← Nederland

Legesverordening 2012 (Zandvoort)

lege van burgemeester en wethouders van 15 november 2011 Z2011-005473 doc nr 2011/11/000580 gelet op de overwegingen van de gemeenteraad dd 14 december 2011, gelet op artikel 216 en 229, eerste lid, a

anhef en onderdeel b, van de Gemeentewet; besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te stellen: Legesverordening

  1. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: ‘college’: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zandvoort; ‘raad’: de gemeenteraad van Zandvoort. ‘dag’: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; ‘week’: een aaneengesloten periode van zeven dagen; ‘maand’: het tijdvak dat loopt van ne dag in een kalendermaand tot en met de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand; ‘jaar’: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalenderjaar tot en met de (n-1)e dag in het volgende kalenderjaar; ‘kalenderjaar’: de periode van 1 januari tot en met 31 december. ‘ambtenaar belast met de heffing’: de gemeenteambtenaar die door het college is aangewezen als ambtenaar belast met de heffing van de gemeentelijke belastingen. NORMSTELLING Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend. Artikel 4 Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald; diensten met betrekking tot een aanvraag tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, voor zover die aanvraag betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogen; nasporingen verricht c.q. stukken afgegeven in het persoonlijk belang van hen die onvermogend zijn; bewijs van in leven zijn (attestatie de vita) ten dienste van de uitbetaling van pensioenen, lijfrenten en andere periodieke uitkeringen; vergunningen voor muziek- en/of zanguitvoeringen, welke op de openbare weg, het strand daaronder begrepen, worden gegeven anders dan ter uitoefening van een beroep; vergunningen, verleend aan maatschappelijke instellingen of natuurlijke personen die zonder winstbejag een liefdadig, sociaal-cultureel of maatschappelijk doel nastreven en die een activiteit organiseren welke zich verhoudt tot de doelstelling van die instelling dan wel personen. Betreffende instellingen dienen grotendeels of geheel te bestaan uit leden, ingezetenen van de gemeente Zandvoort, resp. de personen dienen ingezetenen van de gemeente Zandvoort te zijn. De te organiseren activiteit dient geheel in handen van vrijwilligers te zijn; de stukken en legalisaties van handtekeningen op stukken betreffende militaire zaken; Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel 6 Wijze van heffing De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel 7 Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6: mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 14 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die tarieventabel opgenomen bepaling. Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 wordt de teruggaaf van leges, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een vermindering van de belastingaanslag. Artikel 10 Overdracht van bevoegdheden n.v.t. Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 12 Bevoegdheden De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van deze verordening. Artikel 13 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel De 'Legesverordening 2011” vastgesteld bij raadsbesluit van 9 november 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van inwerkingtreding, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
  2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari
  3. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Legesverordening 2012'. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december 2011.De griffier, De voorzitter,2 Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening 2012 Titel 1 Algemene dienstverlening Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand 1.1.1 Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of registratie van een partnerschap op het raadhuis op: 1.1.1.1 Maandag t/m vrijdag van 9.00 uur tot 12.00 uur en om 14.00 uur en 15.00 uur 383,70 Op maandag om 9:00 uur en 9:30 uur wordt de mogelijkheid geboden voor het kosteloos voltrekken van huwelijken/geregistreerd partnerschappen op het Raadhuis. 1.1.1.2 Zaterdag om 10.00 uur en 11.00 uur 940,70 1.1.1.3 1e Zondag van de maand om 10.00 uur en 11.00 uur 1.255,20 1.1.2 Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of registratie van een partnerschap op een locatie buiten het raadhuis op: 1.1.2.1 Maandag t/m vrijdag van 9.00 uur tot en met 22.00 uur 484,70 1.1.2.2 Zaterdag van 9.00 uur tot en met 22.00 uur 1.026,60 1.1.2.3 Zondag van 9.00 uur tot en met 22.00 uur 1.245,70 1.1.3 Het tarief bedraagt voor het omzetten van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk indien daarbij niet gebruik gemaakt wordt van de trouwzaal of een andere door de gemeente hiertoe aangewezen ruimte op afspraak zonder getuigen, zonder toespraak en alleen de betrokken partijen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand verschijnen: 1.1.3.1 alle weekdagen en openingsuren 36,80 1.1.3.2 n.v.t. 1.1.4 Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of registratie van een partnerschap in een bijzonder huis op grond van artikel 54, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek de onder 1.1.1.
  4. tot en met 1.1.2.3 genoemde tarieven, verhoogd met 10% 1.1.5 Ter zake van het door middel van een ceremonie omzetten van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk zijn de tarieven zoals bepaald in artikel 1.1.1.1 tot en met 1.1.2.3 en 1.1.4 en 1.1.6 tot en met 1.1.13.5 van overeenkomstige toepassing 1.1.6 Het tarief bedraagt voor het verstrekken van: 1.1.6.1 een trouwboekje of partnerschapboekje in een normale uitvoering 13,60 1.1.5.2 een trouwboekje of partnerschapboekje in een luxe uitvoering n.v.t. 1.1.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een lijst waarop zijn vermeld: 1.1.7.1 alle op één dag, in één week of in één maand geborenen en overledenen, voor zover voor plaatsing op die lijst toestemming is verleend, voor elk op die lijst vermelde aangifte n.v.t. 1.1.7.2 alle op één dag, in één week of in één maand ondertrouwde en getrouwde paren of geregistreerde partners, als voor plaatsing op die lijst toestemming is verleend, voor elk op die lijst vermeld paar n.v.t. 1.1.8 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van lijsten als in 1.1.7.1 en 1.1.7.2 bedoeld: n.v.t. 1.1.8.1 Voor de periode van een maand n.v.t. 1.1.8.2 Voor de periode van drie maanden n.v.t. 1.1.8.3 Voor de periode van zes maanden n.v.t. 1.1.8.4 Voor de periode van een jaar n.v.t. 1.1.9 Het tarief bedraagt voor het doen van naspeuringen in de registers van de burgerlijke stand, voor ieder daaraan besteed kwartier 11,80 1.1.10 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een stuk als bedoeld in artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand geldt het tarief zoals dat is opgenomen in het Legesbesluit akten burgerlijke stand. 1.1.11 Het tarief bedraagt voor het van gemeentewege beschikbaar stellen van getuigen, per getuige 17,80 1.1.12 Het tarief bedraagt voor het benoemen van een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) éénmalig tot babs van de gemeente Zandvoort: 83,50 1.1.12.1 Van maandag tot en met vrijdag en zaterdag en zondag op het Raadhuis en van maandag tot en met vrijdag op een locatie buiten het Raadhuis 1.1.12.2 Op zaterdag op een locatie buiten het Raadhuis 1.1.12.3 Op zondag op een locatie buiten het Raadhuis 1.1.13 Het tarief bedraagt ter zake van het gekalligrafeerd inschrijven in het trouwboekje / partnerschapboekje van: 1.1.13.1 De gegevens van de huwelijksvoltrekking cq geregistreerd partnerschap 12,20 1.1.13.2 De gegevens van de kerkelijke inzegeningen 7,20 1.1.13.3 De gegevens van een geboorte 7,20 1.1.13.4 De gegevens van de getuigen, per getuige 2,30 1.1.13.5 Het tarief bedraagt voor het annuleren of wijzigen van de vastgestelde trouwdatum of registratiedatum c.q. tijdstip per opgegeven wijziging 21,10 1.1.14 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ten dienste van de huwelijks – c.q. geregistreerd partnerschapaangifte 13,10 Hoofdstuk 2 Reisdocumenten 1.2.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.2.1.1 tot het verstrekken van een nationaal paspoort, een reisdocument voor vluchtelingen of een reisdocument voor vreemdelingen 48,70 1.2.1.2 tot het verstrekken van een nationaal paspoort, een groter aantal bladzijden bevattende dan een nationaal paspoort als bedoeld in 1.2.1.1 (zakenpaspoort) 48,70 1.2.1.3 tot het verstrekken van een reisdocument ten behoeve van een persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld (faciliteitenpaspoort) 53,70 1.2.1.4 tot het bijschrijven van een kind in een reisdocument als bedoeld in 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 direct bij de aanvraag van dit nieuwe reisdocument 9,35 1.2.1.5 tot het bijschrijven van een kind door middel van een bijschrijvingssticker in een al uitgegeven reisdocument als bedoeld in 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 21,85 1.2.1.6 tot het aanbrengen van een wijziging anders dan bedoeld in 1.2.1.5 in een reisdocument als bedoeld in 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 n.v.t. 1.2.1.7 tot het verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart (NIK) aan personen in de leeftijd tot en met dertien jaar 30,00 1.2.1.8 tot het verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart (NIK) aan personen in de leeftijd van veertien jaar en ouder 40,05 1.2.2 De tarieven genoemd in de onderdelen 1.2.1.1 tot en met 1.2.1.3 alsmede in 1.2.1.7 en 1.2.1.8 worden bij een spoedlevering vermeerderd met een bedrag van 45,90 1.2.3 Het tarief genoemd in 1.2.2 wordt bij een gecombineerde spoedlevering van een nieuw reisdocument als bedoeld in 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 en het bijschrijven van één of meer kinderen als bedoeld in 1.2.1.4, slechts één keer per reisdocument berekend. 1.2.4 Het tarief genoemd in onderdeel 1.2.1.5 wordt bij een spoedlevering vermeerderd met een bedrag per bijschrijvingssticker van 21,80 1.2.5 Het tarief genoemd in onderdeel 1.2.1.1, 1.2.1.2, 1.2.1.3 of 1.2.1.8 wordt bij vermissing en het ontbreken van een geldige legitimatie vermeerderd met 50% Hoofdstuk 3 Rijbewijzen 1.3.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs 42,90 1.3.2 Het tarief genoemd in onderdeel 1.3.1 wordt bij een spoedlevering vermeerderd met 33,50 1.3.3 Het tarief genoemd in onderdeel 1.3.1 wordt bij vermissing en het ontbreken van een geldige legitimatie vermeerderd met 50% Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 1.4.1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van de onderdelen 1.4.3 en 1.4.4, wordt onder één verstrekking verstaan één of meer gegevens omtrent één persoon waarvoor de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens moet worden geraadpleegd. 1.4.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.4.2.1 tot het verstrekken van gegevens, per verstrekking 8,90 1.4.2.2 tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van gegevens gedurende de periode van één jaar: 1.4.2.2.1 voor 100 verstrekkingen n.v.t. 1.4.2.2.2 voor 500 verstrekkingen n.v.t. 1.4.2.2.3 voor 1.000 verstrekkingen n.v.t. 1.4.2.2.4 voor 5.000 verstrekkingen n.v.t. 1.4.2.2.5 voor 10.000 verstrekkingen n.v.t. 1.4.2.3 tot het afsluiten van een abonnement op het [wekelijks] verstrekken van een opgave van verhuizingen binnen de gemeente, vertrekken uit de gemeente en vestigingen in de gemeente n.v.t. 1.4.3 Voor de toepassing van onderdeel 1.4.4 wordt onder één verstrekking verstaan één of meer gegevens omtrent één persoon die niet zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. 1.4.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.4.4.1 tot het verstrekken van gegevens: per verstrekking 8,90 1.4.4.2 tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van gegevens gedurende de periode van één jaar: 1.4.4.2.1 voor 100 verstrekkingen n.v.t. 1.4.4.2.2 voor 500 verstrekkingen n.v.t. 1.4.4.2.3 voor 1.000 verstrekkingen n.v.t. 1.4.4.2.4 voor 5.000 verstrekkingen n.v.t. 1.4.4.2.5 voor 10.000 verstrekkingen n.v.t. 1.4.5 In afwijking van de voorgaande onderdelen bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens n.v.t. 1.4.6 Het tarief bedraagt voor het op verzoek doornemen van de gemeentelijke basisadministratie, voor ieder daaraan besteed kwartier 12,10 Hoofdstuk 5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister 1.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een inlichting betreffende de registratie van de aanvrager als kiezer bedoeld in artikel D4 van de Kieswet n.v.t. Hoofdstuk 6 Verstrekkingen op grond van Wet bescherming persoonsgegevens 1.6.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bericht als bedoeld in artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens: 1.6.1.1 bij verstrekking op papier, indien het afschrift bestaat uit: 1.6.1.1.1 ten hoogste 100 pagina’s, per pagina n.v.t. met een maximum per bericht van n.v.t. 1.6.1.1.2 meer dan 100 pagina’s n.v.t. 1.6.1.2 bij verstrekking anders dan op papier n.v.t. 1.6.1.3 dat bestaat uit een afschrift van een, vanwege de aard van de verwerking, moeilijk toegankelijke gegevensverwerking n.v.t. 1.6.2 Indien voor hetzelfde bericht op grond van de onderdelen 1.6.1.1, 1.6.1.2 en 1.6.1.3 meerdere vergoedingen kunnen worden gevraagd, wordt slechts de hoogste gevraagd. n.v.t. 1.6.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een verzet als bedoeld in artikel 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens n.v.t. Hoofdstuk 7 Bestuursstukken 1.7.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van: 1.7.1.1 een afschrift van de gemeentebegroting n.v.t. 1.7.1.2 een afschrift van de gemeenterekening n.v.t. 1.7.1.3 een afschrift van het burgerjaarverslag n.v.t. 1.7.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.7.2.1 tot het verstrekken van: 1.7.2.1.1 een afschrift van het verslag van een raadsvergadering, per pagina n.v.t. 1.7.2.1.2 een afschrift van de stukken behorende bij een raadsvergadering, per pagina n.v.t. 1.7.2.2 tot het afsluiten van een abonnement voor een kalenderjaar: n.v.t. 1.7.2.2.1 op de verslagen van de raadsvergaderingen n.v.t. 1.7.2.2.2 op de stukken behorende bij de raadsvergaderingen n.v.t. 1.7.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.7.3.1 tot het verstrekken van: 1.7.3.1.1 een afschrift van het verslag van een vergadering van een raadscommissie, per pagina n.v.t. 1.7.3.1.2 een afschrift van de stukken behorende bij een vergadering van een raadscommissie, per pagina n.v.t. 1.7.3.2 tot het afsluiten van een abonnement voor een kalenderjaar: 1.7.3.2.1 op de verslagen van de vergaderingen van een raadscommissie n.v.t. 1.7.3.2.2 op de stukken behorende bij de vergaderingen van een raadscommissie n.v.t. 1.7.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.7.4.1 tot het verstrekken van het gemeenteblad n.v.t. 1.7.4.2 tot het afsluiten van een abonnement voor een kalenderjaar op het gemeenteblad n.v.t. 1.7.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van: 1.7.5.1 een afschrift van de ....... verordening n.v.t. 1.7.5.2 enz. n.v.t. Hoofdstuk 8 Vastgoedinformatie 1.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.8.1.1 tot het verstrekken van een fotokopie of afdruk van een (bouw)tekening, kaart of een plan, zoals bestemmingsplan, voorbereidingsbesluit, streekplan, wegenkaart behorende bij de legger bedoeld in artikel 28 van de Wegenwet, structuurplan of stadsvernieuwingsplan: 1.8.1.1.1 in formaat A4 of kleiner, per bladzijde 2,10 1.8.1.1.2 in formaat A3 4,00 1.8.1.1.3 in formaat A2 7,50 1.8.1.1.4 in formaat A1 14,30 1.8.1.1.5 in formaat A0 27,30 1.8.1.1.6 in formaat groter dan A0 33,60 1.8.1.2 De tarieven onder 1.8.1.1 zijn gebaseerd op basis van zwart-wit afdrukken. Indien de afdrukken in kleur vervaardigd worden, worden de tarieven overeenkomstig 1.8.1.1 verhoogd met 100% 1.8.
  5. Onder een inlichting in dit hoofdstuk wordt verstaan een of meer gegevens omtrent een onroerende zaak, een kadastraal perceel of een persoon, waarvoor de bij de gemeente in gebruik zijnde geografische informatie systemen moeten worden geraadpleegd. 1.8.2.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van mondelinge inlichtingen uit de geografische informatie systemen (GIS);: 1.8.2.1.1 voor het verstrekken van één inlichting 6,70 1.8.2.1.2 voor het verstrekken van meerdere inlichtingen, 1.8.2.1.2.1 voor de eerste inlichting 6,70 1.8.2.1.2.2 voor elke volgende inlichting 4,10 1.8.3.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van inlichtingen op papier uit de geografische informatie systemen (GIS);: 1.8.3.1.1 voor het verstrekken van één inlichting 11,00 1.8.3.1.2 voor het verstrekken van meerdere inlichtingen, 1.8.3.1.2.1 voor de eerste inlichting 11,00 1.8.3.1.2.2 voor elke volgende inlichting 8,30 1.8.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van inlichtingen in digitale vorm uit de geografische informatie systemen (GIS); 1.8.4.1 Voor digitale gebieden tot en met een hectare 68,10 1.8.4.2 voor digitale gebieden groter dan een hectare wordt het tarief berekend als volgt: √(aantal hectare) x € 68,10 1.8.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een voor eensluidend afschrift van of uittreksel uit: 1.8.5.1 de gemeentelijke basisregistratie adressen of de gemeentelijke basisregistratie gebouwen, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen de tarieven vermeld onder 1.8.1 t/m 1.8.3.2 vermeerderd met 6,80 1.8.5.2 de legger bedoeld in artikel 28 van de Wegenwet de tarieven vermeld onder 1.8.
  6. t/m 1.8.3.2 vermeerderd met 6,80 1.8.5.3 de inschrijving in het register bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 de tarieven vermeld onder 1.8.
  7. t/m 1.8.3.2 vermeerderd met 6,80 1.8.5.4 het openbare register van beschermde monumenten bedoeld in artikel 20 van de Monumentenwet 1988 de tarieven vermeld onder 1.8.
  8. t/m 1.8.3.2 vermeerderd met 6,80 1.8.5.5 het gemeentelijke beperkingenregister of de gemeentelijke beperkingenregistratie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, dan wel tot het verstrekken van een aan die registratie ontleende verklaring, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen de tarieven vermeld onder 1.8.
  9. t/m 1.8.3.2 vermeerderd met 6,80 1.8.6 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het massaal verstrekken van 1.8.6.1 een openbare ruimtelijst (straatnamen) 45,00 1.8.6.2 nummeraanduiding lijst (adressen met xy-coördinaten) per adres 0,10 het minimum tarief bedraagt 15,00 Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken 1.9 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.9.1 tot het verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag 31,00 1.9.2 tot het verkrijgen van een bewijs van in leven zijn (attestatie de vita) 11,50 1.9.3 tot het verkrijgen van een legalisatie van een handtekening 8,80 Hoofdstuk 10 Gemeentearchief 1.10.1 Het tarief bedraagt voor het op verzoek doen van naspeuringen in de in het gemeentearchief berustende stukken, voor ieder daaraan besteed kwartier 12,20 1.10.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van: 1.10.2.1 een afschrift of fotokopie van een in het gemeentearchief berustend stuk, per pagina 0,80 1.10.2.2 een uittreksel uit een in het gemeentearchief berustend stuk n.v.t. Hoofdstuk 11 Huisvestingswet 1.11 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.11.1 tot het verkrijgen van een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet 46,90 1.11.2 tot het inschrijven in een register van woningzoekenden als bedoeld in artikel 14 van de Huisvestingswet n.v.t. 1.11.3 tot het verstrekken van gegevens uit het register van woningzoekenden als bedoeld in artikel 14 van de Huisvestingswet, voor elke in dat register vermelde woningzoekende n.v.t. 1.11.4 tot het verkrijgen van een vergunning tot gehele of gedeeltelijke onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Huisvestingswet 54,20 1.11.5 tot het verkrijgen van een vergunning tot samenvoeging van woonruimte met andere woonruimte als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Huisvestingswet 54,20 1.11.6 tot het verkrijgen van een vergunning tot omzetting van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, van de Huisvestingswet 54,20 Hoofdstuk 12 Leegstandwet 1.12 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.12.1 tot het verkrijgen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van leegstaande woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet 107,30 1.12.2 tot verlenging van een vergunning tot tijdelijke verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de Leegstandwet 53,70 Hoofdstuk 13 Gemeentegarantie 1.13 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.13.1 tot het verkrijgen van een gemeentegarantie n.v.t. 1.13.2 tot het instemmen met het wijzigen of omzetten van een door de gemeente gegarandeerde hypothecaire geldlening n.v.t. Hoofdstuk 14 Marktstandplaatsen 1.14 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: 1.14.1 een standplaatsvergunning als bedoeld in <artikel 5 van de Marktverordening 2008 (individuele vergunning)> n.v.t. 1.14.2 overschrijving van de standplaatsvergunning op naam van een ander als bedoeld in <artikel 7 van het Marktreglement 2008> n.v.t. 1.14.3 vergunning om zich op de standplaats te laten vervangen als bedoeld in <artikel 12, tweede lid, van het Marktreglement 2008> n.v.t. 1.14.4 ontheffing om de standplaats tot de sluitingstijd van de markt te blijven innemen als bedoeld in <artikel 14, tweede lid, van het Marktreglement 2008> n.v.t. Hoofdstuk 15 Winkeltijdenwet 1.15 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.15.1 voor een ontheffing in het kader van de Winkeltijdenwet of het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet 42,00 1.15.2 tot het verlenen van toestemming om een in onderdeel 1.15.1 bedoelde ontheffing over te dragen aan een ander 42,00 1.15.3 tot het intrekken of wijzigen van een in onderdeel 1.15.1 bedoelde ontheffing 42,00 Hoofdstuk 16 Kansspelen 1.16.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen: 1.16.1.1 voor een periode van drie jaar voor één (eerste) kansspelautomaat 178,10 1.16.1.2 voor een periode van drie jaar voor iedere volgende kansspelautomaat 107,10 1.16.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen (loterijvergunning) 20,30 1.16.3 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning Speelautomatenhal < artikel Titel Va van de Wet op de Kansspelen.> van de verordening speelautomatenhallen
  10. 225,60 Hoofdstuk 17 Kinderopvang 1.17 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van: 1.17.1 een uittreksel uit het register bedoeld in artikel 46 van de Wet kinderopvang, per uittreksel n.v.t. 1.17.2 inlichtingen over gegevens die zijn opgenomen in het register bedoeld in artikel 46 van de Wet kinderopvang, per verstrekking n.v.t. Hoofdstuk 18 Telecommunicatie 1.18.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een melding in verband met het verkrijgen van instemming omtrent plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet 181,80 1.18.1.1 indien het betreft werkzaamheden in tegel-, klinker- en sierbestratingen, alsmede gesloten verhardingen, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met n.v.t. 1.18.1.2 indien het betreft werkzaamheden in bermen, groenstroken en dergelijke, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met n.v.t. 1.18.1.3 indien met betrekking tot een melding overleg moet plaatsvinden tussen gemeente, andere beheerders van openbare grond en de aanbieder van het netwerk, verhoogd met 499,80 1.18.1.4 indien de melder verzoekt om een inhoudelijke afstemming bij de beoordeling van aanvragen als bedoeld in artikel 5.5 van de Telecommunicatiewet, verhoogd met n.v.t. 1.18.1.5 indien met betrekking tot een melding onderzoek naar de status van de kabel plaatsvindt, verhoogd met het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de melding aan de melder meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. n.v.t. 1.18.2 Indien een begroting als bedoeld in 1.18.1.5 is uitgebracht, wordt een melding in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de melder ter kennis is gebracht, tenzij de melding voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. n.v.t. Hoofdstuk 19 Verkeer en vervoer 1.19 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.19.1 tot het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 54,70 1.19.2 tot het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 7.1 van de Voertuigenreglement 46,90 1.19.3 tot het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) 100,70 1.19.4 tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het Besluit niet aangewezen luchtvaartterreinen, 1.19.4.1 bij afwijzing 216,40 1.19.4.2 bij toewijzing 90,60 1.19.5 tot het verkrijgen van een vergunning voor de aanleg van een gehandicaptenparkeerplaats met kenteken 737,10 1.19.5.1 indien de aangevraagde vergunning als bedoeld onder 1.19.5 dient te worden geweigerd, wordt het onder 1.19.5 berekende legesbedrag verlaagd tot een bedrag van 277,00 1.19.5.2 voor het wijzigen van een kenteken ten behoeve van de onder 1.19.5 bedoelde parkeerplaats 175,90 1.19.5.3 indien een verleende gehandicaptenparkeerkaart, zoals genoemd onder 1.19.3 als gevolg van verlies, diefstal, mutatie in de kentekengegevens of om een andere reden, in het lopende kalenderjaar vervangen dient te worden, is hiervoor een tarief verschuldigd van 20,80 1.19.6 indien een verleende vergunning, als bedoeld in de Verordening parkeerbelastingen, als gevolg van verlies, diefstal, mutatie in de kentekengegevens of om een andere reden, in het lopende kalenderjaar vervangen dient te worden, is hiervoor een tarief verschuldigd van 20,80 1.19.7 verhuizing van een Gereserveerde Gehandicapten Parkeerplaats (GGP) op kenteken 365,50 Hoofdstuk 20 Algemeen 1.20.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.20.1.1 voor een andere, in deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking 73,60 1.20.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van: 1.20.2.1 gewaarmerkte afschriften van stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per pagina 6,80 1.20.2.2 afschriften, doorslagen of fotokopieën van stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen: 1.20.2.2.1 per pagina op papier van A4-formaat 0,80 1.20.2.2.2 per pagina op papier van een ander formaat 1,50 1.20.2.3 kaarten, tekeningen en lichtdrukken, al dan niet behorend bij de in de onderdelen 1.20.2.1 en 1.20.2.2 genoemde stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per kaart, tekening of lichtdruk n.v.t. vermeerderd met n.v.t. voor elke dm2 waarmee de oppervlakte van de kaart, tekening of lichtdruk de [...] dm2 te boven gaat; 1.20.2.4 stukken of uittreksels, welke op aanvraag van de aanvrager moeten worden opgemaakt, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per pagina 8,90 1.20.2.5 De tarieven onder 1.20.2.1 tot en met 1.20.2.5 zijn gebaseerd op basis van zwart-wit afdrukken. Indien de afdrukken in kleur vervaardigd worden, worden de tarieven overeenkomstig 1.20.2.1 tot en met 1.20.2.5 verhoogd met 50%. 1.20.2.6 In afwijking van hetgeen onder 1.20.1 en 1.20.2 is vermeld bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het afgeven van stukken die op grond van de Wet openbaarheid van bestuur worden verstrekt: a.Voor de eerste vijf kopieën van één origineel, per kopie 0,80 b.Voor iedere volgende kopie van het origineel 0,40 1.20.3 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.20.3.1 tot het verkrijgen van een vergunning voor het aanbrengen aan de openbare weg van richting en/of aanduidingsborden 57,80 1.20.4 Tot het verkrijgen van een standplaatsvergunning anders dan op het daartoe aangewezen marktterrein 55,20 1.20.5 Tot het verkrijgen van een ontheffing voor het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan als bedoeld in de APV Zandvoort (art.2:10) 55,20 1.20.6 Voor het verkrijgen van een ontheffing van het verbod om een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken als bedoeld in de APV Zandvoort 26,30 1.20.7 tot het verkrijgen van een ventvergunning als bedoeld in de APV Zandvoort 55,20 1.20.8 tot het verkrijgen van een ontheffing tot het verspreiden van gedrukte of beschreven stukken, monsters en/of andersoortig materiaal gebruikt voor promotionele doeleinden onder publiek 115,60 1.20.9 Tot het verkrijgen van een ontheffing tot het rijden op het strand, dan wel een voertuig op het strand mee te voeren, te plaatsen of te laten staan, hetzij tot het rijden of hebben van een rij- of trekdier of het rijden of hebben van een zeilvoertuig op het strand als bedoeld in de APV Zandvoort 52,00 1.20.10 Tot het verkrijgen van een vergunning tot het hebben of brengen van een vaartuig op dan wel daarmee af te varen van of aan te landen op het strand, dan wel binnen 300 meter uit de laagwaterlijn voor anker te gaan als bedoeld in de APV-Zandvoort 53,60 1.20.11 Benevens de verschuldigde leges als bedoeld in artikel 1.20.10 bedraagt het tarief voor het bij de vergunning behorende sticker, per vaartuig 7,80 1.20.12 Benevens de verschuldigde leges als bedoeld in artikel 1.20.9 bedraagt het tarief voor het bij de vergunning behorende vignet, per voertuig 7,80 1.20.13 Tot het verkrijgen van een vergunning tot het voortslepen van voorwerpen achter een vaartuig 57,80 TITEL 2 DIENSTVERLENING VALLEND ONDER FYSIEKE LEEFOMGEVING / OMGEVINGSVERGUNNING Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen 2.1.1 Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: 2.1.1.1 aanlegkosten: de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt, een raming van de aanlegkosten, de omzetbelasting niet inbegrepen. Indien de werken of werkzaamheden geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschieden wordt in deze titel onder aanlegkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor de werken of werkzaamheden waarop de aanvraag betrekking heeft; 2.1.1.2 bouwkosten: de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; 2.1.1.3 sloopkosten: de aannemingssom exclusief omzetbelasting,, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt, een raming van de sloopkosten, de omzetbelasting niet inbegrepen. Indien het slopen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder sloopkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het slopen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; 2.1.1.4 Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2.1.2 In deze titel voorkomende begrippen die in de Wabo zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als bij of krachtens de Wabo bedoeld. 2.1.3 In deze titel voorkomende begrippen die niet nader in de Wabo zijn omschreven en die betrekking hebben op activiteiten waarvoor het toetsingskader in een ander wettelijk voorschrift is uitgewerkt, hebben dezelfde betekenis als in dat wettelijk voorschrift bedoeld. Hoofdstuk 2 Vooroverleg/beoordeling conceptaanvraag 2.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 2.2.1 om vooroverleg in verband met het verkrijgen van een indicatie of een voorgenomen project in het kader van de Wabo vergunbaar is (beoordeling schetsplan of principeverzoek) 337,30 Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning 2.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd. 2.3.1 Bouwactiviteiten 2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.3.1.1.1 indien de bouwkosten minder dan € 15.000 bedragen: 2,20% van de bouwkosten, met een minimum van 251,50 2.3.1.1.2 indien de bouwkosten € 15.000 tot € 50.000 bedragen: 335,40 vermeerderd met 2,1% van de bouwkosten > € 15.000 2.3.1.1.3 indien de bouwkosten € 50.000 tot 100.000 bedragen: 1.105,70 vermeerderd met 2% van de bouwkosten > € 50.000 2.3.1.1.4 indien de bouwkosten € 100.000 tot € 200.000 bedragen: 2.153,70 vermeerderd met 1,8% van de bouwkosten > € 100.000 2.3.1.1.5 indien de bouwkosten € 200.000 tot € 500.000 bedragen: 4.040,20 vermeerderd met 1,6% van de bouwkosten > € 200.000 2.3.1.1.6 indien de bouwkosten meer dan € 500.000 bedragen 9.070,70 vermeerderd met 1,4% van de bouwkosten boven de € 500.000 Extra welstandstoets 2.3.1.2 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief, indien zich tijdens de beoordeling van de in dat onderdeel bedoelde aanvraag wijzigingen voordoen in het bouwplan en daarvoor een nieuwe welstandstoets noodzakelijk is: 47,30 Beoordeling bodemrapport 2.3.1.3 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief, indien krachtens wettelijk voorschrift voor de in dat onderdeel bedoelde aanvraag een bodemrapport wordt beoordeeld: 2.3.1.3.1 voor de beoordeling van een milieukundig bodemrapport 251,50 2.3.1.3.2 voor de beoordeling van een archeologisch bodemrapport 251,50 Achteraf ingediende aanvraag 2.3.1.4 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief, indien de in dat onderdeel bedoelde aanvraag wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de bouwactiviteit: 25% van de op grond van dat onderdeel verschuldigde leges. Seizoensgebonden strandgebouw 2.3.1.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het behandelen van een bouwaanvraag voor de legalisering van een seizoensgebonden strandgebouw en een seizoensgebonden strandgebouw voor watersportactiviteiten per m2 brutovloeroppervlakte, inclusief overkappingen, met dien verstande dat per eenheid van 10m2 naar beneden wordt afgerond 10,50 De bouwvergunning van een seizoensgebonden bouwwerk wordt verleend voor een periode van 10 jaar. 2.3.2 Aanlegactiviteiten 2.3.2.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo, bedraagt het tarief: 335,40 Beoordeling bodemrapport 2.3.2.2 Onderdeel 2.3.1.3.1 vindt overeenkomstige toepassing met betrekking tot de in onderdeel 2.3.2.1 bedoelde aanvraag, tenzij onderdeel 2.3.1.3.2 zelf toepassing vindt. 2.3.3 Planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van een bouw- of aanlegactiviteit Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en tevens sprake is van een bouwactiviteit of een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de onderdelen 2.3.1 en 2.3.2: 2.3.3.1 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken (binnenplanse afwijking): 419,20 2.3.3.2 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken (kleine buitenplanse afwijking): 419,20 2.3.3.3 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken (buitenplanse afwijking): 5.240,10 2.3.3.4 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder b van de Wabo van het exploitatieplan is afgeweken (afwijking exploitatieplan): 419,20 2.3.3.5 indien de aanvraag een project van provinciaal belang betreft en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo van de krachtens artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij of krachtens provinciale verordening gegeven regels is afgeweken: 419,20 2.3.3.6 indien de aanvraag een project van nationaal belang betreft en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo van de krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven regels is afgeweken: 419,20 2.3.3.7 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder d van de Wabo van een voorbereidingsbesluit is afgeweken (afwijking voorbereidingsbesluit): 419,20 2.3.3.8 indien met toepassing van artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo voor een bepaalde termijn van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken (tijdelijke afwijking): 419,20 2.3.4 Planologisch strijdig gebruik waarbij geen sprake is van een bouw- of aanlegactiviteit Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en niet tevens sprake is van een bouwactiviteit of een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.3.4.1 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken (binnenplanse afwijking): 419,20 2.3.4.2 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken (kleine buitenplanse afwijking): 419,20 2.3.4.3 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken (buitenplanse afwijking): 5.240,10 2.3.4.4 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder b van de Wabo van het exploitatieplan is afgeweken (afwijking exploitatieplan): 419,20 2.3.4.5 indien de aanvraag een project van provinciaal belang betreft en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo van de krachtens artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij of krachtens provinciale verordening gegeven regels is afgeweken: 419,20 2.3.4.6 indien de aanvraag een project van nationaal belang betreft en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo van de krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven regels is afgeweken: 419,20 2.3.4.7 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder d van de Wabo van een voorbereidingsbesluit is afgeweken (afwijking voorbereidingsbesluit): 419,20 2.3.4.8 indien met toepassing van artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo voor een bepaalde termijn van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken (tijdelijke afwijking): 419,20 2.3.5 In gebruik nemen of gebruiken bouwwerken in relatie tot brandveiligheid 2.3.5.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo, bedraagt het tarief: 449,90 Het onder 2.3.5.1 genoemde bedrag wordt (bij onderstaande vloeroppervlaktes) verhoogd met: 0 – 100 m² 261,00 100 – 500 m² vermeerderd met € 2,32 per m² > 100 m² 261,00 500 – 2.000 m² vermeerderd met € 1,29 voor elke m² > 500 m² 1.236,00 2.000 – 5.000 m² vermeerderd met € 0,78 voor elke m² > 2.000 m² 3.269,00 5.000 – 50.000 m² vermeerderd met € 0,06 voor elke m² > 5000 m² 5.727,50 boven 50.000 m² 8.564,20 2.3.6 Activiteiten met betrekking tot monumenten of beschermde stads- of dorpsgezichten Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo met betrekking tot een krachtens provinciale verordening of de gemeentelijke verordening aangewezen monument, waarvoor op grond van die provinciale verordening of artikel 10 van die gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, bedraagt het tarief: 2.3.6.1.1 voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument 1% van de bouw- en sloopkosten met een minimum van en 167,70 maximum van 503,10 2.3.6.1.2 voor het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht 1% van de bouwkosten met een minimum van en 167,70 maximum van 503,10 2.3.6.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een krachtens provinciale verordening of een aangewezen stads- of dorpsgezicht, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder c, van de Wabo, waarvoor op grond van die provinciale verordening of van die gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, bedraagt het tarief 1% van de sloopkosten met een minimum van en 167,70 maximum van 503,10 2.3.7 Sloopactiviteiten anders dan bij monumenten of in beschermd stads- of dorpsgezicht 2.3.7.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk bedraagt het tarief 1% van de sloopkosten met een minimum van en 167,70 maximum van 503,10 Beoordeling bodemrapport 2.3.7.3 Onderdeel 2.3.1.3.1 vindt overeenkomstige toepassing met betrekking tot de in de onderdelen 2.3.7.1 of 2.3.7.2 bedoelde aanvraag, tenzij de onderdelen 2.3.1.3.2 of 2.3.2.2 zelf toepassing vinden. Asbesthoudende materialen 2.3.7.4 Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 2.3.7.1 of 2.3.7.2 bedraagt het tarief, indien de in die onderdelen bedoelde aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk waarin asbest of een asbesthoudend product aanwezig is: 48,20 2.3.7.5 Bij een parapluvergunning : van 0 tot 50 meldingen 735,40 bij 50 meldingen of meer 1.470,80 Aanleggen of veranderen weg 2.3.8 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen van een weg of verandering brengen in de wijze van aanleg van een weg waarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale verordening of de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, aanhef en eerste lid, onder d, van de Wabo, bedraagt het tarief: 167,70 Uitweg 2.3.9 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het maken, hebben, veranderen of veranderen van het gebruik van een uitweg waarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale verordening of van de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, bedraagt het tarief: 258,40 Vellen van een houtopstand 2.3.10 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het vellen of doen vellen van houtopstand, waarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale verordening of de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, bedraagt het tarief: 55,20 Handelsreclame 2.3.11 Indien de activiteit bestaat uit het maken of voeren van handelsreclame bedoeld in artikel 2.2, aanhef en eerste lid, onder g van de Wabo, bedraagt het tarief 107,30 Opslag van roerende zaken 2.3.12 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de opslag van roerende zaken in een bepaald gedeelte van de provincie of de gemeente, waarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale verordening of de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, bedraagt het tarief: 2.3.12.1 indien de activiteit bestaat uit het daar opslaan van roerende zaken, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j, van de Wabo: 107,30 2.3.12.2 indien de activiteit bestaat uit het als eigenaar, beperkt gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toestaan of gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder k, van de Wabo: 107,30 2.3.13 Projecten of handelingen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 2.3.13.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op handelingen in een beschermd natuurgebied die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor de dieren of planten, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 bedraagt het tarief: 335,40 2.3.13.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het realiseren van projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats en soorten in een door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen gebied als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 335,40 Handelingen in het kader van de Flora- en Faunawet 2.3.14 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een handeling waarvoor op grond van artikel 75, derde lid, van de Flora- en Faunawet ontheffing nodig is, bedraagt het tarief 335,40 Andere activiteiten 2.3.15 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het verrichten van een andere activiteit of handeling dan in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedoeld en die activiteit of handeling: 2.3.15.1 behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, bedraagt het tarief: 107,30 2.3.15.2.1 als het een gemeentelijke verordening betreft 107,30 2.3.15.2.2 als het een provinciale of waterschapsverordening betreft 107,30 2.3.16 Omgevingsvergunning in twee fasen Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning op verzoek in twee fasen plaatsvindt, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.3.16.1 voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een beschikking met betrekking tot de eerste fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de eerste fase betrekking heeft; 2.3.16.2 voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een beschikking met betrekking tot de tweede fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de tweede fase betrekking heeft. 2.3.17 Advies 2.3.17.1 Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij algemene maatregel van bestuur, provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen bestuursorgaan of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.26, derde lid, van de Wabo: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 2.3.17.2 Indien een begroting als bedoeld in 2.3.17.1 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. 2.3.18 Verklaring van geen bedenkingen 2.3.18.1 Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend, als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo: 2.3.18.1.1 indien de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: 419,20 2.3.18.1.2 indien een ander bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 2.3.18.2 Indien een begroting als bedoeld in 2.3.18.1.2 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. Hoofdstuk 4 Vermindering 2.4.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning is voorafgegaan door een aanvraag om vooroverleg of beoordeling van een conceptaanvraag als bedoeld in hoofdstuk 2, waarop de eerstgenoemde aanvraag betrekking heeft, worden de ter zake van het vooroverleg of de beoordeling van de conceptaanvraag c.q. principeverzoek geheven leges in mindering gebracht op de leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag om de omgevingsvergunning bedoeld in hoofdstuk
  11. 2.4.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op meer dan vijf activiteiten, bestaat aanspraak op vermindering van leges, met uitzondering van het legesdeel in verband met adviezen of verklaringen van geen bedenkingen als bedoeld in de onderdelen 2.3.16 en 2.3.
  12. De vermindering beloopt: 2.4.2.1 bij 5 tot 10 activiteiten: [2%] van de voor die activiteiten verschuldigde leges; 2.4.2.2 bij 10 tot 15 activiteiten: [4%] van de voor die activiteiten verschuldigde leges; 2.4.2.3 bij 15 of meer activiteiten: [5%] van de voor die activiteiten verschuldigde leges. Hoofdstuk 5 Teruggaaf 2.5.1 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten, als bedoeld in de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 en 2.3.7, intrekt terwijl deze reeds in behandeling is genomen door de gemeente, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 2.5.1.1 indien de aanvraag wordt ingetrokken binnen een termijn van twee weken na het in behandeling nemen ervan 75% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges; 2.5.1.2 indien de aanvraag wordt ingetrokken na twee weken en binnen zes weken na het in behandeling nemen ervan 50% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges; Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten 2.5.2 Als de gemeente een verleende omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 en 2.3.7, intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits deze aanvraag is ingediend binnen 12 maanden na verlening van de vergunning en van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt: 50% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges. Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten 2.5.3 Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 of 2.3.7 weigert, bedraagt de teruggaaf automatisch: 50% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges. Minimumbedrag voor teruggaaf 2.5.4 Een bedrag minder dan € 80,00 wordt niet teruggegeven. Geen teruggaaf legesdeel advies of verklaring van geen bedenkingen 2.5.5 Van de leges verschuldigd op grond van de onderdelen 2.3.16 en 2.3.17 wordt geen teruggaaf verleend. Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunning is niet van toepassing Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging project 2.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project: 167,70 Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten 2.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening 617,20 2.8.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening 617,20 Hoofdstuk 9 Sloopmelding 2.9 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een sloopmelding als bedoeld in de Bouwverordening 36,20 Hoofdstuk 10 In deze titel niet benoemde beschikking 2.10 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een andere, in deze titel niet benoemde beschikking: 107,30 Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn Hoofdstuk 1 Horeca 3.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 3.1.1 tot het verkrijgen van een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet 210,10 3.1.2 Vervallen 3.1.3 tot het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Drank- en Horecawet 57,80 3.1.4 tot het verkrijgen van een vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, n.a.v. een wijziging in de personen van leidinggevende 115,60 3.1.5 tot het verkrijgen van een vergunning sluitingsuur t.b.v. een inrichting als bedoeld in de APV-Zandvoort: a.Voor een vergunning voor een jaar 499,00 b.Voor een vergunning voor onbepaalde tijd 873,30 3.1.6 Tot het verkrijgen van een vergunning exploitatie horecabedrijf zonder terras 115,60 3.1.6.1 Tot het wijzigen van een vergunning als bedoeld onder 3.1.7 56,80 3.1.7 tot het verkrijgen van een vergunning exploitatie horecabedrijf met terras 236,40 3.1.7.1 Tot het wijzigen van een vergunning als bedoeld onder 3.1.8 118,20 Hoofdstuk 2 Organiseren evenementen of markten 3.2.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor het organiseren van een evenement als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening (evenementenvergunning), indien het betreft: 3.2.1.1 een grootschalig evenement 316,80 een terugkerend grootschalig evenement voor 2 of meer jaren of voor onbepaalde tijd 554,40 3.2.1.2 een middelgroot evenement 170,50 een terugkerend middelgroot evenement voor 2 of meer jaren of voor onbepaalde tijd 298,70 3.2.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een vergunning voor het organiseren van een snuffelmarkt als bedoeld in <artikel 5.22 van de Algemene plaatselijke verordening> 55,20 3.2.3 n.v.t. n.v.t. 3.2.4 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag: 3.2.4.1 n.v.t. 3.2.4.2 n.v.t. 3.2.4.3 tot het verkrijgen van een ontheffing van overige geluidhinder als bedoeld in <artikel 4:5 van de Algemene plaatselijke verordening>. 0,00 Hoofdstuk 3 Prostitutiebedrijven 3.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: 3.3.1 een exploitatievergunning of wijziging van een exploitatievergunning als bedoeld in <artikel 3.4, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening> 3.3.1.1 voor een seksinrichting 1.208,30 3.3.1.2 voor een escortbedrijf 315,20 3.3.2 wijziging van een exploitatievergunning in verband met uitsluitend een wijziging van het beheer in een seksinrichting of escortbedrijf, als bedoeld in <artikel 3.15, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening>: 3.3.2.1 voor een seksinrichting 194,40 3.3.2.2 voor een escortbedrijf 194,40 Hoofdstuk 4 Splitsingsvergunning woonruimte 3.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een splitsingsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Huisvestingswet 404,50 Hoofdstuk 5 Leefmilieuverordening 3.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een ontheffing of vergunning als bedoeld in de <Leefmilieuverordening … [naam gebied]>: 3.5.1 indien het betreft <activiteit vermelden> n.v.t. 3.5.2 enz. n.v.t. Hoofdstuk 6 Brandbeveiligingsverordening 3.6 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning met betrekking tot het brandveilig gebruik van een inrichting, als bedoeld in <artikel 2, eerste lid, van de Brandbeveiligingsverordening> 96,10 Hoofdstuk 7 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking 3.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een andere, in deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking n.v.t. Behoort bij raadsbesluit van 14 december 2011 De griffier van Zandvoort 3 TOELICHTING LEGESVERORDENING 2012 A Algemeen 1 Wettelijke basis De leges worden geheven op basis van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet. Vanaf 1 januari 1995 komt het begrip ‘leges’ niet meer voor in de Gemeentewet. De reden hiervan is dat er geen wezenlijke verschillen bestaan tussen leges en andere rechten. Het begrip ‘rechten’ in artikel 229 van de Gemeentewet omvat mede de leges. In de verordening is ervoor gekozen de rechten ‘leges’ te blijven noemen, omdat het hier gaat om een ingeburgerd en herkenbaar begrip. Bovendien gaat het in vrijwel alle gevallen om het in behandeling nemen van aanvragen en vergunningen e.d. en om het verstrekken van documenten. Het staat gemeenten vrij de rechten anders te noemen. Gekozen is voor een zogenaamd ‘aangekleed’ model, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. 2 Opzet De verordening leges bestaat uit twee gedeelten, namelijk de verordening zelf met de formele en materiële bepalingen en de tarieventabel met een omschrijving van de belastbare feiten, de heffingsmaatstaven en de tarieven. Voordeel van deze opzet is dat wijzigingen van tarieven op eenvoudige wijze in de tarieventabel zijn te verwerken zonder dat de onderlinge samenhang van de artikelen in de verordening verloren gaat. De volgorde van de VNG modelverordening is aangehouden, waarbij die artikelonderdelen en tarieven welke niet voorkomen zijn aangegeven met ‘n.v.t.’. 3 Geen voorbeelden van tarieven In de tarieventabel is geen vergelijking gemaakt met de tarieven van andere gemeenten. Dit heeft een aantal redenen. Allereerst kunnen de te maken kosten voor de verschillende diensten sterk verschillen per gemeente. Bovendien is het afhankelijk van het beleid van de raad van iedere gemeente of al of niet kostendekkende tarieven worden gehanteerd. Ten slotte zouden voorbeelden van tarieven zeer tijdgebonden bedragen kunnen zijn, die snel aan veroudering onderhevig zijn. 4 Het begrip ‘dienst’ Artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten onder andere rechten kunnen heffen voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Leges kunnen dus uitsluitend geheven worden voor door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Dit blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 december 1987 (nr. 24.892, BNB 1988/117, Belastingblad 1988, blz. 65). Het begrip ‘dienst’ is niet nader gedefinieerd in de wet. Wel is in de jurisprudentie invulling gegeven aan het begrip ‘dienst’. Op grond van de jurisprudentie komen wij tot het oordeel dat voor de vraag of er sprake is van een dienst doorslaggevend is of degene te wiens behoeve de dienst wordt verleend een individueel belang heeft bij de dienst. Dit individuele belang is in beginsel altijd aanwezig indien de dienstverlening wordt gevraagd. Indien de dienst ambtshalve wordt verleend, is er naar het oordeel van de wetgever geen sprake van een dienst (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 591, nr. 3, blz. 78). Dit betekent dat vanaf 1 januari 1995 voor het ongevraagd verlenen van diensten geen legesheffing meer mogelijk is. Is het algemene belang groter dan het individuele belang van de aanvrager dan wel degene te wiens behoeve de dienst wordt verleend, dan is er geen sprake van een dienst die legesheffing rechtvaardigt. Ten slotte merken wij op dat het ‘verlenen’ van een dienst, zoals geformuleerd in de modelverordening, uitsluitend betrekking heeft op het in gang zetten van de dienstverlening. Er is dus sprake van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverplichting. Jurisprudentie over het begrip dienst Hieronder een – chronologisch aflopend – overzicht van de jurisprudentie, dat meer inzicht geeft of in een concreet geval sprake is van verlening van diensten bedoeld in artikel 229b, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. -HR 23 maart 2007, nr. 40664, LJN: BA1262 (Velsen) Bij een bouwaanvraag die incompleet is en door de gemeente op grond van artikel 4:5 van de Awb ‘verder buiten behandeling is gelaten’ is voldaan aan het belastbaar feit voor heffing van leges ‘het in behandeling nemen van een aanvraag’. Deze uitspraak is het vervolg op Gerechtshof Amsterdam 23 januari 2004, nr. 02/06849, LJN: AO3409, dat anders oordeelde, ook in: Gerechtshof Amsterdam 26 september 2003, nr. 03/01041, LJN: AN7885 (Haarlemmermeer) -HR 13 augustus 2004, nr. 37863, LJN: AI0408 Bij de behandeling van aanvragen voor planschade is sprake van een publieke taakuitoefening door de gemeente en niet van een individualiseerbaar belang, zodat geen sprake is van verlening van een dienst in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet (zie voor planschadevergoeding ook verderop in deze toelichting). -HR 11 juni 1997, nr. 31253, BNB 1997/271 Bij de werkzaamheden die voor gedeputeerde staten verbonden zijn aan het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar op grond van - onder meer - artikel 19 van de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening, gaat het rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Er is wel indirect een particulier belang van de ‘achterliggende’ aanvrager - in voorkomende gevallen de gemeente zelf, maar gelet op het preventief bestuurstoezicht van de provincie, niet rechtstreeks en in overheersende mate. Bij het in behandeling nemen van een aanvraag tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar is derhalve niet, ook niet gedeeltelijk, sprake van een rechtstreeks aan de gemeente dan wel aan de ‘achterliggende’ aanvrager verrichte dienst. -HR 7 mei 1997, nr. 31845, Belastingblad 1997, blz. 586 Duikwerkzaamheden van de brandweer (het betrof het opduiken van een auto) kunnen worden aangemerkt als het verlenen van een dienst ‘indien het gaat om werkzaamheden die niet alleen liggen buiten het gebied van brand- en rampenbestrijding alsmede van beperking en bestrijding van gevaar voor mens en dier bij ongevallen, maar bovendien rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang’. -HR 13 april 1994, nr. 28887, Belastingblad 1994, blz. 431 Het door de politie op verzoek van belanghebbende, in verband met een door deze gemelde aansluiting op een stil alarmsysteem, opstellen van een aanvalsplan, dient voornamelijk om een efficiënt politieoptreden ter handhaving van de rechtsorde mogelijk te maken en om de veiligheid van de bij dat optreden betrokken politieagenten te verhogen. De desbetreffende werkzaamheden houden in het algemeen niet rechtstreeks en voornamelijk verband met een dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar particulier belang. Er is geen sprake van een dienst in de zin van artikel 229 Gemeentewet. -HR 11 december 1992, nr. 14484, RvdW 1993, nr. 6 (Vlissingen/Rize) Met betrekking tot het nablussen van een brand op een schip is kostenverhaal niet mogelijk. -HR 14 oktober 1992, nr. 27804, BNB 1993/24, Belastingblad 1993, blz. 165 Melding ex artikel 2a van de (toenmalige) Hinderwet is geen dienst. -Koninklijk Besluit van 2 oktober 1990, nr. 90.001535, Belastingblad 1991, blz. 285 Goedkeuring onthouden aan de Legesverordening van de gemeente Delft omdat die verordening een bepaling bevatte op grond waarvan leges geheven konden worden van overheidsorganen voor diensten die worden verricht ter uitvoering van bepaalde medebewindstaken, zoals het verstrekken van gegevens aan het CBS, het afgeven van verklaringen omtrent het gedrag etc. -Koninklijk Besluit van 24 augustus 1990, nr. 89.030275, Belastingblad 1990, blz. 668 Goedkeuring onthouden aan de Legesverordening van de gemeente Horst, omdat in de verordening een tarief was opgenomen voor een melding ex artikel 2a van de (toenmalige) Hinderwet. Geen dienstverlening. -Koninklijk Besluit van 28 december 1988, nr. 13 (Belastingblad 1989, blz. 123) Goedkeuring onthouden aan de Legesverordening van de gemeente Schoorl, omdat in die verordening een tarief was opgenomen voor het behandelen van een kennisgeving in de zin van artikel 1a van het Hinderbesluit. Geen dienstverlening. -Koninklijk Besluit van 28 december 1988, nr. 12, Belastingblad 1989, blz. 126 Goedkeuring onthouden aan de Legesverordening van de gemeente Geldermalsen, omdat in de verordening een tarief was opgenomen voor het bevestigen van een ingevolge artikel 7c van de Wet op de kansspelen gedane mededeling omtrent een te houden klein kansspel. Geen dienstverlening. -Hoge Raad 9 december 1987, nr. 24892, Belastingblad 1988, blz. 65 Voor legesheffing moet de voorwaarde worden gesteld dat sprake is van door of vanwege het gemeentebestuur verleende diensten. Bij een aanschrijving tot woningverbetering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de (oude) Woningwet, welke op grond van artikel 25, vierde lid, van die wet nodig is om de verplichtingen van degene tot wie zij is gericht te doen ontstaan, is geen sprake van het verlenen van een dienst aan de betrokkene in deze zin. -HR 1 juli 1969, nr. 16165, BNB 1969/185 Voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van een bouwvergunning kunnen leges worden geheven. In het algemeen worden met de term leges niet slechts heffingen aangeduid, die gericht zijn op de vergoeding van de kosten verbonden aan het op schrift stellen van bij bepaalde administratieve diensten behorende stukken, maar mede heffingen, welke op de vergoeding van die diensten zelf zijn gericht. -Hoge Raad 4 december 1963, nr. 15069, BNB 1964/45 De leges kunnen betrekking hebben op aanvragen van kampeervergunningen, de behandeling en de verlening daarvan en daarnaast op de kosten die het kamperen voor de gemeente meebrengt. Daarbij doet niet ter zake of degene aan wie de dienst wordt verleend daarop al of niet aanspraak kan maken. B Artikelsgewijze toelichting Artikel1Begripsomschrijvingen Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de tarieventabel voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel
  13. Artikel2Belastbaar feit De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor leges worden geheven. Daarom is naast de in artikel 2 opgenomen algemene omschrijving van het belastbare feit voor iedere dienst afzonderlijk een verdere omschrijving van het belastbare feit in de tarieventabel opgenomen. Dat is dan ook de reden dat in artikel 2 wordt gesproken van ‘diensten, bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel’. Omdat artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat het voorwerp van de belasting en het tarief moeten zijn vermeld in de belastingverordening, mag er geen twijfel over bestaan dat de tarieventabel deel uitmaakt van de verordening. Vandaar dat de woorden ‘daarbij behorende’ zijn gebruikt. In de tarieventabel en in de bij de verordening en de tarieventabel behorende bijlagen wordt dit eveneens uitdrukkelijk aangegeven. De omschrijving van het belastbare feit is van belang voor de vraag of de materiële belastingschuld ontstaat en het tijdstip waarop die belastingschuld ontstaat. Het belastbare feit zou op verschillende manieren omschreven kunnen worden. Zo kan bijvoorbeeld worden gekozen voor ‘het verlenen van een vergunning’ maar ook kan worden gekozen voor ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’. In de verordening is gekozen voor de laatste formulering. Dit heeft als voordeel dat leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag en dat niet bepalend is het moment waarop de vergunning wordt verleend. Ook is niet van belang of de vergunning wordt verleend of geweigerd. Zou het belastbare feit zijn ‘het verlenen van de vergunning’ dan heeft op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag het belastbare feit zich nog niet voorgedaan en is dus de materiële belastingschuld nog niet ontstaan. Vooruitbetaling voor het moment van het ontstaan van de materiële belastingschuld is niet mogelijk. Ook kan dan niet worden geheven als de vergunning wordt geweigerd, hoewel de gemeente wel de kosten van behandeling heeft gemaakt. Overigens kan op grond van wettelijke bepalingen niet in alle gevallen het belastbare feit worden omschreven als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag’. Zo kunnen alleen voor het voltrekken van een huwelijk, en niet voor het in behandeling nemen van de aanvraag daarvan, leges geheven worden, dit op grond van de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879, 72). Wij merken nog op dat de Hoge Raad de uitdrukking 'in behandeling nemen' uitlegt tegen de achtergrond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder letter b, Gemeentewet. In dat artikel is de bevoegdheid gegeven rechten te heffen ter zake van het genot van door de gemeente verstrekte diensten. Als een besluit wordt genomen om een aanvraag niet verder te behandelen (artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht), kunnen er volgens de Hoge Raad al diensten zijn verstrekt die de heffing van leges rechtvaardigen (Hoge Raad 21 december 2007, nr. 41303, LJN: BC0652). Artikel3Belastingplicht De belastingverordening moet vermelden wie de belastingplichtige is (artikel 217 van de Gemeentewet). Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende diensten is gekozen voor een ruime omschrijving van de belastingplicht, om te voorkomen dat in bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden. Het gebruik van de woorden ‘dan wel’ is bedoeld om te voorkomen dat voor dezelfde dienst van twee belastingplichtigen, te weten de aanvrager en degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, leges zullen worden geheven. Vanuit de systematiek van de verordening ligt het voor de hand in eerste instantie de aanvrager van de dienst in de heffing te betrekken. Als het niet mogelijk is een aanvrager als belastingplichtige aan te wijzen, bijvoorbeeld als de aanvrager duidelijk niet de belanghebbende is, dan kan degene ten behoeve van wie de dienst wordt verleend als belastingplichtige aangemerkt worden. Dit laatste zal zich niet snel voordoen omdat, zoals al eerder is geconstateerd, de aanvrager per definitie een belang heeft bij de dienstverlening. Er kan zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige geen keuzesituatie voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig. Artikel4Vrijstellingen Onderdeel a In onderdeel a hebben wij een (verplichte) vrijstelling opgenomen voor diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 (grondexploitatie) van de Wet ruimtelijke ordening zijn of worden verhaald. Deze vrijstelling houdt verband met de zogenaamde Grondexploitatiewet (Stb. 2007, 271) die op 1 juli 2008 in werking is getreden en onderdeel uitmaakt van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (afdeling 6.4). Uitgangspunt van de Grondexploitatiewet vormt een verplichting tot kostenverhaal. Deze verplichting houdt in, dat een gemeente de gemaakte kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar tot een ontwikkeling van de gronden overgaat. De gemeente mag hier bovendien niet meer van afzien, zoals vóór 1 juli 2008 nog wel het geval kon zijn. Indien er sprake is van een bouwplan zoals omschreven in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening moeten de kosten (zoals opgenomen op de limitatieve kostensoortenlijst van artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening) worden verhaald op de particuliere ontwikkelaar. Deze kosten kunnen niet nogmaals via de leges in rekening worden gebracht. Dit zou namelijk betekenen, dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit bepaalde kosten twee keer zou gaan betalen. Het verplichtende karakter van het kostenverhaal op grond van de Grondexploitatiewet houdt ook in, dat het niet toegestaan is voor de gemeente om af te zien van het kostenverhaal van verleende diensten via het stelsel van de Grondexploitatiewet, om deze kosten vervolgens alsnog via de leges te verhalen. De gemeente heeft dus geen keuzevrijheid om het kosten voor verleende diensten via de grondexploitatiewet, dan wel via de leges te verhalen, maar moet verplicht het stelsel van de Grondexploitatiewet gebruiken. De Grondexploitatiewet legt allereerst een nieuwe basis voor privaatrechtelijke overeenkomsten over grondexploitatie tussen gemeenten en particuliere eigenaren die tot ontwikkeling van hun grondeigendom willen overgaan (artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening). Deze privaatrechtelijke overeenkomst biedt de gemeente de mogelijkheid om met een particuliere eigenaar afspraken te maken over het kostenverhaal van de betreffende bouwlocatie, over eventuele planschade en over bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen buiten de locatie. De gemeente kent voor deze privaatrechtelijke overeenkomst een volledige contractsvrijheid, met inachtneming van wet- en regelgeving en de algemene rechtsbeginselen. Verder omvat de wet een publiekrechtelijk spoor voor situaties, waarin de partijen binnen de privaatrechtelijke onderhandelingen geen onderlinge overeenkomst over het kostenverhaal hebben bereikt (artikel 6.12 tot en met artikel 6.22 van de Wet ruimtelijke ordening). Van centrale betekenis binnen dit publiekrechtelijke spoor is het exploitatieplan, waarin de gemeente de uitgangspunten voor de grondexploitatie kan vastleggen. Dit exploitatieplan moet tegelijkertijd worden vastgesteld en bekendgemaakt met het bestemmingsplan, het wijzigingsbesluit of de omgevingsvergunning. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit zal vervolgens via de toetsing aan het vigerende ruimtelijke plan en het bijbehorende exploitatieplan de bijdrage van de particuliere ontwikkelaar aan het kostenverhaal worden vastgesteld en in de voorschriften bij de omgevingsvergunning worden opgenomen. In artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening is een limitatieve lijst opgenomen met kosten die moeten worden verhaald binnen het publiekrechtelijke spoor van de Grondexploitatiewet. Deze lijst omvat onder meer de kosten van het verrichten van onderzoek, waaronder in ieder geval begrepen grondmechanisch en milieukundig bodemonderzoek, akoestisch onderzoek, ander milieukundig onderzoek, archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek (artikel 6.2.4, sub a), de kosten van het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen ten behoeve van het exploitatiegebied (artikel 6.2.4, sub i) en de kosten van andere door het gemeentelijk apparaat of in opdracht van de gemeente te verrichten werkzaamheden, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in het besluit bedoelde voorzieningen, werken, maatregelen en werkzaamheden (artikel 6.2.4, sub j). Onderdeel b Onderdeel b heeft betrekking op het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een (milieu-)inrichting of mijnbouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hiervoor kunnen geen leges worden geheven op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dat luidt: ‘
  14. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning betrekking hebben op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, worden geen rechten geheven.’ Dit is dus ook een wettelijke vrijstelling, die wij voor een goed begrip hebben opgenomen in de Legesverordening. Deze vrijstelling geldt ook als de gemeente deze niet opneemt in de Legesverordening. Het is van belang, omdat de gemeente de kosten die met de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze milieuactiviteiten gepaard gaan, niet langs een omweg kan verhalen via de leges voor bijvoorbeeld een bouw- of aanlegactiviteit. Een nauwkeurige, controleerbaar vastgelegde kostentoerekening is dus noodzakelijk. Zoals bekend zijn de milieuleges met ingang van 1 januari 1998 wettelijk onmogelijk geworden (artikel 15.34a Wet milieubeheer en artikel 86a Wet bodembescherming). Dat is in de Wabo dus doorgetrokken. Gemeenten zijn / worden gecompenseerd via het gemeentefonds. Andere wettelijke vrijstellingen In artikel 4 zijn niet vermeld de vrijstellingen die voorkomen in andere hogere wettelijke regelingen. Overigens kan de Legesverordening geen inbreuk maken op of bepaalde beperkingen opnemen met betrekking tot de bij wet verleende vrijstellingen. Die vrijstellingen zijn onder meer: De diplomatieke en internationale vrijstellingen. Op grond van artikel 243 van de Gemeentewet kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën vrijstelling van gemeentelijke belastingen verlenen indien het volkenrecht dan wel het internationale gebruik daartoe noopt. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt, althans voor zover voor de leges van belang, in de ‘Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997’ (Regeling van 20 december 1996, FO96/ U2383, Stcrt. 1996, 249, Belastingblad 1997, blz. 91, nadien gewijzigd). De vrijstelling voor het doen van naspeuringen (door de aanvrager zelf) in de gemeentearchieven bedoeld in de Archiefwet 1995, dit vanwege het openbare karakter van archiefbewaarplaatsen (artikel 14 van de Archiefwet 1995). De vrijstellingen opgenomen in de artikelen 2 en 4 van de Wet rechten burgerlijke stand 1879, Stb. 72, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 27 november 2008, Stb. 500 (inwerkingtreding 1 maart 2010). De ‘vrijstelling’ met betrekking tot de verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens de Wet milieubeheer (artikel 15.34a Wet milieubeheer). De ‘vrijstelling’ voor beschikkingen krachtens de Wet bodembescherming (artikel 86a Wet bodembescherming). De vrijstellingen (‘kosteloze verstrekkingen’), genoemd in onder andere: artikel 55 van de AWR; artikel 32a van de Wet waardering onroerende zaken; artikel 93 van de Pensioenwet; artikel 111 van de Pensioenwet politieke ambtsdragers; artikelen 78, eerste lid, 79, eerste en tweede lid, 95 en 99, tiende lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; artikel 41 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945; artikel 52 van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945; artikel 55, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Vrijstellingen passen in beginsel niet bij de aard van de legesheffing: een heffing voor dienstverlening die op verzoek plaatsvindt en dient ter bestrijding van de gemeentelijke kosten. Vanaf onderdeel c zijn facultatieve vrijstellingen opgenomen. Onderdeel g Tot en met 2005 wordt leges in rekening gebracht voor diverse activiteiten die voor en door Zandvoorters op vrijwillige basis worden georganiseerd. Voorbeelden hiervan zijn: het jaarlijks jeu de boulestoernooi, de jaarlijkse zwem-, wandel- en fietsvierdaagse. Omdat de gemeente aan het houden van deze activiteiten veel waarde hecht, verleent het hiervoor ook subsidie. Aangezien leges in rekening worden gebracht door de gemeente, worden bij de subsidieaanvraag ook deze kosten door de organisatie opgevoerd. Op deze wijze vergoedt de gemeente dus zelf de door haar opgelegde legeskosten. Om dit te voorkomen is lid g van artikel 4 zodanig geredigeerd dat voor de organisatie van dit soort activiteiten geen leges meer verschuldigd is. Onderdeel i Buurtfeesten zijn goed voor de sociale contacten en bovendien worden burgerinitiatieven toegejuicht. Om te voorkomen dat voor het in behandeling nemen van een vergunning tot het organiseren van een buurtfeest op niet commerciële basis zoals bijvoorbeeld een straat BBQ legeskosten in rekening gebracht worden is in lid i een vrijstellingsbepaling opgenomen. Facultatieve vrijstelling voor ANBI’s of non-profitinstellingen Veel gemeenten overwegen vrijstelling van leges voor bepaalde vergunningen op grond van de Algemene plaatselijke verordening (APV) ten behoeve van algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) of non-profitinstellingen, bijvoorbeeld een vrijstelling van de leges voor een collectevergunning waarbij de opbrengst is bestemd voor een ideëel doel of een vrijstelling van de leges voor een evenementenvergunning voor het houden van een straatfeest door een buurtvereniging. Daarbij moet worden bedacht dat het grond van de APV mogelijk is voor bepaalde aangelegenheden vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht. In dat verband kan gewezen worden op de ledenbrief van de VNG Lbr. 06/77 – Model-APV supplement 13 (6 juni 2006). Hierbij is een vrijstellingsmogelijkheid gecreëerd voor categorieën van evenementen en wordt een eenmalige verlening van een (doorlopende) collectevergunning aan CBF-instellingen mogelijk gemaakt. Deregulering leidt ertoe dat geen vergunning nodig is, waardoor ook geen legesplicht kan ontstaan. Een andere optie is de tegemoetkoming aan bedoelde ideële instellingen op een andere wijze vorm te geven, bijvoorbeeld door middel van subsidieverlening. Om de legesheffing ‘zuiver’ te houden, gaat onze voorkeur daarom uit naar het verlenen van vrijstelling van de vergunningplicht. Dat neemt niet weg dat vrijstelling van legesheffing voor algemeen nut beogende of non-profitinstellingen niet op voorhand onverdedigbaar is voor de belastingrechter. Er zijn gelet op de aard van de heffing wel risico’s. De Gemeentewet (artikel 229) maakt geen verschil in de persoon van de belastingplichtige. Essentieel voor de vrijstelling voor een bepaalde groep lijkt op grond van de huidige wetgeving en jurisprudentie te zijn dat de gemeente een objectieve rechtvaardigingsgrond voor de verschillende behandeling heeft in het gevoerde gemeentelijke beleid. Een tweede element is dat de verschillende behandeling niet zodanig mag zijn dat er sprake is van een willekeurige en onredelijke heffing. Geen erg concrete kaders dus en gezien de aard van de heffing (verhaal van gemaakte kosten) ook niet zonder risico bij toetsing door de belastingrechter. Artikel5Maatstaven van heffing en tarieven In de memorie van toelichting van de Wet materiële belastingbepalingen wordt als voorbeeld van tariefdifferentiatie genoemd dat de huwelijksleges voor mensen van buiten de gemeente hoger mogen zijn dan voor inwoners van de gemeente. Eerste lid Voor de maatstaven van heffing en tarieven wordt in dit artikel verwezen naar de bij de verordening behorende tarieventabel die, zoals in de toelichting op artikel 2 reeds is opgemerkt, deel uitmaakt van de verordening. Tweede lid Voor woningbouwprojecten en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen projecten kan de gemeenteraad op verzoek of ambtshalve een projectuitvoeringsbesluit nemen (artikel 2.9 en 2.10 Crisis- en herstelwet). Het projectuitvoeringsbesluit vervangt de bestaande vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen of andere besluiten die zonder de Crisis- en herstelwet (CHW) voor de ontwikkeling en verwezenlijking voor het project nodig zouden zijn. In veel gevallen zal sprake zijn van grondexploitatie, waarop afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is. Een groot aantal kostencomponenten moet in deze gevallen via het exploitatieplan worden verhaald (afdeling 6.4 Wro; artikel 6.2.4 Besluit ruimtelijke ordening). De gemeente zal alleen overgaan tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als dit kostenverhaal verzekerd is. Als een verzoek tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit wordt gedaan, kan de gemeente voor de (administratieve) behandeling van dat verzoek leges heffen. Het tweede lid voorziet hierin. Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de bestaande vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en andere benodigde besluiten. De toetsingskaders blijven echter van kracht, tenzij het projectuitvoeringsbesluit op grond van wet of verordening anders bepaalt (artikel 2.10, vijfde lid, CHW). In verband hiermee hebben wij bij de tariefstelling aangesloten bij de in de tarieventabel opgenomen tarieven die voor de vergunningen, ontheffingen en dergelijke verschuldigd zouden zijn geweest als de CHW niet zou gelden. Voor de overzichtelijkheid hebben wij de tariefbepaling in artikel 5 opgenomen. Bij die keuze hebben de volgende overwegingen meegespeeld: De CHW is eerder in werking getreden dan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning). In de legesverordening was nog overgangsrecht opgenomen totdat de Wabo in werking trad (oude hoofdstuk 5, bouwgerelateerde leges, van de tarieventabel was nog van toepassing tot 1 oktober 2010; daarna is titel 2 van de tarieventabel van toepassing). De CHW geldt voor het grootste deel tot 1 januari
  15. Derde lid In het tweede lid van dit artikel is een regeling opgenomen voor die diensten, waarbij als maatstaf van heffing het aantal uren, bladzijden en dergelijke is gehanteerd. Door deze bepaling behoeft in de tarieventabel niet steeds te worden vermeld dat gedeelten van bijvoorbeeld uren of bladzijden voor een geheel uur of een gehele bladzijde zullen worden gerekend. Tariefstelling en kostendekkendheid; kruissubsidiëring; profijtbeginsel Het is constante jurisprudentie dat de hoogte van de tarieven niet ter beoordeling van de belastingrechter staat, tenzij de verordening zou leiden tot strijd met wettelijke regels of tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, waarop de wetgever met het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad. Tussen de hoogte van de leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de voor de dienst door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist (zie onder meer: Hoge Raad 18 september 1991, nr. 27457, BNB 1991/351; Hoge Raad 24 december 1997, nr. 32569, LJN AA3345, BNB 1998/70). Op grond van artikel 229b van de Gemeentewet mag de Legesverordening als geheel bezien maximaal kostendekkend zijn. Ook de belastingrechter heeft zich op dit standpunt gesteld (zie onder meer: Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 38860; LJN:AP1951; Hoge Raad 14 augustus 2010, nr. 43120, LJN: BI1943). Niet elke post zal dus afzonderlijk op zijn kostendekkendheid worden beoordeeld. Dit laatste zou ook moeilijk realiseerbaar zijn gezien het feit dat de kosten voor de individuele diensten moeilijk zijn te bepalen. Dat neemt niet weg dat een gemeente wel een kostendekkendheid per dienst of per samenhangende groep van diensten mag nastreven, als de gemeente in dit opzicht maar een consequente lijn volgt (vergelijk Hof ’s-Hertogenbosch 3 oktober 2002, nr. 99/30246, LJN: AE9620). Op grond van het bovenstaande is het mogelijk om kruissubsidiëring toe te passen. Onder kruissubsidiëring wordt verstaan: het hoger stellen van tarieven van leges voor sommige diensten om daarmee de tarieven voor andere diensten laag te kunnen houden. Daarnaast kan bij de tariefstelling uitdrukking worden gegeven aan het profijtbeginsel. Dat is een aparte beleidsmatige afweging. Onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten zijn niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel. Een motivering voor die verschillen is niet vereist (Hoge Raad 14 augustus 2010, nr. 43120, LJN: BI1943). Europese Dienstenrichtlijn en Wabo doorkruisen artikel 229b Gemeentewet De mogelijkheden tot kruissubsidiëring zijn door de komst van de Europese Dienstenrichtlijn (EDR) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) beperkter geworden. De EDR maakt kruissubsidiëring binnen een cluster van samenhangende vergunningstelsels mogelijk. Dit betreft alleen de diensten aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. De wetgever heeft hierin geen aanleiding gezien om artikel 229b van de Gemeentewet te wijzigen. Bij de introductie van de Wabo (omgevingsvergunning) gaat de wetgever ervan uit dat kruissubsidiëring tussen het cluster omgevingsvergunning en andere in de Legesverordening opgenomen dienstverleningen niet mogelijk is (Kamerstukken 29515 2005/2006, nr. 140, pag. 26; Kabinetsplan aanpak administratieve lasten). De Wabo en de EDR doorkruisen daarmee de wettelijke regeling van artikel 229b Gemeentewet. Dat is de reden dat de tarieventabel in drie titels is verdeeld. Soms alleen kopieerkosten door te berekenen Soms mogen slechts bepaalde kosten voor een dienst worden doorberekend. Zie bijvoorbeeld de artikelen 2:11, tweede lid, 3:11, derde lid, en 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 19.1b van de Wet milieubeheer. Een aantal van deze artikelen is aan de orde geweest in de uitspraken van Hof Amsterdam 21 december 2001, nr. 00/2665, Belastingblad 2002, blz. 959, en van Hof Arnhem van 27 augustus 2002, nr. 01/01610, LJN: AE
  16. Een redelijke uitleg van deze wettelijke bepalingen leidt naar het oordeel van de hoven tot de conclusie dat voor het verstrekken van kopieën als de onderhavige uitsluitend de kosten van het vervaardigen van kopieën, afschriften etc. in enge zin door middel van het heffen van leges in rekening mogen worden gebracht. Tot de kosten die in dat geval in rekening mogen worden gebracht behoren onder meer wel de arbeidskosten van het kopiëren zelf, maar niet de kosten van het opzoeken en weer opbergen van de desbetreffende originelen. Het kosteloos ter inzage leggen c.q. geven, zoals de wet dat in deze gevallen voorschrijft, impliceert eventuele opzoek- en opbergwerkzaamheden en de daaraan te besteden tijd. Artikel6Wijze van heffing Op grond van artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. In de verordening is in beginsel gekozen voor de heffing op andere wijze, omdat deze wijze van heffing wordt gekenmerkt door een grote mate van vormvrijheid, wat goed aansluit bij het karakter van de heffing van leges. Artikel7Termijnen van betaling Eerste lid In de praktijk zullen aanvragers van diensten waarvoor leges geheven worden vaak aan het loket verschijnen. Kan de aanvraag onmiddellijk in behandeling worden genomen dan ligt het voor de hand dat de leges onmiddellijk worden betaald. Hierin voorziet het bepaalde in het eerste lid. Als de kennisgeving mondeling wordt gedaan, dan dient er betaald te worden op het moment van het doen van de kennisgeving. Wordt de kennisgeving (bijvoorbeeld een nota) uitgereikt, dan dient er betaald te worden op het moment van het uitreiken van de kennisgeving. Wordt de kennisgeving toegezonden, dan is in het eerste lid, onderdeel b, bepaald dat binnen 14 dagen betaald moet worden. De dagtekening van de kennisgeving (bijvoorbeeld een stempelafdruk) is onder andere van belang voor de belastingplichtige in verband met de termijn waarbinnen hij bezwaar kan maken tegen het van hem gevorderde bedrag. Het tijdstip waarop uiterlijk betaald moet worden is van belang voor het eventueel in gang zetten van de dwanginvordering. Het ontstaan van de (materiële) belastingschuld is overigens niet in de verordening geregeld. Dit hangt samen met het feit dat bij de leges het ontstaan van de belastingschuld samenvalt met het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet. Dienstverlening afhankelijk stellen van betaling? De vraag is of het al of niet verlenen van de dienst afhankelijk gesteld kan worden van het al of niet betalen van de leges. De Invorderingswet 1990 gaat uit van een open systeem van invorderingsmaatregelen. Dit betekent dat de belastingontvanger (invorderingsambtenaar) dezelfde bevoegdheden heeft als andere schuldeisers. Daarnaast beschikt hij over bijzondere bevoegdheden op grond van de Invorderingswet
  17. Niet uitgesloten is dat dit open systeem van de Invorderingswet 1990 het mogelijk maakt het verlenen van de dienst afhankelijk te stellen van de betaling van de leges. Voor dit standpunt is steun te vinden in de parlementaire behandeling van Invorderingswet
  18. Door de vaste Commissie voor Financiën werd de regering onder andere gevraagd in te gaan op de stelling van de Unie van Waterschappen dat het uit overwegingen van behoorlijk bestuur niet mogelijk is om de afgifte van een vergunning afhankelijk te maken van het betaald zijn van leges. Het antwoord van de regering luidde: ‘De door de Unie geponeerde stelling kunnen wij in haar algemeenheid niet onderschrijven. Veelal zal het juist passend zijn dat een prestatie door een overheidsorgaan wordt verricht als er zekerheid is dat ervoor betaald wordt. Dit is ook in het merendeel van de gevallen de praktijk. Men denke bijvoorbeeld aan de afgifte van paspoorten’ (Kamerstukken II 1990-1991, 20588, nr. 34). Ook artikel 4:85, tweede lid, Awb gaat ervan uit dat zich bij de leges situaties kunnen voordoen, dat bij niet of niet-tijdige betaling een aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Dit kan uitsluitend in het geval de gemeente niet verplicht is een aanvraag te behandelen zolang het verschuldigde geldbedrag niet is betaald. Dan zijn bepalingen over invordering en dergelijke immers niet nodig. Zie de toelichting daarop in Kamerstukken II 2003–2004, 29702, nr. 3, pag. 31, Vierde tranche Awb. Als de aanvraag wel in behandeling wordt genomen en bij apart besluit leges worden geheven, geldt de uitzondering niet en is titel 4.4 van de Awb van toepassing. Wij wijzen verder op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 1999, LJN: AA3777, (JG 99.0184). De bestuursrechter besliste dat de gemeente een marktvergunning mocht intrekken voor iemand die al gedurende langere tijd niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende betalingsverplichtingen had voldaan. De gemeente had die mogelijkheid tot intrekking in haar verordening op de straathandel opgenomen. Bij dit alles merken wij nog op dat de dienstverlening soms niet afhankelijk kan worden gesteld van de betaling. De wet bepaalt bijvoorbeeld dat alleen voorwaarden aan de vergunningverlening kunnen worden verbonden die strekken tot bescherming van de belangen, waarop de voorschriften waarvoor de vergunning wordt verleend, betrekking hebben. Het stellen van een financiële voorwaarde is dan niet mogelijk. Zie bijvoorbeeld artikel 8, eerste lid, en artikel 11, derde lid, van de Woningwet. Tweede lid Deze bepaling is van belang voor het einde van betaaltermijnen. Als de laatste dag voor de betaling een algemeen erkende feestdag, zondag of zaterdag is, schuift deze laatste betaaldag door het bepaalde in het tweede lid niet op naar de eerstvolgende werkdag. Artikel8Kwijtschelding In de verordening is gekozen voor een bepaling in de verordening die regelt dat in het geheel geen kwijtschelding van leges wordt verleend. Reden hiervan is dat het heffen van leges als een betaling voor een bepaalde prestatie van de gemeente is aan te merken. Om die reden wordt geen kwijtschelding van leges verleend. Artikel9Vermindering of teruggaaf De tarieventabel kent een aantal vermindering- en teruggaafbepalingen. Zo zijn in hoofdstuk 5 teruggaafbepalingen opgenomen voor de situaties dat de vergunningaanvraag voor een bouw-, aanleg- of sloopactiviteit tijdens de behandeling wordt ingetrokken, de vergunning op verzoek wordt ingetrokken zonder dat deze is gebruikt of de vergunning wordt geweigerd of door de rechter wordt vernietigd. De vermindering of teruggaaf kan ambtshalve worden toegepast (artikel 65 AWR) of op aanvraag worden verleend (artikel 242 Gemeentewet). De verminderingsbeschikking leidt tot een verlaging/neerwaartse aanpassing van de legesschuld. De teruggaafbeschikking laat de legesbeschikking intact, maar leidt er ook toe dat men een deel van de leges terugkrijgt. Artikel10Overdracht van bevoegdheden Bij wijzigingen in rijksregelgeving die gevolgen hebben voor de leges, kan de besluitvormingsprocedure voor belastingverordeningen (van ambtelijke voorbereiding tot en met raadsbesluit) belemmerend werken. Ook kan het gewenst zijn een redactionele wijziging op korte termijn door te voeren. Om de gewenste flexibiliteit en de te betrachten spoed te bereiken, kan de raad de bevoegdheid tot vaststelling van de Legesverordening aan het college overdragen (delegeren). Artikel 156, tweede lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet maakt dit mogelijk. In artikel 10 van de verordening is deze beperkte overdracht van die vaststellingsbevoegdheid aan het college niet van toepassing verklaard. Artikel11Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings- en invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten. Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het college. In verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling opgenomen dat het college nadere regels kan geven met betrekking tot de heffing en invordering van de betreffende belasting. Op deze wijze is het voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en ander uitgewerkt. Artikel13Inwerkingtreding en citeertitel In het eerste lid wordt de oude verordening ingetrokken, in het tweede lid wordt de inwerkingtreding geregeld, in het derde lid de datum van ingang van de heffing en in het vierde lid de citeertitel. Eerste lid Deze overgangsbepaling bewerkstelligt dat de oude verordening blijft gelden voor de belastbare feiten waarvan de heffing plaatsvindt in de periode tussen de datum van ingang van de heffing en de daarna gelegen datum van inwerkingtreding. Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude verordening, ook al is die verordening ingetrokken. Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht kan leiden tot onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034, BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr. 33.632). Op het voorblad is aangegeven waar en wanneer deze verordening is bekend gemaakt. Tweede lid Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking, houdt slechts in dat de gemeente voor dat tijdstip geen belastingaanslagen kan opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode vanaf de datum van ingang van de heffing. Derde lid In het derde lid is de datum van ingang van de heffing opgenomen. Vierde lid In het vierde lid is in de citeertitel een jaartal opgenomen. Dit jaartal wordt opgenomen, omdat de gemeente ieder jaar een nieuwe verordening vaststelt. Door het jaartal op te nemen is duidelijk voor welk jaar de verordening bedoeld is. Ondertekening Alle stukken die van de raad uitgaan moeten sinds 19 februari 2003 c.q. 7 maart 2003 worden ondertekend door de burgemeester (artikel 75, eerste lid, Gemeentewet) en griffier (artikel 107c Gemeentewet). 4 Toelichting op de tarieventabel ALGEMEEN1 InleidingDe tarieventabel maakt deel uit van de verordening. In de tarieventabel zijn diensten opgenomen waarvoor door de gemeente leges worden gevraagd. 2 Indeling van de tarieventabelGelet op artikel 229b van de Gemeentewet en de (on)mogelijkheden tot kruissubsidiëring als gevolg van de Europese Dienstenrichtlijn en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zie de toelichting op artikel 5 van de verordening) hebben wij de tarieventabel in drie titels onderverdeeld: titel 1 Algemene dienstverlening; titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning; titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn. De nummering van de onderdelen in de tarieventabel is als volgt: titel.hoofdstuk.onderdeel.subonderdeel.subsubonderdeel. Deze indeling ligt het meest voor de hand omdat een afdeling die belast is met het verlenen van bepaalde diensten, veelal ook de leges ter zake van die diensten in rekening zal brengen. Er is getracht diensten die door een zelfde afdeling worden verricht zoveel mogelijk in een zelfde hoofdstuk onder te brengen. KruissubsidiëringBinnen titel 1 is kruissubsidiëring mogelijk tussen de verschillende hoofdstukken. Hetzelfde geldt voor titel
  19. Op basis van artikel 13, tweede lid, van de Europese Dienstenrichtlijn geldt voor titel 3 dat slechts kruissubsidiëring binnen elk hoofdstuk mogelijk is. Een hoofdstuk in titel 3 betreft een individueel vergunningstelsel dan wel een cluster van samenhangende vergunningstelsels. Elk hoofdstuk van titel 3 dient de gemeente te controleren op kostendekkendheid. Indien uit controle blijkt dat er op het betreffende vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordt gemaakt, dienen de tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid. Een en ander betekent dat (ook) bij de leges een nauwkeurige, op controleerbare wijze vastgelegde kostentoerekening nodig is. Voor de tariefstelling moet de gemeente nagaan wat de kostprijs van de verschillende diensten is. Vervolgens kan de gemeente een beslissing nemen over de mate van kruissubsidiëring (voor zover mogelijk) tussen de verschillende diensten en de mate waarin zij het profijtbeginsel wil laten doorwerken in het tarief. 3 Belastbare feitIn de toelichting op artikel 2 van de verordening staat dat is gekozen voor het omschrijven van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’ en niet als ‘het afgeven van een vergunning’. Dit heeft namelijk als voordeel dat de leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag. 4 Hoogte van de tarievenIn de toelichting op de verordening is reeds aandacht besteed aan de tariefstelling en de kostendekkendheid van de leges. Voor een aantal diensten is de hoogte van het te heffen legesbedrag wettelijk geregeld. Dit geldt onder andere voor de diensten opgenomen in het Legesbesluit akten burgerlijke stand. Voor een aantal andere diensten is wettelijk geregeld dat de tarieven niet boven een bepaald bedrag uit mogen gaan. Stukken die worden verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703) behoeven niet gratis of tegen een gelimiteerd bedrag verstrekt te worden. Voor het door het rijk verstrekken van fotokopieën van schriftelijke stukken kunnen op grond van artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bij of krachtens algemene maatregel van bestuur tarieven vastgesteld worden. Deze tarieven binden gemeenten echter niet. 5 Te heffen bedrag moet blijken uit de verordeningEen belastingplichtige moet uit de (leges)verordening de hoogte van het van hem te heffen bedrag kunnen afleiden. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 217 van de Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat de belastingverordening onder andere het tarief moet vermelden. Dit wil niet zeggen dat de verordening het bedrag van de belasting moet vermelden. In zijn arrest van 22 juli 1985 (nr. 22.780, BNB 1985/259, Belastingblad 1985, blz. 493, gemeente IJlst) overwoog de Hoge Raad namelijk dat de verordening niet het bedrag van de belasting behoeft te vermelden, maar dat ook op andere wijze kan worden aangegeven tot welke belastingverplichtingen het belastbare feit leidt, mits daarbij op voldoende duidelijke wijze aan de belastingplichtige inzicht wordt gegeven in het beloop van het van hem te heffen bedrag. De bepaling in de verordening van de gemeente IJlst op grond waarvan bepaalde legesbedragen konden worden verhoogd met de kosten van door de gemeente in te winnen externe adviezen, gaf de belastingplichtige naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende inzicht in het beloop van het van hem te heffen bedrag, en was zodoende onverbindend. Het komt bij gemeenten regelmatig voor dat voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van een vergunning (bijvoorbeeld een bouwvergunning het advies van een extern bureau gevraagd wordt. Om de kosten van die externe adviesverlening toch te kunnen doorberekenen staat de gemeenten na het hiervoor genoemde arrest een aantal oplossingen ter beschikking. Allereerst kan ervoor worden gekozen de externe advieskosten in de bestaande tarieven te verwerken. Nadeel hiervan is dat de kosten niet individueel aan de aanvragers van de dienst kunnen worden toegerekend. Verder lijkt het opnemen van een maximumtarief voor het doorberekenen van externe advieskosten in bepaalde gevallen toelaatbaar te zijn. In het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 1989 (nr. 25.996, BNB 1989/127, Belastingblad 1989, blz. 320, gemeente Zoetermeer) wordt het vermelden van een maximum van ƒ 250.000,- niet toelaatbaar geacht omdat dit maximum zo hoog is dat het behoudens zeer uitzonderlijke gevallen geen wezenlijke functie vervult. Zodoende laat de bepaling naar het oordeel van de Hoge Raad de belastingplichtige in het onzekere omtrent de omvang van het van hem te heffen bedrag. De formulering van de Hoge Raad geeft aanleiding te veronderstellen dat indien een bepaling een maximumtarief bevat en de hoogte van dat tarief een wezenlijke functie vervult, de belastingplichtige op voldoende duidelijke wijze inzicht heeft in het beloop van het van hem te heffen bedrag. Toekomstige jurisprudentie zal nader invulling moeten geven omtrent de vraag in welke gevallen er sprake is van een maximumtarief dat een wezenlijke functie vervult. In verband met deze onzekerheid omtrent het al of niet toelaatbaar zijn van het hanteren van een maximumtarief is in de verordening geen gebruik gemaakt van deze wijze van doorberekenen van externe advieskosten. Ten slotte bestaat de mogelijkheid in de verordening van de zogenaamde 'begrotingsconstructie'. De systematiek van deze constructie is als volgt. Is voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning een extern advies noodzakelijk dan wordt door de externe adviseur opgaaf aan de gemeente gedaan omtrent de hoogte van de door hem ter zake van de aanvraag in rekening te brengen kosten. Deze kosten worden voor het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager van de vergunning meegedeeld middels een door of vanwege het college van burgemeester en wethouders opgestelde begroting. Gedurende een periode van vijf dagen na het overleggen van de begroting kan de aanvrager van de vergunning de aanvraag nog intrekken. Reageert de aanvrager niet binnen genoemde vijf dagen dan geldt als dag van het in behandeling nemen van de aanvraag de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht. De begrotingsconstructie is door het Hof 's-Gravenhage aanvaard in zijn uitspraak van 12 juli 1989 (nr. 2995/88, Belastingblad 1990, blz. 307, gemeente Zoetermeer). Zoals reeds eerder is opgemerkt kan de begrotingsconstructie worden gehanteerd bij het doorberekenen van de externe advieskosten bij aanvragen tot het verkrijgen van bouwvergunningen. Ook bij het doorberekenen van publicatiekosten kan deze constructie gebruikt worden. Overigens heeft de minister van Binnenlandse Zaken zich in het kader van het (inmiddels afgeschafte) preventief toezicht op belastingverordeningen op het standpunt gesteld dat het hanteren van de begrotingsconstructie uitsluitend toelaatbaar is voor het doorberekenen van externe advieskosten, en niet voor het doorberekenen van interne advieskosten. TOELICHTING PER HOOFDSTUKTitel 1Algemene dienstverleningAlgemeenDeze titel hebben wij ‘algemene dienstverlening’ genoemd ter onderscheiding van de twee andere titels. Binnen deze titel bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen. Hoofdstuk 1 Burgerlijke standKosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzettingIn artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld dat gemeenten gelegenheid moeten geven tot een kosteloze huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. De ambtenaar van de burgerlijke stand bepaalt de daarvoor bestemde dagen en uren. Sinds 1 maart 2010 is het niet meer mogelijk een huwelijk om te zetten in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Voor het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap is het voldoende als gelegenheid wordt gegeven tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap op het gemeentehuis. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap in een bijzonder huis als bedoeld in de onderdelen 1.1.3 of 1.1.4 van de tarieventabel. Onderdelen 1.1.1 en 1.1.2 Huwelijksvoltrekking, registratie partnerschap en omzettingArtikel 5, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand schept de mogelijkheid leges te heffen voor het voltrekken van een huwelijk, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap op andere dagen en uren dan waarop is bepaald dat dit kosteloos kan (zie Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting). De onderdelen 1.1.1 en 1.1.2 van de tarieventabel hebben dus betrekking op de huwelijken of registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van partnerschappen die niet kosteloos geschieden. Daarbij is de hoogte van de te heffen leges afhankelijk gesteld van de dag en het uur waarop het huwelijk of de registratie van het partnerschap wordt voltrokken of de omzetting van het geregistreerd partnerschap plaatsvindt. Ook andere vormen van differentiatie zijn denkbaar. Daarbij valt te denken aan het al of niet uitleggen van een loper (zie 1.1.13) of het gebruik maken van een grote of van een kleine zaal etc. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995) zijn tariefdifferentiaties anders dan op grond van de mate van dienstverlening mogelijk. In de memorie van toelichting van die wet wordt als voorbeeld gegeven het hanteren van een hoger tarief voor huwelijksvoltrekkingen van niet-ingezetenen van een gemeente, om te voorkomen dat het gemeentehuis wordt overstroomd met trouwlustigen die geen binding met de gemeente hebben. In afwijking van andere bepalingen in de tarieventabel is in de onderdelen 1.1.1 en 1.1.2 niet gekozen voor de omsch

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.