← Nederland

Bouwverordening Rotterdam 2010 (Rotterdam)

Gemeenteblad 2010Gemeenteblad 2010 Bouwverordening Rotterdam 2010 GECONSOLIDEERDE TEKST, zoals deze geldt vanaf 10 maart 2014, de datum van inwerkingtreding van wijziging 4 De raad van de gemeente Rot

. De tekst van dit artikel is speciaal op de Rotterdamse situatie toegespitst en betreft een gebiedsindeling die in de praktijk niet gemist kan worden. Dit artikel is derhalve niet door een van de MBV‑alternatieven te vervangen. Paragraaf 5 In deze paragraaf staan de stedenbouwkundige bepalingen. De achtergronden van de afwijkingen in deze paragraaf van de MBV‑tekst zijn in de algemene toelichting uiteengezet. Artikel 2.5.5. (39‑oud)

. Artikel 2.5.7 Aan onderdeel b, onder punt 1 is op verzoek van Gemeentewerken de zinsnede “, mits deze de weggrens niet overschrijden” toegevoegd. Dit in verband met ligging van CAI en PTT‑kabels. Artikel 2.5.

  1. De redactie van dit artikel komt vrijwel geheel overeen met de MBV‑tekst, m.u.v. de toevoeging van “en ventilatiekanalen” bij lid 1, onderdeel e en de toevoeging van het derde lid. Artikel 2.5.9 Gelijk aan MBV, m.u.v. toevoeging tweede lid. Artikel 2.5.10 Alleen in het vierde lid wordt i.v.m. artikel 1.
  2. omtrent de zone indeling afgeweken van de MBV. Artikel 2.5.11 (45‑oud)

Artikel 2.5.13 Onderdeel a wijkt i.v.m.

artikel 1.3. af van de onderdelen a en b van de MBV. Inhoudelijk corresponderen de onderdelen b t/m d met de onderdelen c t/m e van de MBV. Artikel 2.5.14 (48‑oud)

Artikel 2.5.16 De eerste twee leden van dit artikel zijn overeenkomstig de MBV.

Het derde lid is toegevoegd i.v.m. de Rotterdamse zone indeling. Artikel 2.5.17 (52‑oud)

Artikel 2

.5.20 (53‑oud)

Artikel 2

.5.21 (54‑oud)

Artikelen 2.5.22, 2.5.24, 2.5.25 Om aan te sluiten bij de nummering van de artikelen van de MBV tekst zijn de artikelnummers in de Rotterdamse bouwverordening evenals bij de bouwverordening uit 1988 overgenomen. De artikelen die in de MBV omtrent bouwhoogten zijn opgenomen wijken te zeer af van de praktijk in Rotterdam (

). Artikel 2.5.23. (56‑oud)

Artikel 2

.5.27 (60‑oud)

Artikel 2

.5.28 (61‑oud)

Artikel 2

.5.29 Met deze bepaling wordt de mogelijkheid geboden om vrijstelling van de bouwverordening te verlenen voor ontwikkelingen die ofwel passen binnen de reikwijdte van de voorheen in artikel 19, lid 2 of 3, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening opgenomen vrijstellingen of de in artikel 3.10 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening opgenomen ontheffingen ofwel passen binnen toekomstig ruimtelijk beleid. Onder dat laatste worden in ieder geval ontwikkelingen gevat die zijn voorzien in een voorbereidingsbesluit of (voor)ontwerpbestemmingsplan, maar het kan ook gaan om ontwikkelingen die op een andere wijze als beleidsmatig gewenst zijn vastgelegd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de (deel)gemeentelijke horecanota’s of ontwikkelingsvisies. Omdat de wetgever in situaties waarin sprake is van strijdigheden met de bouwverordening niet heeft voorzien in een mogelijkheid om te ontsnappen aan de in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen fatale beslistermijnen, is voor het verlenen van een in dit artikel genoemde vrijstelling geen zienswijzenprocedure voorgeschreven. Dit neemt niet weg dat het college van burgemeester en wethouders daar altijd voor kan kiezen. Artikel 2.5.30 Om de bereikbaarheid, buitenruimte en leefbaarheid van de binnenstad te verbeteren, worden in dit deel van de stad maximumnormen ingevoerd. De gedachte dat er vanuit financieel oogpunt altijd zo min mogelijk parkeerplaatsen worden gebouwd, wordt hiermee losgelaten. In de binnenstad is dit niet het geval gebleken. Bij het bouwen van woningen en voorzieningen worden eisen gesteld aan de aanwezige parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. In het centrum geldt dat er alleen maximumnormen zijn, in de andere gebieden zijn er ook minimumnormen. Wat betreft de parkeergelegenheid wordt er een parkeereis gesteld. Deze parkeereis wordt berekend aan de hand van de parkeernormen die zijn opgenomen in bijlage 8. De minimum parkeernormen zijn er om te zorgen dat de behoefte aan parkeerruimte bij nieuwe ontwikkelingen geaccommodeerd wordt. De maximumnormen zijn bedoeld om de bereikbaarheid en leefbaarheid van de binnenstad te verbeteren. Om overlast in het openbaar gebied tegen te gaan moet de parkeereis door de ontwikkelaar op eigen terrein gerealiseerd worden. In situaties waarin dit tot onoverkomelijke problemen leidt kan een beroep worden gedaan op de vrijstellingsbepaling (lid 4). Deze bepaling is geen recht van de ontwikkelaar maar bij aanvraag van de ontwikkelaar kan de gemeente besluiten deze van toepassing te verklaren. Bij besluit van 19 januari 2006 heeft de Raad het vierde lid van dit artikel gewijzigd conform beleid dat in op 5 maart 2002 door burgemeester en wethouders was vastgesteld inzake vrijstellingsmogelijkheden van de gestelde parkeereis in het eerste lid. Met dien verstande dat de beleidsregel ten aanzien van een “huurcontract bij een nabijgelegen parkeergelegenheid” die nog wel in het besluit werd genoemd, is komen te vervallen. Bij hetzelfde besluit heeft de Raad het vijfde lid aan dit artikel toegevoegd waarbij de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan de bepalingen van het vierde lid van dit artikel bij het college is gelegd. Hieronder vallen onder andere het vaststellen van compensatiesommen en gebiedsindelingen voor de parkeereisovereenkomsten. Nadere toelichting van enkele termen uit het vierde lid: In het vierde lid, onderdeel a, wordt met dubbelgebruik bedoeld dat bij het ontwikkelen van meerdere functies, zoals wonen, bedrijfsfuncties, winkelfuncties e.a. die op verschillende tijdstippen gebruik maken van parkeerplaatsen, een deel van de parkeerplaatsen dubbel gebruikt kan worden. De totale parkeereis voor het geheel wordt hierdoor lager dan de parkeereisen per functie afzonderlijk. In het vierde lid, onderdeel b, wordt met parkeereisovereenkomst bedoeld een overeenkomst, tussen de ontwikkelaar en de gemeente, waarbij de gemeente de verplichting op zich neemt om (een deel van) de parkeerplaatsen in de omgeving beschikbaar te stellen of te realiseren. De ontwikkelaar betaalt hiervoor een compensatiesom. De hoogte van de afkoopsom is afhankelijk van het aantal te compenseren parkeerplaatsen en het gebied waarin de ontwikkeling wordt geïnitieerd. In het vierde lid, onderdeel b en c, wordt gesproken over een gemeentelijk belang. Dit houdt in dat de ontwikkeling zodanig gewenst is vanuit de gemeente dat de gemeente toestaat dat een deel van de parkeereis wordt opgelost in het openbare gebied. De ontwikkelaar moet hierbij kunnen aangeven met gegronde redenen dat het niet mogelijk is om de parkeereis op eigen terrein te realiseren. In het vierde lid, onderdeel d, wordt gesproken over een bijzonder gemeentelijk belang. Het gaat hierbij om zeer uitzonderlijke situaties, waarbij met gegronde redenen aangetoond is, dat het niet mogelijk is om aan (een deel van) de parkeereis op eigen terrein te voldoen én er ook geen mogelijkheden bestaan om (een deel van) de parkeereis in de openbare ruimte op te lossen. Het verschil met het gemeentelijk belang, zoals genoemd in onderdeel b en c, zit in het feit dat de gemeente de ontwikkeling zodanig gewenst vindt, uit economisch oogpunt of uit het oogpunt van milieu, hinder of woonomgeving, dat er volledige vrijstelling van de parkeereis wordt toegestaan. Deze vrijstelling zal slechts worden verleend na een bestuurlijk besluit waarin de motivering van het verlenen van deze vrijstelling is opgenomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.