Beleidsregels Opiumwet 13b1.Inleiding Gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met drugshandel vanuit woningen[1] en niet voor het publiek toegankelijke lokalen. Artikel 13b Opiumwet (Wet Damocles) is het juridisch instrument om bestuurlijk op te treden tegen illegale verkooppunten en hennepplantages. Daarom is het, mede gelet op de totstandkoming van de bevoegdheid tot sluiting van woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen in artikel 13b Opiumwet, wenselijk beleidsregels te formuleren ten aanzien van de toepassing van deze bevoegdheid. In dit document staat beschreven onder welke omstandigheden en op welke wijze gebruik wordt gemaakt van het bestuurlijke dwangmiddel bij drugshandel en hennepteelt vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen. Een strikte handhaving is noodzakelijk om overlast en andere negatieve verschijnselen tegen te gaan. Het doel van dit beleid is om: - Te realiseren dat geconstateerde overtredingen gevolgd worden door een reactie die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de aard en de ernst van de overtreding (proportionaliteit en subsidiariteit); - Te bewerkstellingen dat er door de gekozen bestuursdwangmaatregel een einde komt aan de verboden situatie ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat; - Te bewerkstellingen dat herhaling van de overtreding wordt voorkomen; - Kenbaar te maken aan de burger welke maatregel hij van de overheid kan verwachten na een overtreding. 2.JURIDISCH KADER Opiumwet Artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Dit betekent dat de burgemeester bestuursdwang kan toepassen als de woning of het lokaal betrokken is bij drugshandel of hennepteelt. De burgemeester kan ten aanzien van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Strafrecht en bestuursrecht in de Opiumwet De Opiumwet stelt de in- en uitvoer van drugs, de vervaardiging, de verkoop, het bezit en het vervoer van drugs strafbaar. De strafrechtelijke kant van de Opiumwet is gericht op de aanpak van de handel en de handelaren. Het Openbaar Ministerie heeft niet de mogelijkheid om te beletten dat een lokaal of een woning gebruikt wordt voor drugshandel. De burgemeester heeft deze bevoegdheid wel. Artikel 13b van de Opiumwet is dan ook een bestuursrechtelijk element in de Opiumwet. Handel, teelt, gebruik en aanwezigheid van drugs hebben een nadelig effect op de openbare orde. Bij de handel in drugs wordt de aantasting van de openbare orde zonder meer aangenomen. De aantasting van de openbare orde is geabstraheerd, met andere woorden de openbare ordeverstoring hoeft niet door middel van feiten of omstandigheden te worden aangetoond. Voor toepassing van artikel 13b Opiumwet is uitdrukkelijk gesteld dat aantasting van de openbare orde of overlast niet hoeft te worden aangetoond. Het toepassen van bestuursdwang is erop gericht de handel in of vanuit een lokaal of woning te beëindigen en beëindigd te houden. De toepassing is dan ook meer gericht op de locatie (lokaal of woning) en in mindere mate op de belanghebbende. Algemeen Plaatselijke Verordening De gemeente Leeuwarden heeft een verbod op het binnentreden van een gesloten pand opgenomen in artikel 2.41 APV. Artikel 2.41 luidt: 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 4.De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Coffeeshopbeleid Het coffeeshop beleid, beschreven in de Beleidsnota Bijzondere Wetten: horeca, coffeeshop, prostitutie en kansspelen, beschrijft het toepassen van de Opiumwet wanneer drugs wordt verhandeld in voor publiek toegankelijke lokalen waarin een coffeeshop is gevestigd. Momenteel zitten er twaalf coffeeshops in de binnenstad en één aan het Zuidvliet, deze laatste valt onder het uitsterfbeleid. Leeuwarden heeft vastgelegd dat er maximaal twaalf coffeeshops gevestigd mogen zijn in Leeuwarden. Voor de handel in softdrugs moet de coffeeshop beschikken over een geldige gedoogverklaring. Voor het publiek toegankelijke lokalen Het handhavingsarrangement bijzondere wetten, horeca, coffeeshops, prostitutie en kansspelen beschrijft de kaders die de burgemeester hanteert bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet, wanneer het voor het publiek toegankelijke lokalen betreft. Deze beleidsregels gelden niet voor zover in dit onderwerp wordt voorzien in de hierboven genoemde nota’s. 3. INKADERING BELEID Deze beleidsnotitie beschrijft het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet als het gaat om woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen. In regionaal verband is een hennepconvenant afgesloten waarin samenwerkingsafspraken zijn vastgelegd over het bestrijden van hennepteelt. Hierin is afgesproken dat de bestuursrechtelijke aanpak van hennepteelt aan de hand van artikel 13b van de Opiumwet lokaal wordt vormgegeven. Deze beleidsregels geven daar – onder meer – uitvoering aan. Het inzetten van artikel 13b Opiumwet is uitzonderlijk en wordt alleen ingezet in ernstige situaties. De maatregel is een herstelsanctie en niet bedoeld als straf. Sluiting is gericht op het herstel van de situatie en het weren en terugdringen van drugshandel in georganiseerd verband in en vanuit woningen. Het doel daarbij is om de bekendheid van de woning als drugspand, binnen het drugscircuit, te doorbreken. Ook is het doel om te verhinderen dat de woning wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de georganiseerde drugshandel. Van een ernstige situatie is sprake als het aannemelijk is dat drugshandel of hennepteelt in georganiseerd verband in of vanuit een woning of niet voor het publiek toegankelijk lokaal plaatsvindt, of als de aanwezigheid van drugs hierop duidt. Om te kunnen nagaan of er sprake is van een dergelijke aannemelijkheid is onderstaande indicatorenlijst samengesteld. De indicatorenlijst heeft een alternatief en geen cumulatief karakter. Ook op basis van enkele indicatoren kan aannemelijkheid aan de orde zijn. De indicatorenlijst is nadrukkelijk een hulpmiddel. Voor toepassing van de maatregel moet uiteraard altijd eerst gekeken worden of voldaan wordt aan de criteria van artikel 13b Opiumwet en de voorwaarden zoals gesteld in dit beleid. Indicatorenlijst: a. De hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I of lijst II van de Opiumwet. Daarbij ligt de grens bij de hoeveelheid die volgens het Openbaar Ministerie als voorraad voor eigen gebruik kan worden aangemerkt. Dit is voor harddrugs één bolletje, één pil of 0,5 gram. Voor softdrugs is dit maximaal 5 gram en voor hennep betreft dit maximaal 5 hennepplanten. Indien meer dan dergelijke hoeveelheden wordt aangetroffen, kan op grond van de jurisprudentie aangenomen worden dat het gaat om handel en hoeft er geen sprake te zijn van daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking. Daarnaast kan er sprake zijn van andere signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, grote som(men) geld, weegschaal, etc. b. De mate waarin de woning of niet voor het publiek toegankelijk lokaal betrokken is bij de drugshandel in georganiseerd verband. c. Er is sprake van gewelds- of andere openbare orde delicten. d. Er is sprake van één of meer (vuur) wapen (s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie. e. Er is een vermoeden van verwijtbaarheid van de bewoner(s)/betrokkenen. f. Er is een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkenen verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten, of zelf antecedenten heeft (hierbij moet met name worden gedacht aan antecedenten t.a.v. de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie, maar ook antecedenten op het gebied van geweld jegens personen of zaken, zoals mishandeling, bedreiging, vernietiging of diefstal e.d. kunnen een rol spelen. g. Er is sprake van recidive. h. Er is sprake van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II Opiumwet. i. De mate van gevaar voor in de omgeving, mate van risico voor omwonenden. j. De mate van overlast. k. Aannemelijkheid dat de woning of niet voor het publiek toegankelijke lokaal niet overeenkomstig de (woon)functie wordt gebruikt. l. Aannemelijkheid dat behalve de woning, het niet voor het publiek toegankelijke lokaal of het daarbij behorende erf nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij drugshandel in georganiseerd verband of als aanwezigheid van drugs hierop duidt. m. Overige feiten of omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband. 4. PROCEDURE Voorbereiding: De politie constateert aan de hand van een melding (bijvoorbeeld via Meld Misdaad Anoniem), een klacht van derden of door eigen onderzoek illegale drugshandel of hennepteelt vanuit een woning of niet voor het publiek toegankelijke lokaal. De feitelijke constatering van de verkoop, teelt, levering of verstrekking van drugs of het aantreffen van daartoe aanwezige drugs is voldoende om op grond van artikel 13b Opiumwet bestuurlijk op te treden. De politie verstrekt in dat geval een bestuurlijke rapportage aan de burgemeester, waarin alle relevante meldingen en feitelijke constateringen zijn opgenomen. De gemeente verzamelt en bundelt deze samen met eventuele waarschuwingsbrieven aan de bewoners, eigenaar of exploitant. Op grond van deze feiten kan de burgemeester uiteindelijk overgaan tot sluiting van de woning of niet voor het publiek toegankelijke lokaal. Belangenafweging De burgemeester zet voor het nemen van het besluit de gevolgen van zijn besluit af tegen de gevolgen die het met zich meebrengt voor de overtreder. De grondrechten van de overtreder (het huisrecht en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) worden meegewogen in het uiteindelijke besluit. Waarschuwing vooraf Bij bestudering van de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet, komt naar voren dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. Van een ernstige situatie is sprake als het aannemelijk is dat drugshandel in georganiseerd verband in of vanuit een woning of niet voor het publiek toegankelijke lokaal plaatsvindt, of als de aanwezigheid van drugs of teelt van hennep hierop duidt. Hiervoor is eerder genoemde indicatorenlijst ontwikkeld. Het uitgangspunt is dat bij harddrugs, meer dan 30 gram softdrugs of meer dan 20 hennepplanten altijd sprake is van een ernstige situatie en tot sluiting zal worden overgegaan. Bij het aantreffen van (alleen) een geringe handelshoeveelheid softdrugs of hennep kan bij een eerste overtreding worden volstaan met een waarschuwing. Bij herhaling van de overtreding binnen 2 jaar is op grond van de indicatorenlijst sprake van recidive en een ernstige situatie zodat alsnog sluiting zal volgen. [1] Proportionaliteit Met woning wordt ook bedoeld het daarbij behorende erf en daarop aanwezige opstallen. Onder woning kan ook een boot, caravan, woonwagen e.d. worden verstaan. Bij daadwerkelijke sluiting zal beoordeeld moeten worden of volstaan kan worden met een deel van de woning, het niet voor het publiek toegankelijke lokaal en/of het erf. Indien blijkt dat een op het erf van de woning gelegen opstal (bijvoorbeeld schuur/garage e.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.