vies van: de commissie Samenleving Overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van de langdurigheidstoeslag aan personen van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen; Besluit vast te stellen de: Verordening langdurigheidstoeslag luidende als volgt: HoofdstukIAlgemene bepalingen Artikel1Begrippen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de langdurigheidstoeslag ontstaat. inkomen: inkomen zoals omschreven in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor dezinsnede ‘een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen gezien. bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet. 2.Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet. II. Recht op langdurigheidstoeslag Artikel2Doelgroep Tot de doelgroep van deze regeling behoren personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de leeftijd waarop aanspraak op het AOW-pensioen ontstaat, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen hebben, als bedoeld in artikel 34 en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Artikel3Langdurig, laag inkomen Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende referteperiode het inkomen niet uitkomt boven 100 procent van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Artikel4Hoogte langdurigheidstoeslag 1.De hoogte van de langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar: voor gehuwden : € 500,00 voor een alleenstaande ouder : € 450,00 voor een alleenstaande : € 350,00 2.Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend. 3.De in het eerste lid genoemde bedragen gelden met ingang van 1 januari 2012 en worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd, waarbij gerelateerd aan de bijstandsnormen en naar boven afgerond op hele bedragen. III. Slotbepalingen Artikel5– Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in deze verordening. Artikel6– Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening langdurigheidstoeslag. Artikel7– Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
artikel 1 Door qua begripsbepalingen aan te sluiten bij de WWB, wordt voorkomen dat na eventuele wijzigingen van begripsomschrijvingen de verordening moet worden aangepast. Met betrekking tot het begrip inkomen is een van de WWB afwijkende definitie opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht heeft gegeven om in de verordening regels te geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ is de gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36 lid 1 WWB nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde) invulling van het begrip inkomen in artikel 36 lid 1 WWB, maar wordt de wetstechnische imperfectie weggenomen.
artikel 2 De omschrijving van de doelgroep sluit aan op artikel 36 WWB. De passage ‘de leeftijd waarop aanspraak op het AOW-pensioen’ vervangt de omschrijving ’65 jaar’ zoals opgenomen in de wet, vooruitlopend op de wijzigingen die worden doorgevoerd in de AOW. Voor de bepaling ‘geen uitzicht heeft op inkomensverbetering’ is, zoals gezegd, een aparte beleidsregel opgesteld.
artikel 3 Laag inkomen Gemeenten hebben de vrijheid om een inkomensgrens te kiezen. Onder laag inkomen wordt in deze verordening verstaan: een netto maandinkomen van maximaal 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Marginale overschrijdingen van deze 100%-grens dienen genegeerd te worden. Overschrijding van de grens wordt aanvaardbaar geacht als het gaat om uitkeringen die het karakter van een inkomen op bijstandsniveau hebben, aldus constante jurisprudentie. Er is niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe te kennen bij een inkomen boven bijstandsniveau. Dit, omdat het ongewenste armoedeval-effecten in zich heeft. Weliswaar doen deze effecten zich ook voor bij de grens van 100% van de bijstandsnorm, maar zullen belanghebbenden die uitstromen doorgaans een dermate hoger inkomen ontvangen, dat het verlies van de langdurigheidstoeslag feitelijk minder wordt gevoeld. Bij een hogere inkomensgrens bestaat er een risico dat belanghebbende gedurende zijn werkende leven blijft steken bij een inkomen van bijvoorbeeld 110% van de bijstand (Haarlems minimumniveau). Daarnaast omdat het in aanmerking te laten komen van belanghebbenden met een inkomen van bijvoorbeeld 110% van de bijstand niet valt te rijmen met de wettelijke uitsluiting van AOW-gerechtigden. Zij zijn immers uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen uit AOW al voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar. Langdurig De referteperiode is 60 maanden en wordt in deze verordening opgenomen. Hiermee is invulling gegeven aan het begrip langdurig.
artikel 4 Lid 1 De hoogte van de toeslag is aan de gemeente om in te vullen. De hoogte in deze verordening is gebaseerd op de hoogte van de langdurigheidstoeslag van voor 1 januari 2009. Deze hoogte van de langdurigheidstoeslag is het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm en het AOW-pensioen. Vanwege de volgende redenen is gekozen om aan te haken bij de huidige normbedragen: · bij het vaststellen van een lagere toeslag zou minder recht gedaan worden aan het karakter van de langdurigheidstoeslag, een extra voorziening voor – vaak onverwachte –vervangingsuitgaven. Een te hoog bedrag kan leiden tot het optreden van een armoedeval. Immers, wordt op enig moment een hoger inkomen bereikt, dan vervalt direct de hele toeslag. Lid 2 Spreekt voor zich. Lid 3 Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is er voor gekozen om de hoogte jaarlijks per 1 januari te indexeren aan de hand van de nieuwe bijstandsnormen.
Het college beslist in uitzonderingsgevallen waarin de Verordening Langdurigheidstoeslag niet voorziet.
Spreekt voor zich.
Bij de inwerkingtreding is aangesloten bij de inwerkingtreding van het Raadsstuk ‘Samen voor elkaar: groeien naar financiële zelfredzaamheid’ op 1 januari 2013.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.