Besluit nadere regels Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2012Burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Staatsblad 2006, nummer 351); de Amvb en gelet op artikel 147 van de Gemeentewet; overwegen, dat het noodzakelijk is om met betrekking tot het verlenen van voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning nadere regels te stellen; besluiten vast te stellen het volgende Besluit nadere regels Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2012: Hoofdstuk1Begripsbepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1In dit besluit wordt onder de Verordening verstaan de van toepassing zijnde Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen. 2Alle begrippen die in dit Besluit worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Verordening en de Awb. Hoofdstuk2Algemene regels over het persoonsgebonden budget en de financiële tegemoetkoming Artikel2Budgetperiode Het (bruto-)persoonsgebonden budget wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor een periode overeenkomend met de normale afschrijvingstermijn die, voor zover van toepassing, geldt voor de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening. Artikel3Weigeringsgronden persoonsgebonden budget Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt in ieder geval niet plaats indien: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek zijn verkregen, het ernstige vermoeden bestaat dat de persoon met beperkingen problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget, tenzij de beschikking bestaat over een goed netwerk dat het beheer kan verzorgen; b. de persoon met beperkingen eerder een persoonsgebonden budget is verleend op grond van deze verordening dan wel de hieraan voorafgaande verordening(
(3)om de eigen oplossing te regelen. Financiële omstandigheden zijn geen reden om een Wmo-indicatie af te geven, maar ook niet om daarvan af te zien. Tijdelijke oplossingen zoals een gastgezin, buren, oppas aan huis kunnen als overbrugging fungeren van de wachttijd voor een voorliggende voorziening. De indicatiesteller moet de sociale kaart goed in beeld hebben, zodat hij/zij kan beoordelen of een niet-wettelijke voorliggende voorziening daadwerkelijk beschikbaar is Gebruikelijke Zorg normeert de toegang tot Hulp bij het huishouden In de Beleidsregel Gebruikelijke Zorg staat omschreven welke taken behoren tot de normale taken binnen een huishouden. Daarvan wordt verondersteld dat die bij uitval van een van de huisgenoten overgenomen worden door de anderen. Deze beleidsregel normeert de toegang tot de Hulp bij het huishouden in belangrijke mate. Revalideren Wanneer de aandoening die de oorzaak vormt voor de huishoudelijke beperkingen naar de mening van de (CIZ-) arts nog behandelmogelijkheden biedt, kan in de regel geen hulp bij het huishouden worden geïndiceerd. Hulp bij het huishouden kan in zo’n situatie immers antirevaliderend werken. Wel kan Hulp bij het huishouden naast een te volgen behandeling of revalidatie worden geïndiceerd. Hierover is afstemming met de behandelaar nodig. Zo’n indicatie Technische hulpmiddelen Er is geen indicatie voor Hulp bij het huishouden als de problemen van de persoon met beperkingen afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Deze hulpmiddelen dienen uit oogpunt van verantwoorde werkomstandigheden ook voor een helpende aanwezig te zijn. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van al aanwezige hulpmiddelen, zoals een droogtrommel of een afwasmachine. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een compenserende oplossing zouden bieden voor het probleem, hebben deze hulpmiddelen de voorkeur boven het inzetten van hulp. Hulpmiddelen kunnen ook gefinancierd zijn uit een andere betalingsregeling, gericht op of aangepast aan de beperkingen van de persoon met beperkingen (Regeling hulpmiddelen). Zonodig kan de persoon met beperkingen gewezen worden op de mogelijkheid van de eerstelijns ergotherapie voor ergonomische consultatie bij het leren omgaan met hulpmiddelen/het reorganiseren van het huishouden. De persoon met beperkingen kan voor de tijd dat de hulpmiddelen er niet zijn in aanmerking komen voor Wmo-zorg (er is dus een vorm van overbruggingszorg). --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 1 Denk aan woongroepen, kamerverhuur, hat-eenheden, kloosterlingen, meerdere generaties in een huis. 2 Alleenstaanden die geen grondslag voor Wmo-zorg hebben, anders dan bijvoorbeeld het plotseling wegvallen van de verzorger in het huishouden, zijn voor het aanleren van huishoudelijke vaardigheden in de regel aangewezen op voorliggende voorzieningen als welzijnswerk, enz. 3 Het behoort tot de professionaliteit van de indicatiesteller om vast te stellen of een cliënt de eigen verantwoordelijkheid in het zoeken van oplossingen ook naar behoren invult. Het is bijvoorbeeld niet per se noodzakelijk dat de cliënt stukken ter inzage geeft. heeft dan in principe een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- of revalidatietraject. Toelichting1 Toelichting besluit nadere regels Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2012 Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel is geregeld dat met het begrip “Verordening” de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen wordt bedoeld. Overige begrippen die in dit Besluit worden gehanteerd, hebben dezelfde betekening als in de wet, de Verordening en de Awb. Hoofdstuk 2 Algemene regels over het persoonsgebonden budget en de financiële tegemoetkoming Artikel 2 Budgetperiode Bij de verlening van een persoonsgebonden budget wordt ervan uitgegaan dat met het verleende bedrag een nieuwe voorziening kan worden aangeschaft waardoor de beperkingen, bij gelijkblijvende omstandigheden, kunnen worden opgeheven gedurende een zekere periode. Voor de bepaling van die periode wordt uitgegaan van de normale afschrijvingstermijn die door de leverancier van de 27 gemeenten in Noord- en Midden Limburg wordt gehanteerd. Voor hulpmiddelen gelden de volgende afschrijvingstermijnen: KernassortimentLigtvoet bv.: Voorzieningen voor volwassenen: 7 jaar Voorzieningen voor kinderen: 5 jaar Buiten het kernassortiment Afschrijvingstermijnen zijn gelijk aan de termijnen in het kernassortiment -/- 2 jaar. Voor woningaanpassingen gelden de volgende afschrijvingstermijnen: - Keuken 15 jaar - Tegels 25 jaar - Sanitair 20 jaar - Natte cel 25 jaar - CV-ketel 20 jaar - Huizen 50 jaar Krachtens dit artikel wordt in ieder geval uitgegaan van de hierboven vermelde termijn. Dit betekent dat verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een langere periode dan normale afschrijvingstermijn mogelijk is. Dit is mogelijk indien na verstrijken van de normale afschrijvingstermijn de voorziening nog steeds compenserend, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord geacht mag worden. Om dit te kunnen bepalen zal, bij een nieuwe aanvraag voor een persoonsgebonden budget na verstrijken van de normale afschrijvingstermijn, de aangeschafte voorziening onderzocht dienen te worden op bovengenoemde kwalificaties. Indien blijkt dat nog steeds sprake is van een compenserende, veilige, cliëntgerichte en kwalitatief verantwoorde voorziening dan is er sprake van bezwaren die gecompenseerd moeten worden en zal de aanvraag derhalve afgewezen dienen te worden. In de afwijzingsbeschikking zal daarbij vermeld moeten worden voor welke termijn de onderzochte voorziening nog compenserend, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord geacht wordt. Artikel 3 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget Een persoon met beperkingen komt in eerste instantie in aanmerking voor een algemene voorziening. Is deze niet passend, dan kan de persoon met beperkingen al dan niet een individuele voorziening ontvangen. Indien een voorziening anders dan in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt, kan op verzoek van de persoon met beperkingen verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget plaatsvinden. Ad a Niet in alle situaties is het mogelijk een persoonsgebonden budget te ontvangen. Zo zal in situaties waarbij tijdens onderzoek duidelijk wordt dat een persoon met beperkingen problemen zal krijgen met het omgaan met een persoonsgebonden budget, dit als contra-indicatie worden opgevat. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat de persoon met beperkingen verslaafd of manisch is. Een verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget ligt dan niet in de rede en afwijzing vindt dan plaats. Uit de toelichting op artikel 6 Wmo blijkt echter dat wanneer de persoon met beperkingen over een goed netwerk beschikt dat voor hem of haar het beheer kan verzorgen, een persoonsgebonden budget als keuze beschikbaar kan blijven (TK 2005-2006, 30131, nr. 35, p. 9). Dit is daarom ook aan onderdeel a toegevoegd. Ad b Een persoonsgebonden budget kan eveneens worden geweigerd indien de persoon met beperkingen zich bij een eerdere verlening van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Niet alleen kan dan krachtens artikel 43 en 44 van de Verordening intrekking en terugvordering dan wel verrekening van het verstrekte persoonsgebonden budget plaatsvinden, maar ook kan dit aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag van een persoonsgebonden budget af te wijzen. De persoon met beperkingen heeft dan namelijk getoond niet in staat te zijn om de spelregels die gelden bij een persoonsgebonden budget, te kunnen naleven. Dat bij een dergelijke beslissing de algemene beginselen van bestuur een belangrijke rol spelen, is duidelijk. Denk bijvoorbeeld aan het evenredigheids-/proportionaliteitsbeginsel. Ad c Een andere afwijzingsgrond is de situatie waarbij de voorziening weliswaar langdurig noodzakelijk is maar waarbij op basis van de indicatie gesteld kan worden dat de periode waarin de noodzaak van de voorziening bestaat ter compensatie van beperkingen korter zal zijn dan de normale afschrijvingsperiode van de gewenste voorziening. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een voorziening voor kinderen. In een dergelijke situatie zou verstrekking van een persoonsgebonden budget kapitaalvernietiging betekenen en wordt een voorziening in natura verstrekt. Deze voorziening kan immers, zodra de noodzaak tot verstrekking niet meer aanwezig is, herverstrekt worden. Artikel 4 Algemene verplichtingen Lid 1 Door het gebruik van een voorziening kan schade ontstaan. Vanwege de situatie dat de gebruiker voor deze schade wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld, is het hebben van een particuliere aansprakelijkheidsverzekering verplicht. Lid 2 Lid 2 bevat de mogelijkheid voor het college om een voorziening terug te vorderen indien een voorziening die is bekostigd met een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming die niet langer wordt gebruikt, omdat hij niet meer nodig is, omdat het gebruik niet meer mogelijk is of door overlijden van de gebruiker. De voorziening is immers met gemeenschapsgeld aangeschaft en kan het niet de bedoeling zijn dat de opbrengst van de voorziening ten gunste komt van de persoon met beperkingen. Door de voorziening terug te vorderen is het college in staat tot herverstrekking van deze voorziening, waardoor gemeenschapsgeld optimaal wordt gebruikt. Deze bepaling in het Besluit sluit aan bij de artikelen 43 en 44 Verordening. De persoon met beperkingen is verplicht meldingen over niet meer gebruiken van voorzieningen aan het college te verstrekken. Deze plicht vloeit voort uit artikel 42 Verordening. Uiteraard worden extra eigen middelen, door de budgethouder besteed bij de aanschaf van de voorziening, op afschrijvingsbasis, terugbetaald. Artikel 5 Verantwoording In het algemeen, afhankelijk van de aard van de noodzakelijke voorziening, geldt dat op basis van de gestelde indicatie een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming verleend wordt. Na aanschaf van de voorziening dient de persoon met beperkingen desgevraagd verantwoording af te leggen door de nota/factuur en andere relevante bescheiden in kopie aan het college te overleggen. De budgethouder bewaart de originelen in zijn eigen administratie. Op basis van deze overgelegde bewijsstukken onderzoekt het college vervolgens de besteding van het verleende persoonsgebonden budget dan wel de financiële tegemoetkoming. Artikel 6 Aanvangsdatum persoonsgebonden budget In dit artikel wordt geregeld wanneer de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, de budgetperiode, ingaat. Deze periode start in beginsel niet eerder dan de dag waarop het persoonsgebonden budget is aangevraagd, dus niet eerder dan de aanvraagdatum, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat uit onderzoek blijkt dat de noodzaak tot het verstrekken van hulp bij het huishouden reeds aanwezig is voor de datum van aanvraag. Artikel 7 Verrekening persoonsgebonden budget In dit artikel is bepaald dat het college bevoegd is om onverschuldigd betaalde bedragen te verrekenen met bedragen inzake persoonsgebonden budgetten die nog aan de budgethouder verschuldigd zijn. Hoofdstuk 3 Vastellen inkomen en eigen bijdrage/aandeel Artikel 8 Vaststellen inkomen In dit artikel is bepaald hoe het inkomen van de persoon met beperkingen wordt vastgesteld. Dit is van belang voor de individuele vervoersvoorzieningen waarvoor een inkomensgrens gehanteerd wordt. Artikel 9 Eigen bijdrage en eigen aandeel Voor hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen genoemd in artikel 27 onderdeel e, f, g en h (een (aangepaste) auto, een gesloten buitenwagen, een scootmobiel, een ander verplaatsingsmiddel) is een eigen bijdrage verschuldigd. Dit houdt ook in dat voor roerende woonvoorzieningen, zoals een traplift of toiletstoel, een eigen bijdrage verschuldigd is. Er is geen eigen aandeel verschuldigd. Voor de hoogte van de eigen bijdrage wordt aangesloten bij de systematiek van artikel 4.1 Besluit maatschappelijke ondersteuning. Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden Artikel 10 Beleidsregels gebruikelijke zorg en hulp bij het huishouden In de Beleidsregels gebruikelijke zorg en de Beleidsregels hulp bij het huishouden, welke als bijlage I en bijlage II bij dit Besluit zijn opgenomen, worden nadere regels gesteld over de indicering van hulp bij het huishouden. Artikel 11 Keuzevrijheid bij hulp bij het huishouden in natura In dit artikel wordt geregeld dat de persoon met beperkingen de vrijheid heeft om bij hulp bij het huishouden in natura te kiezen uit één van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders. Artikel 12 Hoogte bruto persoonsgebonden budget De vaststelling van het bruto - persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld op een bedrag per uur. Bij de hoogte van het persoon gebonden budget wordt onderscheid gemaakt tussen hulp door een particulier en hulp via een zorgaanbieder. De arbeidsovereenkomst met een particuliere hulp is doorgaans een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet op de loonbelasting
- Hierbij gaat het om een arbeidsovereenkomst voor doorgaans minder dan 4 dagen per week waarvoor door de aanvrager geen loonbelasting hoeft te worden afgedragen. Bij hulp via een zorgaanbieder is sprake van arbeidsovereenkomst met een voor hulp bij het huishouden opgeleide persoon voor doorgaans meer dan vier dagen per week met afdracht loonbelasting danwel een overeenkomst met een niet door het college gecontracteerde zorgaanbieder. De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden zijn: a. voor particuliere hulp bij het huishouden waarvoor een arbeidsverhouding geldt als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet op de loonbelasting: € 15,-- per uur. Dit bedrag is afgestemd op het wettelijk minimumloon inclusief een toeslag voor bemiddeling, administratie en verzekeringen. b. persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden door een daartoe opgeleid persoon werkzaam voor een zorgaanbieder is € 18,89 per uur. Dit bedrag is afgestemd op het wettelijk minimumloon inclusief een toeslag voor bemiddeling, administratie en verzekeringen. De hoogte van de Pgb-bedragen zijn hiermee toereikend om tot een met zorg in natura vergelijkbaar resultaat te komen. Artikel 13 Bijzondere verplichtingen persoonsgebonden budget Onderdeel a van dit artikel bepaalt dat aan de inkoop van zorg een schriftelijke overeenkomst ten grondslag moet liggen. In de overeenkomst dienen, met het oog op de controlemogelijkheden van de gemeente, tenminste de in de subonderdelen 1 en 2 of 1 en 3 genoemde afspraken te zijn opgenomen. Onderdeel b leidt ertoe dat de budgethouder de in onderdeel a bedoelde originele overeenkomsten en declaraties minstens vijf jaar dient te bewaren. Er geldt de verplichting, in het kader van controle, om kopieën hiervan desgevraagd ter beschikking te stellen aan het college. De verplichting onder c heeft tot doel om de Belastingdienst te informeren over de inkomsten van de uit het persoonsgebonden budget betaalde zorgverleners. Indien de budgethouder verplicht is tot loonheffing wordt de Belastingdienst reeds uit dien hoofde over deze betalingen geïnformeerd en kan het gebruik van het in onderdeel c bedoelde formulier achterwege blijven. Dit laatste is het geval indien een dienstbetrekking aanwezig is. Krachtens de Regeling dienstverlening aan huis wordt de arbeidsverhouding van de persoon die meer dan drie dagen per weer werkt, als dienstbetrekking beschouwd. Artikel 14 Onderdelen en periode beschikking persoonsgebonden budget In lid 1 wordt opgesomd wat tenminste in de beschikking dient te staan. In lid 2 wordt verduidelijkt dat indien de indicatieperiode (dit is de periode waarop op basis van de declaratie recht op de voorziening bestaat) meer dan één kalenderjaar bestrijkt, jaarlijks een beschikking wordt verzonden. Dit is ook het geval indien de indicatieperiode bijvoorbeeld betrekking heeft op de periode 1-7-2011 t/m 30-6-
- Voor het laatste half jaar van 2011 wordt dan een beschikking verzonden, maar ook voor het eerste half jaar van
- Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen Artikel 15 Hoogte financiële tegemoetkoming in kosten van verhuizing en inrichting Dit artikel bepaalt de hoogte van een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten. Het genoemde bedrag geldt zowel voor personen met beperkingen die naar een aangepaste woning verhuizen als voor personen zonder beperkingen die door middel van verhuizing een aangepaste woning vrijmaken. Het betreft een forfaitaire vergoeding. Een hogere vergoeding is in individuele gevallen mogelijk op grond van de hardheidsclausule van de verordening. Artikel 16 Niet toepassen primaat van verhuizing In de Verordening is bepaald dat het primaat van verhuizing niet wordt toegepast wanneer de kosten van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening minder bedragen dan het in het Besluit genoemde bedrag. Dit bedrag is vastgesteld op € 7.500,-. Artikel 17 Kosten onderhoud, keuring en reparatie Dit artikel bepaalt de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen. De bedragen zijn gebaseerd op tarieven die door het Nederlands Liftinstituut worden gehanteerd. Omdat voor de hand ligt dat de leverancier van de lift het onderhoud en de keuring doet, is ervan afgezien om de eis tot opvragen van minimaal 2 offertes te stellen. Hetzelfde geldt voor de kosten van reparatie. Artikel 18 Kosten van tijdelijke huisvesting Dit artikel bepaalt de hoogte van de financiële tegemoetkoming indien als gevolg van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening tijdelijk elders huisvesting noodzakelijk is. De maximale vergoeding is gelijk gesteld aan de maximum huurgrens van de Wet op de huurtoeslag. Artikel 19 Kosten huurderving Dit artikel bepaalt de hoogte van een financiële tegemoetkoming die aan een verhuurder kan worden verstrekt wegens huurderving. Ook hier geldt dat het maximale bedrag gelijk is aan de maximum huurgrens van de Wet op de huurtoeslag. Artikel 20 Verwijderen van voorzieningen In deze bepaling is geregeld dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het verwijderen van voorzieningen wordt vastgesteld aan de hand van de door het college geaccepteerde offerte. Artikel 21 Kosten bezoekbaar maken In principe is de verlening van een woonvoorziening alleen mogelijk indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in de woning waaraan de voorzieningen worden getroffen. Een uitzondering kan gemaakt worden als de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ en regelmatig een bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk eenmalig voorzieningen te verstrekken, uiteraard met toestemming van de eigenaar van de betreffende woonruimte. De voorziening beperkt zich tot het bezoekbaar maken van die woning omdat de persoon met beperkingen daar slechts geringe tijd verblijft. Uit doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen volledige maar een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt. De aanvraag moet overigens worden ingediend in de gemeente waar de bezoekbaar te maken woning staat, ook al heeft de persoon met beperkingen daar zijn hoofdverblijf niet. Onder bezoekbaar maken wordt verstaan dat de persoon met beperkingen de woning, de woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken. Artikel 22 Persoonsgebonden budget voor bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen In dit artikel is geregeld dat de hoogte van het persoonsgebonden budget voor bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen in beginsel wordt vastgesteld op het bedrag vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. De eigenaar van de woning is verplicht om minimaal twee offertes op te vragen. Indien het college namens de eigenaar van de woning een offerte vraagt kan met één offerte worden volstaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor bouwkundige en woontechnische woonvoorzieningen van minder dan € 7.500,--. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt dan vastgesteld aan de hand van een standaardprijslijst welke wordt vastgesteld door het college. Het is mogelijk dat op de standaardprijslijst niet alle bouwkundige en woontechnische aanpassingen van minder dan € 7.500,-- worden vermeld. In dat geval is de hoofdregel dat de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op het bedrag vermeld in de door het college geaccepteerde offerte van toepassing. Dit ook het geval zolang een standaardprijslijst ontbreekt. In lid 4 wordt invulling gegeven aan het imperatief gestelde in artikel 7 lid 2 Wmo. Op grond hiervan moet een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming verleend worden aan de eigenaar van de woning. Artikel 23 Persoonsgebonden budget voor niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorzieningen Het persoonsgebonden budget voor de niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening wordt eveneens vastgesteld op het bedrag vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Lid 2 heeft slechts betrekking op de woningsanering. Woningsanering zal in de meeste gevallen betrekking hebben op voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Alleen in die gevallen dat artikelen nog niet zijn afgeschreven en het medisch gezien dringend noodzakelijk is dat deze direct vervangen worden, kan het college besluiten een voorziening te verlenen. Indien een artikel is afgeschreven, wordt geen voorziening meer verleend. Men wordt dan geacht te hebben gereserveerd om het artikel te kunnen vervangen. De afschrijvingstermijn die gehanteerd wordt is 8 jaar. Artikel 24 Persoonsgebonden budget voor uitraasruimte Het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor een uitraasruimte en de betaling aan de woningeigenaar, geschiedt op gelijke wijze als bij een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (zie artikel 22). Ook bij een uitraasruimte dient de woningeigenaar minimaal twee offertes op te vragen. Artikel 25 Bijzondere bepalingen persoonsgebonden budget voor woonvoorziening In dit artikel is bepaald dat binnen een periode van maximaal 15 maanden na het verlenen van het persoonsgebonden budget voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening dan wel een uitraasruimte, de woningeigenaar de werkzaamheden desgevraagd aan het college gereed moet melden. Bij deze gereedmelding dient een verklaring te zitten dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden en verplichtingen. Tenslotte geldt ook hier dat bewijsstukken zoals rekeningen en betaalbewijzen gedurende 10 jaar bewaard dienen te worden. Artikel 26 Afschrijvingsschema Dit artikel heeft een tweeledige functie. In de eerste plaats is het bedoeld om te voorkomen dat bij verkoop van de woning de waardestijging die het gevolg is van een dure bouwkundige of woontechnische woonvoorziening volledig ten goede komt aan de woningeigenaar. In de tweede plaats voorkomt het kapitaalvernietiging. Indien de persoon met beperkingen zonder gegronde reden binnen tien jaar verhuist, kan dit leiden tot kapitaalvernietiging. Het is niet meer dan redelijk om de eigenaar van de woning hier (gedeeltelijk) voor aan te spreken. Een en ander is uitgewerkt door de woningeigenaar bij verkoop te verplichten tot terugbetaling van de kosten voor de aangebrachte voorziening, verminderd met de afschrijving. Daarbij geldt een lineaire afschrijving over een termijn van 10 jaar, zodat het terug te betalen bedrag jaarlijks met 10 procent daalt. Artikel 27 Hoogte vermogensdrempel bouwkundige woonvoorzieningen Met ingang van 1 januari 2012 is ten aanzien van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen sprake van een vermogenstoets. Deze vermogenstoets heeft de functie van een toetredingsdrempel, analoog aan de inkomensdrempel voor vervoersvoorzieningen. Wanneer de in de woning gebonden overwaarde (verkoopwaarde minus aan de woning gebonden hypotheek) hoger is dan het in lid 1 genoemde bedrag wordt het bedrag aan vermogen gebonden in de woning dat in de Wet werk en bijstand maximaal is vrijgelaten, vermenigvuldigd met de factor 1,
- De vermogenstoets wordt alleen toegepast indien de kosten van de bouwkundige woonvoorziening hoger zijn dan het bedrag genoemd in lid 2 van dit artikel. Hoofdstuk 6 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel 28 Hoogte financiële tegemoetkoming vervoer per (eigen) auto of (rolstoel)taxi Dit artikel bepaalt de hoogte van de financiële tegemoetkomingen voor vervoer per (eigen) auto of (rolstoel)taxi. De opgenomen regels en bedragen zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • De normbedragen als opgenomen in het Besluit in lid 1 (afhankelijk van het wel of niet gebruik kunnen maken van het aangeboden collectief vervoersysteem) kunnen worden verminderd met 25 procent indien de persoon met beperkingen tevens beschikt over een scootmobiel of over een andere vervoersvoorziening als omschreven in lid
- • Indien beide echtgenoten in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming, bedraagt de hoogte van de financiële tegemoetkoming per persoon maximaal 75 procent van hetgeen waar zij individueel recht op zouden hebben. • Bewoners van AWBZ-instellingen (in lid 3 wordt een verblijf van langer dan zes maanden aangehouden) die een indicatie hebben voor vervoer per (eigen) auto of (rolstoel)taxi, krijgen een vergoeding van maximaal 50 procent van de normbedragen als weergegeven in lid
- Voor wat betreft bewoners van AWBZ-instellingen geldt dat de gemeentelijke compensatieplicht in beginsel dezelfde reikwijdte heeft als voor andere in de gemeente wonende personen met beperkingen. Het college dient derhalve zodanige vervoersvoorzieningen aan te bieden dat de persoon met beperkingen daardoor ten minste in staat gesteld wordt om in zijn directe omgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. De rechtvaardiging voor een korting voor een bewoner van een AWBZ-instelling is gelegen in de omstandigheid dat het grootste deel van de sociale contacten en het leven van alledag zich binnen de AWBZ-instelling afspelen. Er zijn immers onder meer recreatieve voorzieningen, een kerk, soosachtige activiteiten en arbeidstherapie aanwezig binnen de AWBZ-instelling. Tevens vinden op het terrein van de AWBZ-instelling incidenteel evenementen plaats. Gelet hierop vindt er een korting plaats van 50 procent. Artikel 29 Kosten voor medisch noodzakelijke begeleiding Indien een persoon met beperkingen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, ontvangt hij geen vervoersvoorziening. Dit is anders indien hij slechts onder begeleiding van het openbaar vervoer gebruik kan maken en hiertoe extra kosten moeten worden gemaakt. In dat geval wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt waarvan de hoogte 50 procent van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een (eigen) auto of taxi bedraagt indien de persoon met beperkingen zelfstandig woont en 33,3 procent indien de persoon met beperkingen in een AWBZ-instelling verblijft. De rechtvaardiging voor de lagere financiële tegemoetkoming voor de bewoner van een AWBZ-instelling is gelegen in de omstandigheid dat het grootste deel van de sociale contacten en het leven van alledag zich binnen de AWBZ-instelling afspeelt (zie de toelichting op artikel 28 Besluit). Artikel 30 Persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op het bedrag van de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening, inclusief kosten van onderhoud, zoals aan de leverancier betaald zou worden. De persoon met beperkingen is verplicht minimaal twee offertes op te vragen. Artikel 31 Financiële tegemoetkoming autoaanpassing In dit artikel wordt geregeld dat de financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto wordt bepaald op basis van de door het college geaccepteerde offerte. De persoon met beperkingen is bij een financiële tegemoetkoming voor een autoaanpassing verplicht minimaal twee offertes te overleggen. Artikel 32 Kosten onderhoud, keuring en reparatie Voorzover de kosten van onderhoud, keuring en reparatie niet reeds bij de verstrekking van de vervoersvoorziening zijn inbegrepen, kan op verzoek een financiële tegemoetkoming voor deze kosten worden aangevraagd. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt vastgesteld aan de hand van de door het college geaccepteerde offerte. Indien dit redelijkerwijs mogelijk is dienen er minimaal twee offertes opgevraagd te worden. Hoofdstuk 7 Verplaatsen in en rond de woning per rolstoel Artikel 33 Persoonsgebonden budget voor rolstoel In dit artikel wordt geregeld waarop de hoogte van een te verlenen persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt bepaald. Hierbij wordt uitgegaan van de prijs die het college dient te betalen voor een nieuwe voorziening in natura bij de leverancier aan wie de opdracht tot verstrekking van rolstoelvoorzieningen is gegund op basis van een aanbesteding. De hoogte van het aldus bepaalde persoonsgebonden budget is inclusief de kosten van onderhoud. Artikel 34 Kosten onderhoud en reparatie Voorzover de kosten van onderhoud en reparatie niet reeds bij de verstrekking van de rolstoelvoorziening zijn inbegrepen, kan op verzoek een financiële tegemoetkoming voor deze kosten worden aangevraagd. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt vastgesteld aan de hand van de door het college geaccepteerde offerte. Indien dit redelijkerwijs mogelijk is dienen er minimaal twee offertes opgevraagd te worden. Artikel 35 Financiële tegemoetkoming sportrolstoel De verstrekking van een financiële tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel betreft een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en reparatie voor een periode van drie jaar. Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 36 Citeertitel Om verwarring te voorkomen met de Algemene Maatregel van Bestuur aangeduid als Besluit maatschappelijke ondersteuning, wordt dit besluit het Besluit nadere regels verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2012 genoemd. Artikel 37 Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.