan de aanvrager van de woonvoorziening als het gaat om: verhuis- en herinrichtingskosten tijdelijke huisvesting onderhoud, keuring en reparatie. 3De gereedmelding is een verzoek tot vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. In de regel gebeurt dit via het overleggen van de nota. De gereedmelding vindt plaats door de persoon aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald. Artikel 5.11 Terugbetaling bij verkoop 1.De eigenaar-bewoner, die een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het door het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald. 2.Deze verplichting is van toepassing als de woonvoorziening gerealiseerd is in de vorm van uitbreiding van de woning door een aan- op- of bijbouw al dan niet gepaard gaande met verwerving van de voor de bouw benodigde grond. 3.De vaststelling van de eventuele meerwaarde geschiedt door een beëdigd taxateur, aan te wijzen door de woningeigenaar. 4.Het te restitueren bedrag bedraagt voor het eerste jaar na gereedmelding 100 procent van de meerwaarde; voor het tweede jaar 90% van de meerwaarde, voor het derde jaar 80% van de meerwaarde, voor het vierde jaar 70% van de meerwaarde, voor het vijfde jaar 60% van de meerwaarde, voor het zesde jaar 50% van de meerwaarde, voor het zevende jaar 40% van de meerwaarde, voor het achtste jaar 30% van de meerwaarde, voor het negende jaar 20% van de meerwaarde, voor het tiende jaar 10% van de meerwaarde maar nooit meer dan het bedrag dat ten laste van de gemeente is gekomen in verband met de getroffen voorzieningen. Op het te restitueren bedrag worden de kosten van de taxatie in mindering gebracht. Hoofdstuk 6 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel 6.1 Vormen van vervoersvoorzieningen De door het college te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een collectieve vervoersvoorziening; een vervoersvoorziening in natura in de vorm van: een scootermobiel; andere vervoersvoorzieningen; een tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten van: aanpassing van een eigen auto; gebruik van een individuele taxi; medisch noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer; een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening. Artikel 6.2 Vervoersvoorziening in natura 1.Een vervoersvoorziening in natura wordt in opdracht van het college verstrekt door de verstrekker of wordt door het college van de verstrekker gekocht. 2.Indien het college de vervoersvoorziening koopt, treedt het college op als verstrekker van de vervoersvoorziening. 3.De verstrekker is eigenaar van de vervoersvoorziening en verstrekt deze voorziening in bruikleen aan de persoon met beperkingen. De persoon met beperkingen en de verstrekker sluiten daartoe een bruikleenovereenkomst. Artikel 6.3 Vervoersvoorziening als persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming 1.Een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening bedraagt maximaal het bedrag dat het college aan de gecontracteerde leverancier betaalt voor de goedkoopst compenserende voorziening, inclusief onderhoud, keuring en reparatie. 2.Een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een taxi, niet zijnde een taxi van het collectief vraagafhankelijk vervoer, bedraagt € 1.034,- per jaar. 3.Een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een rolstoeltaxi, niet zijnde een taxi van het collectief vraagafhankelijk vervoer, bedraagt € 1.554.- per jaar. 4.Een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een (eigen) auto, bedraagt € 1.034,- per jaar. 5.Een financiële tegemoetkoming voor de gebruikskosten van een bruikleenauto, bedraagt € 670.- per jaar. Artikel 6.4 Afstemming hoogte persoonsgebonden budget bij samenvallende vervoersbehoefte Indien er, binnen een leefeenheid, meerdere personen met beperkingen zijn, die in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget voor deze vervoersvoorziening afgestemd op de mate waarin de vervoersbehoeften van de personen met beperkingen samenvallen. Artikel 6.5. Collectief aanvullend vervoer ('Regiotaxi') Het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), Regiotaxi Midden-Brabant, wordt uitgevoerd volgens de opzet zoals beschreven in bijlage 4 bij dit Besluit. Artikel 6.6. Weekendvervoer 1.Onder weekendvervoer wordt verstaan het vervoer vanuit de AWBZ-instelling waar de belanghebbende woont naar het adres waar de te bezoeken relatie woonachtig is, en vice versa. 2.Het weekendvervoer wordt uitgevoerd overeenkomstig de regels die zijn opgenomen in bijlage 5 bij dit besluit. 3.Het vervoer vanuit het woonadres van de relatie waar de belanghebbende met het weekendvervoer naar toe reist, valt niet onder het weekendvervoer. Hoofdstuk 7 Verplaatsen in en rond de woning Artikel 7.1 Wijze van verstrekken rolstoelvoorzieningen 1.Rolstoelvoorzieningen worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt. 2.Verstrekking van rolstoelvoorzieningen in natura vindt in bruikleen plaats. 3.De verstrekker is eigenaar van de rolstoelvoorziening en verstrekt deze voorziening in bruikleen aan de persoon met beperkingen. De persoon met beperkingen en de verstrekker sluiten daartoe een bruikleenovereenkomst. Artikel 7.2 Omvang, uitbetaling en verantwoording persoonsgebonden budget rolstoelvoorziening 1.Het persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening bedraagt maximaal het bedrag dat het college aan de gecontracteerde leverancier betaalt voor de goedkoopst compenserende voorziening. 2.Indien nodig wordt het persoonsgebonden budget verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en eventueel verplichte verzekering. 3.Het persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor een periode van de economische/technische levensduur van de voorziening. Binnen deze periode wordt, zolang de beperking(en)van de aanvrager dit niet noodzakelijk maakt (maken), voor dezelfde voorziening niet tweemaal een persoonsgebonden budget verstrekt. 4.Uitbetaling van het persoonsgebonden budget vindt plaats na het overleggen van de nota('
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.