← Nederland

Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Olst-Wijhe 2005 (Olst-Wijhe)

Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Olst-Wijhe 2005 HOOFDSTUK

  1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel
  2. Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen van twee tot vier jaar gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur met als doel de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en hen samen te laten spelen; peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt; houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert; beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt over voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificaties; begeleider: degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal. HOOFDSTUK
  3. MELDINGSPLICHT Artikel
  4. Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal
  5. Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college.
  6. De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. Artikel
  7. Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal
  8. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht weken na het tijdstip van de melding.
  9. Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerder is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening, kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden.
  10. Paragraaf 4.1.3.
  11. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel
  12. Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan. Artikel
  13. Register
  14. Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt.
  15. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden.
  16. Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter inzage. Artikel
  17. Wijzigingen van gegevens
  18. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college.
  19. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register zijn aangetekend. HOOFDSTUK
  20. DE KWALITEITSEISEN Artikel
  21. Algemene kwaliteitseisen
  22. De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.
  23. De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of moet leiden tot verantwoord peuterspeelzaalwerk. Artikel
  24. Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt. Artikel
  25. Oppervlakte speelruimte
  26. Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan binnenspeelruimte beschikbaar.
  27. Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de bruto-oppervlakte minimaal 4 m2 per kind bedraagt en die voor kinderen bereikbaar is. Artikel
  28. Groepen en groepsgrootte
  29. De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend ingerichte vaste afzonderlijke ruimtes.
  30. In een groep zijn ten hoogste zestien kinderen gelijktijdig aanwezig. Artikel
  31. Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep In elke groep waarin ten minste 10 kinderen gelijktijdig aanwezig zijn, zijn in ieder geval twee beroepskrachten aanwezig. In kleinere groepen kan volstaan worden met één beroepskracht en een begeleider. Artikel
  32. Overeenkomst tussen houder en ouder Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder. Artikel
  33. Informatieplicht aan de ouders De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over: de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden; het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid, alsmede het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven; de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal. Artikel
  34. Verklaring omtrent het gedrag
  35. Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens.
  36. Deze verklaring wordt aan de houder overgelegd voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
  37. Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn. HOOFDSTUK
  38. HET GEMEENTELIJK TOEZICHT Artikel
  39. Aanwijzing van toezichthouders Het college wijst toezichthouders aan. Artikel
  40. Onderzoek door de toezichthouder
  41. De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen acht weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening.
  42. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder een maal per twee jaar of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening.
  43. Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. Artikel
  44. Het inspectierapport
  45. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.
  46. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
  47. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
  48. De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.
  49. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar. Artikel
  50. Aanwijzing en bevel
  51. Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft.
  52. In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
  53. Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden verlengd.
  54. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn. Artikel
  55. Strafbepaling Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk 3 van deze verordeningen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. HOOFDSTUK
  56. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel
  57. Overgangsbepaling
  58. Het college neemt in het register de peuterspeelzalen op die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening over een vergunning op grond van de Verordening kinderopvang Olst-Wijhe 2002 beschikken.
  59. Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn voor het register.
  60. Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder binnen twee maanden na de inwerkingtreding een verklaring omtrent het gedrag over. Artikel
  61. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
  62. Artikel
  63. Citeertitel De verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Olst-Wijhe
  64. Inhoudsopgave HOOFDSTUK
  65. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel
  66. Begripsomschrijvingen HOOFDSTUK
  67. MELDINGSPLICHT Artikel
  68. Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Artikel
  69. Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Artikel
  70. Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Artikel
  71. Register Artikel
  72. Wijzigingen van gegevens HOOFDSTUK
  73. DE KWALITEITSEISEN Artikel
  74. Algemene kwaliteitseisen Artikel
  75. Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid Artikel
  76. Oppervlakte speelruimte Artikel
  77. Groepen en groepsgrootte Artikel
  78. Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep Artikel
  79. Overeenkomst tussen houder en ouder Artikel
  80. Informatieplicht aan de ouders Artikel
  81. Verklaring omtrent het gedrag HOOFDSTUK
  82. HET GEMEENTELIJK TOEZICHT Artikel
  83. Aanwijzing van toezichthouders Artikel
  84. Onderzoek door de toezichthouder Artikel
  85. Het inspectierapport Artikel
  86. Aanwijzing en bevel Artikel
  87. Strafbepaling HOOFDSTUK
  88. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel
  89. Overgangsbepaling Artikel
  90. Inwerkingtreding Artikel
  91. Citeertitel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.