Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Slochteren 2012-ADe raad van de gemeente Slochteren; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 20 november 2012; gezien het advies van het Platform Werk en Inkomen d.d. 14 november 2012; gelet op de relevante artikelen van de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet werk en bijstand; overwegende dat op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdelen b en h, van de Wet werk en bijstand bij verordening regels dienen te worden gesteld met betrekking tot het verlagen van de bijstand, zoals bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid, en artikel 18, tweede lid, van die wet; b e s l u i t : vast te stellen de volgende: “AFSTEMMINGSVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND GEMEENTE SLOCHTEREN 2012-A” HOOFDSTUK1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsomschrijving 1.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand; Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Slochteren; de bijstand: de algemene en de bijzondere bijstand; de norm: de norm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet, vermeerderd met eventueel ontvangen bijzondere bijstand voor toeslag levensonderhoud; de belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde die bijstand ontvangt of ontving in of na de periode waarop de afstemmingswaardige gedraging betrekking heeft. Indien het gehuwden betreft wordt hieronder elk van de echtgenoten verstaan; de inlichtingenplicht: de verplichting zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 38, tweede lid, van het Bbz; de medewerkingsplicht: de verplichting zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet en artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; de gedraging: het handelen of nalaten; het trajectplan: het individueel plan, gericht op de vergroting van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces of op de deelname aan sociale activiteiten; het benadelingsbedrag: het bruto ten onrechte of teveel ontvangen bedrag aan bijstand; algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van betaalde arbeid, niet zijnde werk in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, prostitutie, illegaal werk of werk dat ernstige gewetensbezwaren oproept; te snel interen op het beschikbare vermogen: meer interen dan anderhalf maal de voor de belanghebbende geldende norm. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel2.Verlaging van de bijstand 1.Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig deze verordening en op grond van artikel 18 van de wet in geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan van de belanghebbende of wanneer de belanghebbende de inlichtingen- en medewerkingsplicht niet of onvoldoende nakomt. 2.Het besluit om de bijstand te verlagen bevat tenminste de reden van de verlaging, de periode waarover deze wordt toegepast en het percentage van de verlaging. Als de verlaging naar boven of beneden afwijkt van de standaardverlaging, motiveert het college deze afwijking. 3.De verlaging wordt toegepast op de norm en/of bijzondere bijstand. 4.De verlaging gaat in op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop het besluit tot verlaging bekend is gemaakt of in geval van bijzondere bijstand bij toekenning hiervan. 5.Voor zover de bijstand nog niet is betaald, kan de verlaging in afwijking van het voorgaande lid toegepast worden op een nog uit te betalen periode uit het verleden. 6.Indien de verlaging niet meer kan worden toegepast op een nog uit te betalen periode, kan deze worden opgelegd over de periode waarin de gedraging plaatsvond of aanving. 7.De verlaging wordt toegepast op de norm geldend in de maand van effectuering van de verlaging. 8.Een verlaging kan ook worden toegepast op de bijzondere bijstand en op bijstand voor woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen, of hebben ontvangen. 9.In afwijking van het vierde lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. Artikel3.Afzien van de verlaging 1.Het college ziet af van een verlaging van de bijstand indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of; er tussen een verwijtbaar geachte gedraging en de constatering hiervan meer dan twaalf maanden zijn verstreken, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Artikel4.Heroverweging Het college heroverweegt eens per drie maanden het besluit tot het verlagen van de bijstand voor zolang deze verlaging voortduurt. Artikel5.Langdurigheidstoeslag Op de langdurigheidstoeslag vindt geen verlaging plaats. Artikel6.Waarschuwing en dringende redenen 1.Het college kan afzien van het verlagen van de bijstand en volstaan met een schriftelijke waarschuwing bij een verwijtbare gedraging in de eerste categorie, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van deze verordening, als de gedraging niet plaatsvindt binnen een periode van twee jaar na de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 2.Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van de tenuitvoerlegging van een verlaging van de bijstand als er sprake is van zeer dringende redenen. HOOFDSTUK2.Verwijtbare gedragingen en verlagingen Artikel7.Gedragingen De gedragingen, zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, worden onderscheiden in de volgende categorieën. 1.Eerste categorie: vervallen. het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het UWV WERKbedrijf, of de organisatie bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de wet. 2.Tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen; het onvoldoende inzet tonen ten aanzien van re-integratie; een houding aannemen en/of gedrag vertonen welke belemmerend werkt voor de re-integratie; het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet. 3.Derde categorie: het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of niet tijdig aanvragen of voortzetten van een voorliggende voorziening voor levensonderhoud of als verwijtbaar het recht op een voorliggende voorziening niet (volledig) ten gelde gemaakt kan worden. Zoals in geval van het verrekenen van een (bestuurlijke) boete als gevolg van het niet of niet tijdig naleven van de inlichtingenplicht, of een opgelegde maatregel als gevolg van het niet (voldoende) of niet tijdig nakomen van één of meer overige verplichtingen; het zich zodanig gedragen tijdens een gesprek met een werkgever dat een baan die beschikbaar was niet meer wordt aangeboden; het niet nakomen van de verplichting tot het gebruikmaken van geboden re-integratievoorzieningen, waaronder begrepen het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie waaronder begrepen sociale activering en vrijwilligerswerk; niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak, als bedoeld in artikel 44a van de wet; het onvoldoende inspannen om gedurende de periode van vier weken na de melding, als bedoeld in artikel 44 van de wet, algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen door jongere meerderjarigen waarop artikel 41, vierde lid, van de wet van toepassing is. 4.Vervallen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.